Rechtspraak 1999-10-08
ECLI:NL:RBALM:1999:AA6768
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer Registratienummer: AWB 99/167 WW44 Q1 UITSPRAAK in het geschil tussen: A wonende te B, eiser, gemachtigde: J.P.E. Baakman, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haaksbergen, zetelend te Haaksbergen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder d.d. 12 januari 1999, verzonden op 13 januari 1999. 2. De feiten en het verloop van de procedure Bij formulier, ingekomen bij verweerder op 8 juni 1998, heeft eiser een bouwvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een zomerhuis op het perceel kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nr. [...] ([...]). Het zomerhuis, met een oorspronkelijk lengte van 10,5 meter, een breedte van 5,4 meter en een oppervlakte van 56,7 vierkante meter, moet volgens het bouwplan worden uitgebreid met 17,3 vierkante meter aan de voor-gevel en met 6,8 vierkante meter aan de achtergevel, waardoor de totale bebouwde oppervlakte van het zomerhuis 80,8 vierkante meter zal bedragen. Bij beschikking van 1 oktober 1998 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de bouwvergunning wordt geweigerd, omdat de door eiser voorgestane uitbreiding van het zomerhuis en tevens het voor het grootste deel inpandig zijn van de berging in strijd zou zijn met de ter plekke geldende seizoenwoonverblijvenverordening. Op 21 oktober 1998 is door een ambtenaar van het gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht geconstateerd dat eiser begonnen was met de bouw-activiteiten. De bouwactiviteiten zijn met onmiddellijke ingang stopgezet. Op 27 oktober 1998 heeft eiser bezwaar laten aantekenen tegen het besluit van 1 oktober 1998. De hoorzitting in het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft plaatsgevonden op 27 november 1998. De Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften heeft op 27 november 1998 advies uitgebracht, welk advies op 4 januari 1999 is verzonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het uitgebrachte advies, onder verbetering van gronden de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartegen beroep doen instellen. Eiser zelf heeft bij brief van 11 februari 1999, ingekomen bij verweerder op 23 februari 1999, bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. De brief bevindt zich bij de stukken. Zijn gemachtigde heeft op 23 februari 1999 een pro forma-beroepschrift ingediend. Gelet hierop zal de rechtbank de brief van eiser zelf d.d. 11 februari 1999 niet als beroepschrift aanmerken. De beroepsgronden zijn aangevuld bij schrijven van de gemachtigde van eiser van 22 maart 1999. Hierbij zijn vier produkties overgelegd. Het verweerschrift, vergezeld van de op het beroep betrekking hebbende stukken, is op 6 mei 1999 ter griffie ingekomen. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 september 1999, waar eiser is verschenen vergezeld van zijn gemachtigde J.P.E. Baakman, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. L.G. Hartman en R. ten Donkelaar. 3. Overwegingen In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 12 januari 1999, verzonden op 13 januari 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen de weigering van een bouwvergunning ten behoeve van de verbouwing van het zomerhuis aan de [...] onder verbetering van gronden ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. wettelijk kader Artikel 40, eerste lid van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders te verlenen vergunning (bouwvergunning). Op grond van het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd indien: a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften; b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening; c. het bouwwerk in strijd is met Dit betekent concreet dat, als het door eiser voorgestane bouwwerk in strijd zou zijn met bepalingen van het bestemmingsplan of de krachtens dat plan gestelde eisen, de vergunning niet door tijdsverloop van rechtswege is verleend. De rechtbank constateert dat het geldende bestemmingsplan, dat stamt uit 1964, terzake van de toegelaten bebouwing verwijst naar de bepalingen van de Zomerhuisjesverordening. Deze verordening is weliswaar inmiddels vervallen en vervangen door de verordening SWV, maar het bestemmingsplan is op dit punt niet aangepast. Nu het bestemmingsplan niet verwijst naar de verordening SWV, welke verordening niet tot stand is gekomen in een procedure die de-zelfde waarborgen omvat als een bestemmingsplanprocedure, kunnen de bepalingen van de verordening SWV niet als "krachtens het bestemmingsplan gestelde eisen" worden beschouwd. Dit brengt met zich dat verweerder de bouwvergunning niet had mogen weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Het bestreden besluit kan om die reden reeds niet in stand blijven. Indien de bepalingen van de verordening SWV waar het in dit geval om gaat, ook voorkwamen in de ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds geldende Zomerhuisjesverordening en identiek luidden, zou het wellicht aanvaardbaar zijn dat verweerder de bouwvergunning zou toetsen aan laatstgenoemde verordening. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat beide verordeningen op de punten hier van belang, dezelfde regeling bevatten. De rechtbank overweegt bovendien als volgt. toetsing aan artikel 27 van de verordening SWV De Zomerhuisjesverordening waarnaar in het bestemmingsplan is verwezen, is in 1970 vervallen. Dit betekent dat het geldende bestemmingsplan geen regels kent met betrekking tot de toegelaten bebouwing op percelen met bestemming "zomerhuisjes A". Gelet hierop verzet het bestemmingsplan zich niet tegen de door eiser voorgenomen bouw, tenzij (hetgeen overigens vooralsnog niet is gebleken) de bouwvergunning in strijd zou zijn met hetgeen omtrent de afstand tot andere zomerhuisjes en tot de Buurser Beek en omtrent het maximaal te bebouwen oppervlak is geregeld in het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 9, eerste lid van de Woningwet blijven, voor zover de voorschriften van een bestemmingsplan niet overeenstemmen met de bepalingen van de bouwverordening (en de daarin geïncorporeerde verordening SWV), deze bepalingen buiten toepassing. Vaststaat dat het bestemmingsplan "Plan van uitbreiding Haaksbergen, plan in onderdelen zomerhuisjes 2" zich voor wat de toegelaten bebouwing betreft niet verzet tegen de door eiser voorgenomen bouw. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat het bestemmingsplan geen uitdrukkelijk voorschrift bevat inzake de oppervlakte van zomerhuisjes en bergingen (anders dan de tien procents-norm en de afstanden tot andere zomerhuisjes en de Buurser Beek) niet leiden tot de conclusie dat dit onderwerp niet valt onder de werkingssfeer van het bestemmingsplan. Gelet ook op het bepaalde in artikel 10 van de WRO moet worden aangenomen dat wanneer voor een bepaald gebied een bestemmingsplan van kracht is dat op de voet van de WRO is vastgesteld, de daarbij getroffen regeling ten aanzien van de bouwmogelijkheden alomvattend is voor zover het betreft de planologische facetten van de toegelaten bebouwing, hetgeen meebrengt dat gelet op artikel 9, eerste lid van de Woningwet die bepalingen uit de bouwverordening (en de daarin geïncorporeerde verordening SWV), die voorschriften van planologische aard bevatten, wijken. Naar het oordeel van de rechtbank moet het in artikel 27 van de verordening SWV vervatte voorschrift omtrent de maximale oppervlakte van zomerhuisjes en bergingen als een voorschrift van planologische aard worden aangemerkt. Gezien het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat verweerder ten onrechte het onderhavige bouwplan aan voornoemd artikel heeft getoetst en ten onrechte heeft gemeend daaraan een gr