Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-06-14
ECLI:NL:RBAMS:2019:4300
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,038 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/684133-17; 13/689125-15 (TUL)
Datum uitspraak: 14 juni 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres 1] , [plaats] .
1Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2019. Verdachte was hierbij aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, naar voren hebben gebracht en van wat de benadeelde partij, [benadeelde partij] en haar raadsman, mr. C.J. Nierop, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op 31 mei 2019 – samengevat – ten laste gelegd dat hij op 9 maart 2017 opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan zijn (ex)partner heeft toegebracht, door haar met een bloempot tegen het hoofd/lichaam te slaan (primair), dan wel dat hij heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), dan wel dat hij haar heeft mishandeld (meer subsidiair).
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.
3Vrijspraak
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde zware mishandeling kan worden bewezen. Aangeefster heeft tijdens haar 112-melding al aangegeven dat haar man haar heeft geslagen en ook blijkt uit die melding dat sprake is geweest van een ruzie. Er is daarnaast een 112-melding gedaan door een medewerker van het CBS die aangeefster uit het raam heeft zien hangen terwijl zij riep: “Mijn man heeft mij geslagen, bel 112.” De verklaring van aangeefster wordt ook ondersteund door de beschrijving van de verbalisanten over wat zij aantroffen toen zij op 9 maart 2019 na de melding naar de woning van aangeefster zijn gegaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een worsteling met aangeefster heeft plaatsgevonden, dat aangeefster vervolgens is gevallen, in die val de bloempot heeft meegenomen en dat zij toen waarschijnlijk met haar hoofd in de scherven terecht is gekomen. Deze verklaring is onbetrouwbaar, nu verdachte niet eerder met deze verklaring is gekomen. Ook wordt deze verklaring niet ondersteund door het procesdossier. Er is geen letsel bij verdachte aangetroffen dat duidt op een worsteling. Verdachte heeft verklaard na het voorval naar een vriend, ene ‘ [persoon 1] ’ in de [adres 2] te zijn gegaan, maar deze persoon is niet gevonden.
Het letsel dat verdachte aangeefster heeft toegebracht, moet worden gezien als zwaar lichamelijk letsel. Aangeefster heeft zesentwintig hechtingen in haar hoofd gekregen, zoals blijkt uit de letselverklaring, en zij heeft hier twee behoorlijke littekens aan overgehouden. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 3 juli 2018, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2018:1085, kunnen deze littekens, gelet op de mate van ontsiering en de pijnklachten, worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit de verklaringen van aangeefster blijkt dat zij, omdat zij dronken was, niet weet te vertellen wat er precies is gebeurd. Uit haar verklaringen blijkt niet dat zij is geslagen door verdachte. Zij kan zich niet herinneren hoe zij aan het letsel is gekomen. De verwarde toestand van aangeefster wordt bevestigd door de medewerker van het CBS en door de politie.
Het letsel dat bij aangeefster is aangetroffen, kan ook worden verklaard vanuit het door verdachte geschetste scenario, dat aangeefster tijdens een ruzie, na een worsteling is gevallen in de scherven van de bloempot. Het letsel past net zo goed, zelfs beter bij het door verdachte geschetste scenario. Gelet op het drankgebruik van aangeefster is het ook waarschijnlijker dat zij is gevallen, temeer nu dit drankgebruik gecombineerd werd met medicijngebruik. Bijwerkingen van het door aangeefster gebruikte Oxazepam zijn namelijk ‘slappe spieren, verminderde coördinatie en geheugenproblemen.’ ‘U kunt eerder vallen,’ zo wordt beschreven op apotheek.nl. Verdachte heeft steeds consistent verklaard en zijn alternatieve scenario kan niet worden uitgesloten. Daarom dient vrijspraak te volgen.
3.3
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en overweegt daartoe als volgt. Het staat vast dat aangeefster op 9 maart 2017 nare verwondingen heeft opgelopen. Uit het procesdossier is gebleken dat aangeefster vermoedelijk onder invloed was en zich niet kan herinneren wat er is gebeurd en op welke wijze het letsel is ontstaan. Er zijn aanwijzingen dat het letsel is ontstaan tijdens een ruzie met verdachte, met wie zij jarenlang een complexe relatie heeft gehad waarin over en weer sprake was van geweld. Dat aangeefster door verdachte met een bloempot op haar hoofd is geslagen, zoals ten laste is gelegd, kan echter niet uit het dossier worden afgeleid. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is en daarom dient verdachte te worden vrijgesproken.
4Ten aanzien van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 171,- aan materiële schadevergoeding en € 1.750,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor de door haar geleden schade. Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
5Vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 18 maart 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/689125-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 21 april 2016 door de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, met bevel dat een gedeelte van die straf, te weten 30 uur, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken, zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tenuitvoerlegging.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/689125-15.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch voorzitter,
mrs. P.L.C.M. Ficq en R.C.J. Hamming, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juni 2019.
[...]