Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-01-13
ECLI:NL:PHR:2026:65
Strafrecht
1,208 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:PHR:2026:65 text/xml public 2026-03-25T00:01:28 2026-01-12 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-01-13 24/03219 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:476 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:65 text/html public 2026-01-16T13:59:02 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:65 Parket bij de Hoge Raad , 13-01-2026 / 24/03219 Conclusie AG. Slagend middel over oplegging niet toelaatbare combinatie van straffen door het hof, art. 9 lid 4 Sr. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing. Samenhang met 24/03216. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03219 Zitting 13 januari 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 8 augustus 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002748-22) wegens: 3. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”; 4. “medeplegen van gewoontewitwassen”; en 5. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd overeenkomstig art. 27 Sr, en een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast beslissingen genomen over de inbeslaggenomen goederen en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/03216, waarin ik vandaag ook zal concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.L. L'Homme en J.E. Kötter, beiden advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 Het middel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan zes maanden te combineren met een taakstraf. 2.2 Het bestreden arrest houdt over de strafoplegging onder meer het volgende in: “Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis .” 2.3 Art. 9 lid 4 Sr luidt: “In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.” 2.4 Het hof heeft aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opgelegd. Het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel bedraagt dus meer dan 6 maanden. Daarnaast heeft het hof een taakstraf van 180 uren opgelegd. De strafoplegging in zijn geheel is daarmee in strijd met art. 9 lid 4 Sr. 2.5 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. 3 Slotsom 3.1 Het middel slaagt. 3.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vgl. HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2289, HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2295, HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:655, HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:336 en HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:776.