Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-12-10
ECLI:NL:RBAMS:2019:9128
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
875 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/994030-19
Datum uitspraak: 10 december 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
(voorheen) gevestigd op het adres [vestigingsadres] , [vestigingsplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
zij in de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 december 2016 te Woudenberg, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op haar bedrijf met relatie-nummer [nummer] al dan niet opzettelijk,
gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2015 een groter aantal leghennen, te weten 43.421 pluimvee-eenheden heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 25.331 pluimvee-eenheden
en/of
gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten 44.929 pluimvee-eenheden heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 23.081 pluimvee-eenheden.
3Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De rechtbank komt tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.
Het dossier bevat een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 9 september 2019. Uit dit uittreksel blijkt dat [verdachte] (verdachte) per 31 oktober 2017 is ontbonden. De vennootschap is per 8 oktober 2018 daadwerkelijk uitgeschreven uit het handelsregister.
De dagvaarding in deze zaak is gedateerd op 12 september 2019 en eind september 2019 betekend aan een vertegenwoordiger van verdachte.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat als op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor derden kenbaar is dat een rechtspersoon (of een daarmee gelijkgestelde entiteit) is ontbonden, het recht tot strafvordering als vervallen moet worden beschouwd.
Uit het dossier komen geen omstandigheden naar voren op grond waarvan de vervolging vóór 12 september 2019 is aangevangen. De rechtbank stelt daarom vast dat deze vervolging op 12 september 2019 is aangevangen. Op dat moment was al voor derden kenbaar dat de vennootschap was ontbonden, zodat op dat moment het recht tot strafvordering al was komen te vervallen.
Dictum
De rechtbank komt op grond hiervan tot de volgende beslissing.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.W. Pieters, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en R.K. Pijpers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2019.
Mr. Pijpers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Hoge Raad 2 oktober 2017, NJ 2008, 555 (ECLI:NL:HR:2007:BA5825).