Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2017-11-03
ECLI:NL:RBAMS:2017:8239
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/7609 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: H. Millerson), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , verweerder (gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari). Procesverloop Bij besluit van 14 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming meerkosten (Rtm) beëindigd met ingang van 1 oktober 2016 en de aanvraag van eiseres van 8 augustus 2016, door verweerder ontvangen op 16 augustus 2016, om een (hogere) tegemoetkoming op grond van de Rtm afgewezen. Bij besluit van 17 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen de rechtbank nadere informatie te doen toekomen. Op 25 april 2017 heeft de rechtbank de nadere informatie van eiseres ontvangen. Van verweerder is geen reactie hierop ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 22 september 2017. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1 Eiseres ontving per 1 april 2015 een vergoeding voor meerkosten in verband met haar chronische ziekten en beperkingen op grond van de Rtm. De meerkosten waarvoor eiseres een vergoeding ontving hielden verband met kledingslijtage, bewassing en energiekosten. Op 8 augustus 2016 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een aanvullende vergoeding voor meerkosten in verband met maaltijden en dieetkosten. 1.2 Op 2 mei 2016 heeft eiseres bij het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) een aanvraag ingediend voor verlening van zorg voor het zorgprofiel ‘beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging’ op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij besluit van 23 mei 2016 heeft het CIZ deze aanvraag ingewilligd en het zorgprofiel voor onbepaalde tijd verleend. Eiseres is met ingang van 7 september 2016 verhuisd naar [instelling] , [adres] te Amsterdam. Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag 2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Rtm. In het bestreden besluit is daaromtrent het volgende overwogen. Eiseres is op 7 september 2016 verhuisd naar voornoemd [instelling] en verblijft daarom sindsdien in een beschermde woonvorm. Dit verblijf wordt gefinancierd vanuit de Wlz (en voorheen vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Eiseres woont zelfstandig, maar door de wijze van financiering wordt deze woonvorm voor de toepassing van de Rtm gelijkgesteld aan een inrichting. Verweerder heeft in het Collegebesluit van 30 september 2014 besloten dat de doelgroep van de Rtm beperkt is tot thuiswonende Amsterdammers. In artikel 4.1, derde lid, onder a, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (de Verordening) is bepaald dat geen maatwerkvoorziening getroffen wordt als een beroep op een andere regeling mogelijk is. Als bij bewoners van instellingen sprake is van noodzakelijke meerkosten aan bewassing en kledingslijtage of dieet kan daarin voorzien worden door de instelling op grond van de Wlz. 3. Eiseres voert aan dat zij hulpbehoevend is en dat de zorg, zoals het wassen, aankleden, medicatie en wondbehandeling en ook de warme maaltijd door het [instelling] wordt verzorgd. Bewoners wonen daar zelfstandig. De verdere verzorging komt helemaal ten laste van eiseres zelf. Zij moet zelf zorgdragen voor andere maaltijden dan de warme maaltijd, haar drinken en alle dieetproducten. Zij kampt met ernstige allergieën en chronische aando Hierbij verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de omstandigheid dat de wetgever de verordeningsplicht ten aanzien van maatwerkvoorzieningen heeft neergelegd in artikel 2.1.3 van de Wmo 2015, terwijl de verordeningsbevoegdheid ten aanzien van de financiële tegemoetkoming in de meerkosten apart is geregeld in artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Verder verwijst de rechtbank naar p. 152 van de Memorie van Toelichting van de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33841, nr. 3), waarin is neergelegd dat uitgangspunt is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in natura krijgt, maar dat de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget bestaat indien de aanvrager dit wenst. De rechtbank stelt vast dat de mogelijkheid tot het toekennen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming daarbij niet wordt genoemd. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de financiële tegemoetkoming in de meerkosten niet als een maatwerkvoorziening kan worden aangemerkt. 6.1 Uit de conclusie dat de financiële tegemoetkoming in de meerkosten niet als een maatwerkvoorziening kan worden aangemerkt, volgt dat artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag kan worden gelegd. Dit artikel regelt immers de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. In het primaire besluit is ter onderbouwing van de afwijzing van de aanvraag nog verwezen naar artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Nu ook dit artikel betrekking heeft op maatwerkvoorzieningen, kan dit evenmin aan de afwijzing van de aanvraag om een financiële tegemoetkoming in de meerkosten ten grondslag worden gelegd. 6.2 Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit een onjuiste wettelijke grondslag bevat voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal daarom voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag worden vernietigd. 7. In het belang van de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank onderzoeken of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit, het gedeelte dus dat ziet op de afwijzing van de aanvraag, in stand te laten dan wel om zelf in de zaak te voorzien. 8.1 De rechtbank overweegt dat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen aanleiding bestaat indien uit de toepasselijke regelgeving volgt dat eiseres, vanwege haar woonomstandigheden, niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Rtm. 8.2 Verweerder heeft in het collegebesluit ‘Uitgangspunten voor de regeling tegemoetkoming meerkosten als gevolg van chronische ziekte of beperking’ van 30 september 2014 (het Collegebesluit), de doelgroep van de Rtm aangeduid als: “Thuiswonende Amsterdammers die meerkosten hebben als gevolg van een chronische ziekte of beperking, met een inkomen tot maximaal 120% van het Wettelijk Sociaal Minimum (WSM).” 8.3 Ter uitvoering van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015, artikel 4.11 van de Verordening en artikel 4.12 van de Nadere regels is in de Beleidsvoorschriften Werk, Participatie en Inkomen in paragraaf 9.4.5 de Regeling tegemoetkoming meerkosten (de Rtm) neergelegd. In paragraaf 9.4.5.2.5, ‘Klanten in een instelling’, is onder meer opgenomen: “Klanten die in een instelling (inrichting/tehuis) verblijven komen niet in aanmerking voor de Regeling tegemoetkoming meerkosten. Als er een medische noodzaak is voor dieetvoeding en extra bewassing, dan dient de instelling daarin te voorzien op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). In instellingen is het gebruikelijk dat mensen zelf betalen voor het wassen, stomen, drogen en strijken van kleding etc. Daarvoor betaalt men in de meeste gevallen ongeveer € 45,-- per maand. Hier wordt geen bijstand voor verstrekt. Als er in verband met ziekte extra moet worden gewassen, dan wordt dit vanuit de Wlz gefinancierd.” 8.4 De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘thuiswonen’ niet nader is aangeduid in het C