Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2020-05-06
ECLI:NL:RBAMS:2020:2421
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,567 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/679717 / HA ZA 20-193
Vonnis in het bevoegdheidsincident van 6 mei 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VESTEDA INVESTMENT MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het bevoegdheidsincident,
hierna: Vesteda,
advocaat mr. H.W. van Yperen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] (Spanje),
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het bevoegdheidsincident,
hierna: [gedaagde] ,
advocaat mr. E. Doornbos.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 22 oktober 2019, waarin ook een exhibitie-incident is opgeworpen, met bijlagen (hierna: producties);
de conclusie inroepen onbevoegdheidsincident;
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het bevoegdheidsincident.
Geschil
in de hoofdzaak
2.1.
Vesteda vordert – kort samengevat – dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld:
in het exhibitie-incident
om binnen twee weken na het vonnis bepaalde financiële bescheiden met betrekking tot [betrokken B.V.] B.V. (hierna: [betrokken B.V.] ) aan Vesteda te (laten) overhandigen, op straffe van verbeurte van een bepaalde dwangsom als [gedaagde] hieraan niet voldoet;
in de kosten van dit incident;
in de hoofdzaak
om binnen twee weken na betekening van het vonnis € 45.604,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding, te betalen aan Vesteda;
in de kosten van het geding.
2.2.
[gedaagde] heeft nog niet inhoudelijk gereageerd in het exhibitie-incident en in de hoofdzaak.
in het bevoegdheidsincident
2.3.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaart met veroordeling van Vesteda in de kosten van de procedure, omdat [gedaagde] in Spanje woont en niet valt in te zien waarom de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft.
2.4.
Vesteda heeft als verweer aangevoerd dat [gedaagde] op grond van artikel 7, aanhef en tweede lid, Brussel I bis-Verordening ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. In dit geval heeft een Nederlandse vennootschap (Vesteda) schade geleden door het optreden van [gedaagde] als [functie] van een andere Nederlandse vennootschap ( [betrokken B.V.] ) in het kader van een tussen die vennootschappen gesloten huurovereenkomst ten aanzien van een pand in Nederland, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is deze zaak te behandelen.
Beoordeling
3.1.
In de hoofdzaak acht Vesteda [gedaagde] als voormalig [functie] van [betrokken B.V.] uit hoofde van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek persoonlijk aansprakelijk voor betaling van de huurachterstand van [betrokken B.V.] en van de nevenvorderingen waartoe [betrokken B.V.] overigens is veroordeeld in haar procedure met Vesteda. Dit geschil kwalificeert als een handelszaak en heeft vanwege de woonplaats van [gedaagde] in Spanje een internationaal karakter. Gelet hierop is op deze zaak de Brussel I bis-Verordening van toepassing.
3.2.
Op grond van artikel 4, eerste lid, Brussel I bis-Verordening geldt als uitgangspunt dat [gedaagde] vanwege haar woonplaats in Spanje moet worden opgeroepen voor de gerechten van Spanje.
3.3.
Op grond van artikel 7, aanhef en tweede lid, Brussel I bis-Verordening kan [gedaagde] ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad echter ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europe Unie, moet het begrip ‘verbintenis uit onrechtmatige daad’ autonoom worden uitgelegd en omvat dit elke vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Brussel I bis-Verordening. Dit begrip ‘verbintenis uit overeenkomst’ veronderstelt dat een partij jegens een andere partij vrijwillig een verbintenis is aangegaan (vergelijk ECLI:EU:C:2015:574, Holterman Ferho/Spies).
3.4.
Vesteda houdt [gedaagde] als voormalig [functie] persoonlijk aansprakelijk voor verbintenissen die [betrokken B.V.] vrijwillig is aangegaan met Vesteda. Deze aansprakelijk-stelling houdt dus geen verband met een verbintenis die [gedaagde] in privé vrijwillig met Vesteda is aangegaan. Gelet hierop gaat de vordering in de hoofdzaak uit van een verbintenis uit onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 7, tweede lid, Brussel I bis-Verordening.
3.5.
Gelet op het bovenstaande kan [gedaagde] ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het gestelde schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Deze plaatsbepaling doelt volgens vaste rechtspraak van Hof van Justitie van de Europe Unie zowel op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen. Dit kan bijvoorbeeld de plaats zijn waar een bestuurder van een vennootschap zijn functie verrichtte of de plaats waar de door de vennootschap gestelde schade zich concreet voordoet (vergelijk ECLI:EU:C:2015:574, Holterman Ferho/Spies).
3.6.
Vesteda stelt in de hoofdzaak dat [gedaagde] een onrechtmatigde daad heeft gepleegd. Deze onrechtmatige daad zou er uit hebben bestaan dat zij als voormalig [functie] van [betrokken B.V.] heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat [betrokken B.V.] haar betalingsverplichtingen als huurder tegenover Vesteda als verhuurder niet is nagekomen, aangezien zij de huurovereenkomst ondanks de betalingsonwil of –onmacht van [betrokken B.V.] niet eerder heeft opgezegd. Deze huurovereenkomst had betrekking op een pand met parkeerplaats in Amsterdam. Vesteda heeft haar schade in de hoofdzaak begroot op de door [betrokken B.V.] opgelopen huurachterstand, vermeerderd met wettelijke rente en de kosten om deze schade in een procedure tegen [betrokken B.V.] vergoed te krijgen. De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam heeft in deze procedure tussen Vesteda en [betrokken B.V.] vastgesteld dat [gedaagde] destijds samen met – naar de rechtbank begrijpt – haar echtgenoot de [zakenfunctie] en [functie] van [betrokken B.V.] waren, dat zij het gehuurde pand bewoonden en dat zij toestemming hadden om daar ook zakelijk bezoek te ontvangen voor [betrokken B.V.] (productie 7 bij dagvaarding). Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat Amsterdam de plaats is van waaruit [gedaagde] haar functie als [functie] van [betrokken B.V.] feitelijk heeft verricht, zodat Amsterdam de plaats is van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat. Aangezien Vesteda ook kantoor houdt en gevestigd is in Amsterdam, de huurachterstand betrekking heeft op panden en een parkeerplaats in Amsterdam en de gevorderde proceskosten betrekking hebben op een procedure voor de kantonrechter in Amsterdam, moet de door haar gestelde schade ook geacht worden zich concreet te hebben voorgedaan in Amsterdam. Gelet hierop mag [gedaagde] ook worden opgeroepen voor de rechtbank Amsterdam.
3.7.
Aangezien de rechtbank Amsterdam alternatief bevoegd is, zal deze incidentele vordering worden afgewezen en [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld van de proceskosten van Vesteda in dit incident, begroot op € 543,00 aan salaris advocaat (1 punt x tarief € 543,00).
Dictum
De rechtbank
in het bevoegdheidsincident
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Vesteda, begroot op € 543,00;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis aan de zijde van Vesteda ontstane nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;
4.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
in het exhibitie-incident
4.5.
verwijst de zaak naar de rol van 20 mei 2020 voor conclusie van antwoord in het exhibitie-incident aan de zijde van [gedaagde] ;
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in de hoofdzaak
4.7.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2020.
De Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 november 2014, PbEU 2015, L 54 (hierna: Brussel I bis-Verordening).