Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-12-12
ECLI:NL:RBAMS:2017:9124
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 17/633 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen mr. S.F.J. Smeets, te Amsterdam, eiser en Raad voor Rechtsbijstand , verweerder (gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra ) Procesverloop In het besluit van 2 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [de vrouw] afgewezen. In het besluit van 19 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiser is verschenen, samen met zijn kantoorgenoot mr. J.T.E. Vis. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1 De besluitvorming 1.1. Eiser heeft verweerder in een brief van 23 oktober 2015 toestemming gevraagd zijn kantoorgenoot, de heer Vis, als tweede advocaat in de rechtszaak van [de vrouw] te betrekken. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 4 november 2015 afgewezen. Dit besluit is onherroepelijk. 1.2. Eiser heeft verweerder op 3 mei 2016 verzocht om nog vijftig extra uur aan de zaak van [de vrouw] te mogen werken. 1.3. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen en het volgende geconcludeerd:- Uit de overgelegde urenspecificatie blijkt dat exclusief reistijd en wachttijd eiser in totaal 56,83 uur aan de rechtszaak van [de vrouw] heeft besteed en dat de heer Vis in totaal 88,66 uur aan die rechtszaak heeft besteed; - dat geen toestemming is verleend voor toevoeging van een tweede advocaat; en - dat gezien de inrichting van de urenspecificatie niet gesproken kan worden van waarneming. 1.4. In bezwaar heeft eiser - kort samengevat - aangevoerd dat het noodzakelijk is dat de heer Vis als achtervang optreedt, onder meer omdat vanwege de specifieke aard en omstandigheden van de rechtszaak [de vrouw] te allen tijde van bijstand moet kunnen worden voorzien, dat geen dubbele uren zijn gefactureerd en waarneming op de aangegeven momenten vanwege verhindering, afwezigheid of ontstentenis absoluut noodzakelijk was. 1.5. Naar aanleiding van eisers bezwaarschrift heeft de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand (de adviescommissie) op 16 december 2016 aan verweerder een advies uitgebracht. Dit advies strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Volgens de adviescommissie blijkt uit eisers verzoek van 23 oktober 2016 dat het eisers uitdrukkelijke wens is geweest de werkzaamheden van de heer Vis te kunnen declareren op de toevoeging en dat hem bij het afwijzende besluit van 4 november 2015 uitdrukkelijk is medegedeeld dat op grond van artikel 2 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) alleen de werkzaamheden van de toegevoegde rechtsbijstandverlener voor vergoeding in aanmerking komen. Het komt voor zijn eigen rekening en risico dat hij er desondanks voor heeft gekozen samen met de heer Vis aan de rechtszaak van [de vrouw] te werken. Blijkens de urenspecificatie heeft de heer Vis [de vrouw] bijgestaan op de zittingen van 7 september, 16 september en 30 september. Daarnaast heeft hij de zitting van 12 augustus 2016 bijgewoond, die volgens de adviescommissie waarschijnlijk de inhoudelijke behandeling van de rechtszaak was. Omdat de heer Vis hiermee een substantieel deel van de rechtszaak op zich heeft genomen en meer uren aan de rechtszaak heeft besteed dan eiser, kan eiser niet met vrucht stellen dat sprake is geweest van noodzakelijke en incidentele waarneming. Omdat eiser op het moment van de declaratie de uren nog niet had volgemaakt, is de aanvraag om toekenning van extra uren terecht geweigerd, aldus de adviescommissie. 1.6. In het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van de gronden van voornoemd advies, het bezwaar ongegrond verklaard. 2 De standpunten van partijen 2.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag