Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2016-01-21
ECLI:NL:RBAMS:2016:1065
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
15,003 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/702406-15 (Promis)
Datum uitspraak: 21 januari 2016
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1968,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,
[te plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2016.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsman mr. V.G. Kraal naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juli 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 4,37 kilogram en/of 2,57 kilogram en/of 247 gram en/of 538 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd.
In zijn arrest van 21 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5307) heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de in die zaak uitgevoerde dynamische verkeerscontrole in strijd was met het beginsel van zuiverheid van oogmerk (détournement de pouvoir).
Anders dan in de zaak waarover het gerechtshof heeft geoordeeld, kan in de onderhavige zaak niet worden gesteld dat de controle in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. De verbalisanten mochten gebruik maken van de controlebevoegdheid gebaseerd op artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt immers dat de auto waarin verdachte reed een plotselinge remmanoeuvre maakte bij het verkeerslicht. Dat de verbalisanten op dat moment beschikten over informatie dat het voertuig in de politieregistratiesystemen voorkwam, maakt dat niet anders. Er is rechtmatig opgetreden, nu aan de controlebevoegdheid ook inhoudelijk gevolg is gegeven. Een dergelijke handelwijze van de verbalisanten is toegestaan gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2006:AY9670 en ECLI:NL:HR:2011:BP3963).
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In het arrest van 21 december 2015 heeft het gerechtshof geoordeeld dat wanneer de politie de haar toekomende controlebevoegdheden van de Wegenverkeerswet 1994 uitsluitend heeft aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, dit strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk oplevert. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto, aldus het gerechtshof.
In de onderhavige zaak heeft eveneens een zogenaamde ‘dynamische verkeerscontrole’ plaatsgevonden, net als in het voornoemde arrest van het gerechtshof: De verbalisanten wensten nadere informatie te verkrijgen omtrent een vanuit opsporingsperspectief mogelijk interessant persoon, te weten verdachte, hoewel er geen verdenking ter zake van enig strafbaar feit tegen hem bestond. Het vorderen van inzage in het rijbewijs en het kentekenbewijs van verdachte diende dan louter om het optreden formeel het aanzien van een verkeerscontrole te geven.
In de onderhavige zaak dient de rechtbank daarom net als het gerechtshof te concluderen tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto, en dientengevolge tot vrijspraak van verdachte.
4.3
Beoordeling
4.3.1
Rechtmatigheid van de controlebevoegdheid
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk bij het aanwenden van strafvorderlijke bevoegdheden.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 juli 2015 blijkt immers dat het rijgedrag van verdachte – door plotseling vol op de remmen te trappen bij een verkeerslicht dat op dat moment oranje licht uitstraalde – aanleiding heeft gegeven om hem een stopteken krachtens de Wegenverkeerswet 1994 te geven. De verbalisant heeft vervolgens van verdachte diens rij- en kentekenbewijs gevorderd. De omstandigheid dat de verbalisanten op dat moment ook andere informatie uit de politiesystemen over het voertuig van verdachte voorhanden hadden, maakt dat niet anders. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een dergelijke handelwijze van de verbalisanten toegestaan.
Een andersluidende opvatting zou tot het onaanvaardbare standpunt leiden dat een verbalisant zijn bevoegdheden uit hoofde van de Wegenverkeerswet niet zou kunnen uitoefenen in het geval van een samenloop met hier bedoelde informatie omtrent een justitiabele.’
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank komt daarom niet tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto waarin verdachte reed.
4.3.2
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden zoals hierna onder 4.4 opgenomen, het ten laste gelegde feit bewezen op de wijze zoals onder 5 vermeld en overweegt daartoe het volgende.
In de auto van verdachte zijn plastic wikkels aangetroffen, waarvan uit onderzoek is gebleken dat de inhoud daarvan hasjiesj betrof. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij verdovende middelen heeft vervoerd in opdracht van een niet bij naam genoemde persoon. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat hij geld nodig had. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk het ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.4
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
1) De verklaring van verdachte ter zitting van 7 januari 2015 afgelegd, luidende zakelijk
weergegeven als volgt:
Het klopt dat ik op 14 juli 2015 te Amstelveen opzettelijk hoeveelheden van 4,37 kilogram, 2,57 kilogram, 247 gram en 538 gram hasjiesj in mijn auto heb vervoerd. Ik heb de tassen met hasjiesj voor iemand opgehaald en moest ze naar een ander adres brengen en ik zou er 250 euro voor krijgen,. Ik wist dat er hasjiesj in de tassen zaten.
2) Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015160099-4 van 14 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de voornoemde verbalisanten, zakelijk samengevat:
Op 14 juli 2015 omstreeks 19:50 uur passeerde ons een grijze Opel Corsa met kenteken [kenteken A] . Wij zagen en hoorden dat de Automatic Numberplate Recognition System reageerde op dit kenteken en de melding gaf dat dit voertuig gerelateerd werd aan voertuigcriminaliteit.
Hierop zijn wij achter het voertuig aangereden. Wij zagen dat het voertuig de Keizer Karelweg opreed en ter hoogte van de kruising met de Laan Walcheren plotseling vol de rem intrapte voor het verkeerslicht dat op dat moment oranje licht uitstraalde.
Hierop hebben wij de Opel Corsa een stopteken gegeven op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 en hielden de bestuurde staande. De bestuurder gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] in Marokko.
Desgevraagd heeft [verdachte] toestemming gegeven de auto te doorzoeken.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , trof in de achterbak van de Opel Corsa een aantal plastic tassen aan. Ik opende één van deze tassen en zag dat hierin een aantal bruine pakketjes lagen gewikkeld in huishoudfolie. Ik zag dat er ook een aantal kleine plakje lagen, bruin van kleur, welke wij verbalisanten, herkenden als zijnde hasj. Wij roken hierbij ook de geur van deze drugs.
Hierop hebben wij [verdachte] aangehouden. Aan [verdachte] is de cautie gegeven. Hij verklaarde nadien: ‘Ja, dat is hasj.’
Op 14 juli 2015 omstreeks 20:30 uur doorzochten wij, verbalisanten, de Opel Corsa met kenteken [kenteken A] nogmaals. In de kofferbak troffen wij twee tassen aan van de Wear Open (met daarin een plastic tas van de Dirk van den Broek) en een tas van World Duty Free (met daarin een tas van de Albert Heijn). Hierin lagen onder meer de volgende goederen:
- 8 pakketjes in zwarte folie/tape gewikkeld met een gemiddeld gewicht van 550 gram,
- 8,5 pakketjes in bruine folie/tape gewikkeld met daaromheen huishoudfolie met een
gemiddeld gewicht van 320 gram,
- 5 lichtbruine kleine pakketjes met een totaal gewicht van 254 gram,
- 1 pakketje gewikkeld in huishoudfolie met een gewicht van 300 gram,
- 2 dunne plakken met een totaal gewicht van ongeveer 198 gram,
- 1 kleine plak gewikkeld in bruine folie/tape met een gewicht van ongeveer 51 gram.
6) Een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2015160099-5 van 14 juli 2015.
Deze kennisgeving vermeldt als in beslag genomen goederen, zakelijk samengevat:
Volgnummer 1:
Goednummer: 5013242.
9 zwartkleurige pakketjes van ongeveer 500 gram per pak.
Volgnummer 4:
Goednummer: 5013244.
8,5 in bruin gewikkelde pakketjes.
Volgnummer 5:
Goednummer: 5013245
5 pakketjes in plasticfolie 498,79 gram.
Volgnummer 6:
Goednummer: 5013246
6 kleine pakketjes in doorzichtige folie.
7) Een verslag van 27 juli 2015, laboratoriumnummer 0867N15 van dr. P. Hommerson, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] .
Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:
Item: 5013245,
5 in plastic folie verpakte plakken bruine substantie, 247 gram: is hasjiesj.
Item: 5013246,
6 in plastic verpakte plakken bruine substantie, 538 gram: is hasjiesj.
8) Een verslag van 27 juli 2015, laboratoriumnummer 0865N15 van dr. P.
Motivering
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 (honderd en twintig) dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan verdachte de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland in het advies van 27 oktober 2015 zullen worden opgelegd.
8.2
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijk hoeveelheid hasjiesj vervoerd. Deze hoeveelheid gaat de kwalificatie van gebruikershoeveelheid ruim te boven. Het vervoeren van dergelijke hoeveelheden hasjiesj is een delict dat bijdraagt aan de handel in deze drug, die vaak gepaard gaat met andere vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank als uitgangspunt acht geslagen op de LOVS-richtlijnen en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken plegen op te leggen.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat in deze zaak uitgegaan kan worden van de verklaring van verdachte dat hij de drugs voor iemand voor 250 euro wegbracht en het een (eenmalige) klus betrof. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de bevindingen van Reclassering Nederland, namelijk dat verdachte beïnvloedbaar is en dat hij bekend is met depressies, posttraumatisch stresssyndroom en een verstoorde emotie- en agressieregulatie.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 15 december 2015 niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en met de omstandigheid dat verdachte bij het onderzoek vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven.
Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Gelet op de hoeveelheden hasjiesj die verdachte heeft vervoerd, sturen de LOVS-richtlijnen aan op een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter de op te leggen gevangenisstraf in duur matigen en grotendeels in voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank zal hieraan de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen.
Het gevolg hiervan is dat verdachte thans feitelijk geen gevangenisstraf hoeft te ondergaan, maar dat hij wel onder toezicht van de reclassering dient te blijven. Het voorwaardelijke deel van de straf dient als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals laat overhalen te het plegen van een strafbaar feit.
Voorts acht de rechtbank in aanvulling op het voorgaande een geldboete passend en geboden, nu financieel gewin aan het bewezen verklaarde strafbare feit ten grondslag lag. De rechtbank houdt daarbij rekening met de geringe draagkracht van verdachte en zal bepalen dat betaling van de geldboete in termijnen kan plaatsvinden.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikel 3 en 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
De rechtbank:
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
- Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank:
- verklaart het bewezene strafbaar;
- verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;
- beveelt dat een gedeelte, groot 57 (zevenenvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.
Algemene voorwaarden:
1. Veroordeelde maakt zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Veroordeelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
3. Veroordeelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Bijzondere voorwaarden:
4. Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Nederland, [adres te plaats] . Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht.
5. Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan behandeling betreffende delictpreventie bij zijn huidige psychiater, de heer Balraadjsing. Indien het tijdens het toezicht blijkt dat andere zorg noodzakelijk is, dan zal veroordeelde worden toegeleid naar polikliniek De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Dit alles zolang de reclassering/behandelaar dit nodig acht.
- veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen;
- bepaalt dat de geldboete in 5 (vijf) maandelijkse termijnen van elk € 100,- (honderd euro) mag worden voldaan;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,
mrs. P.J. van Eekeren en M.J.A. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2016.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/702406-15 (Promis)
Datum uitspraak: 21 januari 2016
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1968,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,
[te plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2016.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsman mr. V.G. Kraal naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juli 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 4,37 kilogram en/of 2,57 kilogram en/of 247 gram en/of 538 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd.
In zijn arrest van 21 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5307) heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de in die zaak uitgevoerde dynamische verkeerscontrole in strijd was met het beginsel van zuiverheid van oogmerk (détournement de pouvoir).
Anders dan in de zaak waarover het gerechtshof heeft geoordeeld, kan in de onderhavige zaak niet worden gesteld dat de controle in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. De verbalisanten mochten gebruik maken van de controlebevoegdheid gebaseerd op artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt immers dat de auto waarin verdachte reed een plotselinge remmanoeuvre maakte bij het verkeerslicht. Dat de verbalisanten op dat moment beschikten over informatie dat het voertuig in de politieregistratiesystemen voorkwam, maakt dat niet anders. Er is rechtmatig opgetreden, nu aan de controlebevoegdheid ook inhoudelijk gevolg is gegeven. Een dergelijke handelwijze van de verbalisanten is toegestaan gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2006:AY9670 en ECLI:NL:HR:2011:BP3963).
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In het arrest van 21 december 2015 heeft het gerechtshof geoordeeld dat wanneer de politie de haar toekomende controlebevoegdheden van de Wegenverkeerswet 1994 uitsluitend heeft aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, dit strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk oplevert. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto, aldus het gerechtshof.
In de onderhavige zaak heeft eveneens een zogenaamde ‘dynamische verkeerscontrole’ plaatsgevonden, net als in het voornoemde arrest van het gerechtshof: De verbalisanten wensten nadere informatie te verkrijgen omtrent een vanuit opsporingsperspectief mogelijk interessant persoon, te weten verdachte, hoewel er geen verdenking ter zake van enig strafbaar feit tegen hem bestond. Het vorderen van inzage in het rijbewijs en het kentekenbewijs van verdachte diende dan louter om het optreden formeel het aanzien van een verkeerscontrole te geven.
In de onderhavige zaak dient de rechtbank daarom net als het gerechtshof te concluderen tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto, en dientengevolge tot vrijspraak van verdachte.
4.3
Beoordeling
4.3.1
Rechtmatigheid van de controlebevoegdheid
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk bij het aanwenden van strafvorderlijke bevoegdheden.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 juli 2015 blijkt immers dat het rijgedrag van verdachte – door plotseling vol op de remmen te trappen bij een verkeerslicht dat op dat moment oranje licht uitstraalde – aanleiding heeft gegeven om hem een stopteken krachtens de Wegenverkeerswet 1994 te geven. De verbalisant heeft vervolgens van verdachte diens rij- en kentekenbewijs gevorderd. De omstandigheid dat de verbalisanten op dat moment ook andere informatie uit de politiesystemen over het voertuig van verdachte voorhanden hadden, maakt dat niet anders. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een dergelijke handelwijze van de verbalisanten toegestaan.
Een andersluidende opvatting zou tot het onaanvaardbare standpunt leiden dat een verbalisant zijn bevoegdheden uit hoofde van de Wegenverkeerswet niet zou kunnen uitoefenen in het geval van een samenloop met hier bedoelde informatie omtrent een justitiabele.’
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank komt daarom niet tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto waarin verdachte reed.
4.3.2
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden zoals hierna onder 4.4 opgenomen, het ten laste gelegde feit bewezen op de wijze zoals onder 5 vermeld en overweegt daartoe het volgende.
In de auto van verdachte zijn plastic wikkels aangetroffen, waarvan uit onderzoek is gebleken dat de inhoud daarvan hasjiesj betrof. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij verdovende middelen heeft vervoerd in opdracht van een niet bij naam genoemde persoon. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat hij geld nodig had. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk het ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.4
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
1) De verklaring van verdachte ter zitting van 7 januari 2015 afgelegd, luidende zakelijk
weergegeven als volgt:
Het klopt dat ik op 14 juli 2015 te Amstelveen opzettelijk hoeveelheden van 4,37 kilogram, 2,57 kilogram, 247 gram en 538 gram hasjiesj in mijn auto heb vervoerd. Ik heb de tassen met hasjiesj voor iemand opgehaald en moest ze naar een ander adres brengen en ik zou er 250 euro voor krijgen,. Ik wist dat er hasjiesj in de tassen zaten.
2) Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015160099-4 van 14 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de voornoemde verbalisanten, zakelijk samengevat:
Op 14 juli 2015 omstreeks 19:50 uur passeerde ons een grijze Opel Corsa met kenteken [kenteken A] . Wij zagen en hoorden dat de Automatic Numberplate Recognition System reageerde op dit kenteken en de melding gaf dat dit voertuig gerelateerd werd aan voertuigcriminaliteit.
Hierop zijn wij achter het voertuig aangereden. Wij zagen dat het voertuig de Keizer Karelweg opreed en ter hoogte van de kruising met de Laan Walcheren plotseling vol de rem intrapte voor het verkeerslicht dat op dat moment oranje licht uitstraalde.
Hierop hebben wij de Opel Corsa een stopteken gegeven op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 en hielden de bestuurde staande. De bestuurder gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] in Marokko.
Desgevraagd heeft [verdachte] toestemming gegeven de auto te doorzoeken.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , trof in de achterbak van de Opel Corsa een aantal plastic tassen aan. Ik opende één van deze tassen en zag dat hierin een aantal bruine pakketjes lagen gewikkeld in huishoudfolie. Ik zag dat er ook een aantal kleine plakje lagen, bruin van kleur, welke wij verbalisanten, herkenden als zijnde hasj. Wij roken hierbij ook de geur van deze drugs.
Hierop hebben wij [verdachte] aangehouden. Aan [verdachte] is de cautie gegeven. Hij verklaarde nadien: ‘Ja, dat is hasj.’
Op 14 juli 2015 omstreeks 20:30 uur doorzochten wij, verbalisanten, de Opel Corsa met kenteken [kenteken A] nogmaals. In de kofferbak troffen wij twee tassen aan van de Wear Open (met daarin een plastic tas van de Dirk van den Broek) en een tas van World Duty Free (met daarin een tas van de Albert Heijn). Hierin lagen onder meer de volgende goederen:
- 8 pakketjes in zwarte folie/tape gewikkeld met een gemiddeld gewicht van 550 gram,
- 8,5 pakketjes in bruine folie/tape gewikkeld met daaromheen huishoudfolie met een
gemiddeld gewicht van 320 gram,
- 5 lichtbruine kleine pakketjes met een totaal gewicht van 254 gram,
- 1 pakketje gewikkeld in huishoudfolie met een gewicht van 300 gram,
- 2 dunne plakken met een totaal gewicht van ongeveer 198 gram,
- 1 kleine plak gewikkeld in bruine folie/tape met een gewicht van ongeveer 51 gram.
6) Een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2015160099-5 van 14 juli 2015.
Deze kennisgeving vermeldt als in beslag genomen goederen, zakelijk samengevat:
Volgnummer 1:
Goednummer: 5013242.
9 zwartkleurige pakketjes van ongeveer 500 gram per pak.
Volgnummer 4:
Goednummer: 5013244.
8,5 in bruin gewikkelde pakketjes.
Volgnummer 5:
Goednummer: 5013245
5 pakketjes in plasticfolie 498,79 gram.
Volgnummer 6:
Goednummer: 5013246
6 kleine pakketjes in doorzichtige folie.
7) Een verslag van 27 juli 2015, laboratoriumnummer 0867N15 van dr. P. Hommerson, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] .
Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:
Item: 5013245,
5 in plastic folie verpakte plakken bruine substantie, 247 gram: is hasjiesj.
Item: 5013246,
6 in plastic verpakte plakken bruine substantie, 538 gram: is hasjiesj.
8) Een verslag van 27 juli 2015, laboratoriumnummer 0865N15 van dr. P.
Motivering
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 (honderd en twintig) dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan verdachte de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland in het advies van 27 oktober 2015 zullen worden opgelegd.
8.2
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijk hoeveelheid hasjiesj vervoerd. Deze hoeveelheid gaat de kwalificatie van gebruikershoeveelheid ruim te boven. Het vervoeren van dergelijke hoeveelheden hasjiesj is een delict dat bijdraagt aan de handel in deze drug, die vaak gepaard gaat met andere vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank als uitgangspunt acht geslagen op de LOVS-richtlijnen en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken plegen op te leggen.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat in deze zaak uitgegaan kan worden van de verklaring van verdachte dat hij de drugs voor iemand voor 250 euro wegbracht en het een (eenmalige) klus betrof. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de bevindingen van Reclassering Nederland, namelijk dat verdachte beïnvloedbaar is en dat hij bekend is met depressies, posttraumatisch stresssyndroom en een verstoorde emotie- en agressieregulatie.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 15 december 2015 niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en met de omstandigheid dat verdachte bij het onderzoek vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven.
Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Gelet op de hoeveelheden hasjiesj die verdachte heeft vervoerd, sturen de LOVS-richtlijnen aan op een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter de op te leggen gevangenisstraf in duur matigen en grotendeels in voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank zal hieraan de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen.
Het gevolg hiervan is dat verdachte thans feitelijk geen gevangenisstraf hoeft te ondergaan, maar dat hij wel onder toezicht van de reclassering dient te blijven. Het voorwaardelijke deel van de straf dient als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals laat overhalen te het plegen van een strafbaar feit.
Voorts acht de rechtbank in aanvulling op het voorgaande een geldboete passend en geboden, nu financieel gewin aan het bewezen verklaarde strafbare feit ten grondslag lag. De rechtbank houdt daarbij rekening met de geringe draagkracht van verdachte en zal bepalen dat betaling van de geldboete in termijnen kan plaatsvinden.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikel 3 en 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
De rechtbank:
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
- Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank:
- verklaart het bewezene strafbaar;
- verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;
- beveelt dat een gedeelte, groot 57 (zevenenvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.
Algemene voorwaarden:
1. Veroordeelde maakt zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Veroordeelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
3. Veroordeelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Bijzondere voorwaarden:
4. Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Nederland, [adres te plaats] . Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht.
5. Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan behandeling betreffende delictpreventie bij zijn huidige psychiater, de heer Balraadjsing. Indien het tijdens het toezicht blijkt dat andere zorg noodzakelijk is, dan zal veroordeelde worden toegeleid naar polikliniek De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Dit alles zolang de reclassering/behandelaar dit nodig acht.
- veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen;
- bepaalt dat de geldboete in 5 (vijf) maandelijkse termijnen van elk € 100,- (honderd euro) mag worden voldaan;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,
mrs. P.J. van Eekeren en M.J.A. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2016.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/702406-15 (Promis)
Datum uitspraak: 21 januari 2016
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1968,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,
[te plaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2016.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsman mr. V.G. Kraal naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juli 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 4,37 kilogram en/of 2,57 kilogram en/of 247 gram en/of 538 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd.
In zijn arrest van 21 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5307) heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de in die zaak uitgevoerde dynamische verkeerscontrole in strijd was met het beginsel van zuiverheid van oogmerk (détournement de pouvoir).
Anders dan in de zaak waarover het gerechtshof heeft geoordeeld, kan in de onderhavige zaak niet worden gesteld dat de controle in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. De verbalisanten mochten gebruik maken van de controlebevoegdheid gebaseerd op artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt immers dat de auto waarin verdachte reed een plotselinge remmanoeuvre maakte bij het verkeerslicht. Dat de verbalisanten op dat moment beschikten over informatie dat het voertuig in de politieregistratiesystemen voorkwam, maakt dat niet anders. Er is rechtmatig opgetreden, nu aan de controlebevoegdheid ook inhoudelijk gevolg is gegeven. Een dergelijke handelwijze van de verbalisanten is toegestaan gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2006:AY9670 en ECLI:NL:HR:2011:BP3963).
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In het arrest van 21 december 2015 heeft het gerechtshof geoordeeld dat wanneer de politie de haar toekomende controlebevoegdheden van de Wegenverkeerswet 1994 uitsluitend heeft aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, dit strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk oplevert. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto, aldus het gerechtshof.
In de onderhavige zaak heeft eveneens een zogenaamde ‘dynamische verkeerscontrole’ plaatsgevonden, net als in het voornoemde arrest van het gerechtshof: De verbalisanten wensten nadere informatie te verkrijgen omtrent een vanuit opsporingsperspectief mogelijk interessant persoon, te weten verdachte, hoewel er geen verdenking ter zake van enig strafbaar feit tegen hem bestond. Het vorderen van inzage in het rijbewijs en het kentekenbewijs van verdachte diende dan louter om het optreden formeel het aanzien van een verkeerscontrole te geven.
In de onderhavige zaak dient de rechtbank daarom net als het gerechtshof te concluderen tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto, en dientengevolge tot vrijspraak van verdachte.
4.3
Beoordeling
4.3.1
Rechtmatigheid van de controlebevoegdheid
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk bij het aanwenden van strafvorderlijke bevoegdheden.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 juli 2015 blijkt immers dat het rijgedrag van verdachte – door plotseling vol op de remmen te trappen bij een verkeerslicht dat op dat moment oranje licht uitstraalde – aanleiding heeft gegeven om hem een stopteken krachtens de Wegenverkeerswet 1994 te geven. De verbalisant heeft vervolgens van verdachte diens rij- en kentekenbewijs gevorderd. De omstandigheid dat de verbalisanten op dat moment ook andere informatie uit de politiesystemen over het voertuig van verdachte voorhanden hadden, maakt dat niet anders. Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een dergelijke handelwijze van de verbalisanten toegestaan.
Een andersluidende opvatting zou tot het onaanvaardbare standpunt leiden dat een verbalisant zijn bevoegdheden uit hoofde van de Wegenverkeerswet niet zou kunnen uitoefenen in het geval van een samenloop met hier bedoelde informatie omtrent een justitiabele.’
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank komt daarom niet tot bewijsuitsluiting van de vondst van verdovende middelen in de auto waarin verdachte reed.
4.3.2
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden zoals hierna onder 4.4 opgenomen, het ten laste gelegde feit bewezen op de wijze zoals onder 5 vermeld en overweegt daartoe het volgende.
In de auto van verdachte zijn plastic wikkels aangetroffen, waarvan uit onderzoek is gebleken dat de inhoud daarvan hasjiesj betrof. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij verdovende middelen heeft vervoerd in opdracht van een niet bij naam genoemde persoon. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat hij geld nodig had. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk het ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.4
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
1) De verklaring van verdachte ter zitting van 7 januari 2015 afgelegd, luidende zakelijk
weergegeven als volgt:
Het klopt dat ik op 14 juli 2015 te Amstelveen opzettelijk hoeveelheden van 4,37 kilogram, 2,57 kilogram, 247 gram en 538 gram hasjiesj in mijn auto heb vervoerd. Ik heb de tassen met hasjiesj voor iemand opgehaald en moest ze naar een ander adres brengen en ik zou er 250 euro voor krijgen,. Ik wist dat er hasjiesj in de tassen zaten.
2) Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015160099-4 van 14 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de voornoemde verbalisanten, zakelijk samengevat:
Op 14 juli 2015 omstreeks 19:50 uur passeerde ons een grijze Opel Corsa met kenteken [kenteken A] . Wij zagen en hoorden dat de Automatic Numberplate Recognition System reageerde op dit kenteken en de melding gaf dat dit voertuig gerelateerd werd aan voertuigcriminaliteit.
Hierop zijn wij achter het voertuig aangereden. Wij zagen dat het voertuig de Keizer Karelweg opreed en ter hoogte van de kruising met de Laan Walcheren plotseling vol de rem intrapte voor het verkeerslicht dat op dat moment oranje licht uitstraalde.
Hierop hebben wij de Opel Corsa een stopteken gegeven op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 en hielden de bestuurde staande. De bestuurder gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] in Marokko.
Desgevraagd heeft [verdachte] toestemming gegeven de auto te doorzoeken.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , trof in de achterbak van de Opel Corsa een aantal plastic tassen aan. Ik opende één van deze tassen en zag dat hierin een aantal bruine pakketjes lagen gewikkeld in huishoudfolie. Ik zag dat er ook een aantal kleine plakje lagen, bruin van kleur, welke wij verbalisanten, herkenden als zijnde hasj. Wij roken hierbij ook de geur van deze drugs.
Hierop hebben wij [verdachte] aangehouden. Aan [verdachte] is de cautie gegeven. Hij verklaarde nadien: ‘Ja, dat is hasj.’
Op 14 juli 2015 omstreeks 20:30 uur doorzochten wij, verbalisanten, de Opel Corsa met kenteken [kenteken A] nogmaals. In de kofferbak troffen wij twee tassen aan van de Wear Open (met daarin een plastic tas van de Dirk van den Broek) en een tas van World Duty Free (met daarin een tas van de Albert Heijn). Hierin lagen onder meer de volgende goederen:
- 8 pakketjes in zwarte folie/tape gewikkeld met een gemiddeld gewicht van 550 gram,
- 8,5 pakketjes in bruine folie/tape gewikkeld met daaromheen huishoudfolie met een
gemiddeld gewicht van 320 gram,
- 5 lichtbruine kleine pakketjes met een totaal gewicht van 254 gram,
- 1 pakketje gewikkeld in huishoudfolie met een gewicht van 300 gram,
- 2 dunne plakken met een totaal gewicht van ongeveer 198 gram,
- 1 kleine plak gewikkeld in bruine folie/tape met een gewicht van ongeveer 51 gram.
6) Een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2015160099-5 van 14 juli 2015.
Deze kennisgeving vermeldt als in beslag genomen goederen, zakelijk samengevat:
Volgnummer 1:
Goednummer: 5013242.
9 zwartkleurige pakketjes van ongeveer 500 gram per pak.
Volgnummer 4:
Goednummer: 5013244.
8,5 in bruin gewikkelde pakketjes.
Volgnummer 5:
Goednummer: 5013245
5 pakketjes in plasticfolie 498,79 gram.
Volgnummer 6:
Goednummer: 5013246
6 kleine pakketjes in doorzichtige folie.
7) Een verslag van 27 juli 2015, laboratoriumnummer 0867N15 van dr. P. Hommerson, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] .
Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:
Item: 5013245,
5 in plastic folie verpakte plakken bruine substantie, 247 gram: is hasjiesj.
Item: 5013246,
6 in plastic verpakte plakken bruine substantie, 538 gram: is hasjiesj.
8) Een verslag van 27 juli 2015, laboratoriumnummer 0865N15 van dr. P.
Motivering
8.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 (honderd en twintig) dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan verdachte de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland in het advies van 27 oktober 2015 zullen worden opgelegd.
8.2
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijk hoeveelheid hasjiesj vervoerd. Deze hoeveelheid gaat de kwalificatie van gebruikershoeveelheid ruim te boven. Het vervoeren van dergelijke hoeveelheden hasjiesj is een delict dat bijdraagt aan de handel in deze drug, die vaak gepaard gaat met andere vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank als uitgangspunt acht geslagen op de LOVS-richtlijnen en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken plegen op te leggen.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat in deze zaak uitgegaan kan worden van de verklaring van verdachte dat hij de drugs voor iemand voor 250 euro wegbracht en het een (eenmalige) klus betrof. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de bevindingen van Reclassering Nederland, namelijk dat verdachte beïnvloedbaar is en dat hij bekend is met depressies, posttraumatisch stresssyndroom en een verstoorde emotie- en agressieregulatie.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 15 december 2015 niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en met de omstandigheid dat verdachte bij het onderzoek vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven.
Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Gelet op de hoeveelheden hasjiesj die verdachte heeft vervoerd, sturen de LOVS-richtlijnen aan op een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter de op te leggen gevangenisstraf in duur matigen en grotendeels in voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank zal hieraan de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen.
Het gevolg hiervan is dat verdachte thans feitelijk geen gevangenisstraf hoeft te ondergaan, maar dat hij wel onder toezicht van de reclassering dient te blijven. Het voorwaardelijke deel van de straf dient als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals laat overhalen te het plegen van een strafbaar feit.
Voorts acht de rechtbank in aanvulling op het voorgaande een geldboete passend en geboden, nu financieel gewin aan het bewezen verklaarde strafbare feit ten grondslag lag. De rechtbank houdt daarbij rekening met de geringe draagkracht van verdachte en zal bepalen dat betaling van de geldboete in termijnen kan plaatsvinden.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht, en op de artikel 3 en 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
De rechtbank:
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
- Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank:
- verklaart het bewezene strafbaar;
- verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;
- beveelt dat een gedeelte, groot 57 (zevenenvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.
Algemene voorwaarden:
1. Veroordeelde maakt zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Veroordeelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
3. Veroordeelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Bijzondere voorwaarden:
4. Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Nederland, [adres te plaats] . Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht.
5. Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan behandeling betreffende delictpreventie bij zijn huidige psychiater, de heer Balraadjsing. Indien het tijdens het toezicht blijkt dat andere zorg noodzakelijk is, dan zal veroordeelde worden toegeleid naar polikliniek De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Dit alles zolang de reclassering/behandelaar dit nodig acht.
- veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen;
- bepaalt dat de geldboete in 5 (vijf) maandelijkse termijnen van elk € 100,- (honderd euro) mag worden voldaan;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,
mrs. P.J. van Eekeren en M.J.A. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2016.