Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2015-02-11
ECLI:NL:RBAMS:2015:730
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,508 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 14/8225
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2015 in de zaak tussen
[verzoekster]
, te[woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. M.J.W. Melchers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. I. van Kesteren).
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2
Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en is de WWB komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht WWB, geregeld in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet, wordt in het geval een bezwaar- of beroepschrift vóór of op de datum van de inwerkingtreding van de Participatiewet is ingediend, beslist met toepassing van de WWB. Dit is in de onderhavige zaak het geval.
2.1
Verzoekster heeft de Marokkaanse nationaliteit. Haar zoontje,[naam] geboren op[geboortedatum], heeft de Nederlandse nationaliteit. Aanvankelijk woonde verzoekster samen met de vader en haar zoontje op het adres[adres] te[woonplaats]. De vader van haar zoontje is aldaar in oktober 2014 vertrokken en de aan hem verleende uitkering is beëindigd per 7 oktober 2014. Verzoekster heeft op 10 november 2014 een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat verzoekster geen geldige verblijfstitel heeft. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Naar aanleiding van verzoeksters verzoek heeft verweerder wel een zogeheten babyuitkering van € 234,88 per maand verstrekt aan haar zoontje [naam].
2.2
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij alleen de zorg draagt voor haar 11 maanden oude zoontje en dat de vader niet in staat kan worden geacht zorg te dragen voor de opvoeding en verzorging. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de vader drugsverslaafd is, zich schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld en een huisverbod opgelegd heeft gekregen en sedertdien niet meer komt op het adres aan de [adres]. Verzoekster heeft voorts stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vader van haar zoontje tot 13 maart 2015 in detentie verblijft. Verzoekster stelt dat als haar bijstand wordt ontzegd haar zoontje feitelijk zal worden verplicht de Unie verlaten. Verzoeksters zoontje heeft de Nederlandse nationaliteit. Haar zoontje bevindt zich derhalve in een situatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011 (Ruiz Zambrano, C-34/09, te vinden op www.curia.eu).
3.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van
9 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:725) overwogen dat indien een burger van de Unie zodanig afhankelijk is van een burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie feitelijk wordt gedwongen met de burger van het derde land het grondgebied van de Unie te verlaten, aangenomen moet worden dat het recht van burgers van derde landen om onder de in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci e.a. (15 november 2011, C-256/11) bedoelde omstandigheden bij hun kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, te verblijven op het grondgebied van de lidstaten rechtstreeks voortvloeit uit artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Verzoekster heeft op grond van deze rechtspraak bij de Staatssecretaris van Justitie een aanvraag voor verblijf gedaan. Verweerder heeft naar aanleiding van de onderhavige bijstandsaanvraag contact gehad met de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze dienst heeft verweerder meegedeeld dat verzoeksters aanvraag op deze grond vermoedelijk zou worden afgewezen, maar dat verzoekster een aanvraag voor verblijf op individuele gronden zou moeten indienen. Ter zitting heeft verzoeksters gemachtigde bestreden dat deze informatie correct zou zijn.
3.2.
Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat gelet op de door hem verkregen informatie verzoekster zich niet in een positie bevindt dat zij, en daarmee haar zoontje, gedwongen is de Unie verlaten. Verzoekster heeft echter geen rechtmatig verblijf. In die situatie gaat het te ver om ook aan verzoekster een bijstandsuitkering te verlenen. Voor verzoekster moet de uitkomst van haar aanvraag bij de IND voor rechtmatig verblijf worden afgewacht. Verweerder acht de jurisprudentie die door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Hoge Raad (HR) is ontwikkeld in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), niet zonder meer toepasbaar op de WWB. Verweerder is van oordeel dat voldoende is tegemoet gekomen aan de rechten van unieburger B.F. Scheerman, door hem in de onderhavige zaak een babyuitkering toe te kennen.
3.3
De voorzieningenrechter overweegt dat de CRvB in de uitspraak van 17 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173) in het kader van de AKW geoordeeld dat uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat voor de belanghebbende in die zaak uit artikel 20 van het VWEU een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, afgeleid van het verblijfsrecht van haar kind, indien haar kind zich bevindt in een situatie als bedoeld in de genoemde arresten. De HR heeft in zijn arrest van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:277) naar aanleiding van het tegen de uitspraak van de CRvB ingestelde cassatieberoep geoordeeld dat uit het arrest Zambrano en het arrest Dereci e.a. volgt dat een staatsburger van een derde land in zeer bijzondere gevallen aan artikel 20 VWEU het recht ontleent om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven. Daarvan is sprake indien een ontzegging van dat verblijf – als die zou plaatsvinden – tot gevolg zou hebben dat een kind van de betrokkene dat burger is van de Unie, feitelijk wordt verplicht om met de ouder het grondgebied van de lidstaat waarvan het kind staatsburger is en tevens het grondgebied van de Europese Unie als geheel te verlaten. In deze gevallen vloeit het verblijfsrecht van een staatsburger van een derde land rechtstreeks voort uit het VWEU. Naar de CRvB terecht heeft aangenomen, is voor het bestaan van een dergelijk verblijfsrecht dan ook geen beslissing van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vereist tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en evenmin de afgifte door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van enig document, dat slechts het bestaan van dit recht bevestigt. Het bestaan van een dergelijk afgeleid verblijfsrecht is evenmin afhankelijk van enig handelen of nalaten van een lidstaat dat tot gevolg heeft dat ouder en kind gedwongen zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Ook daarvan is de CRvB terecht uitgegaan, aldus de HR. Indien aldus uit artikel 20 VWEU voortvloeit dat een staatsburger van een derde land het recht heeft in Nederland te verblijven, brengt een redelijke uitleg van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in het licht van het recht van de EU met zich dat die burger hier te lande rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
3.4
De voorzieningenrechter leidt uit die rechtspraak af dat ook bij een aanvraag om een WWB-uitkering het bestuursorgaan zal moeten onderzoeken of er sprake is van een zeer bijzonder geval als bedoeld in de arresten Ruiz Sambrano en Dereci e.a. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat hij niet heeft onderzocht of in het geval van verzoekster sprake is van een vergelijkbare situatie als in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci e.a..
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
bepaalt dat verweerder aan verzoekster met ingang van 19 december 2014 voorschotten verstrekt naar de voor haar geldende norm, minus de aan
[naam] toegekende babyuitkering, tot het besluit op bezwaar;
bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 974,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.
is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.