Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-22
ECLI:NL:PHR:2026:494
Civiel recht; Verbintenissenrecht
42,883 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:494 text/xml public 2026-05-28T11:17:44 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-22 25/02605 Conclusie NL Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:494 text/html public 2026-05-28T11:16:36 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:494 Parket bij de Hoge Raad , 22-05-2026 / 25/02605 Devolutieve werking van het hoger beroep. Aansprakelijkheid van maatschap voor onrechtmatige daad of tekortkoming. Bewijswaardering. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02605 Zitting 22 mei 2026 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak 1. [de maatschap] 2. [vennoot 1] . 3. [vennoot 2] 4. [vennoot 3] 5. [vennoot 4] 6. [BV van vennoot 4] B.V. tegen 1. [BV van de klanten 1] B.V. 2. [BV van de klanten 2] B.V 3. [klant 1] 4. [klant 2] Eisers tot cassatie 1-4 worden hierna gezamenlijk aangeduid als [de maatschap en vennoten 1-3] en afzonderlijk als respectievelijk [de maatschap] , [vennoot 1] , [vennoot 2] en [vennoot 3] . Eisers tot cassatie 5-6 worden gezamenlijk aangeduid als [vennoot 4 en diens BV] en afzonderlijk als respectievelijk [vennoot 4] en [BV van vennoot 4] . Verweerders in cassatie worden gezamenlijk aangeduid als [de klanten] afzonderlijk als respectievelijk [BV van de klanten 1] , [BV van de klanten 2] en [klanten 1 en 2] . 1 Inleiding en samenvatting 1.1 Fiscaal adviseur [vennoot 4] , die verbonden was aan de maatschap [de maatschap] , heeft [de klanten] geadviseerd over de investering van een zogenaamde herinvesteringsreserve in onder andere het agrarische project [betrokkene 1] - [plaats 1] in Canada. In het kader van deze investering is aan [de klanten] een hypotheekrecht verleend dat tot hun zekerheid strekte. Dit hypotheekrecht is zonder medeweten van [de klanten] doorgehaald met een zogenaamde royementsvolmacht. Het hof heeft vastgesteld dat de royementsvolmacht met valse handtekeningen ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. Volgens het hof hebben [vennoot 4] , de vennootschap van [vennoot 4] , en de maatschap [de maatschap] en haar vennoten daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [de klanten] geleden schade, nader op te maken bij staat. 1.2 Het cassatiemiddel klaagt onder andere dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Het hof zou ten onrechte het beroep in eerste aanleg op verjaring en/of de klachtplicht niet in zijn oordeel hebben betrokken. Bovendien zou het hof ten onrechte niets hebben overwogen over het in eerste aanleg gevoerde verweer van de maatschap [de maatschap] en haar vennoten, dat zij niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor gedragingen van [vennoot 4] die niet zijn gepleegd in het kader van de normale werkzaamheden voor de maatschap. Verder bevat het middel (vooral) veel motiveringsklachten over het oordeel van het hof dat de royementsvolmacht met valse handtekeningen ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. 1.3 Diverse klachten van het middel slagen, zodat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. 2 Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (i) [klanten 1 en 2] hebben tot 2001 een varkenshouderij en tot 2004 een rundveehouderij geëxploiteerd via hun ondernemingen [BV van de klanten 1] en [BV van de klanten 2] . De met de beëindiging van deze activiteiten door hen gerealiseerde boekwinst hebben zij om fiscale redenen ondergebracht in een zogenoemde herinvesteringsreserve (HIR). [de klanten] is hierover in gesprek geraakt met [adviseur van klanten] (hierna: [adviseur van klanten] ), die [de klanten] heeft geadviseerd over eventuele investeringen in landbouw- en veeteeltprojecten in Canada. Rond de herinvestering van de reserve heeft [de klanten] zich ook vanuit Nederland laten adviseren door [vennoot 4] , een bekende van [adviseur van klanten] , die toen was verbonden aan [de maatschap] . [de klanten] heeft de HIR vervolgens geïnvesteerd in drie agrarische projecten in Canada: (1) [betrokkene 1] – [plaats 1] In 2004/2005 heeft [BV van de klanten 1] in totaal een bedrag van CAD 1,5 miljoen geïnvesteerd in de varkenshouderij van [betrokkene 1] in [plaats 1] (CAD 1,4 miljoen eind 2004 en CAD 100.000 in januari 2005). CAD 650.000 had betrekking op levende have, opstallen, inventaris en werktuigen. CAD 850.000 had betrekking op de gronden. In totaal zijn de gronden gekocht voor CAD 1 miljoen. [adviseur van klanten] betaalde hiervan CAD 150.000 via zijn numbered company 1370928. Een deel van de gronden werd gehouden door deze numbered company en een deel door numbered company 1634251, waarvan de aandelen gehouden werden door [klanten 1 en 2] (48%) en [adviseur van klanten] (52%). (2) Global Fruit In 2005 heeft [BV van de klanten 1] / [klanten 1 en 2] een bedrag van CAD 229.750 geïnvesteerd in een project genaamd Global Fruit. (3) Manitoba In 2007/2008 heeft [de klanten] een investering gedaan in een varkensbedrijf in de provincie Manitoba voor een bedrag van CAD 1.253.000. Het betreft betalingen door [BV van de klanten 2] van CAD 295.000 op 14 december 2007 en CAD 958.000 op 4 juli 2008. Samen met numbered company 1659842 (eigendom van [adviseur van klanten] ) vormde [BV van de klanten 2] een partnership (vergelijkbaar met een Nederlandse maatschap/vennootschap onder firma), genaamd Birdtail Partnership. Vanuit de verkoop van het belang in [betrokkene 1] - [plaats 1] is daar in 2009 CAD 1.400.000 bijgekomen. (ii) In het kader van de investering in [betrokkene 1] - [plaats 1] (zie (1) hiervoor) is op 15 december 2004 een hypotheekrecht ( Charge/Mortgage of land ) verleend aan [klanten 1 en 2] op de onroerende zaken die zijn genoemd in de daarbij horende akte (dagvaarding eerste aanleg prod. 1). Dit strekte tot meerdere zekerheid voor de investering. Dat hypotheekrecht is op 14 april 2009 doorgehaald. Daartoe is gebruik gemaakt van een Discharge of charge gedateerd 8 april 2009 (hierna: de ‘royementsvolmacht’). Op de royementsvolmacht staan handtekeningen bij de namen van [klanten 1 en 2] . Verder staat daarop de handtekening van [vennoot 4] als witness . 2.2 Bij inleidende dagvaarding van 30 september 2019 heeft [de klanten] onder meer gevorderd: primair hoofdelijke veroordeling van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] tot betaling van bedragen in hoofdsom van (a) € 1.176.400 aangaande het project [betrokkene 1] – [plaats 1] , (b) € 156.230 en € 8.000 en € 38.000 aangaande het project Global Fruit en (c) € 852.040 aangaande het project ‘Manitoba; en subsidiair een verklaring voor recht dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] onrechtmatig hebben gehandeld dan wel toerekenbaar tekort zijn geschoten en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [de klanten] daardoor heeft geleden en nog lijdt, met hun hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. 2.3 De rechtbank Oost-Brabant heeft bij tussenvonnis van 16 juni 2021 voorshands bewezen geoordeeld dat [vennoot 4] de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de royementsvolmacht heeft vervalst en [vennoot 4] , [de maatschap] en [BV van vennoot 4] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Bij eindvonnis van 5 april 2023 heeft de rechtbank onder andere geoordeeld dat [vennoot 4] , [de maatschap] en [BV van vennoot 4] in het bedoelde tegenbewijs zijn geslaagd en dat niet vaststaat dat [vennoot 4] de handtekeningen van [klanten 1 en 2] heeft vervalst. De rechtbank heeft alle vorderingen van [de klanten] afgewezen. 2.4 Bij appeldagvaarding van 3 juli 2023 heeft [de klanten] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 22 april 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover de vorderingen van [de klanten] ten aanzien van het project [betrokkene 1] - [plaats 1] zijn afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof voor recht verklaard dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] jegens [de klanten] onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor door [de klanten] geleden schade op te maken bij staat.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:494 text/xml public 2026-05-28T11:17:44 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-22 25/02605 Conclusie NL Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:494 text/html public 2026-05-28T11:16:36 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:494 Parket bij de Hoge Raad , 22-05-2026 / 25/02605 Devolutieve werking van het hoger beroep. Aansprakelijkheid van maatschap voor onrechtmatige daad of tekortkoming. Bewijswaardering. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02605 Zitting 22 mei 2026 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak 1. [de maatschap] 2. [vennoot 1] . 3. [vennoot 2] 4. [vennoot 3] 5. [vennoot 4] 6. [BV van vennoot 4] B.V. tegen 1. [BV van de klanten 1] B.V. 2. [BV van de klanten 2] B.V 3. [klant 1] 4. [klant 2] Eisers tot cassatie 1-4 worden hierna gezamenlijk aangeduid als [de maatschap en vennoten 1-3] en afzonderlijk als respectievelijk [de maatschap] , [vennoot 1] , [vennoot 2] en [vennoot 3] . Eisers tot cassatie 5-6 worden gezamenlijk aangeduid als [vennoot 4 en diens BV] en afzonderlijk als respectievelijk [vennoot 4] en [BV van vennoot 4] . Verweerders in cassatie worden gezamenlijk aangeduid als [de klanten] afzonderlijk als respectievelijk [BV van de klanten 1] , [BV van de klanten 2] en [klanten 1 en 2] . 1 Inleiding en samenvatting 1.1 Fiscaal adviseur [vennoot 4] , die verbonden was aan de maatschap [de maatschap] , heeft [de klanten] geadviseerd over de investering van een zogenaamde herinvesteringsreserve in onder andere het agrarische project [betrokkene 1] - [plaats 1] in Canada. In het kader van deze investering is aan [de klanten] een hypotheekrecht verleend dat tot hun zekerheid strekte. Dit hypotheekrecht is zonder medeweten van [de klanten] doorgehaald met een zogenaamde royementsvolmacht. Het hof heeft vastgesteld dat de royementsvolmacht met valse handtekeningen ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. Volgens het hof hebben [vennoot 4] , de vennootschap van [vennoot 4] , en de maatschap [de maatschap] en haar vennoten daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [de klanten] geleden schade, nader op te maken bij staat. 1.2 Het cassatiemiddel klaagt onder andere dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Het hof zou ten onrechte het beroep in eerste aanleg op verjaring en/of de klachtplicht niet in zijn oordeel hebben betrokken. Bovendien zou het hof ten onrechte niets hebben overwogen over het in eerste aanleg gevoerde verweer van de maatschap [de maatschap] en haar vennoten, dat zij niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor gedragingen van [vennoot 4] die niet zijn gepleegd in het kader van de normale werkzaamheden voor de maatschap. Verder bevat het middel (vooral) veel motiveringsklachten over het oordeel van het hof dat de royementsvolmacht met valse handtekeningen ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. 1.3 Diverse klachten van het middel slagen, zodat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. 2 Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (i) [klanten 1 en 2] hebben tot 2001 een varkenshouderij en tot 2004 een rundveehouderij geëxploiteerd via hun ondernemingen [BV van de klanten 1] en [BV van de klanten 2] . De met de beëindiging van deze activiteiten door hen gerealiseerde boekwinst hebben zij om fiscale redenen ondergebracht in een zogenoemde herinvesteringsreserve (HIR). [de klanten] is hierover in gesprek geraakt met [adviseur van klanten] (hierna: [adviseur van klanten] ), die [de klanten] heeft geadviseerd over eventuele investeringen in landbouw- en veeteeltprojecten in Canada. Rond de herinvestering van de reserve heeft [de klanten] zich ook vanuit Nederland laten adviseren door [vennoot 4] , een bekende van [adviseur van klanten] , die toen was verbonden aan [de maatschap] . [de klanten] heeft de HIR vervolgens geïnvesteerd in drie agrarische projecten in Canada: (1) [betrokkene 1] – [plaats 1] In 2004/2005 heeft [BV van de klanten 1] in totaal een bedrag van CAD 1,5 miljoen geïnvesteerd in de varkenshouderij van [betrokkene 1] in [plaats 1] (CAD 1,4 miljoen eind 2004 en CAD 100.000 in januari 2005). CAD 650.000 had betrekking op levende have, opstallen, inventaris en werktuigen. CAD 850.000 had betrekking op de gronden. In totaal zijn de gronden gekocht voor CAD 1 miljoen. [adviseur van klanten] betaalde hiervan CAD 150.000 via zijn numbered company 1370928. Een deel van de gronden werd gehouden door deze numbered company en een deel door numbered company 1634251, waarvan de aandelen gehouden werden door [klanten 1 en 2] (48%) en [adviseur van klanten] (52%). (2) Global Fruit In 2005 heeft [BV van de klanten 1] / [klanten 1 en 2] een bedrag van CAD 229.750 geïnvesteerd in een project genaamd Global Fruit. (3) Manitoba In 2007/2008 heeft [de klanten] een investering gedaan in een varkensbedrijf in de provincie Manitoba voor een bedrag van CAD 1.253.000. Het betreft betalingen door [BV van de klanten 2] van CAD 295.000 op 14 december 2007 en CAD 958.000 op 4 juli 2008. Samen met numbered company 1659842 (eigendom van [adviseur van klanten] ) vormde [BV van de klanten 2] een partnership (vergelijkbaar met een Nederlandse maatschap/vennootschap onder firma), genaamd Birdtail Partnership. Vanuit de verkoop van het belang in [betrokkene 1] - [plaats 1] is daar in 2009 CAD 1.400.000 bijgekomen. (ii) In het kader van de investering in [betrokkene 1] - [plaats 1] (zie (1) hiervoor) is op 15 december 2004 een hypotheekrecht ( Charge/Mortgage of land ) verleend aan [klanten 1 en 2] op de onroerende zaken die zijn genoemd in de daarbij horende akte (dagvaarding eerste aanleg prod. 1). Dit strekte tot meerdere zekerheid voor de investering. Dat hypotheekrecht is op 14 april 2009 doorgehaald. Daartoe is gebruik gemaakt van een Discharge of charge gedateerd 8 april 2009 (hierna: de ‘royementsvolmacht’). Op de royementsvolmacht staan handtekeningen bij de namen van [klanten 1 en 2] . Verder staat daarop de handtekening van [vennoot 4] als witness . 2.2 Bij inleidende dagvaarding van 30 september 2019 heeft [de klanten] onder meer gevorderd: primair hoofdelijke veroordeling van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] tot betaling van bedragen in hoofdsom van (a) € 1.176.400 aangaande het project [betrokkene 1] – [plaats 1] , (b) € 156.230 en € 8.000 en € 38.000 aangaande het project Global Fruit en (c) € 852.040 aangaande het project ‘Manitoba; en subsidiair een verklaring voor recht dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] onrechtmatig hebben gehandeld dan wel toerekenbaar tekort zijn geschoten en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [de klanten] daardoor heeft geleden en nog lijdt, met hun hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. 2.3 De rechtbank Oost-Brabant heeft bij tussenvonnis van 16 juni 2021 voorshands bewezen geoordeeld dat [vennoot 4] de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de royementsvolmacht heeft vervalst en [vennoot 4] , [de maatschap] en [BV van vennoot 4] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Bij eindvonnis van 5 april 2023 heeft de rechtbank onder andere geoordeeld dat [vennoot 4] , [de maatschap] en [BV van vennoot 4] in het bedoelde tegenbewijs zijn geslaagd en dat niet vaststaat dat [vennoot 4] de handtekeningen van [klanten 1 en 2] heeft vervalst. De rechtbank heeft alle vorderingen van [de klanten] afgewezen. 2.4 Bij appeldagvaarding van 3 juli 2023 heeft [de klanten] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 22 april 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover de vorderingen van [de klanten] ten aanzien van het project [betrokkene 1] - [plaats 1] zijn afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof voor recht verklaard dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] jegens [de klanten] onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor door [de klanten] geleden schade op te maken bij staat.
Volledig
Voor het overige heeft het hof de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd. 2.5 Voor zover in cassatie van belang kunnen de dragende overwegingen van het hof als volgt worden samengevat: Over de omvang van hoger beroep (a) Door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] is geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Door [de klanten] zijn geen grieven gericht tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de verjaring en de klachtplicht, zodat in hoger beroep vaststaat dat de vordering van [de klanten] niet is verjaard en [de klanten] tijdig heeft geklaagd. (onder 4.3.4) [betrokkene 1] - [plaats 1] (grief I.A en I.B) (b) Met grief I (A en B) komt [de klanten] op tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de bewijslastverdeling, (tegen)bewijsopdracht en bewijswaardering met betrekking tot de handtekeningen op de royementsvolmacht. (onder 4.4.1) (c) In hoger beroep wordt niet langer betwist dat de handtekeningen op de royementsvolmacht van [klanten 1 en 2] zijn vervalst, althans dat zij niet zelf de royementsvolmacht hebben ondertekend. Partijen twisten wel over de betrokkenheid van [vennoot 4] bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht. (onder 4.4.2 en 4.4.3) (d) Op [de klanten] rust de stelplicht en bewijslast van het valselijk opmaken of de vervalsing door of namens [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] , nu [de klanten] aan de vordering uit hoofde van wanprestatie en onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd dat [vennoot 4] (of een andere medewerker van [de maatschap] ) de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de royementsvolmacht heeft vervalst. (onder 4.4.3) (e) Tegenover de gemotiveerde onderbouwing door [de klanten] hebben [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] niet voldoende betwist dat de royementsvolmacht met de valse handtekening vanaf het huisadres van [vennoot 4] is verzonden. Vaststaat daarmee ook dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] (onder 4.4.4-4.4.12) (f) De mogelijkheid van schade als gevolg van het valselijk opmaken en verzenden van de royementsvolmacht is aannemelijk, wat toereikend is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. (onder 4.4.13) Manitoba (grief II.A, grief II.B en II.C) (g) [de klanten] heeft niet voldoende onderbouwd dat sprake is van enige tekortkoming van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] in de nakoming van aan hen opgedragen werkzaamheden of van anderszins onrechtmatig handelen door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] met betrekking tot de investeringen van [de klanten] in Manitoba. (4.5.1-4.5.5) Global Fruit (grief III) (h) Grief III is geen voldoende onderbouwde grief. Voor zover [de klanten] heeft beoogd het geschil ter herbeoordeling aan het hof voor te leggen, verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de investeringen van [de klanten] in Global Fruit. (onder 4.6.1-4.6.2) [de maatschap] aansprakelijk? (grief IV) (i) Naar het oordeel van het hof heeft [de klanten] niet voldoende gemotiveerd onderbouwd welk concreet verwijt [de maatschap] LLP kan worden gemaakt ten aanzien van de verweten handelingen en gedragingen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verweten handelingen en gedragingen zijn verricht vóór oprichting van [de maatschap] LLP. (onder 4.7.2) 2.6 [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben bij procesinleiding van 18 juli 2025 tijdig beroep in cassatie ingesteld. [de klanten] is in cassatie niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. 3.2 Onderdeel 1 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.4: ‘4.3.4. Door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] is geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Door [de klanten] zijn geen grieven gericht tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de verjaring en de klachtplicht, zodat in hoger beroep vaststaat dat de vordering van [de klanten] niet is verjaard en [de klanten] tijdig heeft geklaagd.’ 3.3 Het onderdeel klaagt terecht dat het hof aldus de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] hebben zich tegenover de vorderingen van [de klanten] zowel beroepen op verjaring als op de klachtplicht. Deze verweren zijn door [de klanten] opgevat als mede ziende op het project [betrokkene 1] - [plaats 1] en de kwestie van de royementsvolmacht. Hoe dan ook, het oordeel van het hof berust niet op een beperkte uitleg van het beroep op verjaring en de klachtplicht. In plaats daarvan is het hof uitgegaan van een opvatting van de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep die evident in strijd is met vaste rechtspraak van uw Raad. Volgens die vaste rechtspraak worden in eerste aanleg verworpen verweren die door geïntimeerde niet zijn prijsgegeven, door de appelrechter opnieuw beoordeeld voor zover het hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt, niet anders dan verweren die in eerste aanleg onbehandeld zijn gebleven. Waar het hof tot het oordeel kwam dat grief I slaagde, was het dus gehouden om de deugdelijkheid van het beroep van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] op verjaring respectievelijk de klachtplicht te onderzoeken. Dat door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] geen incidenteel hoger beroep was ingesteld, doet daaraan niet af. De crux van (de positieve zijde van) de devolutieve werking van het hoger beroep is nu juist dat een geïntimeerde die met de uitkomst van het geding in eerste aanleg tevreden is, géén incidenteel hoger beroep behoeft in te stellen. In plaats daarvan kan hij erop rekenen dat – in het geval van het slagen van één of meer grieven – alle in eerste aanleg door hem aangevoerde grondslagen en verweren opnieuw door de appelrechter zullen worden onderzocht, óók indien die grondslagen en verweren in eerste aanleg zijn verworpen. Ook de omstandigheid dat de rechtbank de verwerping van het beroep op verjaring en op de klachtplicht niet in het eindvonnis heeft opgenomen, en die verwerping in plaats daarvan in rechtsoverwegingen 3.5 en 3.6 van het tussenvonnis van 16 juni 2021 is neergelegd, brengt hierin geen verandering. 3.4 Uit het arrest van het hof is niet op te maken of het hof het appelprocesrecht heeft willen herschrijven dan wel of het eenvoudig met (de juiste opvatting van) de devolutieve werking onbekend was. Reeds bij het noemen van die laatste mogelijkheid voel ik mij verlegen. Want, hoewel niet-ingewijden de devolutieve werking niet steeds als eenvoudig ervaren, zou mijns inziens voor leden van een gerechtshof de standaardtoepassing van de devolutieve werking die hier voorligt, gesneden koek behoren te zijn. 3.5 Aldus is er mogelijk aanleiding voor de veronderstelling dat het hof heeft beoogd het appelprocesrecht gedeeltelijk te herschrijven. Zou het hof dat inderdaad hebben bedoeld (nogmaals: het valt uit zijn arrest niet op te maken), dan kan ik het hof daarin niet volgen. Ik geef toe dat de toepassing van de devolutieve werking op verwórpen grondslagen en verweren althans intuïtief niet in dezelfde mate aanspreekt als die op grondslagen en verweren die in eerste aanleg onbehandeld zijn gebleven. In de literatuur zijn nog wel meer argumenten te vinden voor een alternatief stelsel van appelprocesrecht, waarin incidenteel hoger beroep wél nodig is, althans vermelding en liefst ook uitwerking van gehandhaafde grondslagen en verweren in appel. Ik meen echter dat zulke argumenten hoe dan ook niet kunnen opwegen tegen de schade aan de rechtszekerheid die optreedt we als we zonder gepast overgangsrecht een zo belangrijke spelregel van het appelprocesrecht plotsklaps veranderen.
Volledig
Voor het overige heeft het hof de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd. 2.5 Voor zover in cassatie van belang kunnen de dragende overwegingen van het hof als volgt worden samengevat: Over de omvang van hoger beroep (a) Door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] is geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Door [de klanten] zijn geen grieven gericht tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de verjaring en de klachtplicht, zodat in hoger beroep vaststaat dat de vordering van [de klanten] niet is verjaard en [de klanten] tijdig heeft geklaagd. (onder 4.3.4) [betrokkene 1] - [plaats 1] (grief I.A en I.B) (b) Met grief I (A en B) komt [de klanten] op tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de bewijslastverdeling, (tegen)bewijsopdracht en bewijswaardering met betrekking tot de handtekeningen op de royementsvolmacht. (onder 4.4.1) (c) In hoger beroep wordt niet langer betwist dat de handtekeningen op de royementsvolmacht van [klanten 1 en 2] zijn vervalst, althans dat zij niet zelf de royementsvolmacht hebben ondertekend. Partijen twisten wel over de betrokkenheid van [vennoot 4] bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht. (onder 4.4.2 en 4.4.3) (d) Op [de klanten] rust de stelplicht en bewijslast van het valselijk opmaken of de vervalsing door of namens [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] , nu [de klanten] aan de vordering uit hoofde van wanprestatie en onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd dat [vennoot 4] (of een andere medewerker van [de maatschap] ) de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de royementsvolmacht heeft vervalst. (onder 4.4.3) (e) Tegenover de gemotiveerde onderbouwing door [de klanten] hebben [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] niet voldoende betwist dat de royementsvolmacht met de valse handtekening vanaf het huisadres van [vennoot 4] is verzonden. Vaststaat daarmee ook dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] (onder 4.4.4-4.4.12) (f) De mogelijkheid van schade als gevolg van het valselijk opmaken en verzenden van de royementsvolmacht is aannemelijk, wat toereikend is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. (onder 4.4.13) Manitoba (grief II.A, grief II.B en II.C) (g) [de klanten] heeft niet voldoende onderbouwd dat sprake is van enige tekortkoming van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] in de nakoming van aan hen opgedragen werkzaamheden of van anderszins onrechtmatig handelen door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] met betrekking tot de investeringen van [de klanten] in Manitoba. (4.5.1-4.5.5) Global Fruit (grief III) (h) Grief III is geen voldoende onderbouwde grief. Voor zover [de klanten] heeft beoogd het geschil ter herbeoordeling aan het hof voor te leggen, verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de investeringen van [de klanten] in Global Fruit. (onder 4.6.1-4.6.2) [de maatschap] aansprakelijk? (grief IV) (i) Naar het oordeel van het hof heeft [de klanten] niet voldoende gemotiveerd onderbouwd welk concreet verwijt [de maatschap] LLP kan worden gemaakt ten aanzien van de verweten handelingen en gedragingen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verweten handelingen en gedragingen zijn verricht vóór oprichting van [de maatschap] LLP. (onder 4.7.2) 2.6 [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben bij procesinleiding van 18 juli 2025 tijdig beroep in cassatie ingesteld. [de klanten] is in cassatie niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. 3.2 Onderdeel 1 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.4: ‘4.3.4. Door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] is geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Door [de klanten] zijn geen grieven gericht tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de verjaring en de klachtplicht, zodat in hoger beroep vaststaat dat de vordering van [de klanten] niet is verjaard en [de klanten] tijdig heeft geklaagd.’ 3.3 Het onderdeel klaagt terecht dat het hof aldus de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] hebben zich tegenover de vorderingen van [de klanten] zowel beroepen op verjaring als op de klachtplicht. Deze verweren zijn door [de klanten] opgevat als mede ziende op het project [betrokkene 1] - [plaats 1] en de kwestie van de royementsvolmacht. Hoe dan ook, het oordeel van het hof berust niet op een beperkte uitleg van het beroep op verjaring en de klachtplicht. In plaats daarvan is het hof uitgegaan van een opvatting van de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep die evident in strijd is met vaste rechtspraak van uw Raad. Volgens die vaste rechtspraak worden in eerste aanleg verworpen verweren die door geïntimeerde niet zijn prijsgegeven, door de appelrechter opnieuw beoordeeld voor zover het hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt, niet anders dan verweren die in eerste aanleg onbehandeld zijn gebleven. Waar het hof tot het oordeel kwam dat grief I slaagde, was het dus gehouden om de deugdelijkheid van het beroep van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] op verjaring respectievelijk de klachtplicht te onderzoeken. Dat door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] geen incidenteel hoger beroep was ingesteld, doet daaraan niet af. De crux van (de positieve zijde van) de devolutieve werking van het hoger beroep is nu juist dat een geïntimeerde die met de uitkomst van het geding in eerste aanleg tevreden is, géén incidenteel hoger beroep behoeft in te stellen. In plaats daarvan kan hij erop rekenen dat – in het geval van het slagen van één of meer grieven – alle in eerste aanleg door hem aangevoerde grondslagen en verweren opnieuw door de appelrechter zullen worden onderzocht, óók indien die grondslagen en verweren in eerste aanleg zijn verworpen. Ook de omstandigheid dat de rechtbank de verwerping van het beroep op verjaring en op de klachtplicht niet in het eindvonnis heeft opgenomen, en die verwerping in plaats daarvan in rechtsoverwegingen 3.5 en 3.6 van het tussenvonnis van 16 juni 2021 is neergelegd, brengt hierin geen verandering. 3.4 Uit het arrest van het hof is niet op te maken of het hof het appelprocesrecht heeft willen herschrijven dan wel of het eenvoudig met (de juiste opvatting van) de devolutieve werking onbekend was. Reeds bij het noemen van die laatste mogelijkheid voel ik mij verlegen. Want, hoewel niet-ingewijden de devolutieve werking niet steeds als eenvoudig ervaren, zou mijns inziens voor leden van een gerechtshof de standaardtoepassing van de devolutieve werking die hier voorligt, gesneden koek behoren te zijn. 3.5 Aldus is er mogelijk aanleiding voor de veronderstelling dat het hof heeft beoogd het appelprocesrecht gedeeltelijk te herschrijven. Zou het hof dat inderdaad hebben bedoeld (nogmaals: het valt uit zijn arrest niet op te maken), dan kan ik het hof daarin niet volgen. Ik geef toe dat de toepassing van de devolutieve werking op verwórpen grondslagen en verweren althans intuïtief niet in dezelfde mate aanspreekt als die op grondslagen en verweren die in eerste aanleg onbehandeld zijn gebleven. In de literatuur zijn nog wel meer argumenten te vinden voor een alternatief stelsel van appelprocesrecht, waarin incidenteel hoger beroep wél nodig is, althans vermelding en liefst ook uitwerking van gehandhaafde grondslagen en verweren in appel. Ik meen echter dat zulke argumenten hoe dan ook niet kunnen opwegen tegen de schade aan de rechtszekerheid die optreedt we als we zonder gepast overgangsrecht een zo belangrijke spelregel van het appelprocesrecht plotsklaps veranderen.
Volledig
Vele geïntimeerden in lopende zaken zouden worden gedupeerd omdat zij achteraf bezien ten onrechte hebben vertrouwd op een regel die volgens uw Raad nota bene tot hun bescherming dient. Ik blijf er dus bij dat het onderdeel terecht is voorgesteld. 3.6 Ik meen dat ik uw Raad en/of het hof na verwijzing voor de voeten zou lopen met beschouwingen over de kans van slagen van het beroep van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] op verjaring respectievelijk de klachtplicht. Ik acht die verweren hoe dan ook niet zo evident kansloos, dat er grond zou kunnen zijn voor het oordeel dat bij het onderdeel geen belang bestaat. 3.7 Onderdeel 2 richt zich tegen elementen in rechtsoverweging 4.4.12 (met onderstreping aangegeven): ‘4.4.12. Tegenover de gemotiveerde onderbouwing van [de klanten] van ontvangst van zowel de fax van [advocaat in Canada] met het format voor volmachtverlening door [vennoot 4] als van het faxbericht met de royementsvolmacht door [advocaat in Canada] , houdt hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] naar voren hebben gebracht geen voldoende betwisting in, zodat vast is komen te staan dat de royementsvolmacht met de valse handtekening vanaf het huisadres van [vennoot 4] is verzonden. Vaststaat daarmee ook dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden . [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] ’ 3.8 Het aangrijpingspunt van de klachten van het onderdeel is de wijze waarop het hof zonder nadere motivering – vergelijk het woordje ‘daarmee’ – de stap zet van de vaststelling dat de fax met valse handtekeningen ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden, naar het oordeel dat (behalve [vennoot 4 en diens BV] ook) [de maatschap en vennoten 1-3] jegens [de klanten] onrechtmatig heeft gehandeld en tekort is geschoten. 3.9 Het hof heeft vastgesteld dat [vennoot 4] ‘verbonden was aan [de maatschap] ’ (arrest van het hof onder 4.1.1 sub a; vergelijk hiervoor 2.1 onder i). Daarmee is kennelijk bedoeld dat [vennoot 4] (al dan niet via zijn BV) vennoot van [de maatschap] was. [de maatschap] is een maatschap. Partijen hebben gedebatteerd over de vraag of [de maatschap] ook een openbare maatschap is. Zou [de maatschap] een stille maatschap zijn, dan valt niet in te zien op welke grond de maatschap en de overige vennoten aansprakelijk zouden kunnen zijn. Het vervalsen van handtekeningen op een royementsvolmacht is niet een rechtshandeling namens de maatschap; het betreft feitelijk handelen. Zou [de maatschap] wél een openbare maatschap zijn, dan is (uitgaande van de heersende opvatting in de literatuur) op zichzelf denkbaar dat een feitelijk handelen van een van de vennoten als een onrechtmatige daad van de maatschap heeft te gelden, maar dit veronderstelt dan dat dit handelen plaatsvond bij de vervulling van de vennootschappelijke werkzaamheid waarop de vennootschap is gericht en bovendien dat het handelen in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een gedraging van de vennootschap. In ieder geval het laatste lijkt mij niet vanzelfsprekend juist (en vergde dus een motivering, die ontbreekt). 3.10 In het licht van een en ander zou ik hebben verwacht dat het onderdeel ons rechtsklachten presenteerde die aanknopen bij de aard van het handelen van [vennoot 4] (feitelijk handelen; niet-vertegenwoordigend) respectievelijk bij de maatstaf voor de aansprakelijkheid van een openbare maatschap uit onrechtmatige daad. Zodanige klachten lees ik in het onderdeel echter niet. 3.11 Het onderdeel bevat intussen wel motiveringsklachten, alsook een rechtsklacht die (net als onderdeel 1) bij de devolutieve werking van het hoger beroep aanknoopt. Die klachten slagen. Het onderdeel verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken in eerste aanleg waar [de maatschap en vennoten 1-3] heeft betoogd dat de aan [vennoot 4] verweten gedragingen niet kunnen zijn gepleegd in het kader van de vervulling van [vennoot 4] ’ normale werkzaamheden voor de maatschap, zodat [de maatschap en vennoten 1-3] daarvoor in geen geval aansprakelijk is. Dat is een essentiële stelling waarop het hof in had moeten gaan. Zou het hof ervan zijn uitgegaan dat zij op de stelling niet behoefde in te gaan omdat zij alleen in eerste aanleg door [de maatschap en vennoten 1-3] is betrokken, dan is dat gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep onjuist. 3.12 Onderdeel 3 komt met diverse klachten op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 4.4.1-4.4.13 dat de fax met de royementsvolmacht (die valse handtekeningen van [de klanten] bevatte) ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. De overwegingen van het hof luiden als volgt: ‘4.4. [betrokkene 1] - [plaats 1] (Grief I.A en I.B) 4.4.1. Met grief I (A en B) komt [de klanten] – zakelijk weergegeven – op tegen de beslissingen van de rechtbank in de beroepen vonnissen ten aanzien van de bewijslastverdeling, (tegen)bewijsopdracht en bewijswaardering met betrekking tot de handtekeningen op de royementsvolmacht. 4.4.2. Nadat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in eerste aanleg eerst hebben gesteld dat [de klanten] zich bewust heeft teruggetrokken uit het project [betrokkene 1] - [plaats 1] na daarover onder meer op 30 januari 2009 met [adviseur van klanten] en [vennoot 4] een gesprek te hebben gevoerd met betrekking tot het omzetten van de investering in [betrokkene 1] - [plaats 1] naar het project Manitoba en daarom zelf de royementsvolmacht heeft ondertekend, wordt in hoger beroep niet langer betwist dat de handtekeningen op de royementsvolmacht van [klanten 1 en 2] zijn vervalst, althans dat zij niet zelf de royementsvolmacht hebben ondertekend, met andere woorden dat de handtekeningen op de royementsvolmacht vals zijn. 4.4.3. Partijen twisten wel over de betrokkenheid van [vennoot 4] bij het valselijk opmaken van de royementvolmacht met de valse handtekeningen van [klanten 1 en 2] . Nu [de klanten] aan zijn vordering uit hoofde van wanprestatie en onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd dat [vennoot 4] (of een andere medewerker van [de maatschap] ) de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de royementsvolmacht heeft vervalst, waarna de hypotheek tegen de wil van [de klanten] is doorgehaald en de activa in dit project zijn verkocht, rust op [de klanten] de stelplicht en bewijslast van het valselijk opmaken of de vervalsing door of namens [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] Daarbij merkt het hof op dat hoewel partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veelal spreken over “vervalsen”, het onderliggende uitgangspunt is dat [de klanten] stellen dat zij de handtekeningen op de royementsvolmacht niet zélf gezet hebben, maar iemand anders. Met andere woorden dat de handtekeningen vals zijn en de royementvolmacht valselijk opgemaakt is. De rechtbank is bij dit spraakgebruik aangesloten, zowel in het tussenvonnis (4.2.4) als in het eindvonnis (4.2.5). Het hof sluit aan bij de stelling van [de klanten] en spreekt hierna over “vals” of “valselijk opmaken”. 4.4.4. Het hof komt tot de conclusie dat de fax met de royementsvolmacht door of namens [vennoot 4] vanaf de door [vennoot 4] in gebruik zijnde fax met [faxnummer 2] ( [netnummer] ) is verzonden. Daartoe acht het hof het volgende redengevend. 4.4.5. Het hof stelt voorop dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Als adres kan in beginsel – behoudens andersluidend beding – worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art.
Volledig
Vele geïntimeerden in lopende zaken zouden worden gedupeerd omdat zij achteraf bezien ten onrechte hebben vertrouwd op een regel die volgens uw Raad nota bene tot hun bescherming dient. Ik blijf er dus bij dat het onderdeel terecht is voorgesteld. 3.6 Ik meen dat ik uw Raad en/of het hof na verwijzing voor de voeten zou lopen met beschouwingen over de kans van slagen van het beroep van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] op verjaring respectievelijk de klachtplicht. Ik acht die verweren hoe dan ook niet zo evident kansloos, dat er grond zou kunnen zijn voor het oordeel dat bij het onderdeel geen belang bestaat. 3.7 Onderdeel 2 richt zich tegen elementen in rechtsoverweging 4.4.12 (met onderstreping aangegeven): ‘4.4.12. Tegenover de gemotiveerde onderbouwing van [de klanten] van ontvangst van zowel de fax van [advocaat in Canada] met het format voor volmachtverlening door [vennoot 4] als van het faxbericht met de royementsvolmacht door [advocaat in Canada] , houdt hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] naar voren hebben gebracht geen voldoende betwisting in, zodat vast is komen te staan dat de royementsvolmacht met de valse handtekening vanaf het huisadres van [vennoot 4] is verzonden. Vaststaat daarmee ook dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden . [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] ’ 3.8 Het aangrijpingspunt van de klachten van het onderdeel is de wijze waarop het hof zonder nadere motivering – vergelijk het woordje ‘daarmee’ – de stap zet van de vaststelling dat de fax met valse handtekeningen ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden, naar het oordeel dat (behalve [vennoot 4 en diens BV] ook) [de maatschap en vennoten 1-3] jegens [de klanten] onrechtmatig heeft gehandeld en tekort is geschoten. 3.9 Het hof heeft vastgesteld dat [vennoot 4] ‘verbonden was aan [de maatschap] ’ (arrest van het hof onder 4.1.1 sub a; vergelijk hiervoor 2.1 onder i). Daarmee is kennelijk bedoeld dat [vennoot 4] (al dan niet via zijn BV) vennoot van [de maatschap] was. [de maatschap] is een maatschap. Partijen hebben gedebatteerd over de vraag of [de maatschap] ook een openbare maatschap is. Zou [de maatschap] een stille maatschap zijn, dan valt niet in te zien op welke grond de maatschap en de overige vennoten aansprakelijk zouden kunnen zijn. Het vervalsen van handtekeningen op een royementsvolmacht is niet een rechtshandeling namens de maatschap; het betreft feitelijk handelen. Zou [de maatschap] wél een openbare maatschap zijn, dan is (uitgaande van de heersende opvatting in de literatuur) op zichzelf denkbaar dat een feitelijk handelen van een van de vennoten als een onrechtmatige daad van de maatschap heeft te gelden, maar dit veronderstelt dan dat dit handelen plaatsvond bij de vervulling van de vennootschappelijke werkzaamheid waarop de vennootschap is gericht en bovendien dat het handelen in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een gedraging van de vennootschap. In ieder geval het laatste lijkt mij niet vanzelfsprekend juist (en vergde dus een motivering, die ontbreekt). 3.10 In het licht van een en ander zou ik hebben verwacht dat het onderdeel ons rechtsklachten presenteerde die aanknopen bij de aard van het handelen van [vennoot 4] (feitelijk handelen; niet-vertegenwoordigend) respectievelijk bij de maatstaf voor de aansprakelijkheid van een openbare maatschap uit onrechtmatige daad. Zodanige klachten lees ik in het onderdeel echter niet. 3.11 Het onderdeel bevat intussen wel motiveringsklachten, alsook een rechtsklacht die (net als onderdeel 1) bij de devolutieve werking van het hoger beroep aanknoopt. Die klachten slagen. Het onderdeel verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken in eerste aanleg waar [de maatschap en vennoten 1-3] heeft betoogd dat de aan [vennoot 4] verweten gedragingen niet kunnen zijn gepleegd in het kader van de vervulling van [vennoot 4] ’ normale werkzaamheden voor de maatschap, zodat [de maatschap en vennoten 1-3] daarvoor in geen geval aansprakelijk is. Dat is een essentiële stelling waarop het hof in had moeten gaan. Zou het hof ervan zijn uitgegaan dat zij op de stelling niet behoefde in te gaan omdat zij alleen in eerste aanleg door [de maatschap en vennoten 1-3] is betrokken, dan is dat gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep onjuist. 3.12 Onderdeel 3 komt met diverse klachten op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 4.4.1-4.4.13 dat de fax met de royementsvolmacht (die valse handtekeningen van [de klanten] bevatte) ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. De overwegingen van het hof luiden als volgt: ‘4.4. [betrokkene 1] - [plaats 1] (Grief I.A en I.B) 4.4.1. Met grief I (A en B) komt [de klanten] – zakelijk weergegeven – op tegen de beslissingen van de rechtbank in de beroepen vonnissen ten aanzien van de bewijslastverdeling, (tegen)bewijsopdracht en bewijswaardering met betrekking tot de handtekeningen op de royementsvolmacht. 4.4.2. Nadat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in eerste aanleg eerst hebben gesteld dat [de klanten] zich bewust heeft teruggetrokken uit het project [betrokkene 1] - [plaats 1] na daarover onder meer op 30 januari 2009 met [adviseur van klanten] en [vennoot 4] een gesprek te hebben gevoerd met betrekking tot het omzetten van de investering in [betrokkene 1] - [plaats 1] naar het project Manitoba en daarom zelf de royementsvolmacht heeft ondertekend, wordt in hoger beroep niet langer betwist dat de handtekeningen op de royementsvolmacht van [klanten 1 en 2] zijn vervalst, althans dat zij niet zelf de royementsvolmacht hebben ondertekend, met andere woorden dat de handtekeningen op de royementsvolmacht vals zijn. 4.4.3. Partijen twisten wel over de betrokkenheid van [vennoot 4] bij het valselijk opmaken van de royementvolmacht met de valse handtekeningen van [klanten 1 en 2] . Nu [de klanten] aan zijn vordering uit hoofde van wanprestatie en onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd dat [vennoot 4] (of een andere medewerker van [de maatschap] ) de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de royementsvolmacht heeft vervalst, waarna de hypotheek tegen de wil van [de klanten] is doorgehaald en de activa in dit project zijn verkocht, rust op [de klanten] de stelplicht en bewijslast van het valselijk opmaken of de vervalsing door of namens [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] Daarbij merkt het hof op dat hoewel partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veelal spreken over “vervalsen”, het onderliggende uitgangspunt is dat [de klanten] stellen dat zij de handtekeningen op de royementsvolmacht niet zélf gezet hebben, maar iemand anders. Met andere woorden dat de handtekeningen vals zijn en de royementvolmacht valselijk opgemaakt is. De rechtbank is bij dit spraakgebruik aangesloten, zowel in het tussenvonnis (4.2.4) als in het eindvonnis (4.2.5). Het hof sluit aan bij de stelling van [de klanten] en spreekt hierna over “vals” of “valselijk opmaken”. 4.4.4. Het hof komt tot de conclusie dat de fax met de royementsvolmacht door of namens [vennoot 4] vanaf de door [vennoot 4] in gebruik zijnde fax met [faxnummer 2] ( [netnummer] ) is verzonden. Daartoe acht het hof het volgende redengevend. 4.4.5. Het hof stelt voorop dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Als adres kan in beginsel – behoudens andersluidend beding – worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art.
Volledig
1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391 ( Centavos/ […] )). 4.4.6. [de klanten] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat [advocaat in Canada] , de advocaat van [adviseur van klanten] in Canada, aan [vennoot 4] heeft verzocht een ingevulde en [klanten 1 en 2] ondertekende volmacht aan hem te retourneren, twee berichten in het geding gebracht die door [advocaat in Canada] aan [vennoot 4] zijn verzonden: - de brief van 10 maart 2009 waarbij heeft [advocaat in Canada] aan [vennoot 4] , voor zover relevant, het volgende heeft bericht (productie 6 dagvaarding): “ I have been advised by the parties hereto that you are the solicitor for the [klant 1] herein. I have acted for them in the past but in this transaction I would have a conflict. Under the circumstances I will be forwarding to you a discharge to have them sign and return. I can advise you that no funds will be forwarded to you as I understand these will be invested in a pig operation in Manitoba ”, en; - het bericht van 6 april 2009 met kenmerk “ [adviseur van klanten] and [klant 1] & [klant 2] Discharge of Mortgage (…) Our File no. [002] ” verzonden op “ 12:51 pm ” (productie 7 dagvaarding, met ontvangstbericht), waarin onder meer het volgende is opgenomen: “ I am enclosing herewith the Discharge of Charge which needs to be signed by [klant 1] and [klant 2] . Please return the signed copy to my office .” [de klanten] heeft met een verwijzing naar dit faxbericht toegelicht dat dit bericht drie pagina’s bevatte, te weten het voorblad en het uit twee pagina’s bestaande format van [advocaat in Canada] voor de volmachtverlening ten aanzien van het royement van het in geschil zijnde hypotheekrecht. Aan de hand van de verzendrapportage ( journal ) heeft [de klanten] gespecificeerd dat het bericht op 6 april 2009 is verzonden aan het kantoorfaxnummer van [de maatschap] en dat het faxbericht van drie pagina’s aldaar is geleverd (“ comm.result= OK ” “ page(s)= 003/003 ” “ received ID = [faxnummer 1] ”) (productie 7 dagvaarding eerste aanleg). 4.4.7. [de klanten] heeft tevens toegelicht dat in het brievenboek van [de maatschap] op 7 april 2009 ontvangst van een document afkomstig van “ [advocaat in Canada] ” met omschrijving “ inz. [klant 1] ” en bij de opmerkingen “ [vennoot 4] ”, de intialen van [vennoot 4] is geregistreerd. Vanwege het tijdsverschil van zes uur tussen Canada en Nederland is het faxbericht van [advocaat in Canada] (van 6 april 2009 “ 12.52 pm ” dat wil zeggen 12:52 uur Canadese tijd) na kantoorsluitingstijd (te weten 18:52 uur Nederlandse tijd) bij [de maatschap] binnengekomen, acht het hof het aannemelijk dat ontvangst van het faxbericht pas de volgende dag op 7 april 2009 vermeld is in het logboek van [de maatschap] , zoals [de klanten] betoogt. Het bericht waarnaar in het postboek wordt verwezen is door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] niet in het geding gebracht. Ten aanzien daarvan stellen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dat geen bericht van [advocaat in Canada] inzake [de klanten] van op of rond 7 april 2009 is aangetroffen in het dossier van [de klanten] Daarmee is naar het oordeel van het hof door hen niet voldoende concreet betwist dat het faxbericht van 6 april 2009 van [advocaat in Canada] , verzonden naar het zakelijke faxadres van [de maatschap] , [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] heeft bereikt. 4.4.8. Dat dit faxbericht van [advocaat in Canada] aan [vennoot 4] inzake [de klanten] dat blijkens het postboek van [de maatschap] op 7 april 2009 is geregistreerd als zijnde ontvangen, niet (meer) in de administratie van [vennoot 4 en diens BV] en/of [de maatschap en vennoten 1-3] aanwezig is, brengt met zich dat niet kan worden vastgesteld dat het dossier van [de klanten] zoals dit is gearchiveerd bij [vennoot 4] / [de maatschap en vennoten 1-3] compleet is. Het hof sluit daarmee niet uit dat ook andere berichten ontvangen van en verzonden (naar [advocaat in Canada] ) niet op correcte wijze in het dossier van [de klanten] zijn opgeslagen dan wel in het postboek vermeld. Het hof betrekt bij dat oordeel dat gegevens omtrent de ten behoeve van [de klanten] gevoerde correspondentie en namens hem uitgevoerde verrichtingen, in het domein van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] liggen. Dat het dossier zoals geadministreerd bij [vennoot 4] / [de maatschap en vennoten 1-3] incompleet is, is een risico dat voor rekening van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dient te blijven. Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen afdoende uitleg gegeven voor het ontbreken van het in geschil zijnde bericht van [advocaat in Canada] in het dossier van [de klanten] , anders dan dat het mogelijk een niet relevant stuk zou zijn. Gelet reeds op het kenmerk “ Discharge of Mortgage ” en de bijlage valt redelijkerwijs niet in te zien dat de fax mogelijk als ‘niet relevant’ gekwalificeerd zou (kunnen) zijn. Daarmee is niet voldoende weerlegd dat het faxbericht van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 met het format voor de volmachtverlening aan [vennoot 4] is verzonden naar het kantoorfaxnummer en daadwerkelijk is ontvangen. 4.4.9. Naar het oordeel van het hof heeft [de klanten] ook voldoende gemotiveerd onderbouwd dat de royementsvolmacht met de valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden. Het hof komt tot die conclusie op basis van het volgende. De in geschil zijnde royementsvolmacht betreft een met pen ingevuld exemplaar van het door [advocaat in Canada] gefaxte format voor de volmachtverlening. Door [de klanten] is een kopie van het in het dossier van [advocaat in Canada] opgeslagen faxbericht van 8 april 2009 bestaande uit een voorblad en de uit twee pagina’s bestaande royementsvolmacht overgelegd. Op voormeld format is “ [plaats 3] ” als plaats en “ 8 ” als dag (april 2009 was reeds voorgetypt) van ondertekening met de pen ingevuld. Met de pen zijn op voornoemd document ook de valse handtekeningen van [klanten 1 en 2] geplaatst. Eveneens is daarop de handtekening van [vennoot 4] als “ witness ” aangebracht. De begeleidende faxbrief is op briefpapier van [de maatschap] gesteld. Die faxbrief bevat handgeschreven opmerkingen en een handtekening. Hoewel het origineel van de fax niet voorhanden is en geen sluitend onderzoek kan worden gedaan naar het handschrift en de handtekeningen op het voorblad en de royementsvolmacht, heeft de schriftdeskundige daarop geen significante onverklaarbare afwijkingen kunnen ontdekken. [vennoot 4] heeft het handschrift als zijn eigen handschrift herkend en is het ermee eens dat het ervoor moet worden gehouden dat de handtekening op zowel de faxbrief (het voorblad), als op de royementsvolmacht (” witness ”-verklaring) de zijne is. [vennoot 4] heeft ter zake steeds wisselende en onderling tegenstrijdige stellingen ingenomen en heeft ook in hoger beroep geen plausibele verklaring gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van zijn handschrift en handtekening, anders dan dat hij zich niet kan herinneren de brief te hebben opgesteld of ondertekend of het format voor de volmachtverlening te hebben ontvangen, dan wel de royementsvolmacht te hebben ingevuld of ondertekend. In de faxregel afgedrukt aan de bovenrand van het faxbericht met de royementsvolmacht, zijn opgenomen de datum en het tijdstip van verzending “ 08 apr 2009 20:03 ”, de naam “ [vennoot 4] ” en het faxnummer “ [faxnummer 2] ”.
Volledig
1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391 ( Centavos/ […] )). 4.4.6. [de klanten] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat [advocaat in Canada] , de advocaat van [adviseur van klanten] in Canada, aan [vennoot 4] heeft verzocht een ingevulde en [klanten 1 en 2] ondertekende volmacht aan hem te retourneren, twee berichten in het geding gebracht die door [advocaat in Canada] aan [vennoot 4] zijn verzonden: - de brief van 10 maart 2009 waarbij heeft [advocaat in Canada] aan [vennoot 4] , voor zover relevant, het volgende heeft bericht (productie 6 dagvaarding): “ I have been advised by the parties hereto that you are the solicitor for the [klant 1] herein. I have acted for them in the past but in this transaction I would have a conflict. Under the circumstances I will be forwarding to you a discharge to have them sign and return. I can advise you that no funds will be forwarded to you as I understand these will be invested in a pig operation in Manitoba ”, en; - het bericht van 6 april 2009 met kenmerk “ [adviseur van klanten] and [klant 1] & [klant 2] Discharge of Mortgage (…) Our File no. [002] ” verzonden op “ 12:51 pm ” (productie 7 dagvaarding, met ontvangstbericht), waarin onder meer het volgende is opgenomen: “ I am enclosing herewith the Discharge of Charge which needs to be signed by [klant 1] and [klant 2] . Please return the signed copy to my office .” [de klanten] heeft met een verwijzing naar dit faxbericht toegelicht dat dit bericht drie pagina’s bevatte, te weten het voorblad en het uit twee pagina’s bestaande format van [advocaat in Canada] voor de volmachtverlening ten aanzien van het royement van het in geschil zijnde hypotheekrecht. Aan de hand van de verzendrapportage ( journal ) heeft [de klanten] gespecificeerd dat het bericht op 6 april 2009 is verzonden aan het kantoorfaxnummer van [de maatschap] en dat het faxbericht van drie pagina’s aldaar is geleverd (“ comm.result= OK ” “ page(s)= 003/003 ” “ received ID = [faxnummer 1] ”) (productie 7 dagvaarding eerste aanleg). 4.4.7. [de klanten] heeft tevens toegelicht dat in het brievenboek van [de maatschap] op 7 april 2009 ontvangst van een document afkomstig van “ [advocaat in Canada] ” met omschrijving “ inz. [klant 1] ” en bij de opmerkingen “ [vennoot 4] ”, de intialen van [vennoot 4] is geregistreerd. Vanwege het tijdsverschil van zes uur tussen Canada en Nederland is het faxbericht van [advocaat in Canada] (van 6 april 2009 “ 12.52 pm ” dat wil zeggen 12:52 uur Canadese tijd) na kantoorsluitingstijd (te weten 18:52 uur Nederlandse tijd) bij [de maatschap] binnengekomen, acht het hof het aannemelijk dat ontvangst van het faxbericht pas de volgende dag op 7 april 2009 vermeld is in het logboek van [de maatschap] , zoals [de klanten] betoogt. Het bericht waarnaar in het postboek wordt verwezen is door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] niet in het geding gebracht. Ten aanzien daarvan stellen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dat geen bericht van [advocaat in Canada] inzake [de klanten] van op of rond 7 april 2009 is aangetroffen in het dossier van [de klanten] Daarmee is naar het oordeel van het hof door hen niet voldoende concreet betwist dat het faxbericht van 6 april 2009 van [advocaat in Canada] , verzonden naar het zakelijke faxadres van [de maatschap] , [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] heeft bereikt. 4.4.8. Dat dit faxbericht van [advocaat in Canada] aan [vennoot 4] inzake [de klanten] dat blijkens het postboek van [de maatschap] op 7 april 2009 is geregistreerd als zijnde ontvangen, niet (meer) in de administratie van [vennoot 4 en diens BV] en/of [de maatschap en vennoten 1-3] aanwezig is, brengt met zich dat niet kan worden vastgesteld dat het dossier van [de klanten] zoals dit is gearchiveerd bij [vennoot 4] / [de maatschap en vennoten 1-3] compleet is. Het hof sluit daarmee niet uit dat ook andere berichten ontvangen van en verzonden (naar [advocaat in Canada] ) niet op correcte wijze in het dossier van [de klanten] zijn opgeslagen dan wel in het postboek vermeld. Het hof betrekt bij dat oordeel dat gegevens omtrent de ten behoeve van [de klanten] gevoerde correspondentie en namens hem uitgevoerde verrichtingen, in het domein van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] liggen. Dat het dossier zoals geadministreerd bij [vennoot 4] / [de maatschap en vennoten 1-3] incompleet is, is een risico dat voor rekening van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dient te blijven. Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen afdoende uitleg gegeven voor het ontbreken van het in geschil zijnde bericht van [advocaat in Canada] in het dossier van [de klanten] , anders dan dat het mogelijk een niet relevant stuk zou zijn. Gelet reeds op het kenmerk “ Discharge of Mortgage ” en de bijlage valt redelijkerwijs niet in te zien dat de fax mogelijk als ‘niet relevant’ gekwalificeerd zou (kunnen) zijn. Daarmee is niet voldoende weerlegd dat het faxbericht van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 met het format voor de volmachtverlening aan [vennoot 4] is verzonden naar het kantoorfaxnummer en daadwerkelijk is ontvangen. 4.4.9. Naar het oordeel van het hof heeft [de klanten] ook voldoende gemotiveerd onderbouwd dat de royementsvolmacht met de valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden. Het hof komt tot die conclusie op basis van het volgende. De in geschil zijnde royementsvolmacht betreft een met pen ingevuld exemplaar van het door [advocaat in Canada] gefaxte format voor de volmachtverlening. Door [de klanten] is een kopie van het in het dossier van [advocaat in Canada] opgeslagen faxbericht van 8 april 2009 bestaande uit een voorblad en de uit twee pagina’s bestaande royementsvolmacht overgelegd. Op voormeld format is “ [plaats 3] ” als plaats en “ 8 ” als dag (april 2009 was reeds voorgetypt) van ondertekening met de pen ingevuld. Met de pen zijn op voornoemd document ook de valse handtekeningen van [klanten 1 en 2] geplaatst. Eveneens is daarop de handtekening van [vennoot 4] als “ witness ” aangebracht. De begeleidende faxbrief is op briefpapier van [de maatschap] gesteld. Die faxbrief bevat handgeschreven opmerkingen en een handtekening. Hoewel het origineel van de fax niet voorhanden is en geen sluitend onderzoek kan worden gedaan naar het handschrift en de handtekeningen op het voorblad en de royementsvolmacht, heeft de schriftdeskundige daarop geen significante onverklaarbare afwijkingen kunnen ontdekken. [vennoot 4] heeft het handschrift als zijn eigen handschrift herkend en is het ermee eens dat het ervoor moet worden gehouden dat de handtekening op zowel de faxbrief (het voorblad), als op de royementsvolmacht (” witness ”-verklaring) de zijne is. [vennoot 4] heeft ter zake steeds wisselende en onderling tegenstrijdige stellingen ingenomen en heeft ook in hoger beroep geen plausibele verklaring gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van zijn handschrift en handtekening, anders dan dat hij zich niet kan herinneren de brief te hebben opgesteld of ondertekend of het format voor de volmachtverlening te hebben ontvangen, dan wel de royementsvolmacht te hebben ingevuld of ondertekend. In de faxregel afgedrukt aan de bovenrand van het faxbericht met de royementsvolmacht, zijn opgenomen de datum en het tijdstip van verzending “ 08 apr 2009 20:03 ”, de naam “ [vennoot 4] ” en het faxnummer “ [faxnummer 2] ”.
Volledig
[de klanten] heeft aan de hand van een in het geding gebrachte kopie van de telefoongids, gemotiveerd onderbouwd dat in 2009 op naam van “ [vennoot 4] ” op zijn [woonadres] te [plaats 2] , onder meer het faxnummer “ [faxnummer 2] ” was geregistreerd (productie 84 [de klanten] ). [de klanten] heeft verder toegelicht dat voormeld nummer ook als faxnummer van [BV van vennoot 4] , de vennootschap van [vennoot 4] , is geregistreerd. Dat voormeld faxnummer (met inbegrip van het [plaats 2] [netnummer] ) geregistreerd is als nummer van de op het huisadres van [vennoot 4] gevestigde vennootschap [BV van vennoot 4] , blijkt uit het door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in het geding gebrachte uittreksel uit het Handelsregister. [vennoot 4] heeft tijdens het getuigenverhoor bevestigd dat hij een faxmachine thuis had staan. Het voorgaande in aanmerking nemend, kan niet worden vastgesteld dat het in geschil zijnde faxnummer weliswaar op naam van de vennootschap [BV van vennoot 4] is geregistreerd maar niet door [vennoot 4] ook voor andere doeleinden is gebruikt, dan wel exclusief door die vennootschap in gebruik was, zoals [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] stellen. Evenmin is komen vast te staan dat voormeld faxnummer uitsluitend is of kan worden gebruikt om faxberichten namens voornoemde vennootschap uit te sturen. Dat de faxregel boven aan het faxbericht de initialen en achternaam van [vennoot 4] vermeldt en niet de naam van de vennootschap, is dan ook geen omstandigheid die ertoe noopt in twijfel te trekken dat de royementsvolmacht met gebruikmaking van dat faxnummer is verzonden. Dat [vennoot 4] in de regel zakelijke correspondentie niet zijnde privékwesties vanaf het kantoor in [plaats 3] met gebruikmaking van het kantoorfaxnummer verzond en niet met gebruikmaking van de fax vanaf zijn huisadres, houdt geen betwisting in dat in geen enkel geval de faxmachine vanaf zijn huisadres is gebruikt voor zakelijke correspondentie (van [BV van vennoot 4] ) al dan niet ten behoeve van [de klanten] heeft daarnaast met stukken onderbouwd (producties 84 en 85) dat [vennoot 4] verschillende keren (in 2009) door investeerders ondertekende documenten als “ witness ” heeft medeondertekend en per faxbericht aan [advocaat in Canada] heeft gestuurd, zodat het hof het denkbaar acht dat verzending via fax van door investeerders ondertekende en door [vennoot 4] geverifieerde en mede-geparafeerde stukken een vaker tussen [advocaat in Canada] en [vennoot 4] gehanteerde methode was om voor de investeerders benodigde handelingen in Canada te valideren. Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat, zoals [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] willen doen geloven, [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] , zowel het briefpapier (inclusief het [de maatschap en vennoten 1-3] gehanteerde lettertype) als het handschrift van [vennoot 4] heeft nagemaakt en daarnaast ook de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer) heeft willen en kunnen nabootsen. Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen plausibele verklaring gegeven voor de op de faxregel met de feitelijke situatie omtrent de vennootschap van [vennoot 4] kloppende informatie, anders dan dat verzending op 08 april 2009 om 20:03 uur vanaf het [faxnummer 2] ten name van [vennoot 4] heeft plaatsgevonden. Dat [vennoot 4] geen herinneringen heeft aan hetgeen zich in april 2009 heeft voorgedaan en geen belang zou hebben bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht of het achterhouden van informatie uit het dossier van [de klanten] , is daartoe niet voldoende. Dat [advocaat in Canada] en [adviseur van klanten] beschikken over het (privé)faxnummer van [vennoot 4] gelet op zijn investeringen in projecten van [adviseur van klanten] is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht betrokken zijn geweest. Dit biedt evenmin een verklaring voor nabootsing van de overige informatie op de faxregel (datum, tijdstip), het briefpapier van [de maatschap] , het lettertype, het handschrift van [vennoot 4] en zijn handtekening. Hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] overigens naar voren is gebracht ten aanzien van de faxregel van de royementsvolmacht overtuigt niet en is met de overlegging van een goed leesbare kopie daarvan door [de klanten] (als productie 80 in hoger beroep) achterhaald. Het hof acht het aannemelijk dat de reden dat de faxregel op de oorspronkelijk in het geding door [de klanten] gebrachte kopie van de fax niet goed leesbaar is en niet als zodanig is weergegeven op de kopie die [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] – naar het hof begrijpt per mail – van [advocaat in Canada] hebben ontvangen, zich laat verklaren door de wijze waarop de fax is ingescand door [advocaat in Canada] voor verzending en het verschil in afmeting tussen Canadees en Europees briefpapier, zoals door [de klanten] is betoogd en ter zitting nader toegelicht. Door [de klanten] is daarnaast in hoger beroep een kopie in het geding gebracht waarop de faxregel in het geheel te zien is, zodat enige twijfel over hetgeen op die regel is vermeld, daarmee is weggenomen. [de klanten] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder toegelicht dat de familie [klant 1] zelf in 2023 naar Canada is afgereisd en bij het kantoor van [advocaat in Canada] is geweest, daar met [advocaat in Canada] heeft gesproken en alle stukken die betrekking hadden op hun dossier daarbij ter plaatse te hebben laten kopiëren. Ook de bewuste fax inclusief leesbare faxregel dus. 4.4.10. De slotsom is dat tegenover de gemotiveerd onderbouwde verzending van het format voor royementsverlening door [advocaat in Canada] en terugontvangst door [advocaat in Canada] van [vennoot 4] van de royementsvolmacht, door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] slechts steeds wisselende alternatieve scenario’s zijn aangedragen ter betwisting van ontvangst en verzending van voormelde berichten. Nu in hoger beroep door [de klanten] met overlegging van nadere stukken ook die alternatieve scenario’s zijn ontkracht en enige door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] opgeworpen onduidelijkheden omtrent verzending en ontvangst van voornoemd format en de royementsvolmacht zijn weggenomen, biedt hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] ter onderbouwing van hun betwisting naar voren hebben gebracht geen aanknopingspunten om te twijfelen aan verzending door [advocaat in Canada] van zijn faxbericht van 6 april 2009 met het format voor de volmachtverlening tot doorhaling van het hypotheekrecht, of aan ontvangst door hem van de valselijk ondertekende royementsvolmacht. 4.4.11. De gegevens omtrent de registratie van verzending en ontvangst van faxberichten op en van faxnummers die (thans nog) bij [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in gebruik zijn, bevinden zich in het domein van [de maatschap en vennoten 1-3] en/of [vennoot 4 en diens BV] Zij hebben deze gegevens niet overgelegd. Dat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] niet direct nadat [de klanten] om opheldering hebben verzocht omtrent de verzending van de faxberichten in geschil en daarnaar onderzoek hebben gedaan, maar pas nadat [de klanten] dit geding aanhangig heeft gemaakt, dient voor hun rekening te komen. Dat relevante stukken en registraties uit 2009 niet bewaard zijn gebleven eveneens. Het hof betrekt bij dat oordeel dat voor [vennoot 4] reeds eind 2014 kenbaar was dat bij [de klanten] de nodige twijfels zijn ontstaan en vragen gerezen met betrekking tot de investeringen in Canada waarover door [vennoot 4] fiscaal is geadviseerd. In 2011 en 2015 is daarnaast een uitgebreid boekenonderzoek door de belastingdienst uitgevoerd naar de investeringen van [de klanten] onder meer naar de investeringen in Canada in 2009. [vennoot 4] heeft als fiscaal adviseur [de klanten] in het kader van dat onderzoek bijgestaan.
Volledig
[de klanten] heeft aan de hand van een in het geding gebrachte kopie van de telefoongids, gemotiveerd onderbouwd dat in 2009 op naam van “ [vennoot 4] ” op zijn [woonadres] te [plaats 2] , onder meer het faxnummer “ [faxnummer 2] ” was geregistreerd (productie 84 [de klanten] ). [de klanten] heeft verder toegelicht dat voormeld nummer ook als faxnummer van [BV van vennoot 4] , de vennootschap van [vennoot 4] , is geregistreerd. Dat voormeld faxnummer (met inbegrip van het [plaats 2] [netnummer] ) geregistreerd is als nummer van de op het huisadres van [vennoot 4] gevestigde vennootschap [BV van vennoot 4] , blijkt uit het door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in het geding gebrachte uittreksel uit het Handelsregister. [vennoot 4] heeft tijdens het getuigenverhoor bevestigd dat hij een faxmachine thuis had staan. Het voorgaande in aanmerking nemend, kan niet worden vastgesteld dat het in geschil zijnde faxnummer weliswaar op naam van de vennootschap [BV van vennoot 4] is geregistreerd maar niet door [vennoot 4] ook voor andere doeleinden is gebruikt, dan wel exclusief door die vennootschap in gebruik was, zoals [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] stellen. Evenmin is komen vast te staan dat voormeld faxnummer uitsluitend is of kan worden gebruikt om faxberichten namens voornoemde vennootschap uit te sturen. Dat de faxregel boven aan het faxbericht de initialen en achternaam van [vennoot 4] vermeldt en niet de naam van de vennootschap, is dan ook geen omstandigheid die ertoe noopt in twijfel te trekken dat de royementsvolmacht met gebruikmaking van dat faxnummer is verzonden. Dat [vennoot 4] in de regel zakelijke correspondentie niet zijnde privékwesties vanaf het kantoor in [plaats 3] met gebruikmaking van het kantoorfaxnummer verzond en niet met gebruikmaking van de fax vanaf zijn huisadres, houdt geen betwisting in dat in geen enkel geval de faxmachine vanaf zijn huisadres is gebruikt voor zakelijke correspondentie (van [BV van vennoot 4] ) al dan niet ten behoeve van [de klanten] heeft daarnaast met stukken onderbouwd (producties 84 en 85) dat [vennoot 4] verschillende keren (in 2009) door investeerders ondertekende documenten als “ witness ” heeft medeondertekend en per faxbericht aan [advocaat in Canada] heeft gestuurd, zodat het hof het denkbaar acht dat verzending via fax van door investeerders ondertekende en door [vennoot 4] geverifieerde en mede-geparafeerde stukken een vaker tussen [advocaat in Canada] en [vennoot 4] gehanteerde methode was om voor de investeerders benodigde handelingen in Canada te valideren. Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat, zoals [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] willen doen geloven, [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] , zowel het briefpapier (inclusief het [de maatschap en vennoten 1-3] gehanteerde lettertype) als het handschrift van [vennoot 4] heeft nagemaakt en daarnaast ook de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer) heeft willen en kunnen nabootsen. Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen plausibele verklaring gegeven voor de op de faxregel met de feitelijke situatie omtrent de vennootschap van [vennoot 4] kloppende informatie, anders dan dat verzending op 08 april 2009 om 20:03 uur vanaf het [faxnummer 2] ten name van [vennoot 4] heeft plaatsgevonden. Dat [vennoot 4] geen herinneringen heeft aan hetgeen zich in april 2009 heeft voorgedaan en geen belang zou hebben bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht of het achterhouden van informatie uit het dossier van [de klanten] , is daartoe niet voldoende. Dat [advocaat in Canada] en [adviseur van klanten] beschikken over het (privé)faxnummer van [vennoot 4] gelet op zijn investeringen in projecten van [adviseur van klanten] is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht betrokken zijn geweest. Dit biedt evenmin een verklaring voor nabootsing van de overige informatie op de faxregel (datum, tijdstip), het briefpapier van [de maatschap] , het lettertype, het handschrift van [vennoot 4] en zijn handtekening. Hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] overigens naar voren is gebracht ten aanzien van de faxregel van de royementsvolmacht overtuigt niet en is met de overlegging van een goed leesbare kopie daarvan door [de klanten] (als productie 80 in hoger beroep) achterhaald. Het hof acht het aannemelijk dat de reden dat de faxregel op de oorspronkelijk in het geding door [de klanten] gebrachte kopie van de fax niet goed leesbaar is en niet als zodanig is weergegeven op de kopie die [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] – naar het hof begrijpt per mail – van [advocaat in Canada] hebben ontvangen, zich laat verklaren door de wijze waarop de fax is ingescand door [advocaat in Canada] voor verzending en het verschil in afmeting tussen Canadees en Europees briefpapier, zoals door [de klanten] is betoogd en ter zitting nader toegelicht. Door [de klanten] is daarnaast in hoger beroep een kopie in het geding gebracht waarop de faxregel in het geheel te zien is, zodat enige twijfel over hetgeen op die regel is vermeld, daarmee is weggenomen. [de klanten] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder toegelicht dat de familie [klant 1] zelf in 2023 naar Canada is afgereisd en bij het kantoor van [advocaat in Canada] is geweest, daar met [advocaat in Canada] heeft gesproken en alle stukken die betrekking hadden op hun dossier daarbij ter plaatse te hebben laten kopiëren. Ook de bewuste fax inclusief leesbare faxregel dus. 4.4.10. De slotsom is dat tegenover de gemotiveerd onderbouwde verzending van het format voor royementsverlening door [advocaat in Canada] en terugontvangst door [advocaat in Canada] van [vennoot 4] van de royementsvolmacht, door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] slechts steeds wisselende alternatieve scenario’s zijn aangedragen ter betwisting van ontvangst en verzending van voormelde berichten. Nu in hoger beroep door [de klanten] met overlegging van nadere stukken ook die alternatieve scenario’s zijn ontkracht en enige door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] opgeworpen onduidelijkheden omtrent verzending en ontvangst van voornoemd format en de royementsvolmacht zijn weggenomen, biedt hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] ter onderbouwing van hun betwisting naar voren hebben gebracht geen aanknopingspunten om te twijfelen aan verzending door [advocaat in Canada] van zijn faxbericht van 6 april 2009 met het format voor de volmachtverlening tot doorhaling van het hypotheekrecht, of aan ontvangst door hem van de valselijk ondertekende royementsvolmacht. 4.4.11. De gegevens omtrent de registratie van verzending en ontvangst van faxberichten op en van faxnummers die (thans nog) bij [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in gebruik zijn, bevinden zich in het domein van [de maatschap en vennoten 1-3] en/of [vennoot 4 en diens BV] Zij hebben deze gegevens niet overgelegd. Dat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] niet direct nadat [de klanten] om opheldering hebben verzocht omtrent de verzending van de faxberichten in geschil en daarnaar onderzoek hebben gedaan, maar pas nadat [de klanten] dit geding aanhangig heeft gemaakt, dient voor hun rekening te komen. Dat relevante stukken en registraties uit 2009 niet bewaard zijn gebleven eveneens. Het hof betrekt bij dat oordeel dat voor [vennoot 4] reeds eind 2014 kenbaar was dat bij [de klanten] de nodige twijfels zijn ontstaan en vragen gerezen met betrekking tot de investeringen in Canada waarover door [vennoot 4] fiscaal is geadviseerd. In 2011 en 2015 is daarnaast een uitgebreid boekenonderzoek door de belastingdienst uitgevoerd naar de investeringen van [de klanten] onder meer naar de investeringen in Canada in 2009. [vennoot 4] heeft als fiscaal adviseur [de klanten] in het kader van dat onderzoek bijgestaan.
Volledig
Gelet op het voorgaande is niet goed verklaarbaar dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] desondanks aangaande de Canadese investeringen van [de klanten] geen relevante gegevens hebben bewaard. 4.4.12. Tegenover de gemotiveerde onderbouwing van [de klanten] van ontvangst van zowel de fax van [advocaat in Canada] met het format voor volmachtverlening door [vennoot 4] als van het faxbericht met de royementsvolmacht door [advocaat in Canada] , houdt hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] naar voren hebben gebracht geen voldoende betwisting in, zodat vast is komen te staan dat de royementsvolmacht met de valse handtekening vanaf het huisadres van [vennoot 4] is verzonden. Vaststaat daarmee ook dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] 4.4.13. De mogelijkheid van schade als gevolg van het valselijk opmaken en verzenden van de royementsvolmacht, is aannemelijk. Het hypotheekrecht op het betrokken onroerend goed is met de doorhaling immers komen te vervallen, waardoor [de klanten] voor verhaal van de door hem gedane investeringen in [plaats 1] geen zekerheid meer heeft. Hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] ten grondslag hebben gelegd aan de betwisting van de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade aan de zijde van [de klanten] brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het oordeel over de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade en het causaal verband is toereikend voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. De grondslag voor de aansprakelijkheid van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] staat immers vast, de mogelijkheid van schade is door [de klanten] aannemelijk gemaakt en het hof acht zich niet in staat het beloop van de schade in zijn arrest te bepalen. Een verplichting om de zaak op dat punt zelf nader te onderzoeken heeft het hof niet.’ 3.13 Volgens de klachten van het onderdeel is het oordeel van het hof om verschillende redenen rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De steller van het middel werkt dit nader uit in drie subonderdelen. 3.14 De klachten van het onderdeel richten zich tegen beslissingen van het hof die bij uitstek behoren tot het domein van de rechter die over de feiten oordeelt. Zoals al wel blijkt uit het zojuist gegeven citaat van rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.13 is het hof niet over één nacht ijs gegaan, maar heeft het uitvoerig en stap voor stap gemotiveerd hoe het is gekomen tot zijn vaststelling dat de royementsvolmacht met de valse handtekeningen van [de klanten] vanaf het huisadres van [vennoot 4] en dus ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. Men kan er begrip voor hebben dat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] als professionele partijen in de branche van fiscaal-juridische dienstverlening het moeilijk kunnen verdragen dat zij met het vervalsen van handtekeningen in verband worden gebracht en daarom met hun klachten de grenzen van het rechtsmiddel van cassatie opzoeken. Met de navolgende uitvoerige bespreking van de klachten heb ik hen daarom het volle pond willen geven. Maar onder de streep heb ik niet werkelijk twijfel over wat in cassatie de uitkomst moet zijn: het oordeel van het hof is verweven met waarderingen van feitelijke aard en daarom in cassatie slechts beperkt toetsbaar; dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. 3.15 Subonderdeel 3.1 voert aan dat het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 4.4.7-4.4.8 dat [advocaat in Canada] in de fax van 6 april 2009 een ongetekende royementsvolmacht heeft meegestuurd, onbegrijpelijk is. Ik lees in het onderdeel twee klachten. 3.16 Ten eerste (procesinleiding in cassatie, onder 11-12) klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof zou berusten op een petitio principii . In rechtsoverweging 4.4.8 overweegt het hof dat ‘gelet reeds op het kenmerk ‘Discharge of Mortgage’ en de bijlage (…) redelijkerwijs niet [valt] in te zien dat de fax mogelijk als “niet relevant” gekwalificeerd zou (kunnen) zijn’, waaraan het hof klaarblijkelijk de consequentie verbindt dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] geen afdoende uitleg hebben gegeven voor het ontbreken van de fax in hun dossier. Het hof overweegt niets over het partijdebat met betrekking tot de vraag of de kennelijk op 7 april 2009 ontvangen fax een ongetekende royementsvolmacht betrof. Het hof veronderstelt dat de fax voornoemde inhoud had en leidt daaruit vervolgens af dat daarmee niet voldoende is weerlegd dat de destijds binnengekomen fax de volmachtverlening bevatte, aldus het middel. 3.17 De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rechtsoverwegingen 4.4.6 en 4.4.7 (hiervoor aangehaald) aan de hand van het partijdebat uitvoerig de vraag onderzocht of het overeenkomstig de stellingen van [de klanten] ervoor moet worden gehouden dat het faxbericht van 6 april 2009 van [advocaat in Canada] in de vorm en met de inhoud waarin het door hen was overgelegd – namelijk als een ongetekende royementsvolmacht – door [de maatschap] is ontvangen. Het subonderdeel gaat daaraan ten onrechte voorbij. De overweging waarbij het aanknoopt, namelijk dat ‘gelet reeds op het kenmerk ‘Discharge of Mortgage’ en de bijlage (…) redelijkerwijs niet [valt] in te zien dat de fax mogelijk als “niet relevant” gekwalificeerd zou (kunnen) zijn’ (rechtsoverweging 4.4.8), is dus slechts het staartje van de redengeving door het hof. De betekenis van dat staartje is dat het betoog van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dat geen bericht van [advocaat in Canada] inzake [de klanten] van op of rond 7 april 2009 is aangetroffen in het dossier van [de klanten] volgens de waardering van het hof niet een voldoende overtuigende weerlegging oplevert van de gedetailleerde aanwijzingen met betrekking tot de verzending, ontvangst en inhoud van het faxbericht zoals die in de door [de klanten] overgelegde stukken besloten liggen. 3.18 Ten tweede (onder 13 e.v.) klaagt het subonderdeel dat het hof heeft verzuimd te responderen op een aantal stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] die voor de rechtbank kennelijk (mede) redengevend zijn geweest om de vorderingen van [de klanten] af te wijzen. Volgens het subonderdeel dragen die stellingen een essentieel karakter. 3.19 Ik loop de bedoelde stellingen een voor een na. 3.20 Volgens [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] (onder 13-15) heeft het hof verzuimd te responderen op de stelling van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] dat de kopregel van het kantoor van [advocaat in Canada] op de fax van 8 april 2009 ontbreekt. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben er in feitelijke instanties op gewezen dat, indien [advocaat in Canada] op 6 april 2009 een ongetekende royementsvolmacht aan [vennoot 4] zou hebben verzonden, op het bericht van 8 april 2009 nog een kopregel van de faxmachine van [advocaat in Canada] zichtbaar zou moeten zijn. Andere faxen van [advocaat in Canada] uit dezelfde periode zouden wel een kopregel bevatten. Tegenover deze gemotiveerde stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] zou [de klanten] slechts hebben aangevoerd dat het ‘waarschijnlijk’ zou gaan om een oud faxapparaat van [advocaat in Canada] , waarop mogelijk geen kopregel was ingesteld. 3.21 Op zichzelf is juist dat het hof aan de kwestie van de kopregel niet een uitdrukkelijke overweging heeft gewijd. Verwerping van de stelling ligt echter besloten in rechtsoverweging 4.4.10 (onderstrepingen toegevoegd, AG ): ‘4.4.10.
Volledig
Gelet op het voorgaande is niet goed verklaarbaar dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] desondanks aangaande de Canadese investeringen van [de klanten] geen relevante gegevens hebben bewaard. 4.4.12. Tegenover de gemotiveerde onderbouwing van [de klanten] van ontvangst van zowel de fax van [advocaat in Canada] met het format voor volmachtverlening door [vennoot 4] als van het faxbericht met de royementsvolmacht door [advocaat in Canada] , houdt hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] naar voren hebben gebracht geen voldoende betwisting in, zodat vast is komen te staan dat de royementsvolmacht met de valse handtekening vanaf het huisadres van [vennoot 4] is verzonden. Vaststaat daarmee ook dat de fax met valse handtekeningen door of namens [vennoot 4] is verzonden. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben daarmee onrechtmatig jegens [de klanten] gehandeld en zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens [de klanten] 4.4.13. De mogelijkheid van schade als gevolg van het valselijk opmaken en verzenden van de royementsvolmacht, is aannemelijk. Het hypotheekrecht op het betrokken onroerend goed is met de doorhaling immers komen te vervallen, waardoor [de klanten] voor verhaal van de door hem gedane investeringen in [plaats 1] geen zekerheid meer heeft. Hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] ten grondslag hebben gelegd aan de betwisting van de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade aan de zijde van [de klanten] brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het oordeel over de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade en het causaal verband is toereikend voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. De grondslag voor de aansprakelijkheid van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] staat immers vast, de mogelijkheid van schade is door [de klanten] aannemelijk gemaakt en het hof acht zich niet in staat het beloop van de schade in zijn arrest te bepalen. Een verplichting om de zaak op dat punt zelf nader te onderzoeken heeft het hof niet.’ 3.13 Volgens de klachten van het onderdeel is het oordeel van het hof om verschillende redenen rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De steller van het middel werkt dit nader uit in drie subonderdelen. 3.14 De klachten van het onderdeel richten zich tegen beslissingen van het hof die bij uitstek behoren tot het domein van de rechter die over de feiten oordeelt. Zoals al wel blijkt uit het zojuist gegeven citaat van rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.13 is het hof niet over één nacht ijs gegaan, maar heeft het uitvoerig en stap voor stap gemotiveerd hoe het is gekomen tot zijn vaststelling dat de royementsvolmacht met de valse handtekeningen van [de klanten] vanaf het huisadres van [vennoot 4] en dus ‘door of namens [vennoot 4] ’ is verzonden. Men kan er begrip voor hebben dat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] als professionele partijen in de branche van fiscaal-juridische dienstverlening het moeilijk kunnen verdragen dat zij met het vervalsen van handtekeningen in verband worden gebracht en daarom met hun klachten de grenzen van het rechtsmiddel van cassatie opzoeken. Met de navolgende uitvoerige bespreking van de klachten heb ik hen daarom het volle pond willen geven. Maar onder de streep heb ik niet werkelijk twijfel over wat in cassatie de uitkomst moet zijn: het oordeel van het hof is verweven met waarderingen van feitelijke aard en daarom in cassatie slechts beperkt toetsbaar; dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. 3.15 Subonderdeel 3.1 voert aan dat het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 4.4.7-4.4.8 dat [advocaat in Canada] in de fax van 6 april 2009 een ongetekende royementsvolmacht heeft meegestuurd, onbegrijpelijk is. Ik lees in het onderdeel twee klachten. 3.16 Ten eerste (procesinleiding in cassatie, onder 11-12) klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof zou berusten op een petitio principii . In rechtsoverweging 4.4.8 overweegt het hof dat ‘gelet reeds op het kenmerk ‘Discharge of Mortgage’ en de bijlage (…) redelijkerwijs niet [valt] in te zien dat de fax mogelijk als “niet relevant” gekwalificeerd zou (kunnen) zijn’, waaraan het hof klaarblijkelijk de consequentie verbindt dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] geen afdoende uitleg hebben gegeven voor het ontbreken van de fax in hun dossier. Het hof overweegt niets over het partijdebat met betrekking tot de vraag of de kennelijk op 7 april 2009 ontvangen fax een ongetekende royementsvolmacht betrof. Het hof veronderstelt dat de fax voornoemde inhoud had en leidt daaruit vervolgens af dat daarmee niet voldoende is weerlegd dat de destijds binnengekomen fax de volmachtverlening bevatte, aldus het middel. 3.17 De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rechtsoverwegingen 4.4.6 en 4.4.7 (hiervoor aangehaald) aan de hand van het partijdebat uitvoerig de vraag onderzocht of het overeenkomstig de stellingen van [de klanten] ervoor moet worden gehouden dat het faxbericht van 6 april 2009 van [advocaat in Canada] in de vorm en met de inhoud waarin het door hen was overgelegd – namelijk als een ongetekende royementsvolmacht – door [de maatschap] is ontvangen. Het subonderdeel gaat daaraan ten onrechte voorbij. De overweging waarbij het aanknoopt, namelijk dat ‘gelet reeds op het kenmerk ‘Discharge of Mortgage’ en de bijlage (…) redelijkerwijs niet [valt] in te zien dat de fax mogelijk als “niet relevant” gekwalificeerd zou (kunnen) zijn’ (rechtsoverweging 4.4.8), is dus slechts het staartje van de redengeving door het hof. De betekenis van dat staartje is dat het betoog van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dat geen bericht van [advocaat in Canada] inzake [de klanten] van op of rond 7 april 2009 is aangetroffen in het dossier van [de klanten] volgens de waardering van het hof niet een voldoende overtuigende weerlegging oplevert van de gedetailleerde aanwijzingen met betrekking tot de verzending, ontvangst en inhoud van het faxbericht zoals die in de door [de klanten] overgelegde stukken besloten liggen. 3.18 Ten tweede (onder 13 e.v.) klaagt het subonderdeel dat het hof heeft verzuimd te responderen op een aantal stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] die voor de rechtbank kennelijk (mede) redengevend zijn geweest om de vorderingen van [de klanten] af te wijzen. Volgens het subonderdeel dragen die stellingen een essentieel karakter. 3.19 Ik loop de bedoelde stellingen een voor een na. 3.20 Volgens [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] (onder 13-15) heeft het hof verzuimd te responderen op de stelling van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] dat de kopregel van het kantoor van [advocaat in Canada] op de fax van 8 april 2009 ontbreekt. [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben er in feitelijke instanties op gewezen dat, indien [advocaat in Canada] op 6 april 2009 een ongetekende royementsvolmacht aan [vennoot 4] zou hebben verzonden, op het bericht van 8 april 2009 nog een kopregel van de faxmachine van [advocaat in Canada] zichtbaar zou moeten zijn. Andere faxen van [advocaat in Canada] uit dezelfde periode zouden wel een kopregel bevatten. Tegenover deze gemotiveerde stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] zou [de klanten] slechts hebben aangevoerd dat het ‘waarschijnlijk’ zou gaan om een oud faxapparaat van [advocaat in Canada] , waarop mogelijk geen kopregel was ingesteld. 3.21 Op zichzelf is juist dat het hof aan de kwestie van de kopregel niet een uitdrukkelijke overweging heeft gewijd. Verwerping van de stelling ligt echter besloten in rechtsoverweging 4.4.10 (onderstrepingen toegevoegd, AG ): ‘4.4.10.
Volledig
De slotsom is dat tegenover de gemotiveerd onderbouwde verzending van het format voor royementsverlening door [advocaat in Canada] en terugontvangst door [advocaat in Canada] van [vennoot 4] van de royementsvolmacht, door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] slechts steeds wisselende alternatieve scenario’s zijn aangedragen ter betwisting van ontvangst en verzending van voormelde berichten. Nu in hoger beroep door [de klanten] met overlegging van nadere stukken ook die alternatieve scenario’s zijn ontkracht en enige door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] opgeworpen onduidelijkheden omtrent verzending en ontvangst van voornoemd format en de royementsvolmacht zijn weggenomen , biedt hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] ter onderbouwing van hun betwisting naar voren hebben gebracht geen aanknopingspunten om te twijfelen aan verzending door [advocaat in Canada] van zijn faxbericht van 6 april 2009 met het format voor de volmachtverlening tot doorhaling van het hypotheekrecht, of aan ontvangst door hem van de valselijk ondertekende royementsvolmacht.’ (onderstreping AG) Deze verwerping van (ook) het betoog met een ontbrekende kopregel op de veronderstelde fax van [advocaat in Canada] is mijns inziens in het licht van de aan rechtsoverweging 4.4.10 voorafgaande overwegingen voldoende gemotiveerd. Niet onbegrijpelijk heeft het hof het ontbreken van de kopregel van onvoldoende gewicht geacht tegenover de aanwijzingen zoals die besloten liggen in onder meer: (a) de verzendrapportage van de verzending door [advocaat in Canada] op 6 april 2009 aan het kantoorfaxnummer van [de maatschap] (rechtsoverweging 4.4.6); (b) de registratie in het brievenboek van [de maatschap] op 7 april 2009 (waarbij het hof aandacht besteedt aan het tijdsverschil tussen Canada en Nederland) van een document afkomstig van ‘ [advocaat in Canada] ’ met omschrijving “inz. [klant 1] ” in samenhang met het niet in het geding brengen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] van dat document (rechtsoverweging 4.4.7). Daarbij heeft het hof vervolgens (c) in rechtsoverweging 4.4.8 onderzocht of plausibel is de suggestie van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dat laatstbedoeld document als ‘niet relevant’ ter zijde is gelegd en daarom in het onder [de maatschap] berustende dossier ontbreekt en daarbij aandacht besteed aan het kenmerk ‘Discharge of Mortgage’. 3.22 Ik wijs er nog op dat [vennoot 4 en diens BV] in feitelijke aanleg zelf de mogelijkheid heeft opengehouden dat [advocaat in Canada] het faxbericht zonder kopregel heeft verstuurd. In eerste aanleg heeft [vennoot 4] opgemerkt dat ‘opmerkelijk is dat de bewuste retourfax door [advocaat in Canada] in 2015 aan [vennoot 4] is toegestuurd zonder dat deze een kopregel bevatte’. In andere woorden: volgens [vennoot 4] stond op de retourfax van 8 april 2009 mogelijk geen kopregel van [advocaat in Canada] , omdat op het lege format van 6 april 2009 al geen kopregel van [advocaat in Canada] stond. Verder is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door [vennoot 4] gezegd dat ‘er in het postboek staat dat er een stuk is ontvangen van [advocaat in Canada] inzake [klant 1] . (…) Die discharge zal (wel) kloppen, (omdat) dat paste in het totaalbeeld’. 3.23 Het subonderdeel vervolgt (onder 16) dat het hof niet kenbaar heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] dat het op het transmissierapport van de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 vermelde dossiernummer niet overeenkomt met het dossiernummer op de faxbrief van (ook) 6 april 2009. Dat suggereert dat op 6 april 2009 iets anders door [advocaat in Canada] is meegestuurd dan de ongetekende royementsvolmacht. Dit zou ook stroken met het feit dat [vennoot 4] , zoals hij onder ede heeft verklaard, in die periode ook geregeld over andere zaken met [advocaat in Canada] correspondeerde. 3.24 De rechter die over de feiten oordeelt behoeft niet op alle door de procespartijen aangevoerde stellingen en argumenten in te gaan. Met name behoeft de feitenrechter niet in te gaan op een min of meer terloops geponeerde stelling. De door het subonderdeel als essentieel gepresenteerde stelling, is zo’n terloops geponeerde stelling. Ik citeer de stelling in zijn verband: ‘Uit het journaal van de binnengekomen post van [de maatschap] blijkt dat er voor [vennoot 4] op 7 april 2009 inzake [klant 1] een fax van [advocaat in Canada] is binnengekomen. Over de inhoud van de fax staat echter niets vast. Uit deze registratie blijkt niet van de toezending door [advocaat in Canada] van de royementsvolmacht. Dat zal niet het exemplaar zijn geweest van de als productie L-7 overgelegde blanco royementsvolmacht (V), omdat, zoals uit het volgende blijkt, de kopregel van kantoor [advocaat in Canada] ontbreekt. Opmerkelijk is ook dat het op het transmissierapport vermelde dossiernummer ( [001] ) niet overeenkomt met het dossiernummer op de faxbrief ( [002] ). Een verklaring voor dit verschil ontbreekt. Het lijkt erop dat iets anders is meegestuurd dan door [advocaat in Canada] wordt beweerd. ’ 3.25 [de klanten] heeft hierop als volgt gereageerd: ‘Ook dit is een niet ter zake doende argument/detail, het nummeren van dit argument niet eens waard. Het filenummer [001] op het faxrapport is simpelweg een door de faxmachine geregistreerd volgnummer. Het dossiernummer [002] is een door het kantoor [advocaat in Canada] gehanteerd dossiernummer dat kennelijk is aangemaakt voor de beoogde discharge en andere handelingen. Zo simpel is het.’ 3.26 Als ik het goed zie zijn [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] op de kwestie van het dossiernummer dan wel filenummer vervolgens niet meer teruggekomen. Van een essentiële stelling is geen sprake. 3.27 Tot slot klaagt het subonderdeel (onder 17) dat het hof volledig heeft verzuimd te responderen op de stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] dat de vermeende brief van [advocaat in Canada] van 10 maart 2009 nooit door [vennoot 4] is ontvangen, terwijl [de klanten] mede op die brief een beroep heeft gedaan om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. Die vermeende brief is bij [de maatschap] niet geregistreerd als binnenkomende post, is niet als getekende kopie overgelegd en is, anders dan gebruikelijk was, beweerdelijk niet per fax maar per post verstuurd. Het moet er volgens het subonderdeel voor worden gehouden dat de brief niet alleen niet is ontvangen, maar überhaupt niet is verstuurd. Een en ander klemt volgens de steller van het middel te meer, omdat de rechtbank uitvoerig gemotiveerd tot het oordeel kwam dat ‘niet met voldoende zekerheid [is] komen vast te staan dat de brief van 10 maart 2009 is ontvangen door [de maatschap] / [vennoot 4] .’ 3.28 Te betwijfelen valt of de klacht voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Volgens de klacht heeft [de klanten] mede op de brief van 10 maart 2009 een beroep gedaan om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. Het middel verwijst echter niet naar processtukken van [de klanten] waarin deze een beroep op deze brief doet en in plaats daarvan alleen naar processtukken van de zijde van [vennoot 4 en diens BV] waarin deze zich erop beroept dat de brief nooit door [vennoot 4] is ontvangen. 3.29 Ik ben zelfstandig in het dossier nagegaan welke rol de brief van 10 maart 2009 in het partijdebat heeft ingenomen. Zoals gezegd, volgens de klacht heeft [de klanten] mede op de brief van 10 maart 2009 een beroep gedaan om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. Bij lezing van het procesdossier ontstaat echter een tegengesteld beeld.
Volledig
De slotsom is dat tegenover de gemotiveerd onderbouwde verzending van het format voor royementsverlening door [advocaat in Canada] en terugontvangst door [advocaat in Canada] van [vennoot 4] van de royementsvolmacht, door [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] slechts steeds wisselende alternatieve scenario’s zijn aangedragen ter betwisting van ontvangst en verzending van voormelde berichten. Nu in hoger beroep door [de klanten] met overlegging van nadere stukken ook die alternatieve scenario’s zijn ontkracht en enige door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] opgeworpen onduidelijkheden omtrent verzending en ontvangst van voornoemd format en de royementsvolmacht zijn weggenomen , biedt hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] ter onderbouwing van hun betwisting naar voren hebben gebracht geen aanknopingspunten om te twijfelen aan verzending door [advocaat in Canada] van zijn faxbericht van 6 april 2009 met het format voor de volmachtverlening tot doorhaling van het hypotheekrecht, of aan ontvangst door hem van de valselijk ondertekende royementsvolmacht.’ (onderstreping AG) Deze verwerping van (ook) het betoog met een ontbrekende kopregel op de veronderstelde fax van [advocaat in Canada] is mijns inziens in het licht van de aan rechtsoverweging 4.4.10 voorafgaande overwegingen voldoende gemotiveerd. Niet onbegrijpelijk heeft het hof het ontbreken van de kopregel van onvoldoende gewicht geacht tegenover de aanwijzingen zoals die besloten liggen in onder meer: (a) de verzendrapportage van de verzending door [advocaat in Canada] op 6 april 2009 aan het kantoorfaxnummer van [de maatschap] (rechtsoverweging 4.4.6); (b) de registratie in het brievenboek van [de maatschap] op 7 april 2009 (waarbij het hof aandacht besteedt aan het tijdsverschil tussen Canada en Nederland) van een document afkomstig van ‘ [advocaat in Canada] ’ met omschrijving “inz. [klant 1] ” in samenhang met het niet in het geding brengen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] van dat document (rechtsoverweging 4.4.7). Daarbij heeft het hof vervolgens (c) in rechtsoverweging 4.4.8 onderzocht of plausibel is de suggestie van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] dat laatstbedoeld document als ‘niet relevant’ ter zijde is gelegd en daarom in het onder [de maatschap] berustende dossier ontbreekt en daarbij aandacht besteed aan het kenmerk ‘Discharge of Mortgage’. 3.22 Ik wijs er nog op dat [vennoot 4 en diens BV] in feitelijke aanleg zelf de mogelijkheid heeft opengehouden dat [advocaat in Canada] het faxbericht zonder kopregel heeft verstuurd. In eerste aanleg heeft [vennoot 4] opgemerkt dat ‘opmerkelijk is dat de bewuste retourfax door [advocaat in Canada] in 2015 aan [vennoot 4] is toegestuurd zonder dat deze een kopregel bevatte’. In andere woorden: volgens [vennoot 4] stond op de retourfax van 8 april 2009 mogelijk geen kopregel van [advocaat in Canada] , omdat op het lege format van 6 april 2009 al geen kopregel van [advocaat in Canada] stond. Verder is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door [vennoot 4] gezegd dat ‘er in het postboek staat dat er een stuk is ontvangen van [advocaat in Canada] inzake [klant 1] . (…) Die discharge zal (wel) kloppen, (omdat) dat paste in het totaalbeeld’. 3.23 Het subonderdeel vervolgt (onder 16) dat het hof niet kenbaar heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] dat het op het transmissierapport van de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 vermelde dossiernummer niet overeenkomt met het dossiernummer op de faxbrief van (ook) 6 april 2009. Dat suggereert dat op 6 april 2009 iets anders door [advocaat in Canada] is meegestuurd dan de ongetekende royementsvolmacht. Dit zou ook stroken met het feit dat [vennoot 4] , zoals hij onder ede heeft verklaard, in die periode ook geregeld over andere zaken met [advocaat in Canada] correspondeerde. 3.24 De rechter die over de feiten oordeelt behoeft niet op alle door de procespartijen aangevoerde stellingen en argumenten in te gaan. Met name behoeft de feitenrechter niet in te gaan op een min of meer terloops geponeerde stelling. De door het subonderdeel als essentieel gepresenteerde stelling, is zo’n terloops geponeerde stelling. Ik citeer de stelling in zijn verband: ‘Uit het journaal van de binnengekomen post van [de maatschap] blijkt dat er voor [vennoot 4] op 7 april 2009 inzake [klant 1] een fax van [advocaat in Canada] is binnengekomen. Over de inhoud van de fax staat echter niets vast. Uit deze registratie blijkt niet van de toezending door [advocaat in Canada] van de royementsvolmacht. Dat zal niet het exemplaar zijn geweest van de als productie L-7 overgelegde blanco royementsvolmacht (V), omdat, zoals uit het volgende blijkt, de kopregel van kantoor [advocaat in Canada] ontbreekt. Opmerkelijk is ook dat het op het transmissierapport vermelde dossiernummer ( [001] ) niet overeenkomt met het dossiernummer op de faxbrief ( [002] ). Een verklaring voor dit verschil ontbreekt. Het lijkt erop dat iets anders is meegestuurd dan door [advocaat in Canada] wordt beweerd. ’ 3.25 [de klanten] heeft hierop als volgt gereageerd: ‘Ook dit is een niet ter zake doende argument/detail, het nummeren van dit argument niet eens waard. Het filenummer [001] op het faxrapport is simpelweg een door de faxmachine geregistreerd volgnummer. Het dossiernummer [002] is een door het kantoor [advocaat in Canada] gehanteerd dossiernummer dat kennelijk is aangemaakt voor de beoogde discharge en andere handelingen. Zo simpel is het.’ 3.26 Als ik het goed zie zijn [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] op de kwestie van het dossiernummer dan wel filenummer vervolgens niet meer teruggekomen. Van een essentiële stelling is geen sprake. 3.27 Tot slot klaagt het subonderdeel (onder 17) dat het hof volledig heeft verzuimd te responderen op de stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] dat de vermeende brief van [advocaat in Canada] van 10 maart 2009 nooit door [vennoot 4] is ontvangen, terwijl [de klanten] mede op die brief een beroep heeft gedaan om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. Die vermeende brief is bij [de maatschap] niet geregistreerd als binnenkomende post, is niet als getekende kopie overgelegd en is, anders dan gebruikelijk was, beweerdelijk niet per fax maar per post verstuurd. Het moet er volgens het subonderdeel voor worden gehouden dat de brief niet alleen niet is ontvangen, maar überhaupt niet is verstuurd. Een en ander klemt volgens de steller van het middel te meer, omdat de rechtbank uitvoerig gemotiveerd tot het oordeel kwam dat ‘niet met voldoende zekerheid [is] komen vast te staan dat de brief van 10 maart 2009 is ontvangen door [de maatschap] / [vennoot 4] .’ 3.28 Te betwijfelen valt of de klacht voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Volgens de klacht heeft [de klanten] mede op de brief van 10 maart 2009 een beroep gedaan om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. Het middel verwijst echter niet naar processtukken van [de klanten] waarin deze een beroep op deze brief doet en in plaats daarvan alleen naar processtukken van de zijde van [vennoot 4 en diens BV] waarin deze zich erop beroept dat de brief nooit door [vennoot 4] is ontvangen. 3.29 Ik ben zelfstandig in het dossier nagegaan welke rol de brief van 10 maart 2009 in het partijdebat heeft ingenomen. Zoals gezegd, volgens de klacht heeft [de klanten] mede op de brief van 10 maart 2009 een beroep gedaan om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. Bij lezing van het procesdossier ontstaat echter een tegengesteld beeld.
Volledig
Het zijn alleen [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] die in het verband van het debat over de vervalsing van royementsvolmacht de brief van 10 maart 2009 ter sprake hebben gebracht, terwijl [de klanten] op het belang van de brief voor de kwestie van de vervalsing juist heeft afgedongen. Ik geef de belangrijkste plaatsen uit het dossier puntsgewijs weer: De brief is in het geding gebracht door [de klanten] ter onderbouwing van de overdracht van het land van het project [betrokkene 1] - [plaats 1] na de doorhaling van het hypotheekrecht. (Dus) niet om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. In eerste aanleg hebben [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] betwist deze brief te hebben ontvangen en tegelijkertijd een beroep gedaan op deze brief, ter onderbouwing van de bewering (van de toen nog ingenomen stelling) dat het logisch zou zijn dat [vennoot 4] heeft meegewerkt aan de ondertekening van de volmacht. In de memorie van grieven heeft [de klanten] betoogd dat de brief van 10 maart 2009 relevantie mist voor de vraag of [vennoot 4] van [advocaat in Canada] een ongetekende royementsvolmacht heeft ontvangen en een ingevulde volmacht heeft geretourneerd, als volgt: ‘De rechtbank hecht in r.o. 2.5 van het eindvonnis onterecht veel betekenis aan het wel of niet zijn verstuurd van de brief van 10 maart 2009 van [advocaat in Canada] aan [de maatschap] / [vennoot 4] . Daarbij wordt ook onterecht veel waarde gehecht aan de inhoud van het door [de maatschap] / [vennoot 4] ingebrachte brievenboek. Dat is echter onterecht, want het is niet aannemelijk dat het brievenboek waterdicht en sluitend wordt bijgehouden door secretaresses/receptionisten van [de maatschap] . En de vraag of de brief van 10 maart 2009 wel of niet is ontvangen bij [de maatschap] / [vennoot 4] is niet relevant voor de vraag of [vennoot 4] de handtekeningen van [klanten 1 en 2] heeft vervalst op of rond 8 april 2009.’ 3.30 Niet [de klanten] maar wel [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben zich dus in het verband van de kwestie van de vervalsing van de royementsvolmacht op de brief van 10 maart 2009 beroepen (in meer dan één zin). 3.31 De klacht betreft de stelling dat de brief niet door [de maatschap] is ontvangen. Voor zover een respons daarop vereist was, ligt zij besloten in rechtsoverweging 4.4.11 van het arrest van het hof, volgens welke de incompleetheid van het dossier met betrekking tot stukken en registratie uit 2009 voor rekening van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] komt (onderstrepingen toegevoegd, AG ): ‘4.4.11. De gegevens omtrent de registratie van verzending en ontvangst van faxberichten op en van faxnummers die (thans nog) bij [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in gebruik zijn, bevinden zich in het domein van [de maatschap en vennoten 1-3] en/of [vennoot 4 en diens BV] Zij hebben deze gegevens niet overgelegd. Dat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] niet direct nadat [de klanten] om opheldering hebben verzocht omtrent de verzending van de faxberichten in geschil en daarnaar onderzoek hebben gedaan, maar pas nadat [de klanten] dit geding aanhangig heeft gemaakt, dient voor hun rekening te komen . Dat relevante stukken en registraties uit 2009 niet bewaard zijn gebleven eveneens . Het hof betrekt bij dat oordeel dat voor [vennoot 4] reeds eind 2014 kenbaar was dat bij [de klanten] de nodige twijfels zijn ontstaan en vragen gerezen met betrekking tot de investeringen in Canada waarover door [vennoot 4] fiscaal is geadviseerd. In 2011 en 2015 is daarnaast een uitgebreid boekenonderzoek door de belastingdienst uitgevoerd naar de investeringen van [de klanten] onder meer naar de investeringen in Canada in 2009. [vennoot 4] heeft als fiscaal adviseur [de klanten] in het kader van dat onderzoek bijgestaan. Gelet op het voorgaande is niet goed verklaarbaar dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] desondanks aangaande de Canadese investeringen van [de klanten] geen relevante gegevens hebben bewaard.’ 3.32 Subonderdeel 3.2 betoogt dat het hof nalaat te responderen op de stelling dat de faxregel van de retourfax van 8 april 2009 (met de royementsvolmacht) scheef staat ten opzichte van de rest van de fax. Dat scheef staan zou niet zijn te verklaren indien het om een regulier verzonden fax zou gaan. Bovendien heeft [de klanten] volgens het subonderdeel op dat punt geen verweer gevoerd, aangezien dat verweer een verklaring trachtte te bieden voor het scheef staan van de fax als geheel (inclusief faxregel), terwijl het zorgwekkende punt nu juist de discrepantie tussen de scheefstaande faxregel en de rechtstaande faxinhoud is. Verder voeren [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] aan dat de overwegingen van het hof in rechtsoverweging 4.4.9 omtrent productie 80 op een andere discussie zien, namelijk het bestaan van verschillende versies van de retourfax (één met en een zonder faxregel). Voor zover dat anders zou zijn, is dat oordeel onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien hoe productie 80 duidelijkheid verschaft. 3.33 Uit het subonderdeel heb ik de relevantie van de stelling met betrekking tot een scheefstaande faxregel aanvankelijk niet kunnen opmaken. Aan de hand van het procesdossier in feitelijke aanleg begrijp ik het alsnog als volgt. De faxregel staat scheef ten opzichte van de inhoud ervan. Dat kan volgens [vennoot 4 en diens BV] niet zijn gebeurd bij verzending van de fax (door [vennoot 4] ), maar wel bij een latere vervalsing (door bijvoorbeeld [adviseur van klanten] of [advocaat in Canada] ). Ik citeer uit het procesdossier: ‘De kopregel van de door de [klant 1] overlegde fax van 8 april 2009 vermeldt het faxnummer van de BV van [vennoot 4] . Dat faxnummer staat scheef. Dat valt niet te verklaren wanneer het om een regulier verzonden fax zou gaan. Natuurlijk kan een fax scheef worden gekopieerd, maar dat kan niet leiden tot een niet lineaire verhouding tussen kopregel en de rest van de desbetreffende fax. Het vermoeden bestaat dan ook dat de kopregel er later op is aangebracht. Dit moet dan in Canada zijn gebeurd. Zowel [adviseur van klanten] als [advocaat in Canada] beschikten over het faxnummer van de BV van [vennoot 4] in verband met diens investering in Global Fruit.’ 3.34 [de klanten] heeft hiertegen ingebracht dat de faxregel scheef kan staan door de werking van de faxmachine. Ik citeer: ‘De kopregel zou een klein beetje scheef staan, maar dat is niet vreemd bij faxen. Dat gebeurt regelmatig, omdat bij het doorvoeren van de fax de faxmachine het papier regelmatig een klein beetje schuin “erdoor trekt”. Dat verschijnsel is iedereen die vroeger een fax gebruikte wel bekend. En [vennoot 4] verzond de fax vanuit zijn woning op 8 april 2009, dus waarschijnlijk gebruikte [vennoot 4] daarbij niet de meest perfect werkende faxmachine.’ 3.35 Het hof beslist het debat tussen partijen over de echtheid van het faxbericht uiteindelijk als volgt (onderstreping toegevoegd, AG ): ‘4.4.9 (…) Hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] overigens naar voren is gebracht ten aanzien van de faxregel van de royementsvolmacht overtuigt niet en is met de overlegging van een goed leesbare kopie daarvan door [de klanten] (als productie 80 in hoger beroep) achterhaald . Het hof acht het aannemelijk dat de reden dat de faxregel op de oorspronkelijk in het geding door [de klanten] gebrachte kopie van de fax niet goed leesbaar is en niet als zodanig is weergegeven op de kopie die [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] – naar het hof begrijpt per mail – van [advocaat in Canada] hebben ontvangen, zich laat verklaren door de wijze waarop de fax is ingescand door [advocaat in Canada] voor verzending en het verschil in afmeting tussen Canadees en Europees briefpapier, zoals door [de klanten] is betoogd en ter zitting nader toegelicht.
Volledig
Het zijn alleen [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] die in het verband van het debat over de vervalsing van royementsvolmacht de brief van 10 maart 2009 ter sprake hebben gebracht, terwijl [de klanten] op het belang van de brief voor de kwestie van de vervalsing juist heeft afgedongen. Ik geef de belangrijkste plaatsen uit het dossier puntsgewijs weer: De brief is in het geding gebracht door [de klanten] ter onderbouwing van de overdracht van het land van het project [betrokkene 1] - [plaats 1] na de doorhaling van het hypotheekrecht. (Dus) niet om te betogen dat de fax van [advocaat in Canada] van 6 april 2009 het format voor de volmachtverlening bevatte. In eerste aanleg hebben [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] betwist deze brief te hebben ontvangen en tegelijkertijd een beroep gedaan op deze brief, ter onderbouwing van de bewering (van de toen nog ingenomen stelling) dat het logisch zou zijn dat [vennoot 4] heeft meegewerkt aan de ondertekening van de volmacht. In de memorie van grieven heeft [de klanten] betoogd dat de brief van 10 maart 2009 relevantie mist voor de vraag of [vennoot 4] van [advocaat in Canada] een ongetekende royementsvolmacht heeft ontvangen en een ingevulde volmacht heeft geretourneerd, als volgt: ‘De rechtbank hecht in r.o. 2.5 van het eindvonnis onterecht veel betekenis aan het wel of niet zijn verstuurd van de brief van 10 maart 2009 van [advocaat in Canada] aan [de maatschap] / [vennoot 4] . Daarbij wordt ook onterecht veel waarde gehecht aan de inhoud van het door [de maatschap] / [vennoot 4] ingebrachte brievenboek. Dat is echter onterecht, want het is niet aannemelijk dat het brievenboek waterdicht en sluitend wordt bijgehouden door secretaresses/receptionisten van [de maatschap] . En de vraag of de brief van 10 maart 2009 wel of niet is ontvangen bij [de maatschap] / [vennoot 4] is niet relevant voor de vraag of [vennoot 4] de handtekeningen van [klanten 1 en 2] heeft vervalst op of rond 8 april 2009.’ 3.30 Niet [de klanten] maar wel [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben zich dus in het verband van de kwestie van de vervalsing van de royementsvolmacht op de brief van 10 maart 2009 beroepen (in meer dan één zin). 3.31 De klacht betreft de stelling dat de brief niet door [de maatschap] is ontvangen. Voor zover een respons daarop vereist was, ligt zij besloten in rechtsoverweging 4.4.11 van het arrest van het hof, volgens welke de incompleetheid van het dossier met betrekking tot stukken en registratie uit 2009 voor rekening van [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] komt (onderstrepingen toegevoegd, AG ): ‘4.4.11. De gegevens omtrent de registratie van verzending en ontvangst van faxberichten op en van faxnummers die (thans nog) bij [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] in gebruik zijn, bevinden zich in het domein van [de maatschap en vennoten 1-3] en/of [vennoot 4 en diens BV] Zij hebben deze gegevens niet overgelegd. Dat [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] niet direct nadat [de klanten] om opheldering hebben verzocht omtrent de verzending van de faxberichten in geschil en daarnaar onderzoek hebben gedaan, maar pas nadat [de klanten] dit geding aanhangig heeft gemaakt, dient voor hun rekening te komen . Dat relevante stukken en registraties uit 2009 niet bewaard zijn gebleven eveneens . Het hof betrekt bij dat oordeel dat voor [vennoot 4] reeds eind 2014 kenbaar was dat bij [de klanten] de nodige twijfels zijn ontstaan en vragen gerezen met betrekking tot de investeringen in Canada waarover door [vennoot 4] fiscaal is geadviseerd. In 2011 en 2015 is daarnaast een uitgebreid boekenonderzoek door de belastingdienst uitgevoerd naar de investeringen van [de klanten] onder meer naar de investeringen in Canada in 2009. [vennoot 4] heeft als fiscaal adviseur [de klanten] in het kader van dat onderzoek bijgestaan. Gelet op het voorgaande is niet goed verklaarbaar dat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] desondanks aangaande de Canadese investeringen van [de klanten] geen relevante gegevens hebben bewaard.’ 3.32 Subonderdeel 3.2 betoogt dat het hof nalaat te responderen op de stelling dat de faxregel van de retourfax van 8 april 2009 (met de royementsvolmacht) scheef staat ten opzichte van de rest van de fax. Dat scheef staan zou niet zijn te verklaren indien het om een regulier verzonden fax zou gaan. Bovendien heeft [de klanten] volgens het subonderdeel op dat punt geen verweer gevoerd, aangezien dat verweer een verklaring trachtte te bieden voor het scheef staan van de fax als geheel (inclusief faxregel), terwijl het zorgwekkende punt nu juist de discrepantie tussen de scheefstaande faxregel en de rechtstaande faxinhoud is. Verder voeren [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] aan dat de overwegingen van het hof in rechtsoverweging 4.4.9 omtrent productie 80 op een andere discussie zien, namelijk het bestaan van verschillende versies van de retourfax (één met en een zonder faxregel). Voor zover dat anders zou zijn, is dat oordeel onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien hoe productie 80 duidelijkheid verschaft. 3.33 Uit het subonderdeel heb ik de relevantie van de stelling met betrekking tot een scheefstaande faxregel aanvankelijk niet kunnen opmaken. Aan de hand van het procesdossier in feitelijke aanleg begrijp ik het alsnog als volgt. De faxregel staat scheef ten opzichte van de inhoud ervan. Dat kan volgens [vennoot 4 en diens BV] niet zijn gebeurd bij verzending van de fax (door [vennoot 4] ), maar wel bij een latere vervalsing (door bijvoorbeeld [adviseur van klanten] of [advocaat in Canada] ). Ik citeer uit het procesdossier: ‘De kopregel van de door de [klant 1] overlegde fax van 8 april 2009 vermeldt het faxnummer van de BV van [vennoot 4] . Dat faxnummer staat scheef. Dat valt niet te verklaren wanneer het om een regulier verzonden fax zou gaan. Natuurlijk kan een fax scheef worden gekopieerd, maar dat kan niet leiden tot een niet lineaire verhouding tussen kopregel en de rest van de desbetreffende fax. Het vermoeden bestaat dan ook dat de kopregel er later op is aangebracht. Dit moet dan in Canada zijn gebeurd. Zowel [adviseur van klanten] als [advocaat in Canada] beschikten over het faxnummer van de BV van [vennoot 4] in verband met diens investering in Global Fruit.’ 3.34 [de klanten] heeft hiertegen ingebracht dat de faxregel scheef kan staan door de werking van de faxmachine. Ik citeer: ‘De kopregel zou een klein beetje scheef staan, maar dat is niet vreemd bij faxen. Dat gebeurt regelmatig, omdat bij het doorvoeren van de fax de faxmachine het papier regelmatig een klein beetje schuin “erdoor trekt”. Dat verschijnsel is iedereen die vroeger een fax gebruikte wel bekend. En [vennoot 4] verzond de fax vanuit zijn woning op 8 april 2009, dus waarschijnlijk gebruikte [vennoot 4] daarbij niet de meest perfect werkende faxmachine.’ 3.35 Het hof beslist het debat tussen partijen over de echtheid van het faxbericht uiteindelijk als volgt (onderstreping toegevoegd, AG ): ‘4.4.9 (…) Hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] overigens naar voren is gebracht ten aanzien van de faxregel van de royementsvolmacht overtuigt niet en is met de overlegging van een goed leesbare kopie daarvan door [de klanten] (als productie 80 in hoger beroep) achterhaald . Het hof acht het aannemelijk dat de reden dat de faxregel op de oorspronkelijk in het geding door [de klanten] gebrachte kopie van de fax niet goed leesbaar is en niet als zodanig is weergegeven op de kopie die [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] – naar het hof begrijpt per mail – van [advocaat in Canada] hebben ontvangen, zich laat verklaren door de wijze waarop de fax is ingescand door [advocaat in Canada] voor verzending en het verschil in afmeting tussen Canadees en Europees briefpapier, zoals door [de klanten] is betoogd en ter zitting nader toegelicht.
Volledig
Door [de klanten] is daarnaast in hoger beroep een kopie in het geding gebracht waarop de faxregel in het geheel te zien is, zodat enige twijfel over hetgeen op die regel is vermeld, daarmee is weggenomen.’ 3.36 De procesinleiding in cassatie (onder 20) zegt dat het hof hier ‘een andere discussie’ beslist, namelijk over de versies van de fax met of zonder faxregel van [vennoot 4] . Naar de letter klopt dat, maar materieel mijns inziens niet. Volgens [vennoot 4] en [de maatschap en vennoten 1-3] zou een scheefstaande faxregel indiceren dat [vennoot 4] de retourfax niet heeft verzonden (maar deze later is vervalst in Canada). Klaarblijkelijk acht het hof dat niet overtuigend, mogelijk omdat faxregels bij de techniek van destijds bij verzending konden komen scheef te staan. Hoe dan ook overweegt het hof dat dit standpunt achterhaald is, klaarblijkelijk vanwege de informatie op de inmiddels leesbare faxregel van productie 80 (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer dat is geregistreerd is op het huisadres van [vennoot 4] gevestigde vennootschap [BV van vennoot 4] ). Natuurlijk zou het beter zijn geweest als het hof het ook had opgeschreven, maar het ontbreken van een uitdrukkelijke overweging op dat punt levert mijns inziens geen motiveringsgebrek op. 3.37 Subonderdeel 3.3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.4.12 dat hetgeen [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] naar voren hebben gebracht over het vermeend vervalsen van de royementsvolmacht, geen voldoende betwisting inhoudt. Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de verklaring van [vennoot 4] en de concrete stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] 3.38 Onder 21 van de procesinleiding in cassatie maakt de steller van het middel onderscheid tussen een conclusie van het hof volgens welke [de klanten] erin is geslaagd die vervalsing te bewijzen (die conclusie heeft het hof volgens hem niet getrokken) en de conclusie dat hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] naar voren hebben gebracht geen voldoende betwisting inhoudt (een conclusie die het hof volgens hem wél heeft getrokken). 3.39 Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof bewoordingen gebruikt die passen bij de fase van stellen en betwisten (art. 149 lid 1 Rv). Waar het hof de overtuigingskracht van overgelegde schriftelijke stukken waardeert (dus schriftelijk bewijs) en (zoals hierna 3.44 zal blijken) ook die van de verklaring van [vennoot 4] als getuige, is het hof de fase van stellen en betwisten echter reeds duidelijk voorbij. De formulering van het hof in rechtsoverweging 4.4.12 dat hetgeen [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] naar voren hebben gebracht over het vermeend vervalsen van de royementsvolmacht, ‘geen voldoende betwisting inhoudt’, moet daarom in andere zin worden begrepen. Het hof bedoelt dat wat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben aangevoerd tegenover de aanwijzingen zoals die in het voorhanden schriftelijk bewijs besloten liggen, onvoldoende overtuigend is om niet overeenkomstig die aanwijzingen te concluderen dat de royementsvolmacht met daarop de valse handtekeningen van [de klanten] ‘door of namens [vennoot 4] ’ zijn verzonden. Dit komt erop neer dat het hof impliciet wel degelijk heeft geoordeeld dat [de klanten] erin geslaagd is de vervalsing te bewijzen. 3.40 Ik merk nog op dat het hof met de gekozen formulering mogelijk de bedoeling had om ( [de maatschap en vennoten 1-3] en) [vennoot 4 en diens BV] te sparen, omdat een oordeel dat de vervalsing ‘door of namens [vennoot 4] ’ is bewezen, harder klinkt dan een oordeel over de kwaliteit van de betwisting van een door [de klanten] beweerde vervalsing. Hoe dan ook, in cassatie staat niet ter toets wat het oordeel van het hof naar de uiterlijke schijn van enkele van de door het hof gebruikte woorden inhoudt, maar wat dat oordeel naar de inhoud en als geheel genomen werkelijk inhoudt. Wie rechtsoverweging 4.4.6 tot en met 4.4.12 als geheel en in onderlinge samenhang leest, kan er mijns inziens niet omheen dat het hof daar het voorhanden bewijs waardeert in het licht van wat partijen omtrent de bewijsmiddelen hebben aangevoerd. 3.41 Onder 22 klaagt het subonderdeel dat het hof de stellige betwisting van de vervalsing door [vennoot 4] als getuige onder ede, niet althans niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken. Het middel citeert de volgende verklaring van [vennoot 4] : ‘Ik kan echter één ding honderd procent zeker zeggen: ik heb de handtekeningen van de [klant 1] niet vervalst. Mijn eigen handtekening lijkt op de handtekening zoals ik die normaal zet, maar verder kom ik niet. Ik ben fiscaal jurist en dit soort vervalsingspraktijken pas ik niet toe. Dat heb ik nooit gedaan. Het grijpt me aan dat ik daarvan beschuldigd word. Ik handel professioneel en dit past niet in de manier waarop ik mijn vak uitoefen.’ 3.42 Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de verklaring van [vennoot 4] wel degelijk in zijn oordeel betrokken. Het in het middel aangehaalde citaat uit de verklaring van [vennoot 4] is slechts een deel ervan. [vennoot 4] heeft in zijn getuigenverklaring meermaals gezegd dat hij zich het verloop van de gang van zaken met betrekking tot de royementsvolmacht niet meer kan herinneren. Onder meer dat gebrek aan herinnering is reden voor het hof om aan de getuigenverklaring van [vennoot 4] voorbij te gaan (onderstreping toegevoegd, AG ): ‘4.4.9 (…) [vennoot 4] heeft het handschrift als zijn eigen handschrift herkend en is het ermee eens dat het ervoor moet worden gehouden dat de handtekening op zowel de faxbrief (het voorblad), als op de royementsvolmacht (“witness”-verklaring) de zijne is. heeft ter zake steeds wisselende en onderling tegenstrijdige stellingen ingenomen en heeft ook in hoger beroep geen plausibele verklaring gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van zijn handschrift en handtekening, anders dan hij zich niet kan herinneren de brief te hebben opgesteld of ondertekend of het format voor de volmachtverlening te hebben ontvangen, dan wel de royementsvolmacht te hebben ingevuld of ondertekend .’ 3.43 Dit oordeel van het hof met betrekking tot de getuigenverklaring van [vennoot 4] is mijns inziens ook niet onvoldoende gemotiveerd, zoals het subonderdeel verder nog inhoudt. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.4.6 tot en met 4.4.9 uitvoerig en stap voor stap verantwoord wat het uit door [de klanten] ingebrachte schriftelijk bewijs afleidt. Daar staat in feite niet meer tegenover dan dat [vennoot 4] zich beroept op zijn professionaliteit en moraliteit, in de zin dat hij geen ‘vervalsingspraktijken toepast’. Naar de waardering van het hof is dat tegenover (de overtuigingskracht van) het voorhanden bewijs eenvoudig onvoldoende. Ik begrijp heel goed dat dit oordeel ( [de maatschap en vennoten 1-3] ) en [vennoot 4 en diens BV] pijn doet, maar onbegrijpelijk is deze waardering door het hof niet. 3.44 Vervolgens (onder 24) klaagt het subonderdeel over het oordeel van het hof onder 4.4.9 dat [vennoot 4] “ het handschrift als zijn eigen handschrift [heeft] herkend en het ermee eens [is] dat het ervoor moet worden gehouden dat de handtekening op zowel de faxbrief (het voorblad), als op de royementsvolmacht (“witness”-verklaring) de zijne is ” en dat [vennoot 4] “ ter zake steeds wisselende en onderling tegenstrijdige stellingen [heeft] ingenomen en ook in hoger beroep geen plausibele verklaring [heeft] gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van zijn handschrift en handtekening ” onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het subonderdeel verwijst naar de ‘ondubbelzinnige’ verklaring van [vennoot 4] onder ede. 3.45 Uit het voorgaande volgt reeds waarom deze klacht niet slaagt.
Volledig
Door [de klanten] is daarnaast in hoger beroep een kopie in het geding gebracht waarop de faxregel in het geheel te zien is, zodat enige twijfel over hetgeen op die regel is vermeld, daarmee is weggenomen.’ 3.36 De procesinleiding in cassatie (onder 20) zegt dat het hof hier ‘een andere discussie’ beslist, namelijk over de versies van de fax met of zonder faxregel van [vennoot 4] . Naar de letter klopt dat, maar materieel mijns inziens niet. Volgens [vennoot 4] en [de maatschap en vennoten 1-3] zou een scheefstaande faxregel indiceren dat [vennoot 4] de retourfax niet heeft verzonden (maar deze later is vervalst in Canada). Klaarblijkelijk acht het hof dat niet overtuigend, mogelijk omdat faxregels bij de techniek van destijds bij verzending konden komen scheef te staan. Hoe dan ook overweegt het hof dat dit standpunt achterhaald is, klaarblijkelijk vanwege de informatie op de inmiddels leesbare faxregel van productie 80 (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer dat is geregistreerd is op het huisadres van [vennoot 4] gevestigde vennootschap [BV van vennoot 4] ). Natuurlijk zou het beter zijn geweest als het hof het ook had opgeschreven, maar het ontbreken van een uitdrukkelijke overweging op dat punt levert mijns inziens geen motiveringsgebrek op. 3.37 Subonderdeel 3.3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.4.12 dat hetgeen [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] naar voren hebben gebracht over het vermeend vervalsen van de royementsvolmacht, geen voldoende betwisting inhoudt. Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de verklaring van [vennoot 4] en de concrete stellingen van [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] 3.38 Onder 21 van de procesinleiding in cassatie maakt de steller van het middel onderscheid tussen een conclusie van het hof volgens welke [de klanten] erin is geslaagd die vervalsing te bewijzen (die conclusie heeft het hof volgens hem niet getrokken) en de conclusie dat hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] naar voren hebben gebracht geen voldoende betwisting inhoudt (een conclusie die het hof volgens hem wél heeft getrokken). 3.39 Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof bewoordingen gebruikt die passen bij de fase van stellen en betwisten (art. 149 lid 1 Rv). Waar het hof de overtuigingskracht van overgelegde schriftelijke stukken waardeert (dus schriftelijk bewijs) en (zoals hierna 3.44 zal blijken) ook die van de verklaring van [vennoot 4] als getuige, is het hof de fase van stellen en betwisten echter reeds duidelijk voorbij. De formulering van het hof in rechtsoverweging 4.4.12 dat hetgeen [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] naar voren hebben gebracht over het vermeend vervalsen van de royementsvolmacht, ‘geen voldoende betwisting inhoudt’, moet daarom in andere zin worden begrepen. Het hof bedoelt dat wat [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] hebben aangevoerd tegenover de aanwijzingen zoals die in het voorhanden schriftelijk bewijs besloten liggen, onvoldoende overtuigend is om niet overeenkomstig die aanwijzingen te concluderen dat de royementsvolmacht met daarop de valse handtekeningen van [de klanten] ‘door of namens [vennoot 4] ’ zijn verzonden. Dit komt erop neer dat het hof impliciet wel degelijk heeft geoordeeld dat [de klanten] erin geslaagd is de vervalsing te bewijzen. 3.40 Ik merk nog op dat het hof met de gekozen formulering mogelijk de bedoeling had om ( [de maatschap en vennoten 1-3] en) [vennoot 4 en diens BV] te sparen, omdat een oordeel dat de vervalsing ‘door of namens [vennoot 4] ’ is bewezen, harder klinkt dan een oordeel over de kwaliteit van de betwisting van een door [de klanten] beweerde vervalsing. Hoe dan ook, in cassatie staat niet ter toets wat het oordeel van het hof naar de uiterlijke schijn van enkele van de door het hof gebruikte woorden inhoudt, maar wat dat oordeel naar de inhoud en als geheel genomen werkelijk inhoudt. Wie rechtsoverweging 4.4.6 tot en met 4.4.12 als geheel en in onderlinge samenhang leest, kan er mijns inziens niet omheen dat het hof daar het voorhanden bewijs waardeert in het licht van wat partijen omtrent de bewijsmiddelen hebben aangevoerd. 3.41 Onder 22 klaagt het subonderdeel dat het hof de stellige betwisting van de vervalsing door [vennoot 4] als getuige onder ede, niet althans niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken. Het middel citeert de volgende verklaring van [vennoot 4] : ‘Ik kan echter één ding honderd procent zeker zeggen: ik heb de handtekeningen van de [klant 1] niet vervalst. Mijn eigen handtekening lijkt op de handtekening zoals ik die normaal zet, maar verder kom ik niet. Ik ben fiscaal jurist en dit soort vervalsingspraktijken pas ik niet toe. Dat heb ik nooit gedaan. Het grijpt me aan dat ik daarvan beschuldigd word. Ik handel professioneel en dit past niet in de manier waarop ik mijn vak uitoefen.’ 3.42 Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de verklaring van [vennoot 4] wel degelijk in zijn oordeel betrokken. Het in het middel aangehaalde citaat uit de verklaring van [vennoot 4] is slechts een deel ervan. [vennoot 4] heeft in zijn getuigenverklaring meermaals gezegd dat hij zich het verloop van de gang van zaken met betrekking tot de royementsvolmacht niet meer kan herinneren. Onder meer dat gebrek aan herinnering is reden voor het hof om aan de getuigenverklaring van [vennoot 4] voorbij te gaan (onderstreping toegevoegd, AG ): ‘4.4.9 (…) [vennoot 4] heeft het handschrift als zijn eigen handschrift herkend en is het ermee eens dat het ervoor moet worden gehouden dat de handtekening op zowel de faxbrief (het voorblad), als op de royementsvolmacht (“witness”-verklaring) de zijne is. heeft ter zake steeds wisselende en onderling tegenstrijdige stellingen ingenomen en heeft ook in hoger beroep geen plausibele verklaring gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van zijn handschrift en handtekening, anders dan hij zich niet kan herinneren de brief te hebben opgesteld of ondertekend of het format voor de volmachtverlening te hebben ontvangen, dan wel de royementsvolmacht te hebben ingevuld of ondertekend .’ 3.43 Dit oordeel van het hof met betrekking tot de getuigenverklaring van [vennoot 4] is mijns inziens ook niet onvoldoende gemotiveerd, zoals het subonderdeel verder nog inhoudt. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.4.6 tot en met 4.4.9 uitvoerig en stap voor stap verantwoord wat het uit door [de klanten] ingebrachte schriftelijk bewijs afleidt. Daar staat in feite niet meer tegenover dan dat [vennoot 4] zich beroept op zijn professionaliteit en moraliteit, in de zin dat hij geen ‘vervalsingspraktijken toepast’. Naar de waardering van het hof is dat tegenover (de overtuigingskracht van) het voorhanden bewijs eenvoudig onvoldoende. Ik begrijp heel goed dat dit oordeel ( [de maatschap en vennoten 1-3] ) en [vennoot 4 en diens BV] pijn doet, maar onbegrijpelijk is deze waardering door het hof niet. 3.44 Vervolgens (onder 24) klaagt het subonderdeel over het oordeel van het hof onder 4.4.9 dat [vennoot 4] “ het handschrift als zijn eigen handschrift [heeft] herkend en het ermee eens [is] dat het ervoor moet worden gehouden dat de handtekening op zowel de faxbrief (het voorblad), als op de royementsvolmacht (“witness”-verklaring) de zijne is ” en dat [vennoot 4] “ ter zake steeds wisselende en onderling tegenstrijdige stellingen [heeft] ingenomen en ook in hoger beroep geen plausibele verklaring [heeft] gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van zijn handschrift en handtekening ” onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het subonderdeel verwijst naar de ‘ondubbelzinnige’ verklaring van [vennoot 4] onder ede. 3.45 Uit het voorgaande volgt reeds waarom deze klacht niet slaagt.
Volledig
De in de klacht bedoelde ‘ondubbelzinnige’ verklaring van [vennoot 4] onder ede betreft niet wat de getuige zich concreet herinnert, maar alleen zijn professionaliteit en moraliteit. Volgens de niet onbegrijpelijke waardering van het hof legt dat echter onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de concrete aanwijzingen zoals die in het schriftelijk bewijs besloten liggen. 3.46 In het verband van de tegenstijdige verklaringen van [vennoot 4] waaraan het hof refereert, wijs ik nog op het tussenvonnis van 16 juni 2021 van de rechtbank: ‘3.12.1 Allereerst stelt de rechtbank vast dat [vennoot 4] wisselende standpunten inneemt ten aanzien van de royementsvolmacht. [de klanten] maakt hier terecht melding van. Daarbij wijst hij er allereerst op dat [vennoot 4] in een gesprek van 19 juli 2015 met [klant 2] aangeeft dat hij niets afweet van de doorhaling van de hypotheek. Op zich is het niet vreemd dat [vennoot 4] in 2015, toen hem werd gevraagd naar de volmacht en doorhaling van de hypotheek, zich de gang van zaken in 2009 – zes jaar daarvoor – niet goed meer kon herinneren. Het bevreemdt de rechtbank wel dat [vennoot 4] eerst stellig ontkent op de hoogte te zijn van de volmacht en de doorhaling van de hypotheek […], vervolgens ontkent – althans niet kan bevestigen – dat de handtekening onder “witness” van hem is (dv prod. 20), om tot slot het standpunt in te nemen dat de handtekening onder “witness” en de handtekening op het voorblad van de fax van hem is en dat hij aan de stukken geen herinnering heeft en ook niet weet hoe de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de volmacht zijn gekomen.’ 3.47 Vervolgens (onder 24 tweede deel en 25) klaagt het subonderdeel dat door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] wel degelijk (herhaaldelijk) een plausibele verklaring is gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van het handschrift en de handtekening van [vennoot 4] , namelijk dat zij vervalst zijn en dat de vermeende handtekening van [vennoot 4] en handgeschreven opmerkingen op de faxbrief van 8 april 2009 en op de royementsvolmacht als witness (dus) niet door [vennoot 4] daarop zijn geplaatst. In dit verband wijst de steller van het middel op de stelling dat [vennoot 4] geen belang had bij het vervalsen van de handtekeningen. 3.48 Ook deze klachten slagen niet. Uit het voorgaande blijkt al dat [vennoot 4 en diens BV] allerminst consequent het standpunt heeft ingenomen dat het door [de klanten] ingebrachte schriftelijk bewijs is vervalst. Hoe dan ook, waaruit zou volgen dat die vervalsing ‘plausibel’ zou zijn, licht het subonderdeel niet toe. Ik vermoed dat de steller van het middel opnieuw een beroep doet op de stellige verklaring van [vennoot 4] omtrent zijn professionaliteit en moraliteit. Tegenover de concrete aanwijzingen die het hof in de door [de klanten] overgelegde stukken besloten acht voor een vervalsing binnen de invloedssfeer van [vennoot 4] (‘door of namens’ hem), heeft het hof dat niet onbegrijpelijk onvoldoende geacht. De stelling dat [vennoot 4] geen belang had bij het vervalsen van de handtekeningen heeft het hof meegewogen, maar eveneens van onvoldoende gewicht geoordeeld (onderstrepingen toegevoegd, AG ): ‘4.4.9 (…) Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen plausibele verklaring gegeven voor de op de faxregel met de feitelijke situatie omtrent de vennootschap van [vennoot 4] kloppende informatie, anders dan dat verzending op 08 april 2009 om 20:03 uur vanaf het [faxnummer 2] ten name van [vennoot 4] heeft plaatsgevonden. Dat [vennoot 4] geen herinneringen heeft aan hetgeen zich in april 2009 heeft voorgedaan en geen belang zou hebben bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht of het achterhouden van informatie uit het dossier van [de klanten] , is daartoe niet voldoende .’ (onderstreping AG) 3.49 Onder 26 en 27 vervolgt het subonderdeel met klachten die aanknopen bij het veronderstelde belang dat volgens [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] [advocaat in Canada] en/of [adviseur van klanten] hebben bij het namaken van de faxbrief van 8 april 2009 en de royementsvolmacht. 3.50 Ook die klachten slagen niet. Het hof is uitvoerig op dit alternatieve scenario ingegaan, maar heeft dat onaannemelijk geacht, in het bijzonder omdat [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] dan zowel het briefpapier (inclusief het door [de maatschap] gehanteerde lettertype) als het handschrift van [vennoot 4] en daarnaast ook de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer) zou moeten hebben nagebootst. Volgens de aan het hof als feitenrechter behouden waardering is dat niet een reële mogelijkheid (onderstrepingen toegevoegd, AG ): 4.4.9 (…) Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat , zoals [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] willen doen geloven, [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] , zowel het briefpapier (inclusief het [de maatschap en vennoten 1-3] gehanteerde lettertype) als het handschrift van [vennoot 4] heeft nagemaakt en daarnaast ook de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer) heeft willen en kunnen nabootsen . Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen plausibele verklaring gegeven voor de op de faxregel met de feitelijke situatie omtrent de vennootschap van [vennoot 4] kloppende informatie, anders dan dat verzending op 08 april 2009 om 20:03 uur vanaf het [faxnummer 2] ten name van [vennoot 4] heeft plaatsgevonden. Dat [vennoot 4] geen herinneringen heeft aan hetgeen zich in april 2009 heeft voorgedaan en geen belang zou hebben bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht of het achterhouden van informatie uit het dossier van [de klanten] , is daartoe niet voldoende. Dat [advocaat in Canada] en [adviseur van klanten] beschikken over het (privé)faxnummer van [vennoot 4] gelet op zijn investeringen in projecten van [adviseur van klanten] is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht betrokken zijn geweest. Dit biedt evenmin een verklaring voor nabootsing van de overige informatie op de faxregel (datum, tijdstip), het briefpapier van [de maatschap] , het lettertype, het handschrift van [vennoot 4] en zijn handtekening . Hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] overigens naar voren is gebracht ten aanzien van de faxregel van de royementsvolmacht overtuigt niet en is met de overlegging van een goed leesbare kopie daarvan door [de klanten] (als productie 80 in hoger beroep) achterhaald. Het hof acht het aannemelijk dat de reden dat de faxregel op de oorspronkelijk in het geding door [de klanten] gebrachte kopie van de fax niet goed leesbaar is en niet als zodanig is weergegeven op de kopie die [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] – naar het hof begrijpt per mail – van [advocaat in Canada] hebben ontvangen, zich laat verklaren door de wijze waarop de fax is ingescand door [advocaat in Canada] voor verzending en het verschil in afmeting tussen Canadees en Europees briefpapier, zoals door [de klanten] is betoogd en ter zitting nader toegelicht. Door [de klanten] is daarnaast in hoger beroep een kopie in het geding gebracht waarop de faxregel in het geheel te zien is, zodat enige twijfel over hetgeen op die regel is vermeld, daarmee is weggenomen. [de klanten] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder toegelicht dat de familie [klant 1] zelf in 2023 naar Canada is afgereisd en bij het kantoor van [advocaat in Canada] is geweest, daar met [advocaat in Canada] heeft gesproken en alle stukken die betrekking hadden op hun dossier daarbij ter plaatse te hebben laten kopiëren.
Volledig
De in de klacht bedoelde ‘ondubbelzinnige’ verklaring van [vennoot 4] onder ede betreft niet wat de getuige zich concreet herinnert, maar alleen zijn professionaliteit en moraliteit. Volgens de niet onbegrijpelijke waardering van het hof legt dat echter onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de concrete aanwijzingen zoals die in het schriftelijk bewijs besloten liggen. 3.46 In het verband van de tegenstijdige verklaringen van [vennoot 4] waaraan het hof refereert, wijs ik nog op het tussenvonnis van 16 juni 2021 van de rechtbank: ‘3.12.1 Allereerst stelt de rechtbank vast dat [vennoot 4] wisselende standpunten inneemt ten aanzien van de royementsvolmacht. [de klanten] maakt hier terecht melding van. Daarbij wijst hij er allereerst op dat [vennoot 4] in een gesprek van 19 juli 2015 met [klant 2] aangeeft dat hij niets afweet van de doorhaling van de hypotheek. Op zich is het niet vreemd dat [vennoot 4] in 2015, toen hem werd gevraagd naar de volmacht en doorhaling van de hypotheek, zich de gang van zaken in 2009 – zes jaar daarvoor – niet goed meer kon herinneren. Het bevreemdt de rechtbank wel dat [vennoot 4] eerst stellig ontkent op de hoogte te zijn van de volmacht en de doorhaling van de hypotheek […], vervolgens ontkent – althans niet kan bevestigen – dat de handtekening onder “witness” van hem is (dv prod. 20), om tot slot het standpunt in te nemen dat de handtekening onder “witness” en de handtekening op het voorblad van de fax van hem is en dat hij aan de stukken geen herinnering heeft en ook niet weet hoe de handtekeningen van [klanten 1 en 2] op de volmacht zijn gekomen.’ 3.47 Vervolgens (onder 24 tweede deel en 25) klaagt het subonderdeel dat door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] wel degelijk (herhaaldelijk) een plausibele verklaring is gegeven voor het aanwezig zijn op de faxbrief en de royementsvolmacht van het handschrift en de handtekening van [vennoot 4] , namelijk dat zij vervalst zijn en dat de vermeende handtekening van [vennoot 4] en handgeschreven opmerkingen op de faxbrief van 8 april 2009 en op de royementsvolmacht als witness (dus) niet door [vennoot 4] daarop zijn geplaatst. In dit verband wijst de steller van het middel op de stelling dat [vennoot 4] geen belang had bij het vervalsen van de handtekeningen. 3.48 Ook deze klachten slagen niet. Uit het voorgaande blijkt al dat [vennoot 4 en diens BV] allerminst consequent het standpunt heeft ingenomen dat het door [de klanten] ingebrachte schriftelijk bewijs is vervalst. Hoe dan ook, waaruit zou volgen dat die vervalsing ‘plausibel’ zou zijn, licht het subonderdeel niet toe. Ik vermoed dat de steller van het middel opnieuw een beroep doet op de stellige verklaring van [vennoot 4] omtrent zijn professionaliteit en moraliteit. Tegenover de concrete aanwijzingen die het hof in de door [de klanten] overgelegde stukken besloten acht voor een vervalsing binnen de invloedssfeer van [vennoot 4] (‘door of namens’ hem), heeft het hof dat niet onbegrijpelijk onvoldoende geacht. De stelling dat [vennoot 4] geen belang had bij het vervalsen van de handtekeningen heeft het hof meegewogen, maar eveneens van onvoldoende gewicht geoordeeld (onderstrepingen toegevoegd, AG ): ‘4.4.9 (…) Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen plausibele verklaring gegeven voor de op de faxregel met de feitelijke situatie omtrent de vennootschap van [vennoot 4] kloppende informatie, anders dan dat verzending op 08 april 2009 om 20:03 uur vanaf het [faxnummer 2] ten name van [vennoot 4] heeft plaatsgevonden. Dat [vennoot 4] geen herinneringen heeft aan hetgeen zich in april 2009 heeft voorgedaan en geen belang zou hebben bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht of het achterhouden van informatie uit het dossier van [de klanten] , is daartoe niet voldoende .’ (onderstreping AG) 3.49 Onder 26 en 27 vervolgt het subonderdeel met klachten die aanknopen bij het veronderstelde belang dat volgens [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] [advocaat in Canada] en/of [adviseur van klanten] hebben bij het namaken van de faxbrief van 8 april 2009 en de royementsvolmacht. 3.50 Ook die klachten slagen niet. Het hof is uitvoerig op dit alternatieve scenario ingegaan, maar heeft dat onaannemelijk geacht, in het bijzonder omdat [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] dan zowel het briefpapier (inclusief het door [de maatschap] gehanteerde lettertype) als het handschrift van [vennoot 4] en daarnaast ook de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer) zou moeten hebben nagebootst. Volgens de aan het hof als feitenrechter behouden waardering is dat niet een reële mogelijkheid (onderstrepingen toegevoegd, AG ): 4.4.9 (…) Daar komt bij dat het hof het niet aannemelijk acht dat , zoals [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] willen doen geloven, [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] , zowel het briefpapier (inclusief het [de maatschap en vennoten 1-3] gehanteerde lettertype) als het handschrift van [vennoot 4] heeft nagemaakt en daarnaast ook de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer) heeft willen en kunnen nabootsen . Door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] is geen plausibele verklaring gegeven voor de op de faxregel met de feitelijke situatie omtrent de vennootschap van [vennoot 4] kloppende informatie, anders dan dat verzending op 08 april 2009 om 20:03 uur vanaf het [faxnummer 2] ten name van [vennoot 4] heeft plaatsgevonden. Dat [vennoot 4] geen herinneringen heeft aan hetgeen zich in april 2009 heeft voorgedaan en geen belang zou hebben bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht of het achterhouden van informatie uit het dossier van [de klanten] , is daartoe niet voldoende. Dat [advocaat in Canada] en [adviseur van klanten] beschikken over het (privé)faxnummer van [vennoot 4] gelet op zijn investeringen in projecten van [adviseur van klanten] is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] bij het valselijk opmaken van de royementsvolmacht betrokken zijn geweest. Dit biedt evenmin een verklaring voor nabootsing van de overige informatie op de faxregel (datum, tijdstip), het briefpapier van [de maatschap] , het lettertype, het handschrift van [vennoot 4] en zijn handtekening . Hetgeen door [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] overigens naar voren is gebracht ten aanzien van de faxregel van de royementsvolmacht overtuigt niet en is met de overlegging van een goed leesbare kopie daarvan door [de klanten] (als productie 80 in hoger beroep) achterhaald. Het hof acht het aannemelijk dat de reden dat de faxregel op de oorspronkelijk in het geding door [de klanten] gebrachte kopie van de fax niet goed leesbaar is en niet als zodanig is weergegeven op de kopie die [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] – naar het hof begrijpt per mail – van [advocaat in Canada] hebben ontvangen, zich laat verklaren door de wijze waarop de fax is ingescand door [advocaat in Canada] voor verzending en het verschil in afmeting tussen Canadees en Europees briefpapier, zoals door [de klanten] is betoogd en ter zitting nader toegelicht. Door [de klanten] is daarnaast in hoger beroep een kopie in het geding gebracht waarop de faxregel in het geheel te zien is, zodat enige twijfel over hetgeen op die regel is vermeld, daarmee is weggenomen. [de klanten] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder toegelicht dat de familie [klant 1] zelf in 2023 naar Canada is afgereisd en bij het kantoor van [advocaat in Canada] is geweest, daar met [advocaat in Canada] heeft gesproken en alle stukken die betrekking hadden op hun dossier daarbij ter plaatse te hebben laten kopiëren.
Volledig
Ook de bewuste fax inclusief leesbare faxregel dus.’ 3.51 Wat de steller van het middel onder 26, laatste zin, opmerkt over (behalve gelegenheid ook) een ‘wil’ tot namaken bij enerzijds [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] en anderzijds [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] is niet overtuigend. De verwerping van het alternatieve scenario van namaak door [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] baseert het hof op de onaannemelijkheid van nabootsing van de optelsom van het briefpapier (inclusief het door [de maatschap] gehanteerde lettertype), het handschrift van [vennoot 4] en de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer). Die verwerping berust dus op het ontbreken van gelegenheid tot zodanige nabootsing. Dat het hof terloops mede spreekt over ‘willen’ (‘heeft willen en kunnen nabootsen’), heeft mijns inziens de betekenis dat als [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] al zouden hebben willen nabootsen, volgens het hof onaannemelijk is dat zij dat ook konden. 3.52 Omgekeerd berust het oordeel van het hof over de verzending van de royementsvolmacht ‘door of namens [vennoot 4] ’ niet op de overweging dat aannemelijk is dat [vennoot 4] zoiets heeft gewild (het hof ziet uitdrukkelijk onder ogen dat [vennoot 4 en diens BV] volgens zijn standpunt geen belang heeft en dingt op dat betoog op zichzelf niet af), maar in plaats daarvan op (1) de gedetailleerde aanwijzingen zoals die besloten liggen in het door [de klanten] overgelegde schriftelijk bewijs, (2) de (verwijtbare) incompleetheid van het dossier bij [de maatschap] en (3) de onaannemelijkheid van het alternatieve scenario van namaak door [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] . 3.53 Volgens het voorgaande treffen de onderdelen 1 en 2 doel, en faalt onderdeel 3. 4 Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De procesinleiding in cassatie vermeldt ‘ [naam] ’, maar de gedingstukken in feitelijke aanleg, de vonnissen van de rechtbank en het arrest van het hof vermelden consequent ‘ [vennoot 2] ’. Zie het arrest van het hof, ECLI:NL:GHSHE:2025:1140, onder 4.1. Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank van 16 juni 2021, C/01/353575 / HA ZA 19-783 (niet gepubliceerd), onder 3.8. e.v. Het arrest van het hof vermeldt op deze plaats nog: ‘Volgens [de klanten] zijn hierna nog bedragen in dit project geïnvesteerd, hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] betwisten.’ Rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats Den Bosch) 16 juni 2021, C/01/353575 / HA ZA 19-783 (niet gepubliceerd). Rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats Den Bosch) 5 april 2023, C/01/353575 / HA ZA 19-783 (niet gepubliceerd). Hof Den Bosch 22 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1140. Bij herstelarrest van 29 juli 2025 (niet gepubliceerd) is alsnog de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Conclusie van antwoord van [vennoot 4 en diens BV] , onder 6, respectievelijk conclusie van antwoord van [de maatschap en vennoten 1-3] , onder 6. Idem spreekaantekeningen van de zijde van [vennoot 4 en diens BV] van 15 december 2020, onder 31. Vergelijk spreekaantekeningen van de zijde van [de klanten] d.d. 15 december 2020, onder 38-40. H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), 2025/76-82. HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4007, NJ 2000/428, m.nt. H.J. Snijders ( Gouda/X ). Vergelijk Ras & Hammerstein t.a.p. Onder meer bij Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/96. HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1506, NJ 1989/30 m.nt. J.B.M. Vranken ( Skipool/Rotterdam ), onder 4.2: ‘De regel dat een in eerste aanleg verworpen of buiten behandeling gebleven verweer dat in hoger beroep is gehandhaafd, door de appelrechter opnieuw, onderscheidenlijk alsnog moet worden onderzocht, voor zover het hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt, strekt ter bescherming van de geïntimeerde die daardoor wordt behoed voor de nadelige gevolgen van het niet instellen van incidenteel beroep zijnerzijds.’ Vergelijk conclusie van antwoord, onder 2.1 en antwoordakte [de maatschap] , 29 september 2021, onder 2.5. Zie antwoordakte [de klanten] , 25 augustus 2021, onder 13-14 en antwoordakte [de maatschap] , 29 september 2021, onder 3.2. Zie: Asser/Van Olffen 7-VII 2022/118-119; Mohr & Meijers, Van personenvennootschappen 2022/4.4.3 (p. 127 e.v.). Dat aansprakelijkheid van [de maatschap en vennoten 1-3] voor het handelen van [vennoot 4] een stap is die nader onderzoek behoefde, is door de rechtbank wél onder ogen gezien. Zie tussenvonnis onder 3.7. Aan dat nader onderzoek kwam de rechtbank niet toe omdat het bij eindvonnis oordeelde dat de aan [vennoot 4] verweten vervalsing niet vast was komen te staan. Conclusie van antwoord [de maatschap en vennoten 1-3] , onder. 8.1-8.2. Zie procesinleiding, onder 18. De stelling die bewezen moet worden, wordt verondersteld. (Spreek)notities [vennoot 4 en diens BV] , 11 november 2022, onder 13. Proces-verbaal d.d. 2 april 2024, p. 7. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 2015/188. (Spreek)notities [vennoot 4 en diens BV] , 11 november 2022, onder 10. Antwoord conclusie na enquête [de klanten] , 22 januari 2023, onder 97. Inleidende dagvaarding, onder 29. Rechtsoverweging 3.12.1 van het tussenvonnis van 16 juni 2021. Memorie van grieven, onder 22. Spreekaantekeningen van de zijde van [vennoot 4] , 16/17 mei 2022, onder 12. Antwoordconclusie na enquête, 11 januari 2023, onder 99. Zie procesinleiding in cassatie, onder 21 en 27. Proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 januari 2022, p. 3. Rechtsoverweging 3.12.1 van het tussenvonnis van 16 juni 2021.
Volledig
Ook de bewuste fax inclusief leesbare faxregel dus.’ 3.51 Wat de steller van het middel onder 26, laatste zin, opmerkt over (behalve gelegenheid ook) een ‘wil’ tot namaken bij enerzijds [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] en anderzijds [vennoot 4 en diens BV] en [de maatschap en vennoten 1-3] is niet overtuigend. De verwerping van het alternatieve scenario van namaak door [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] baseert het hof op de onaannemelijkheid van nabootsing van de optelsom van het briefpapier (inclusief het door [de maatschap] gehanteerde lettertype), het handschrift van [vennoot 4] en de in de faxregel opgenomen informatie (de Nederlandse weergave van datum en tijdstip, de naam van [vennoot 4] en het faxnummer). Die verwerping berust dus op het ontbreken van gelegenheid tot zodanige nabootsing. Dat het hof terloops mede spreekt over ‘willen’ (‘heeft willen en kunnen nabootsen’), heeft mijns inziens de betekenis dat als [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] al zouden hebben willen nabootsen, volgens het hof onaannemelijk is dat zij dat ook konden. 3.52 Omgekeerd berust het oordeel van het hof over de verzending van de royementsvolmacht ‘door of namens [vennoot 4] ’ niet op de overweging dat aannemelijk is dat [vennoot 4] zoiets heeft gewild (het hof ziet uitdrukkelijk onder ogen dat [vennoot 4 en diens BV] volgens zijn standpunt geen belang heeft en dingt op dat betoog op zichzelf niet af), maar in plaats daarvan op (1) de gedetailleerde aanwijzingen zoals die besloten liggen in het door [de klanten] overgelegde schriftelijk bewijs, (2) de (verwijtbare) incompleetheid van het dossier bij [de maatschap] en (3) de onaannemelijkheid van het alternatieve scenario van namaak door [advocaat in Canada] of [adviseur van klanten] . 3.53 Volgens het voorgaande treffen de onderdelen 1 en 2 doel, en faalt onderdeel 3. 4 Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De procesinleiding in cassatie vermeldt ‘ [naam] ’, maar de gedingstukken in feitelijke aanleg, de vonnissen van de rechtbank en het arrest van het hof vermelden consequent ‘ [vennoot 2] ’. Zie het arrest van het hof, ECLI:NL:GHSHE:2025:1140, onder 4.1. Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank van 16 juni 2021, C/01/353575 / HA ZA 19-783 (niet gepubliceerd), onder 3.8. e.v. Het arrest van het hof vermeldt op deze plaats nog: ‘Volgens [de klanten] zijn hierna nog bedragen in dit project geïnvesteerd, hetgeen [de maatschap en vennoten 1-3] en [vennoot 4 en diens BV] betwisten.’ Rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats Den Bosch) 16 juni 2021, C/01/353575 / HA ZA 19-783 (niet gepubliceerd). Rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats Den Bosch) 5 april 2023, C/01/353575 / HA ZA 19-783 (niet gepubliceerd). Hof Den Bosch 22 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1140. Bij herstelarrest van 29 juli 2025 (niet gepubliceerd) is alsnog de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Conclusie van antwoord van [vennoot 4 en diens BV] , onder 6, respectievelijk conclusie van antwoord van [de maatschap en vennoten 1-3] , onder 6. Idem spreekaantekeningen van de zijde van [vennoot 4 en diens BV] van 15 december 2020, onder 31. Vergelijk spreekaantekeningen van de zijde van [de klanten] d.d. 15 december 2020, onder 38-40. H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), 2025/76-82. HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4007, NJ 2000/428, m.nt. H.J. Snijders ( Gouda/X ). Vergelijk Ras & Hammerstein t.a.p. Onder meer bij Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/96. HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1506, NJ 1989/30 m.nt. J.B.M. Vranken ( Skipool/Rotterdam ), onder 4.2: ‘De regel dat een in eerste aanleg verworpen of buiten behandeling gebleven verweer dat in hoger beroep is gehandhaafd, door de appelrechter opnieuw, onderscheidenlijk alsnog moet worden onderzocht, voor zover het hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt, strekt ter bescherming van de geïntimeerde die daardoor wordt behoed voor de nadelige gevolgen van het niet instellen van incidenteel beroep zijnerzijds.’ Vergelijk conclusie van antwoord, onder 2.1 en antwoordakte [de maatschap] , 29 september 2021, onder 2.5. Zie antwoordakte [de klanten] , 25 augustus 2021, onder 13-14 en antwoordakte [de maatschap] , 29 september 2021, onder 3.2. Zie: Asser/Van Olffen 7-VII 2022/118-119; Mohr & Meijers, Van personenvennootschappen 2022/4.4.3 (p. 127 e.v.). Dat aansprakelijkheid van [de maatschap en vennoten 1-3] voor het handelen van [vennoot 4] een stap is die nader onderzoek behoefde, is door de rechtbank wél onder ogen gezien. Zie tussenvonnis onder 3.7. Aan dat nader onderzoek kwam de rechtbank niet toe omdat het bij eindvonnis oordeelde dat de aan [vennoot 4] verweten vervalsing niet vast was komen te staan. Conclusie van antwoord [de maatschap en vennoten 1-3] , onder. 8.1-8.2. Zie procesinleiding, onder 18. De stelling die bewezen moet worden, wordt verondersteld. (Spreek)notities [vennoot 4 en diens BV] , 11 november 2022, onder 13. Proces-verbaal d.d. 2 april 2024, p. 7. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 2015/188. (Spreek)notities [vennoot 4 en diens BV] , 11 november 2022, onder 10. Antwoord conclusie na enquête [de klanten] , 22 januari 2023, onder 97. Inleidende dagvaarding, onder 29. Rechtsoverweging 3.12.1 van het tussenvonnis van 16 juni 2021. Memorie van grieven, onder 22. Spreekaantekeningen van de zijde van [vennoot 4] , 16/17 mei 2022, onder 12. Antwoordconclusie na enquête, 11 januari 2023, onder 99. Zie procesinleiding in cassatie, onder 21 en 27. Proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 januari 2022, p. 3. Rechtsoverweging 3.12.1 van het tussenvonnis van 16 juni 2021.