Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2018-01-30
ECLI:NL:RBAMS:2018:2098
Internationaal publiekrecht
Rekestprocedure
2,872 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752056-17
RK nummer: 17/7519
Datum uitspraak: 30 januari 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 september 2017 door the Regional Court in Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB, aangevuld (en ten aanzien van het jaartal verbeterd) bij brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 november 2017, wordt melding gemaakt van een vonnis van the District Court in Gryfino van 11 juni 2014, met kenmerk: II K 97/14.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel E. van het EAB en de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 november 2017. Gewaarmerkte fotokopieën hiervan zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
4.1
Uit onderdeel D. van het EAB volgt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 11 juni 2014 heeft geleid. In onderdeel D. van het EAB staat ook het volgende vermeld:
the person was summoned in person on the 10th June 2014 and thereby informed of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision and was informed that a decision may be handed down if he or she does not appear for the trial
Op vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van 12 december 2017, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder andere als volgt geantwoord bij brief van 19 december 2017:
The judicial trial term was scheduled by the Court for the 11th June 2014, while [opgeëiste persoon] in person collected the letter sent by the post from the Court, containing information about the term of the judicial trial at which judgement was to be passed. He confirmed the collection of the letter by his sign manual on the acknowledgement of receipt.
Uit onderdeel F. van het EAB volgt dat de tenuitvoerlegging van de op 11 juni 2014 opgelegde straf onder voorwaarden is opgeschort en dat bij beslissing van 16 februari 2016 de tenuitvoerlegging is bevolen door the District Court in Gryfino (kenmerk: II Ko 74/16).
4.2
De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in 2014 tot een voorwaardelijke straf is veroordeeld en zich altijd aan de voorwaarden heeft gehouden. De advocaat die in 2014 bij de behandeling van de zaak is geweest, was niet door hem gemachtigd, maar door de rechtbank benoemd, aldus de opgeëiste persoon. De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de omzettingsbeslissing van 16 februari 2016 en dat de opgeëiste persoon ook niet wist van deze procedure. Mogelijk heeft de moeder van de opgeëiste persoon voor ontvangst van een oproeping voor de omzettingsprocedure getekend, maar dat is niet voldoende gelet op de vereisten van artikel 12 OLW. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
4.3
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat – met betrekking tot het vonnis van the District Court in Gryfino van 11 juni 2014 (II K 97/14) – de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet geldt omdat de opgeëiste persoon persoonlijk is gedagvaard voor de zitting van 11 juni 2014, zoals volgt uit het EAB en voornoemde aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 december 2017. Er is dus sprake van de situatie van artikel 12 onder a, eerste zinsnede, van de OLW.
4.4
Ten aanzien van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk voorwaardelijk opgelegde straf van 16 februari 2016 (II Ko 74/16) overweegt de rechtbank als volgt.
4.5
De rechtbank heeft op 28 september 2017 de volgende vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd in de zaak Ardic:
“Indien de opgeëiste persoon onherroepelijk in een in zijn aanwezigheid gevoerde procedure schuldig is bevonden en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging onder voorwaarden is opgeschort, is de latere procedure waarin de rechter buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon de herroeping van die opschorting gelast wegens het niet naleven van voorwaarden en het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van een reclasseringsambtenaar een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ?”
4.6
In rechtsoverweging 86 oordeelt het Hof van Justitie
Hoe dan ook is het uniform toe te passen relevante criterium in het kader van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, dat van de aard van de daarin bedoelde „beslissing”, zoals volgt uit de punten 75 tot en met 77 van het onderhavige arrest.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
Met de officier van justitie stelt de rechtbank stelt dat hieraan is voldaan, met uitzondering van het onder j) omschreven feit met betrekking tot het vervaardigen van – de rechtbank begrijpt – een waterpijp (bong) met behulp van twee plastic flessen. Dit feit is in Nederland niet strafbaar.
De overige feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd
6Overige verweren
De raadsman heeft opgemerkt dat, net als in Roemenië en Bulgarije, de detentieomstandigheden in Polen te wensen over laten.
De rechtbank overweegt dat – naast het niet-onderbouwde verweer – er geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens beschikbaar zijn over de detentieomstandigheden in Polen, die duiden op een algemeen (reëel) gevaar in Poolse gevangenissen op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank wijst hierbij op een uitspraak van 29 november 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:8325) en een uitspraak van 18 januari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:222). Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
Nu ten aanzien van het onder j) omschreven feit met betrekking tot het vervaardigen van een waterpijp (bong) met behulp van twee plastic flessen, is vastgesteld dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 7 OLW, dient de overlevering voor dat feit te worden geweigerd. Ten aanzien van de overige feiten is vastgesteld dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. Voor die feiten moet de overlevering worden toegestaan.
De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens het – in onderdeel E. van het EAB – onder j) omschreven feit met betrekking tot het vervaardigen van een waterpijp (bong) met behulp van twee plastic flessen.
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de overige feiten, in onderdeel E. van het EAB omschreven onder a) tot en met i).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en M.J.E. Geradts, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 16 januari 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.