Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2018-01-11
ECLI:NL:RBAMS:2018:104
Strafrecht, Internationaal publiekrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751140-17
RK nummer: 17/1500
uitspraak: 11 januari 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 6 maart 2017, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie (thans: Minister van Justitie en Veiligheid) ontvangen verzoek van de Servische autoriteiten tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum] 1974,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
sinds 14 november 2017 gedetineerd in het [Psychiatrisch centrum] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang.
Zitting 6 juli 2017
De rechtbank heeft op 6 juli 2017 de opgeëiste persoon en de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel, ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een tolk in de Servo-Kroatische taal. De rechtbank heeft de gevangenhouding bevolen en het onderzoek gesloten.
Met betrekking tot de aan de opgeëiste persoon verleende juridische bijstand
Gebleken is dat aan de opgeëiste persoon in een eerder stadium een raadsman was toegevoegd (mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam) maar dat hij diens bijstand niet wenste. De inhoudelijke behandeling van het uitleveringsverzoek stond eerder gepland op 18 mei 2017 maar is niet doorgegaan omdat een nieuwe advocaat ten behoeve van de opgeëiste persoon werd gezocht.
Vervolgens is aan de opgeëiste persoon als raadsvrouw mr. T.J. Linthout, advocaat te Rotterdam, (abusievelijk) toegevoegd en is een nieuwe behandeldatum vastgesteld, te weten 15 juni 2017.Bij de stukken bevindt zich een brief van 7 juni 2017 van mr. T.J. Linthout, waarin deze meedeelt zich als gekozen advocaat genoodzaakt te zien om haar moverende redenen de verdediging neer te leggen.Vervolgens heeft de opgeëiste persoon meegedeeld geen nieuwe advocaat te wensen.
De opgeëiste persoon is op 6 juli 2017 niet door een advocaat bijgestaan en verklaarde aanvankelijk dat ook niet te wensen. Van dit standpunt is hij uiteindelijk teruggekomen.
Tussenuitspraak 20 juli 2017
Bij tussenuitspraak van 20 juli 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. Op grond van artikel 24, derde lid, Uitleveringswet heeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last gegeven tot aanwijzing van een raadsman aan de opgeëiste persoon.
Zitting 28 december 2017
Met instemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van 20 juli 2017.
Gehoord zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn (nieuwe) raadsman mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Servo-Kroatische taal.
Beoordeling
Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Servische nationaliteit heeft.
Grondslag en inhoud van het uitleveringsverzoek
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van de indictment van 13 juni 2013 van the High Public Prosecutor’s Office in Novi Sad (Servië).
Het bevel tot aanhouding
De rechtbank heeft, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1402), zich ervan vergewist of het bevel tot aanhouding, te weten de decision, van 21 maart 2013, afgegeven door the Investigative Judge A. Kurjački, verbonden aan the High Court in Novi Sad, voldoet aan de vereisten van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, (Trb.65, 9).
Dit is het geval, het bevel betreft een authentiek afschrift, zoals ook bevestigd is door de officier van justitie, en het is opgemaakt in de vorm, voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij.
Strafbaarheid
Feiten
Standpunten
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich met betrekking tot de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft de rechtbank verzocht de Minister van Justitie en Veiligheid te adviseren rekening te houden met de psychiatrische problematiek waaraan de opgeëiste persoon lijdt en die is onderbouwd met een brief met diverse bijlagen van 27 december 2017, afkomstig van drs. R.N. van der Plank, algemeen directeur en hoofd van het [Psychiatrisch centrum] .
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de uitlevering toelaatbaar te verklaren. Weigeringsgronden zijn er niet en deze zijn ook niet gesteld. De feiten zijn dubbel strafbaar.
De opgeëiste persoon heeft de Servische nationaliteit en heeft geen binding met Nederland.De officier van justitie acht het van belang dat de Minister van Justitie en Veiligheid kennis neemt van de problematiek en de mate van detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon, zoals deze kan blijken uit eerder genoemde brief met bijlagen. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat nu nog onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de ontwikkeling van de psychische toestand van de opgeëiste persoon.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er geen gronden zijn die in de weg staan aan de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de verzoekende Staat, Servië. Zij komt dan ook tot de volgende beslissing.
Advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid
De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd en onderbouwd, aanleiding de Minister van Justitie en Veiligheid te adviseren de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon te betrekken bij diens oordeel over de inwilligbaarheid van het verzoek.
Conclusie
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en het toepasselijk Verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.
3Toepasselijke wetsartikelen.
Artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet;
artikel 2 van de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb.65, 9) en artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).
Dictum
Verklaart TOELAATBAAR de door de autoriteiten van de Republiek Servië verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. C. Klomp en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari 2018.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.