Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2015-03-12
ECLI:NL:RBAMS:2015:1456
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,775 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 14/3991
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2015 in de zaak tussen
[eiser]
, te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. T. Catak),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter).
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitwonendenbeurs van eiser met ingang van 1 oktober 2012 herzien en omgezet in een thuiswonendenbeurs. Het bedrag van € 1.755,- aan te veel ontvangen studiefinanciering heeft verweerder aangemerkt als een schuld.
Bij besluit van 8 november 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een boete van € 968,31 opgelegd, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) staat ingeschreven.
Bij besluit van 22 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft vanaf 6 september 2012 tot 30 oktober 2013 ingeschreven gestaan in de gba, thans basisregistratie personen, op het adres [adres] te [woonplaats] (gba-adres). Aan eiser is met ingang van 1 oktober 2012 studiefinanciering toegekend berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Verweerder heeft onderzoek verricht naar het feitelijke woonadres van eiser. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport Misbruik uitwonendenbeurs van 7 augustus 2013 (het rapport). In dit rapport staan de volgende bevindingen. Uit het administratieve vooronderzoek is gebleken dat op het gba-adres 12 personen staan ingeschreven, waaronder eiser. Op 30 september 2011 heeft de Sociale Dienst van de gemeente [woonplaats] een huisbezoek afgelegd op het gba-adres. Tijdens dit huisbezoek hebben medewerkers van bureau Fraudebestrijding geconstateerd dat de hoofdbewoners een echtpaar zijn met vijf kinderen en een dame met een kind en dat de woning drie slaapkamers heeft. Uit het rapport blijkt verder dat in opdracht van verweerders Dienst Uitvoering Onderwijs op 15 juli 2013 getracht is een huisbezoek af te leggen op het gba-adres en dat de hoofdbewoner heeft geweigerd daaraan zijn medewerking te verlenen. Tot slot bevat het rapport opstap- uitstapgegevens van eiser die verweerder bij Trans Link System heeft opgevraagd. Het dossier bevat voorts een brief van 30 september 2013 van de gemeente [woonplaats] waarin staat vermeld dat de hoofdbewoonster van het adres [adres], mevrouw [naam] tijdens een gesprek op 22 mei 2013 zou hebben verklaard dat geen studenten op het gba-adres wonen.
2. De rechtbank stelt ten aanzien van de herziening en terugvordering van de studiefinanciering vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk is. Het geschil tussen partijen richt zich op de opgelegde boete. Met betrekking hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
3. Bij het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit II heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 1.936,62, 50% van het bedrag dat hij over de periode van oktober 2012 tot en met juli 2013 teveel aan studiefinanciering heeft ontvangen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het adres waaronder eiser in de gba staat ingeschreven. Aan de boeteoplegging heeft de verweerder ten grondslag gelegd dat tijdens het huisbezoek is gebleken dat eiser niet woont op het gba-adres. De Sociale Dienst van de gemeente [woonplaats] heeft tijdens het huisbezoek van 30 september 2013 vastgesteld dat er slechts drie slaapkamers waren. Voorts heeft verweerder aan de boete ten grondslag gelegd dat uit de verklaring van [naam] van 22 mei 2013 blijkt dat er geen studenten bij haar in huis wonen en dat uit de reisgegevens van eiser blijkt dat hij steevast opstapt bij een halte die op ruime afstand van het gba-adres ligt. Verweerder heeft voorts geen aanleiding gezien om de hoogte van de boete te matigen.
4. Eiser heeft in beroep zich op het standpunt gesteld dat hij woont op het gba-adres en dat het onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij op enig moment veelvuldig bij zijn vriend sliep alwaar hij tot laat studeerde. Dit was ook de reden dat hij vaak bij de halte [straatnaam] opstapte. Voort blijkt uit de opstapgegevens dat eiser bijna altijd de bus heeft genomen bij halte 30234 in [woonplaats]. Het onderzoek is onzorgvuldig, omdat verweerder niet heeft getracht een tweede huisbezoek af te leggen. Voorts is het onderzoek (innerlijk) tegenstrijdig, omdat in het rapport wordt opgemerkt dat, gelet op de opstap- en uitstapgegevens, het aannemelijk is dat eiser zijn hoofdverblijf niet heeft op het ouderlijk adres [adresgegevens] en in de brief van verweerder van 7 augustus 2013 waarmee de reisgegevens zijn opgevraagd, daarentegen is opgemerkt dat het vermoeden bestaat dat eiser vertrekt en terugkeert van het ouderlijk adres.
5. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering (Wsf) 2000 wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, enb. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven. In artikel 9.9, eerste lid van de Wsf 2000 is bepaald dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien de studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5 Wsf 2000. Het bedrag van de boete bedraagt ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van een studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.
6. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat eisers bezwaar tegen primair besluit I niet-ontvankelijk is verklaard, niet betekent dat de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard als vaststaand moeten worden aangenomen. In het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde boete kan eiser die oordelen in volle omvang betwisten.
7. De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 30 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2799) onder meer geoordeeld dat de bewijslast met betrekking tot de stelling dat betrokkene niet heeft voldaan aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 neergelegde voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs rust op verweerder. Bij een boeteoplegging houdt dit concreet in dat verweerder moet aantonen dat betrokkene niet woont op zijn gba-adres. Niet voldoende is dat slechts aannemelijk is gemaakt dat betrokkene niet op zijn gba-adres woonde. Weliswaar is in artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 de hoogte van de maximaal op te leggen boete gekoppeld aan het bedrag van de herziening, waarvoor een minder zware bewijslast geldt, maar deze bepaling doet geen afbreuk aan de bewijslast bij een bestraffende sanctie. De omstandigheid dat de hoofdbewoner niet wenste mee te werken aan het huisbezoek op 15 juli 2013, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de bewijslast wordt verschoven van verweerder naar eiser.
8. De omstandigheid dat verweerder geen tweede huisbezoek heeft afgelegd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het rapport volgt immers dat de hoofdbewoner heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het huisbezoek van 15 juli 2013 en heeft aangegeven dat hij ook geen toestemming zou geven indien de toezichthouders samen met eiser naar de woning zouden komen. Gelet hierop hebben de toezichthouders afgezien van een tweede huisbezoek aan het gba-adres. Bovendien heeft verweerder naast het afleggen van een huisbezoek tevens getracht een buurtonderzoek uit te voeren en de opstap- uitstapgegevens van eiser opgevraagd en verkregen. De gestelde tegenstrijdigheid in het standpunt van verweerder omtrent de vermoedelijke verblijfplaats van eiser kan hem niet baten, omdat eiser wordt verweten niet op het gba-adres te hebben verbleven. Gelet ook op de strekking van artikel 1.5, eerste lid van de Wsf 2000, is, zodra is aangetoond dat eiser niet verblijft op zijn gba-adres, niet relevant waar eiser dan wel verblijft.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van de bevindingen van het onderzoek zoals neergelegd in het rapport niet aangetoond dat eiser niet woonachtig was op het gba-adres. De rechtbank acht hiertoe het volgende van belang. De omstandigheid dat tijdens het huisbezoek in 2011 is geconstateerd dat negen personen op het gba-adres wonen en dat de woning slechts drie slaapkamers heeft, biedt op zichzelf genomen onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiser niet op het gba-adres woonde in de periode in geding.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de boete is gehandhaafd;
- herroept het primaire besluit II van 8 november 2013;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 (zegge: vijfenveertig euro) aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig), te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.