Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2014-10-07
ECLI:NL:RBAMS:2014:6823
Internationaal publiekrecht, Internationaal publiekrecht; Volkenrecht
Rekestprocedure
15,492 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751097-13
RK nummer: 13/7607
Datum uitspraak: 7 oktober 2014
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 14 november 2013, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie ontvangen verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats], Turkije, op [geboortedatum],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres, te plaats],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[plaats]’, Huis van Bewaring ‘’[locatie]’,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang.
De rechtbank heeft op 30 mei 2014 de opgeëiste persoon, zijn raadslieden, mrs. C.F. Korvinus en G. Spong, beiden advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie mr. R.A. Bosman ter openbare zitting gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 23 september 2014, in aanwezigheid van de opgeëiste persoon, zijn raadslieden, mrs C.F. Korvinus en G. Spong, en de officier van justitie mr. R. Bosman. De opgeëiste persoon is - waar nodig - bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
2Het verzoek tot uitlevering.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij op dit moment niet meer de Nederlandse nationaliteit bezit, maar alleen de Turkse nationaliteit heeft.
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van strafvervolging in verband met de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn bewaring op 17 augustus 1994 is gelast door de Enkelvoudige Kamer in Lichte Strafzaken te Ortaköy, Aksaray, Turkije met kenmerk 1994/54.
Feiten
De opgeëiste persoon wordt verdacht van het strafbare feit “moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing” gepleegd op 9 augustus 1994 in de provincie Aksaray, district Ortaköy, dorp Gödeler, Turkije.
Het in die bijlage tussen haken [ ] geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
Beoordeling
3.1.
Genoegzaamheid van de stukken.
3.1.1.
Standpunt van de verdediging
Raadsman Spong heeft betoogd dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren, omdat de wettelijke voorschriften inzake doodslag niet zijn overgelegd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De Turkse justitiële autoriteiten kwalificeren het feitencomplex als moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Deze Turkse feitelijke omschrijving van het strafbare feit zal - gelet op de recente aangescherpte rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het delictsbestanddeel voorbedachte raad bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht - in het kader van de toetsing van de dubbele strafbaarheid niet tot de kwalificatie moord kunnen leiden. Naar Nederlands recht komt derhalve uitsluitend de kwalificatie doodslag in aanmerking.
Nederland hoeft haar eigen rechtsopvatting over de voorbedachte raad niet prijs te geven ten behoeve van de Turkse rechtsopvatting. De eerbiediging van eigen rechtsopvattingen heeft in de uitleveringspraktijk al menigmaal tot ontoelaatbaar verklaarde uitleveringen geleid. De vraag of het strafbaar feit doodslag naar Turks recht verjaard is kan niet met 100% zekerheid worden beantwoord, nu de Turkse wettelijke voorschriften inzake doodslag niet zijn overgelegd.
Subsidiair dient de behandeling aangehouden te worden om de Turkse autoriteiten in de gelegenheid te stellen tot het overleggen van de wettelijke bepalingen omtrent doodslag.
3.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten gekwalificeerd kunnen worden als moord met voorbedachten rade, afpersing dan wel diefstal of als een gekwalificeerde doodslag in de zin van artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.
3.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De Turkse autoriteiten hebben het strafbare feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Turks recht gekwalificeerd als moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Gelet op deze kwalificatie bestond voor de Turkse autoriteiten geen verplichting om (ook) de Turkse wettelijke bepalingen over doodslag over te leggen.
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de Turkse bepalingen inzake doodslag nodig zijn om de verjaring van de feiten te kunnen beoordelen verwijst de rechtbank naar wat zij hierna onder 3.2 overweegt.
3.2
Verjaring
3.2.1
Standpunt van de raadslieden
De raadslieden van de opgeëiste persoon hebben betoogd dat de rechtbank de uitlevering dient te weigeren omdat de feiten zijn verjaard.
Nu de Nederlandse kwalificatie doodslag is, ontbreken de Turkse wetsbepalingen inzake de verjaring daarvan.
Uit de gegevens van de Turkse autoriteiten blijkt verder dat artikel 66 van het Turkse wetboek van strafrecht, dat de verjaring regelt voor moord c.q. feiten waarop levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime, op 1 juni 2005 is gewijzigd en dat de verjaringstermijn sindsdien 30 jaar bedraagt.
Nu op doodslag een lagere straf staat, kan er van worden uitgegaan dat er voor doodslag ook een minder lange verjaringstermijn geldt dan de 20 jaar die tot de wijziging van de verjaringstermijn voor moord gold. Als de rechtbank het feit derhalve als doodslag kwalificeert, is het feit naar Turks recht verjaard en is de uitlevering ontoelaatbaar.
In de stukken bevindt zich verder de mededeling dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit wordt begaan, de voor de verdachte meest gunstige bepaling wordt toegepast. In casu impliceert dit met betrekking tot de moord dat de verjaringstermijn van 20 jaar geldt.
Uit het uitleveringsverzoek blijkt bovendien dat de verjaringstermijn bij misdrijven waarop levenslange zware gevangenisstraf onder verzwaard regime (moord) 20 jaar bedraagt. In dat geval is het feit op 9 augustus 2014 verjaard, tenzij er een stuitingshandeling is verricht.
De voorzitter van de strafzaak tegen de opgeëiste persoon heeft beslist dat vanwege de aanwezige gronden voor stuiting van de verjaring, de verjaringstermijn in deze zaak op 22 augustus 2024 zal eindigen. De gronden voor de stuiting zijn echter niet vermeld. Evenmin zijn de Turkse bepalingen over stuiting overgelegd en zonder kennis van deze bepalingen valt niet na te gaan of er inderdaad stuitingsgronden naar Turks recht aanwezig zijn.
Daarbij komt dat een reeds voltooide verjaring dient te worden gerespecteerd. De Hoge Raad (NJ 1977, 601 en 11 november 2008, NJB 2008, 2185) heeft geoordeeld dat het beroep op verjaring beoordeeld moet worden aan de hand van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Echter geldt voor personen die in ons land worden vervolgd dat een reeds voltooide verjaring bij wijziging van de verjaringsbepalingen dient te worden gerespecteerd. Hierdoor wordt een vreemdeling en/of een opgeëiste persoon gediscrimineerd op het gebied van de verjaring ten opzichte van een Nederlander of enig persoon die in Nederland strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit is in strijd met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten.
Ook het feit afpersing is reeds verjaard. Dit moet naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een diefstal in vereniging. Op grond van de eerbiedigende werking van de voltooide verjaring bij uitlevering, is de uitlevering ontoelaatbaar omdat de verjaringstermijn voor de wetswijziging uit 2005 (wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht twaalf jaar bedroeg.
Subsidiair dient de behandeling aangehouden te worden om de Turkse autoriteiten in de gelegenheid te stellen tot het overleggen van de wettelijke bepalingen omtrent stuiting van de verjaring.
3.2.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten op 22 augustus 2024 verjaren. Zij heeft daarbij gewezen op het antwoord van de Turkse autoriteiten van 19 maart 2014. Nederland dient op deze informatie, die is gegeven op expliciete vragen van Nederland, te vertrouwen. Ook naar Nederlands recht is geen sprake van verjaring van de feiten. Zelfs indien van de oude verjaringsregels zou worden uitgegaan, zijn de feiten niet verjaard omdat de vervolging door het internationaal aanhoudingsbevel van 5 mei 2004 is gestuit.
3.2.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feiten, zowel naar Turks als naar Nederlands recht, niet zijn verjaard.
De verjaring naar Turks recht
De rechtbank stelt het volgende voorop.
De Turkse autoriteiten verdenken de opgeëiste persoon ervan, kort gezegd, dat hij met zijn broer op 9 augustus 1994 te Aksaray, na een woordenwisseling, een man heeft gedood waarbij 12.000 DM van deze man is afgenomen. Na zijn overlijden is de man met olie overgoten en in brand gestoken. De 12.000 DM had de broer van de opgeëiste persoon aan de man gegeven als aankoopprijs voor een huis.
Feiten
Aan alle voor uitlevering in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan. De rechtbank verklaart de gevraagde uitlevering dan ook toelaatbaar.
Nu de rechtbank de verweren heeft verworpen en de verzoeken om aanhouding heeft afgewezen, behoeft het voor het geval van aanhouding gedane schorsingsverzoek geen bespreking meer.
4Toepasselijke wetsartikelen.
de artikelen 288 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering van 13 december 1957 (Trb.65, 9) en artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).
Dictum
Verklaart TOELAATBAAR de door Turkije verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging met betrekking tot de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen haken [ ] geplaatste deel van de bijlage.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. A.J. Dondorp en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2014.
Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751097-13
RK nummer: 13/7607
Datum uitspraak: 7 oktober 2014
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 14 november 2013, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie ontvangen verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats], Turkije, op [geboortedatum],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres, te plaats],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[plaats]’, Huis van Bewaring ‘’[locatie]’,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang.
De rechtbank heeft op 30 mei 2014 de opgeëiste persoon, zijn raadslieden, mrs. C.F. Korvinus en G. Spong, beiden advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie mr. R.A. Bosman ter openbare zitting gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 23 september 2014, in aanwezigheid van de opgeëiste persoon, zijn raadslieden, mrs C.F. Korvinus en G. Spong, en de officier van justitie mr. R. Bosman. De opgeëiste persoon is - waar nodig - bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
2Het verzoek tot uitlevering.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij op dit moment niet meer de Nederlandse nationaliteit bezit, maar alleen de Turkse nationaliteit heeft.
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van strafvervolging in verband met de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn bewaring op 17 augustus 1994 is gelast door de Enkelvoudige Kamer in Lichte Strafzaken te Ortaköy, Aksaray, Turkije met kenmerk 1994/54.
Feiten
De opgeëiste persoon wordt verdacht van het strafbare feit “moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing” gepleegd op 9 augustus 1994 in de provincie Aksaray, district Ortaköy, dorp Gödeler, Turkije.
Het in die bijlage tussen haken [ ] geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
Beoordeling
3.1.
Genoegzaamheid van de stukken.
3.1.1.
Standpunt van de verdediging
Raadsman Spong heeft betoogd dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren, omdat de wettelijke voorschriften inzake doodslag niet zijn overgelegd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De Turkse justitiële autoriteiten kwalificeren het feitencomplex als moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Deze Turkse feitelijke omschrijving van het strafbare feit zal - gelet op de recente aangescherpte rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het delictsbestanddeel voorbedachte raad bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht - in het kader van de toetsing van de dubbele strafbaarheid niet tot de kwalificatie moord kunnen leiden. Naar Nederlands recht komt derhalve uitsluitend de kwalificatie doodslag in aanmerking.
Nederland hoeft haar eigen rechtsopvatting over de voorbedachte raad niet prijs te geven ten behoeve van de Turkse rechtsopvatting. De eerbiediging van eigen rechtsopvattingen heeft in de uitleveringspraktijk al menigmaal tot ontoelaatbaar verklaarde uitleveringen geleid. De vraag of het strafbaar feit doodslag naar Turks recht verjaard is kan niet met 100% zekerheid worden beantwoord, nu de Turkse wettelijke voorschriften inzake doodslag niet zijn overgelegd.
Subsidiair dient de behandeling aangehouden te worden om de Turkse autoriteiten in de gelegenheid te stellen tot het overleggen van de wettelijke bepalingen omtrent doodslag.
3.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten gekwalificeerd kunnen worden als moord met voorbedachten rade, afpersing dan wel diefstal of als een gekwalificeerde doodslag in de zin van artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.
3.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De Turkse autoriteiten hebben het strafbare feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Turks recht gekwalificeerd als moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Gelet op deze kwalificatie bestond voor de Turkse autoriteiten geen verplichting om (ook) de Turkse wettelijke bepalingen over doodslag over te leggen.
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de Turkse bepalingen inzake doodslag nodig zijn om de verjaring van de feiten te kunnen beoordelen verwijst de rechtbank naar wat zij hierna onder 3.2 overweegt.
3.2
Verjaring
3.2.1
Standpunt van de raadslieden
De raadslieden van de opgeëiste persoon hebben betoogd dat de rechtbank de uitlevering dient te weigeren omdat de feiten zijn verjaard.
Nu de Nederlandse kwalificatie doodslag is, ontbreken de Turkse wetsbepalingen inzake de verjaring daarvan.
Uit de gegevens van de Turkse autoriteiten blijkt verder dat artikel 66 van het Turkse wetboek van strafrecht, dat de verjaring regelt voor moord c.q. feiten waarop levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime, op 1 juni 2005 is gewijzigd en dat de verjaringstermijn sindsdien 30 jaar bedraagt.
Nu op doodslag een lagere straf staat, kan er van worden uitgegaan dat er voor doodslag ook een minder lange verjaringstermijn geldt dan de 20 jaar die tot de wijziging van de verjaringstermijn voor moord gold. Als de rechtbank het feit derhalve als doodslag kwalificeert, is het feit naar Turks recht verjaard en is de uitlevering ontoelaatbaar.
In de stukken bevindt zich verder de mededeling dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit wordt begaan, de voor de verdachte meest gunstige bepaling wordt toegepast. In casu impliceert dit met betrekking tot de moord dat de verjaringstermijn van 20 jaar geldt.
Uit het uitleveringsverzoek blijkt bovendien dat de verjaringstermijn bij misdrijven waarop levenslange zware gevangenisstraf onder verzwaard regime (moord) 20 jaar bedraagt. In dat geval is het feit op 9 augustus 2014 verjaard, tenzij er een stuitingshandeling is verricht.
De voorzitter van de strafzaak tegen de opgeëiste persoon heeft beslist dat vanwege de aanwezige gronden voor stuiting van de verjaring, de verjaringstermijn in deze zaak op 22 augustus 2024 zal eindigen. De gronden voor de stuiting zijn echter niet vermeld. Evenmin zijn de Turkse bepalingen over stuiting overgelegd en zonder kennis van deze bepalingen valt niet na te gaan of er inderdaad stuitingsgronden naar Turks recht aanwezig zijn.
Daarbij komt dat een reeds voltooide verjaring dient te worden gerespecteerd. De Hoge Raad (NJ 1977, 601 en 11 november 2008, NJB 2008, 2185) heeft geoordeeld dat het beroep op verjaring beoordeeld moet worden aan de hand van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Echter geldt voor personen die in ons land worden vervolgd dat een reeds voltooide verjaring bij wijziging van de verjaringsbepalingen dient te worden gerespecteerd. Hierdoor wordt een vreemdeling en/of een opgeëiste persoon gediscrimineerd op het gebied van de verjaring ten opzichte van een Nederlander of enig persoon die in Nederland strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit is in strijd met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten.
Ook het feit afpersing is reeds verjaard. Dit moet naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een diefstal in vereniging. Op grond van de eerbiedigende werking van de voltooide verjaring bij uitlevering, is de uitlevering ontoelaatbaar omdat de verjaringstermijn voor de wetswijziging uit 2005 (wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht twaalf jaar bedroeg.
Subsidiair dient de behandeling aangehouden te worden om de Turkse autoriteiten in de gelegenheid te stellen tot het overleggen van de wettelijke bepalingen omtrent stuiting van de verjaring.
3.2.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten op 22 augustus 2024 verjaren. Zij heeft daarbij gewezen op het antwoord van de Turkse autoriteiten van 19 maart 2014. Nederland dient op deze informatie, die is gegeven op expliciete vragen van Nederland, te vertrouwen. Ook naar Nederlands recht is geen sprake van verjaring van de feiten. Zelfs indien van de oude verjaringsregels zou worden uitgegaan, zijn de feiten niet verjaard omdat de vervolging door het internationaal aanhoudingsbevel van 5 mei 2004 is gestuit.
3.2.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feiten, zowel naar Turks als naar Nederlands recht, niet zijn verjaard.
De verjaring naar Turks recht
De rechtbank stelt het volgende voorop.
De Turkse autoriteiten verdenken de opgeëiste persoon ervan, kort gezegd, dat hij met zijn broer op 9 augustus 1994 te Aksaray, na een woordenwisseling, een man heeft gedood waarbij 12.000 DM van deze man is afgenomen. Na zijn overlijden is de man met olie overgoten en in brand gestoken. De 12.000 DM had de broer van de opgeëiste persoon aan de man gegeven als aankoopprijs voor een huis.
Feiten
Aan alle voor uitlevering in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan. De rechtbank verklaart de gevraagde uitlevering dan ook toelaatbaar.
Nu de rechtbank de verweren heeft verworpen en de verzoeken om aanhouding heeft afgewezen, behoeft het voor het geval van aanhouding gedane schorsingsverzoek geen bespreking meer.
4Toepasselijke wetsartikelen.
de artikelen 288 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering van 13 december 1957 (Trb.65, 9) en artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).
Dictum
Verklaart TOELAATBAAR de door Turkije verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging met betrekking tot de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen haken [ ] geplaatste deel van de bijlage.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. A.J. Dondorp en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2014.
Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751097-13
RK nummer: 13/7607
Datum uitspraak: 7 oktober 2014
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 14 november 2013, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie ontvangen verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats], Turkije, op [geboortedatum],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres, te plaats],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[plaats]’, Huis van Bewaring ‘’[locatie]’,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang.
De rechtbank heeft op 30 mei 2014 de opgeëiste persoon, zijn raadslieden, mrs. C.F. Korvinus en G. Spong, beiden advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie mr. R.A. Bosman ter openbare zitting gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 23 september 2014, in aanwezigheid van de opgeëiste persoon, zijn raadslieden, mrs C.F. Korvinus en G. Spong, en de officier van justitie mr. R. Bosman. De opgeëiste persoon is - waar nodig - bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
2Het verzoek tot uitlevering.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij op dit moment niet meer de Nederlandse nationaliteit bezit, maar alleen de Turkse nationaliteit heeft.
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van strafvervolging in verband met de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn bewaring op 17 augustus 1994 is gelast door de Enkelvoudige Kamer in Lichte Strafzaken te Ortaköy, Aksaray, Turkije met kenmerk 1994/54.
Feiten
De opgeëiste persoon wordt verdacht van het strafbare feit “moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing” gepleegd op 9 augustus 1994 in de provincie Aksaray, district Ortaköy, dorp Gödeler, Turkije.
Het in die bijlage tussen haken [ ] geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
Beoordeling
3.1.
Genoegzaamheid van de stukken.
3.1.1.
Standpunt van de verdediging
Raadsman Spong heeft betoogd dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren, omdat de wettelijke voorschriften inzake doodslag niet zijn overgelegd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De Turkse justitiële autoriteiten kwalificeren het feitencomplex als moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Deze Turkse feitelijke omschrijving van het strafbare feit zal - gelet op de recente aangescherpte rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het delictsbestanddeel voorbedachte raad bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht - in het kader van de toetsing van de dubbele strafbaarheid niet tot de kwalificatie moord kunnen leiden. Naar Nederlands recht komt derhalve uitsluitend de kwalificatie doodslag in aanmerking.
Nederland hoeft haar eigen rechtsopvatting over de voorbedachte raad niet prijs te geven ten behoeve van de Turkse rechtsopvatting. De eerbiediging van eigen rechtsopvattingen heeft in de uitleveringspraktijk al menigmaal tot ontoelaatbaar verklaarde uitleveringen geleid. De vraag of het strafbaar feit doodslag naar Turks recht verjaard is kan niet met 100% zekerheid worden beantwoord, nu de Turkse wettelijke voorschriften inzake doodslag niet zijn overgelegd.
Subsidiair dient de behandeling aangehouden te worden om de Turkse autoriteiten in de gelegenheid te stellen tot het overleggen van de wettelijke bepalingen omtrent doodslag.
3.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten gekwalificeerd kunnen worden als moord met voorbedachten rade, afpersing dan wel diefstal of als een gekwalificeerde doodslag in de zin van artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.
3.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De Turkse autoriteiten hebben het strafbare feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Turks recht gekwalificeerd als moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Gelet op deze kwalificatie bestond voor de Turkse autoriteiten geen verplichting om (ook) de Turkse wettelijke bepalingen over doodslag over te leggen.
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de Turkse bepalingen inzake doodslag nodig zijn om de verjaring van de feiten te kunnen beoordelen verwijst de rechtbank naar wat zij hierna onder 3.2 overweegt.
3.2
Verjaring
3.2.1
Standpunt van de raadslieden
De raadslieden van de opgeëiste persoon hebben betoogd dat de rechtbank de uitlevering dient te weigeren omdat de feiten zijn verjaard.
Nu de Nederlandse kwalificatie doodslag is, ontbreken de Turkse wetsbepalingen inzake de verjaring daarvan.
Uit de gegevens van de Turkse autoriteiten blijkt verder dat artikel 66 van het Turkse wetboek van strafrecht, dat de verjaring regelt voor moord c.q. feiten waarop levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime, op 1 juni 2005 is gewijzigd en dat de verjaringstermijn sindsdien 30 jaar bedraagt.
Nu op doodslag een lagere straf staat, kan er van worden uitgegaan dat er voor doodslag ook een minder lange verjaringstermijn geldt dan de 20 jaar die tot de wijziging van de verjaringstermijn voor moord gold. Als de rechtbank het feit derhalve als doodslag kwalificeert, is het feit naar Turks recht verjaard en is de uitlevering ontoelaatbaar.
In de stukken bevindt zich verder de mededeling dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit wordt begaan, de voor de verdachte meest gunstige bepaling wordt toegepast. In casu impliceert dit met betrekking tot de moord dat de verjaringstermijn van 20 jaar geldt.
Uit het uitleveringsverzoek blijkt bovendien dat de verjaringstermijn bij misdrijven waarop levenslange zware gevangenisstraf onder verzwaard regime (moord) 20 jaar bedraagt. In dat geval is het feit op 9 augustus 2014 verjaard, tenzij er een stuitingshandeling is verricht.
De voorzitter van de strafzaak tegen de opgeëiste persoon heeft beslist dat vanwege de aanwezige gronden voor stuiting van de verjaring, de verjaringstermijn in deze zaak op 22 augustus 2024 zal eindigen. De gronden voor de stuiting zijn echter niet vermeld. Evenmin zijn de Turkse bepalingen over stuiting overgelegd en zonder kennis van deze bepalingen valt niet na te gaan of er inderdaad stuitingsgronden naar Turks recht aanwezig zijn.
Daarbij komt dat een reeds voltooide verjaring dient te worden gerespecteerd. De Hoge Raad (NJ 1977, 601 en 11 november 2008, NJB 2008, 2185) heeft geoordeeld dat het beroep op verjaring beoordeeld moet worden aan de hand van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Echter geldt voor personen die in ons land worden vervolgd dat een reeds voltooide verjaring bij wijziging van de verjaringsbepalingen dient te worden gerespecteerd. Hierdoor wordt een vreemdeling en/of een opgeëiste persoon gediscrimineerd op het gebied van de verjaring ten opzichte van een Nederlander of enig persoon die in Nederland strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit is in strijd met artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten.
Ook het feit afpersing is reeds verjaard. Dit moet naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een diefstal in vereniging. Op grond van de eerbiedigende werking van de voltooide verjaring bij uitlevering, is de uitlevering ontoelaatbaar omdat de verjaringstermijn voor de wetswijziging uit 2005 (wet van 16 november 2005, Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht twaalf jaar bedroeg.
Subsidiair dient de behandeling aangehouden te worden om de Turkse autoriteiten in de gelegenheid te stellen tot het overleggen van de wettelijke bepalingen omtrent stuiting van de verjaring.
3.2.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten op 22 augustus 2024 verjaren. Zij heeft daarbij gewezen op het antwoord van de Turkse autoriteiten van 19 maart 2014. Nederland dient op deze informatie, die is gegeven op expliciete vragen van Nederland, te vertrouwen. Ook naar Nederlands recht is geen sprake van verjaring van de feiten. Zelfs indien van de oude verjaringsregels zou worden uitgegaan, zijn de feiten niet verjaard omdat de vervolging door het internationaal aanhoudingsbevel van 5 mei 2004 is gestuit.
3.2.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feiten, zowel naar Turks als naar Nederlands recht, niet zijn verjaard.
De verjaring naar Turks recht
De rechtbank stelt het volgende voorop.
De Turkse autoriteiten verdenken de opgeëiste persoon ervan, kort gezegd, dat hij met zijn broer op 9 augustus 1994 te Aksaray, na een woordenwisseling, een man heeft gedood waarbij 12.000 DM van deze man is afgenomen. Na zijn overlijden is de man met olie overgoten en in brand gestoken. De 12.000 DM had de broer van de opgeëiste persoon aan de man gegeven als aankoopprijs voor een huis.
Feiten
Aan alle voor uitlevering in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan. De rechtbank verklaart de gevraagde uitlevering dan ook toelaatbaar.
Nu de rechtbank de verweren heeft verworpen en de verzoeken om aanhouding heeft afgewezen, behoeft het voor het geval van aanhouding gedane schorsingsverzoek geen bespreking meer.
4Toepasselijke wetsartikelen.
de artikelen 288 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering van 13 december 1957 (Trb.65, 9) en artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).
Dictum
Verklaart TOELAATBAAR de door Turkije verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging met betrekking tot de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen haken [ ] geplaatste deel van de bijlage.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. A.J. Dondorp en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2014.
Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.
Beoordeling
De broer had echter ook een schuld bij de opgeëiste persoon.
In de feitsomschrijving is verder vermeld dat de handelingen koelbloedig en met voorbedachten rade zijn uitgevoerd. Het strafbare feit afpersing stond los van het strafbare feit moord.
De wetsartikelen 82 (met betrekking tot de moord) en 148 en 149 (afpersing) zijn aan het uitleveringsverzoek bijgevoegd.
Gelet op het uitleveringsverzoek, het Turkse bevel tot bewaring en de feitsomschrijving gaat de rechtbank ervan uit dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon naar Turks recht willen vervolgen voor één strafbaar feit, te weten moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon voor één feit wensen te vervolgen blijkt ook uit de omstandigheid dat zij alleen de verjaringsbepalingen voor de moord met voorbedachten rade hebben overgelegd.
De omstandigheid dat de Turkse autoriteiten ook de strafbepalingen voor het strafbare feit afpersing hebben vermeld, doet hier niet aan af, omdat deze bepalingen kennelijk zijn overgelegd om te verduidelijken dat de moord naar Turks recht met voorbedachten rade is gepleegd én is gepleegd om een ander strafbaar feit, naar Turks recht kennelijk afpersing, te vergemakkelijken.
De rechtbank heeft op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan van de juistheid van de mededeling van de Turkse Minister van Justitie in zijn brief van 19 maart 2014. Van omstandigheden die aan dit vertrouwen afbreuk doen is niet gebleken.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat de brief van 19 maart 2014 een antwoord is op vragen van het openbaar ministerie. Daarmee heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de ontvangst van het uitleveringsverzoek nader onderzoek gedaan naar de verjaring.
In die brief is aangegeven dat de verjaringstermijn naar Turks recht 20 jaar bedraagt, maar dat deze termijn met de helft kan worden verlengd wanneer zich bepaalde handelingen hebben voorgedaan, zoals een verhoor van de verdachte, de afgifte van een bevel tot bewaring, een arrestatiebevel of een veroordeling van medeverdachten.
In het geval van de opgeëiste persoon is in deze brief meegedeeld dat op grond van het bevel tot bewaring bij verstek en het officieel uitgevaardigde arrestatiebevel, de verjaringstermijn is verlengd tot 30 jaar en dat deze op 22 augustus 2024 zal verlopen. De rechtbank concludeert dan ook dat de verjaringstermijn op grond van de Turkse stuitingsbepalingen 30 jaar bedraagt.
Verder overweegt de rechtbank dat de wetsbepalingen met betrekking tot de verjaring in uitleveringsprocedures niet op grond van artikel 18 van de Uitleveringswet behoeven te worden overgelegd (zie Hoge Raad 31 augustus 1982, NJ 1983, 247). Dat geldt ook voor de stuitingsbepalingen. De omstandigheid dat de Turkse autoriteiten wel de verjaringsbepalingen voor moord aan het uitleveringsverzoek hebben toegevoegd, doet daaraan niet af.
De verjaring naar Nederlands recht
De rechtbank stelt hier het volgende voorop.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1442) overweegt de rechtbank dat het vereiste van dubbele strafbaarheid niet vergt dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen.
Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. In dat geval kan worden gezegd dat een wettelijke bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld (vgl. HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451).
Gelet hierop zijn de verweten gedragingen naar het oordeel van de rechtbank Nederlands recht te kwalificeren als:
Medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of, om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. (artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht).
Op grond van deze kwalificatie naar Nederlands recht is de rechtbank op grond van het navolgende van oordeel dat de feiten ook naar Nederlands recht niet zijn verjaard.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het leerstuk van de eerbiediging van de lopende verjaring niet ook van toepassing in uitleveringsprocedures.
Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van HR 17 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2013) en 29 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231) geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen.
In zijn uitspraak van 11 november 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC9586) heeft de Hoge Raad evenwel beslist dat het beroep op verjaring van het recht tot strafvordering naar Nederlands recht door de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering moet uitgaan van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Dit geldt ook indien het recht tot strafvordering op grond van de wet die gold ten tijde van het begaan van het feit, door verjaring was vervallen.
Nu op grond van het huidige artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht de levensdelicten, waar onder de gekwalificeerde doodslag van artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, niet verjaren, zijn de feiten waarvoor de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen naar Nederlands recht niet verjaard.
Het beroep van de raadsman op het non-discriminatiebeginsel en de in dat kader genoemde internationale bepalingen faalt eveneens, nu geen sprake is van discriminatie. Het uitgangspunt dat de eerbiedigende werking van een voltooide verjaring niet van toepassing is in uitleveringsprocedures geldt immers ook voor Nederlanders, indien zij de opgeëiste persoon in een uitleveringsverzoek zijn.
Daarbij komt dat een (Nederlandse) strafprocedure en een uitleveringsprocedure twee verschillende procedures zijn waarbij andere belangen en rechtsopvattingen een rol spelen, zodat ook op grond hiervan een onderscheid in rechtswaarborgen en -beginselen is gerechtvaardigd.
De verjaring van het feit afpersing is tot slot niet relevant. De rechtbank vat het uitleveringsverzoek immers zo op, dat het geen betrekking heeft op het feit afpersing, maar alleen op het strafbaar feit moord met voorbedachten rade en met het oogmerk van afpersing.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de verweren van de raadslieden.
3.3
Lopende procedures
3.3.1.
standpunt van de raadslieden
De raadslieden hebben verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden totdat de rechtbank te Aksaray een beslissing heeft gegeven over de verjaring van de Turkse feiten.
Beoordeling
De broer had echter ook een schuld bij de opgeëiste persoon.
In de feitsomschrijving is verder vermeld dat de handelingen koelbloedig en met voorbedachten rade zijn uitgevoerd. Het strafbare feit afpersing stond los van het strafbare feit moord.
De wetsartikelen 82 (met betrekking tot de moord) en 148 en 149 (afpersing) zijn aan het uitleveringsverzoek bijgevoegd.
Gelet op het uitleveringsverzoek, het Turkse bevel tot bewaring en de feitsomschrijving gaat de rechtbank ervan uit dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon naar Turks recht willen vervolgen voor één strafbaar feit, te weten moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon voor één feit wensen te vervolgen blijkt ook uit de omstandigheid dat zij alleen de verjaringsbepalingen voor de moord met voorbedachten rade hebben overgelegd.
De omstandigheid dat de Turkse autoriteiten ook de strafbepalingen voor het strafbare feit afpersing hebben vermeld, doet hier niet aan af, omdat deze bepalingen kennelijk zijn overgelegd om te verduidelijken dat de moord naar Turks recht met voorbedachten rade is gepleegd én is gepleegd om een ander strafbaar feit, naar Turks recht kennelijk afpersing, te vergemakkelijken.
De rechtbank heeft op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan van de juistheid van de mededeling van de Turkse Minister van Justitie in zijn brief van 19 maart 2014. Van omstandigheden die aan dit vertrouwen afbreuk doen is niet gebleken.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat de brief van 19 maart 2014 een antwoord is op vragen van het openbaar ministerie. Daarmee heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de ontvangst van het uitleveringsverzoek nader onderzoek gedaan naar de verjaring.
In die brief is aangegeven dat de verjaringstermijn naar Turks recht 20 jaar bedraagt, maar dat deze termijn met de helft kan worden verlengd wanneer zich bepaalde handelingen hebben voorgedaan, zoals een verhoor van de verdachte, de afgifte van een bevel tot bewaring, een arrestatiebevel of een veroordeling van medeverdachten.
In het geval van de opgeëiste persoon is in deze brief meegedeeld dat op grond van het bevel tot bewaring bij verstek en het officieel uitgevaardigde arrestatiebevel, de verjaringstermijn is verlengd tot 30 jaar en dat deze op 22 augustus 2024 zal verlopen. De rechtbank concludeert dan ook dat de verjaringstermijn op grond van de Turkse stuitingsbepalingen 30 jaar bedraagt.
Verder overweegt de rechtbank dat de wetsbepalingen met betrekking tot de verjaring in uitleveringsprocedures niet op grond van artikel 18 van de Uitleveringswet behoeven te worden overgelegd (zie Hoge Raad 31 augustus 1982, NJ 1983, 247). Dat geldt ook voor de stuitingsbepalingen. De omstandigheid dat de Turkse autoriteiten wel de verjaringsbepalingen voor moord aan het uitleveringsverzoek hebben toegevoegd, doet daaraan niet af.
De verjaring naar Nederlands recht
De rechtbank stelt hier het volgende voorop.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1442) overweegt de rechtbank dat het vereiste van dubbele strafbaarheid niet vergt dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen.
Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. In dat geval kan worden gezegd dat een wettelijke bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld (vgl. HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451).
Gelet hierop zijn de verweten gedragingen naar het oordeel van de rechtbank Nederlands recht te kwalificeren als:
Medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of, om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. (artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht).
Op grond van deze kwalificatie naar Nederlands recht is de rechtbank op grond van het navolgende van oordeel dat de feiten ook naar Nederlands recht niet zijn verjaard.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het leerstuk van de eerbiediging van de lopende verjaring niet ook van toepassing in uitleveringsprocedures.
Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van HR 17 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2013) en 29 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231) geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen.
In zijn uitspraak van 11 november 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC9586) heeft de Hoge Raad evenwel beslist dat het beroep op verjaring van het recht tot strafvordering naar Nederlands recht door de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering moet uitgaan van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Dit geldt ook indien het recht tot strafvordering op grond van de wet die gold ten tijde van het begaan van het feit, door verjaring was vervallen.
Nu op grond van het huidige artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht de levensdelicten, waar onder de gekwalificeerde doodslag van artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, niet verjaren, zijn de feiten waarvoor de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen naar Nederlands recht niet verjaard.
Het beroep van de raadsman op het non-discriminatiebeginsel en de in dat kader genoemde internationale bepalingen faalt eveneens, nu geen sprake is van discriminatie. Het uitgangspunt dat de eerbiedigende werking van een voltooide verjaring niet van toepassing is in uitleveringsprocedures geldt immers ook voor Nederlanders, indien zij de opgeëiste persoon in een uitleveringsverzoek zijn.
Daarbij komt dat een (Nederlandse) strafprocedure en een uitleveringsprocedure twee verschillende procedures zijn waarbij andere belangen en rechtsopvattingen een rol spelen, zodat ook op grond hiervan een onderscheid in rechtswaarborgen en -beginselen is gerechtvaardigd.
De verjaring van het feit afpersing is tot slot niet relevant. De rechtbank vat het uitleveringsverzoek immers zo op, dat het geen betrekking heeft op het feit afpersing, maar alleen op het strafbaar feit moord met voorbedachten rade en met het oogmerk van afpersing.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de verweren van de raadslieden.
3.3
Lopende procedures
3.3.1.
standpunt van de raadslieden
De raadslieden hebben verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden totdat de rechtbank te Aksaray een beslissing heeft gegeven over de verjaring van de Turkse feiten.
Beoordeling
De broer had echter ook een schuld bij de opgeëiste persoon.
In de feitsomschrijving is verder vermeld dat de handelingen koelbloedig en met voorbedachten rade zijn uitgevoerd. Het strafbare feit afpersing stond los van het strafbare feit moord.
De wetsartikelen 82 (met betrekking tot de moord) en 148 en 149 (afpersing) zijn aan het uitleveringsverzoek bijgevoegd.
Gelet op het uitleveringsverzoek, het Turkse bevel tot bewaring en de feitsomschrijving gaat de rechtbank ervan uit dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon naar Turks recht willen vervolgen voor één strafbaar feit, te weten moord met voorbedachten rade met het oogmerk van afpersing. Dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon voor één feit wensen te vervolgen blijkt ook uit de omstandigheid dat zij alleen de verjaringsbepalingen voor de moord met voorbedachten rade hebben overgelegd.
De omstandigheid dat de Turkse autoriteiten ook de strafbepalingen voor het strafbare feit afpersing hebben vermeld, doet hier niet aan af, omdat deze bepalingen kennelijk zijn overgelegd om te verduidelijken dat de moord naar Turks recht met voorbedachten rade is gepleegd én is gepleegd om een ander strafbaar feit, naar Turks recht kennelijk afpersing, te vergemakkelijken.
De rechtbank heeft op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan van de juistheid van de mededeling van de Turkse Minister van Justitie in zijn brief van 19 maart 2014. Van omstandigheden die aan dit vertrouwen afbreuk doen is niet gebleken.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat de brief van 19 maart 2014 een antwoord is op vragen van het openbaar ministerie. Daarmee heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de ontvangst van het uitleveringsverzoek nader onderzoek gedaan naar de verjaring.
In die brief is aangegeven dat de verjaringstermijn naar Turks recht 20 jaar bedraagt, maar dat deze termijn met de helft kan worden verlengd wanneer zich bepaalde handelingen hebben voorgedaan, zoals een verhoor van de verdachte, de afgifte van een bevel tot bewaring, een arrestatiebevel of een veroordeling van medeverdachten.
In het geval van de opgeëiste persoon is in deze brief meegedeeld dat op grond van het bevel tot bewaring bij verstek en het officieel uitgevaardigde arrestatiebevel, de verjaringstermijn is verlengd tot 30 jaar en dat deze op 22 augustus 2024 zal verlopen. De rechtbank concludeert dan ook dat de verjaringstermijn op grond van de Turkse stuitingsbepalingen 30 jaar bedraagt.
Verder overweegt de rechtbank dat de wetsbepalingen met betrekking tot de verjaring in uitleveringsprocedures niet op grond van artikel 18 van de Uitleveringswet behoeven te worden overgelegd (zie Hoge Raad 31 augustus 1982, NJ 1983, 247). Dat geldt ook voor de stuitingsbepalingen. De omstandigheid dat de Turkse autoriteiten wel de verjaringsbepalingen voor moord aan het uitleveringsverzoek hebben toegevoegd, doet daaraan niet af.
De verjaring naar Nederlands recht
De rechtbank stelt hier het volgende voorop.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1442) overweegt de rechtbank dat het vereiste van dubbele strafbaarheid niet vergt dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen.
Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. In dat geval kan worden gezegd dat een wettelijke bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld (vgl. HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451).
Gelet hierop zijn de verweten gedragingen naar het oordeel van de rechtbank Nederlands recht te kwalificeren als:
Medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of, om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. (artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht).
Op grond van deze kwalificatie naar Nederlands recht is de rechtbank op grond van het navolgende van oordeel dat de feiten ook naar Nederlands recht niet zijn verjaard.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het leerstuk van de eerbiediging van de lopende verjaring niet ook van toepassing in uitleveringsprocedures.
Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van HR 17 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2013) en 29 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231) geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen.
In zijn uitspraak van 11 november 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC9586) heeft de Hoge Raad evenwel beslist dat het beroep op verjaring van het recht tot strafvordering naar Nederlands recht door de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering moet uitgaan van de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek. Dit geldt ook indien het recht tot strafvordering op grond van de wet die gold ten tijde van het begaan van het feit, door verjaring was vervallen.
Nu op grond van het huidige artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht de levensdelicten, waar onder de gekwalificeerde doodslag van artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, niet verjaren, zijn de feiten waarvoor de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen naar Nederlands recht niet verjaard.
Het beroep van de raadsman op het non-discriminatiebeginsel en de in dat kader genoemde internationale bepalingen faalt eveneens, nu geen sprake is van discriminatie. Het uitgangspunt dat de eerbiedigende werking van een voltooide verjaring niet van toepassing is in uitleveringsprocedures geldt immers ook voor Nederlanders, indien zij de opgeëiste persoon in een uitleveringsverzoek zijn.
Daarbij komt dat een (Nederlandse) strafprocedure en een uitleveringsprocedure twee verschillende procedures zijn waarbij andere belangen en rechtsopvattingen een rol spelen, zodat ook op grond hiervan een onderscheid in rechtswaarborgen en -beginselen is gerechtvaardigd.
De verjaring van het feit afpersing is tot slot niet relevant. De rechtbank vat het uitleveringsverzoek immers zo op, dat het geen betrekking heeft op het feit afpersing, maar alleen op het strafbaar feit moord met voorbedachten rade en met het oogmerk van afpersing.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de verweren van de raadslieden.
3.3
Lopende procedures
3.3.1.
standpunt van de raadslieden
De raadslieden hebben verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden totdat de rechtbank te Aksaray een beslissing heeft gegeven over de verjaring van de Turkse feiten.