Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2019-02-12
ECLI:NL:RBAMS:2019:1232
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,255 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752005-18
RK nummer: 18/8156
Datum uitspraak: 12 februari 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 november 2018 door de Procureur de la République près du Tribunal de Grande Instance de Strasbourg (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
3.1.
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 19 november 2018 door rechter-commissaris bij de rechtbank van Straatsburg, parketnummer: 18292000045, nummer vooronderzoek JIJI218000032.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Frankrijk strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.2.
De raadsman heeft betoogd dat het dossier onvolledig is, omdat het EAB is uitgevaardigd door een assistant Public Prosecutor in plaats van door een competente rechterlijke autoriteit. De raadsman is daarom van mening dat de overlevering dient te worden geweigerd.De rechtbank verwerpt het verweer. De rechtbank overweegt hiertoe dat het nationale aanhoudingsbevel en het EAB beide zijn uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit. Het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ doelt namelijk op de autoriteiten die in de lidstaten deelnemen aan de strafrechtsbedeling, met uitsluiting van politiediensten (HvJ EU 10 november 2016, C-452/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:858 (Poltorak), punt 38) en het Openbaar Ministerie, waar een assistant Public Prosecutor onder valt, is een autoriteit die tot taak heeft in een lidstaat deel te nemen aan de rechtsbedeling in strafzaken (HvJ EU 10 november 2017, C-453/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:860 (Özçelik), punt 34).
4Genoegzaamheid
De raadsman heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt op welke gronden de uitvaardigende justitiële autoriteit de verdenking baseert. De raadsman is daarom van mening dat de overlevering dient te worden geweigerd.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feitsomschrijving voldoet aan de eisen die artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, OLW daaraan stelt en dat het op basis van deze omschrijving voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De naleving van het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd. De opgeëiste persoon wordt er van verdacht zich op 12 oktober 2018 te Vendenheim schuldig te hebben gemaakt aan diefstal voorafgegaan door geweld. Niet is vereist dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van de verdenking vermeldt. Het is immers niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking, dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen.
5Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
6Detentieomstandigheden in Frankrijk
De raadsman heeft betoogd - zakelijk weergegeven - dat er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon, mede gelet op zijn oorproblemen, in Frankrijk onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De raadsman is daarom van mening dat de overlevering dient te worden geweigerd, dan wel dat de zaak dient te worden aangehouden zodat de uitvaardigende justitiële autoriteit kan garanderen dat de opgeëiste persoon een adequate medische behandeling krijgt.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.
In zijn arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur de la République près du Tribunal de Grande Instance de Strasbourg ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. C.A. van Dijk en H.G. van der Wilt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2019.
De jongste rechter en oudste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.