Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-26
ECLI:NL:PHR:2026:521
Strafrecht
4,027 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:521 text/xml public 2026-05-28T11:14:42 2026-05-23 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/00651 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:521 text/html public 2026-05-28T11:14:20 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:521 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/00651 Conclusie AG. Verdachte n-o in hoger beroep ex art. 416 lid 2 Sv. Falende klacht over eisen aan schriftuur houdende grieven. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 25/01732. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/00651 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 16 januari 2024 (parketnr. 22-003344-22) door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. 2. Er bestaat samenhang met de zaak 25/01732. Dit betreft de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. Het procesverloop 4. De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 november 2022 veroordeeld. Tegen dat vonnis is namens de verdachte op diezelfde dag hoger beroep ingesteld. 5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Grievenformulier’. Dit formulier staat op naam van de verdachte. Door de verdachte is aangekruist dat hij om de volgende reden in hoger beroep komt: “Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):”. Het grievenformulier bevat verder geen nadere door de verdachte opgegeven redenen. 6. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in: “ De verdachte heeft na het instellen van het hoger beroep het standaard grievenformulier ingevuld. Dit formulier bevat evenwel slechts de mededeling dat de verdachte een nieuwe behandeling van zijn strafzaak wenst maar bevat geen inhoudelijke grieven tegen het vonnis. De verdachte heeft evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling ven de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. ” De bespreking van het middel 7. Geklaagd wordt dat het hof te hoge eisen aan een schriftuur houdende grieven heeft gesteld en de vaste rechtspraak van de Hoge Raad ter zake heeft miskend. 8. Ingevolge artikel 410 lid 1 Sv dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. Onder ‘grieven’ worden begrepen de bezwaren die direct zijn gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg alsmede andersoortige gronden voor het instellen van het beroep. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit voort dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen mogen worden gesteld. Een minimale voorwaarde is wel dat de grieven duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is. Zo oordeelde de Hoge Raad dat niet als grief kan worden opgevat de mededeling die de raadsvrouw had opgenomen in de volmacht tot het instellen van het hoger beroep, namelijk dat de verdachte “ het niet eens is met veroordeling in zaak met parketnummer (…) ”. Om mijn ambtgenoot Keulen in zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest te citeren: “ de geformuleerde reden voor het instellen van het hoger beroep bevat weinig informatie die niet reeds uit de beslissing tot het instellen van het hoger beroep volgt ”. 9. In het standaard grievenformulier zijn een aantal redenen voor het instellen van het hoger beroep geformuleerd. Voor een deel bieden de aan te kruisen opties reeds voldoende informatie over de inzet van het hoger beroep, ook zonder nadere toelichting van de verdachte. Dat is onder meer het geval wanneer de verdachte aankruist dat hij onschuldig is, niet bij de zitting aanwezig is geweest of bezwaren heeft tegen (de hoogte van) de opgelegde straf. In deze zaak heeft de verdachte een andere reden aangekruist, te weten: “ Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en): ”. De verdachte heeft echter geen nadere, inhoudelijke reden(en) voor de gewenste nieuwe behandeling van zijn strafzaak opgegeven, terwijl daarnaar in het formulier expliciet wordt gevraagd. Dat brengt mee dat het enkele aankruisen van de genoemde reden in het grievenformulier onvoldoende is om de inzet van het hoger beroep te bepalen. 10. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door te oordelen dat de verdachte geen grieven als bedoeld in artikel 410 Sv tegen het vonnis heeft ingediend, de rechtspraak van de Hoge Raad niet miskend. Dat oordeel getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. 11. Ik merk ten slotte nog op dat het in de cassatieschriftuur aangehaalde arrest van HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4693, het voorgaande niet anders maakt. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar dit arrest aangevoerd dat het hof voor de verdachte een te strenge maatstaf heeft gehanteerd, nu het Openbaar Ministerie wél hoger beroep kan instellen om de enkele reden dat het een nieuwe behandeling van de strafzaak wenst. Die stelling berust m.i. op een onjuiste lezing van dat arrest. De nieuwe behandeling was in die zaak immers niet als kale reden in de door het Openbaar Ministerie ingediende schriftuur opgenomen, maar was nadrukkelijk gewenst in verband met een voorgestelde wijziging van de tenlastelegging. De verdachte was in eerste aanleg gedeeltelijk vrijgesproken voor het ten laste gelegde feit, terwijl het Openbaar Ministerie had verzuimd een ander c.q. lichter feit subsidiair ten laste te leggen. Het Openbaar Ministerie besloot daarop de tenlastelegging te wijzigen en wenste in hoger beroep een nieuwe beoordeling te verkrijgen op grond van die gewijzigde tenlastelegging. De appelschriftuur waarin een nieuwe beoordeling wordt gevraagd “ op basis van een gewijzigde tenlastelegging” kan als een ‘schriftuur houdende grieven’ in de zin van artikel 410 Sv worden aangemerkt, aldus de Hoge Raad. Slotsom 12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 13. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Volledigheidshalve merk ik over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep het volgende op. Het bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof dateert van 16 januari 2024. Namens de verdachte is op 26 februari 2024 beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak geldt dat ingevolge artikel 432 lid 2 Sv het cassatieberoep moet zijn ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich echter geen stuk op grond waarvan kan worden vastgesteld wanneer de verdachte bekend is geworden met het arrest. Om die reden moet het ervoor worden gehouden dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld en de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:521 text/xml public 2026-05-28T11:14:42 2026-05-23 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/00651 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:521 text/html public 2026-05-28T11:14:20 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:521 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/00651 Conclusie AG. Verdachte n-o in hoger beroep ex art. 416 lid 2 Sv. Falende klacht over eisen aan schriftuur houdende grieven. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 25/01732. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/00651 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 16 januari 2024 (parketnr. 22-003344-22) door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. 2. Er bestaat samenhang met de zaak 25/01732. Dit betreft de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. Het procesverloop 4. De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 november 2022 veroordeeld. Tegen dat vonnis is namens de verdachte op diezelfde dag hoger beroep ingesteld. 5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Grievenformulier’. Dit formulier staat op naam van de verdachte. Door de verdachte is aangekruist dat hij om de volgende reden in hoger beroep komt: “Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):”. Het grievenformulier bevat verder geen nadere door de verdachte opgegeven redenen. 6. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in: “ De verdachte heeft na het instellen van het hoger beroep het standaard grievenformulier ingevuld. Dit formulier bevat evenwel slechts de mededeling dat de verdachte een nieuwe behandeling van zijn strafzaak wenst maar bevat geen inhoudelijke grieven tegen het vonnis. De verdachte heeft evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling ven de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. ” De bespreking van het middel 7. Geklaagd wordt dat het hof te hoge eisen aan een schriftuur houdende grieven heeft gesteld en de vaste rechtspraak van de Hoge Raad ter zake heeft miskend. 8. Ingevolge artikel 410 lid 1 Sv dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. Onder ‘grieven’ worden begrepen de bezwaren die direct zijn gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg alsmede andersoortige gronden voor het instellen van het beroep. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit voort dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen mogen worden gesteld. Een minimale voorwaarde is wel dat de grieven duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is. Zo oordeelde de Hoge Raad dat niet als grief kan worden opgevat de mededeling die de raadsvrouw had opgenomen in de volmacht tot het instellen van het hoger beroep, namelijk dat de verdachte “ het niet eens is met veroordeling in zaak met parketnummer (…) ”. Om mijn ambtgenoot Keulen in zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest te citeren: “ de geformuleerde reden voor het instellen van het hoger beroep bevat weinig informatie die niet reeds uit de beslissing tot het instellen van het hoger beroep volgt ”. 9. In het standaard grievenformulier zijn een aantal redenen voor het instellen van het hoger beroep geformuleerd. Voor een deel bieden de aan te kruisen opties reeds voldoende informatie over de inzet van het hoger beroep, ook zonder nadere toelichting van de verdachte. Dat is onder meer het geval wanneer de verdachte aankruist dat hij onschuldig is, niet bij de zitting aanwezig is geweest of bezwaren heeft tegen (de hoogte van) de opgelegde straf. In deze zaak heeft de verdachte een andere reden aangekruist, te weten: “ Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en): ”. De verdachte heeft echter geen nadere, inhoudelijke reden(en) voor de gewenste nieuwe behandeling van zijn strafzaak opgegeven, terwijl daarnaar in het formulier expliciet wordt gevraagd. Dat brengt mee dat het enkele aankruisen van de genoemde reden in het grievenformulier onvoldoende is om de inzet van het hoger beroep te bepalen. 10. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door te oordelen dat de verdachte geen grieven als bedoeld in artikel 410 Sv tegen het vonnis heeft ingediend, de rechtspraak van de Hoge Raad niet miskend. Dat oordeel getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. 11. Ik merk ten slotte nog op dat het in de cassatieschriftuur aangehaalde arrest van HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4693, het voorgaande niet anders maakt. In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar dit arrest aangevoerd dat het hof voor de verdachte een te strenge maatstaf heeft gehanteerd, nu het Openbaar Ministerie wél hoger beroep kan instellen om de enkele reden dat het een nieuwe behandeling van de strafzaak wenst. Die stelling berust m.i. op een onjuiste lezing van dat arrest. De nieuwe behandeling was in die zaak immers niet als kale reden in de door het Openbaar Ministerie ingediende schriftuur opgenomen, maar was nadrukkelijk gewenst in verband met een voorgestelde wijziging van de tenlastelegging. De verdachte was in eerste aanleg gedeeltelijk vrijgesproken voor het ten laste gelegde feit, terwijl het Openbaar Ministerie had verzuimd een ander c.q. lichter feit subsidiair ten laste te leggen. Het Openbaar Ministerie besloot daarop de tenlastelegging te wijzigen en wenste in hoger beroep een nieuwe beoordeling te verkrijgen op grond van die gewijzigde tenlastelegging. De appelschriftuur waarin een nieuwe beoordeling wordt gevraagd “ op basis van een gewijzigde tenlastelegging” kan als een ‘schriftuur houdende grieven’ in de zin van artikel 410 Sv worden aangemerkt, aldus de Hoge Raad. Slotsom 12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 13. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Volledigheidshalve merk ik over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep het volgende op. Het bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof dateert van 16 januari 2024. Namens de verdachte is op 26 februari 2024 beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak geldt dat ingevolge artikel 432 lid 2 Sv het cassatieberoep moet zijn ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich echter geen stuk op grond waarvan kan worden vastgesteld wanneer de verdachte bekend is geworden met het arrest. Om die reden moet het ervoor worden gehouden dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld en de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.