Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-19
ECLI:NL:PHR:2026:466
Strafrecht
32,007 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:466 text/xml public 2026-05-22T10:50:48 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-19 25/01275 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:466 text/html public 2026-05-22T10:46:05 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:466 Parket bij de Hoge Raad , 19-05-2026 / 25/01275 Conclusie AG. Onderzoek Kievit. Deelneming criminele organisatie, openlijke geweldpleging en beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Verdachte was secretary/treasurer van MC Bandidos (chapter Sittard). Twee middelen. Eerste middel ziet op het opzet van de verdachte op de deelneming aan een criminele organisatie. Tweede middel klaagt over verwerping uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. de strafmaat. Beide middelen falen volgens de AG. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). Samenhang met 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01275 Zitting 19 mei 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001860-21) wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend , vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.P.H. Hameleers en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte – zoals onder 1 bewezenverklaard – zich heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, dan wel – in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer – onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte opzet had op de deelneming en dat opzet evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De bewijsvoering door het hof 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat: “hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 mei 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten de leden van MC Bandidos (chapter Sittard), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten: - bedreiging (art. 285 Sr) en - openlijk geweld (art. 141 Sr) en - verboden wapenbezit (art. 26 WMM);” 2.3 De bewezenverklaring steunt op een 25-tal in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen. Ik acht het voor de bespreking van het middel niet van belang om de gebezigde bewijsmiddelen hier integraal weer te geven. 2.4 De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in (met weglating van de voetnoten): “ Criminele organisatie, zaakdossier 1, feit 1) Het hof zal hierna allereerst het juridisch kader behandelen, waarbij de volgende aspecten aan bod zullen komen: 1. criminele organisatie; 2. oogmerk van de organisatie; 3. deelneming aan de organisatie; 4. opzet van de verdachte. In artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling heeft betrekking op de persoonlijke betrokkenheid van een verdachte bij een ‘criminele organisatie’ (vgl. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:575). Voor het bewijs van deelneming is in zijn algemeenheid niet vereist dat uit de bewijsvoering volgt dat met de deelneming is aangevangen op de in de tenlastelegging vermelde aanvangsdatum (vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399). 1. Criminele organisatie Het bestanddeel ‘organisatie’ komt erop neer dat er sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor de bewezenverklaring van deelname is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Niet is vereist dat het samenwerkingsverband dient te bestaan uit ten minste twee natuurlijke personen. Voor een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr is niet vereist dat sprake is van ‘geledingen’ en ‘hiërarchie’ (HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393). Gemeenschappelijk optreden tegenover derden kan eveneens een indicatie zijn voor het bestaan van een organisatie, maar is daarvoor niet noodzakelijk. Het oordeel dat van een samenwerkingsverband pas sprake is als komt vast te staan dat binnen die groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan de individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die leden een zekere druk kon worden uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te achten getuigt daarom van een te strikte opvatting van het bestanddeel ‘organisatie’ (HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193). 2. Oogmerk van de organisatie Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven, doch niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het is niet vereist dat dat doel bij het ontstaan van de organisatie werd geformuleerd. Evenmin is nodig dat het plegen van misdrijven het einddoel van de organisatie is. Het hoeft ook niet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie te zijn (HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969). Het oogmerk ziet op het feitelijke- en gewenste doel van de organisatie alsmede het naaste doel dat de organisatie nastreeft (vgl. HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524). Dat een organisatie is opgericht als een motorclub betekent niet dat het plegen van misdrijven niet eveneens een doel van de organisatie kan zijn. Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Voor bewijs van het bestanddeel ‘oogmerk’ zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Het oogmerk op het plegen van één misdrijf is overigens onvoldoende (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559). 3. Deelneming aan de organisatie Om als deelnemer van een criminele organisatie te worden aangemerkt, dient de verdachte te behoren tot het samenwerkingsverband en dient vast komen te staan dat de verdachte een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk danwel die gedragingen ondersteunt.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:466 text/xml public 2026-05-22T10:50:48 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-19 25/01275 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:466 text/html public 2026-05-22T10:46:05 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:466 Parket bij de Hoge Raad , 19-05-2026 / 25/01275 Conclusie AG. Onderzoek Kievit. Deelneming criminele organisatie, openlijke geweldpleging en beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Verdachte was secretary/treasurer van MC Bandidos (chapter Sittard). Twee middelen. Eerste middel ziet op het opzet van de verdachte op de deelneming aan een criminele organisatie. Tweede middel klaagt over verwerping uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. de strafmaat. Beide middelen falen volgens de AG. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). Samenhang met 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01275 Zitting 19 mei 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001860-21) wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend , vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.P.H. Hameleers en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte – zoals onder 1 bewezenverklaard – zich heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, dan wel – in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer – onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte opzet had op de deelneming en dat opzet evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De bewijsvoering door het hof 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat: “hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 27 mei 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten de leden van MC Bandidos (chapter Sittard), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten: - bedreiging (art. 285 Sr) en - openlijk geweld (art. 141 Sr) en - verboden wapenbezit (art. 26 WMM);” 2.3 De bewezenverklaring steunt op een 25-tal in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen. Ik acht het voor de bespreking van het middel niet van belang om de gebezigde bewijsmiddelen hier integraal weer te geven. 2.4 De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in (met weglating van de voetnoten): “ Criminele organisatie, zaakdossier 1, feit 1) Het hof zal hierna allereerst het juridisch kader behandelen, waarbij de volgende aspecten aan bod zullen komen: 1. criminele organisatie; 2. oogmerk van de organisatie; 3. deelneming aan de organisatie; 4. opzet van de verdachte. In artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling heeft betrekking op de persoonlijke betrokkenheid van een verdachte bij een ‘criminele organisatie’ (vgl. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:575). Voor het bewijs van deelneming is in zijn algemeenheid niet vereist dat uit de bewijsvoering volgt dat met de deelneming is aangevangen op de in de tenlastelegging vermelde aanvangsdatum (vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399). 1. Criminele organisatie Het bestanddeel ‘organisatie’ komt erop neer dat er sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor de bewezenverklaring van deelname is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Niet is vereist dat het samenwerkingsverband dient te bestaan uit ten minste twee natuurlijke personen. Voor een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr is niet vereist dat sprake is van ‘geledingen’ en ‘hiërarchie’ (HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393). Gemeenschappelijk optreden tegenover derden kan eveneens een indicatie zijn voor het bestaan van een organisatie, maar is daarvoor niet noodzakelijk. Het oordeel dat van een samenwerkingsverband pas sprake is als komt vast te staan dat binnen die groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan de individuele leden gebonden waren en door welke gemeenschappelijkheid op die leden een zekere druk kon worden uitgeoefend zich aan die regels te houden en aan die doelstelling gebonden te achten getuigt daarom van een te strikte opvatting van het bestanddeel ‘organisatie’ (HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193). 2. Oogmerk van de organisatie Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven, doch niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het is niet vereist dat dat doel bij het ontstaan van de organisatie werd geformuleerd. Evenmin is nodig dat het plegen van misdrijven het einddoel van de organisatie is. Het hoeft ook niet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie te zijn (HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969). Het oogmerk ziet op het feitelijke- en gewenste doel van de organisatie alsmede het naaste doel dat de organisatie nastreeft (vgl. HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524). Dat een organisatie is opgericht als een motorclub betekent niet dat het plegen van misdrijven niet eveneens een doel van de organisatie kan zijn. Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Voor bewijs van het bestanddeel ‘oogmerk’ zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Het oogmerk op het plegen van één misdrijf is overigens onvoldoende (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559). 3. Deelneming aan de organisatie Om als deelnemer van een criminele organisatie te worden aangemerkt, dient de verdachte te behoren tot het samenwerkingsverband en dient vast komen te staan dat de verdachte een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk danwel die gedragingen ondersteunt.
Volledig
Een incidentele bijdrage – bijvoorbeeld door één van de door de organisatie beoogde misdrijven te plegen – zonder verdere binding met die organisatie te hebben, levert niet zonder meer ‘deelneming’ aan een criminele organisatie op. Elke bijdrage aan een criminele organisatie kan strafbaar zijn. Voldoende voor ‘deelneming’ aan de organisatie is bijvoorbeeld het (mede)plegen van enig misdrijf. Ook het verrichten van hand- en spandiensten – die op zichzelf niet strafbaar zijn – kan gekwalificeerd worden als deelneming, mits met die gedragingen een aandeel wordt geleverd in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk danwel die gedragingen ondersteunt gesproken (vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178). Onder deelneming wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke- of andere stoffelijke steun aan de organisatie alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie. Het betalen van contributie kan daarom onder omstandigheden ook worden aangemerkt als deelneming, mits die betaling het criminele oogmerk van de organisatie ondersteunt en/of daaraan bijdraagt. Het deelnemen kan eveneens worden afgeleid uit het deelnemen aan bijeenkomsten (vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW517). De Hoge Raad acht het laten ontstaan en in stand houden van een bedrijfscultuur waarbinnen strafbare feiten werden begaan voldoende om deelneming aan te nemen (HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264). Naar het oordeel van het hof kan dit arrest ook in die zin worden geëxtrapoleerd op een bepaalde cultuur binnen een organisatie, zoals een motorclub. 4. Opzet van de verdachte Vereist voor een bewezenverklaring van deelneming – in welk bestanddeel de opzet-eis besloten ligt – is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij is echter niet vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven (vgl. onder meer HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969). Het enkel verrichten van hand- en spandiensten zonder de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven levert geen deelneming op (HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814). Niet vereist is dat de verdachte precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie is gericht (HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122). Evenmin is van belang dat de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid van een misdrijf dat in het verband van de organisatie is begaan (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502). Voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie is evenmin vereist dat het opzet van de verdachte is gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven. Evenwel dient uit de bewijsmiddelen te kunnen worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502). Hierna zal het hof uiteenzetten waarom het hof komt tot bewezenverklaring van het zijn van een criminele organisatie van de Bandidos MC, waarop het oogmerk van de organisatie was gericht en welke rol voor de verdachte bewezen kan worden. Het hof zal dit doen aan de hand van de navolgende onderdelen: a. Ontstaansgeschiedenis van het Sittardse chapter van de Bandidos MC; b. De regels van de Bandidos; c. Problemen met de Hells Angels; d. Oogmerk bedreiging en openlijke geweldpleging; e. Oogmerk verboden wapenbezit; f. Conclusie. a. Ontstaansgeschiedenis van het Sittardse chapter van de Bandidos MC In 1966 is door Don Chambers de Bandidos Motorcycle Club (verder: Bandidos) opgericht in de Verenigde Staten van Amerika, meer specifiek de stad San Leon in Texas. De slogan van de club is ‘ We are the people your parents warned you about ’. Op 15 maart 2014 werd het eerste chapter van de Bandidos door medeverdachte [medeverdachte 1] , een oud vice-president van de Hells Angels, opgericht in Nederland. Medeverdachte [medeverdachte 1] werd de president van het chapter, dat zich vestigde in Sittard. De oprichting van het Sittardse chapter van de Bandidos werd daags erna gevolgd door een granaataanslag op de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] . Nadien volgden nog twee granaataanslagen op de woningen van medeverdachte [medeverdachte 1] en [betrokkene 9] (een ander lid van de Bandidos) en een aanslag op een café in Echt waar de Bandidos regelmatig bij elkaar kwamen, allemaal in 2014. Hoewel daders van deze aanslagen nooit zijn gevonden, wordt hiermee de sfeer rondom Bandidos MC wel duidelijk. Uit hetgeen hierna onder het kopje ‘problemen met de Hells Angels’ is beschreven, is af te leiden dat er animositeit tussen de Bandidos enerzijds en de Hells Angels anderzijds bestond. Dit lag tevens aan de basis van het geweld dat in zaaksdossier 9 ( [A] ) wordt beschreven. Medio maart/april 2015 telde het Sittardse chapter ongeveer 22 leden, prospects en hangarounds. Leden betaalden contributie en men vergaderde nagenoeg wekelijks. b. De regels van de Bandidos (de Bandidos-bijbel) Tijdens het onderzoek werd bij medeverdachte [medeverdachte 1] een zogenaamde Bandidos-bijbel gevonden. Deze ‘bijbel’ bevindt zich in het procesdossier op pagina 1355-1428 (ZD1) en vermeldt onder meer het volgende: (pagina 1365) (...) 3. At the regional level, the Club consists of Chapters. Their bodies are the Executive Board and the General Meeting. Members of the Executive Board are the Chapter President, one or more Vice President(s), the Secretary, the Treasurer, the Sergeant at Arms and the Road Captain. 4. The Club is represented by the Chapter President and the Vice President(s), each of them having sole power to represent the Club. 5. The Executive Board is responsible for all Club matters which are not specially assigned to other bodies of the association or to the National Chapter under the Articles of Association. The responsibilities of the Executive Board include: A) The preparation and calling of the General Meeting. B) The implementation of decisions taken by the General Meeting, and of instructions of the National Chapter. C) The making of decisions on the admission of Members. (pagina 1367) General Meeting 1. Once a week, each Chapter has to hold a Club meeting. 2. All upcoming decisions and current projects are to be discussed at the Club meeting. Each Member/Candidate should be granted the right to raise matters of concern at the Club meeting. (pagina 1371) President: Represents the Chapter on Club President Meetings and is responsible for the Chapter within the Club. After voted in Chapter President, the President decides what Officers he wants in the Chapter. Delegates Club work to the other Officers in the Chapter. He is in charge of Chapter Meetings. Making sure the Chapter follows the Bylaws and in general running the Chapter on Club basis. Vice President: President’s right hand. Takes over the President’s office, when President is on trips or other functions. (when the President is elsewhere) Making sure, President’s orders is followed, regarding Club business. Sgt At Arms: In charge of the inner discipline in the Club. Making sure, President’s orders are carried out. (within the Club) Making sure, local Chapter rules and Bandidos MC Bylaws are followed within the Club. In charge of Chapter security, such as cameras, locks, alarms, guard lists and all security around the Chapter/Club. Making sure to update the Chapter on bad situations in the local area and on trips also checking out other areas with help from local Sgt. At Arms. Updates the President about Club spirit and situation. Treasure: Taking care of Chapter money and pays Member Donation. Keeping books on Members payments to the Chapter, collecting debts within the Chapter. In charge of the Account planning, together with all officers in the Chapter, to decide a budget for all officers and for the whole Chapter. Taking care of support and bar sales, pricing and planning. (Together with President and Secretary).
Volledig
Een incidentele bijdrage – bijvoorbeeld door één van de door de organisatie beoogde misdrijven te plegen – zonder verdere binding met die organisatie te hebben, levert niet zonder meer ‘deelneming’ aan een criminele organisatie op. Elke bijdrage aan een criminele organisatie kan strafbaar zijn. Voldoende voor ‘deelneming’ aan de organisatie is bijvoorbeeld het (mede)plegen van enig misdrijf. Ook het verrichten van hand- en spandiensten – die op zichzelf niet strafbaar zijn – kan gekwalificeerd worden als deelneming, mits met die gedragingen een aandeel wordt geleverd in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk danwel die gedragingen ondersteunt gesproken (vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178). Onder deelneming wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke- of andere stoffelijke steun aan de organisatie alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie. Het betalen van contributie kan daarom onder omstandigheden ook worden aangemerkt als deelneming, mits die betaling het criminele oogmerk van de organisatie ondersteunt en/of daaraan bijdraagt. Het deelnemen kan eveneens worden afgeleid uit het deelnemen aan bijeenkomsten (vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW517). De Hoge Raad acht het laten ontstaan en in stand houden van een bedrijfscultuur waarbinnen strafbare feiten werden begaan voldoende om deelneming aan te nemen (HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264). Naar het oordeel van het hof kan dit arrest ook in die zin worden geëxtrapoleerd op een bepaalde cultuur binnen een organisatie, zoals een motorclub. 4. Opzet van de verdachte Vereist voor een bewezenverklaring van deelneming – in welk bestanddeel de opzet-eis besloten ligt – is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij is echter niet vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven (vgl. onder meer HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969). Het enkel verrichten van hand- en spandiensten zonder de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven levert geen deelneming op (HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814). Niet vereist is dat de verdachte precies wist op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie is gericht (HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122). Evenmin is van belang dat de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid van een misdrijf dat in het verband van de organisatie is begaan (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502). Voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie is evenmin vereist dat het opzet van de verdachte is gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven. Evenwel dient uit de bewijsmiddelen te kunnen worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502). Hierna zal het hof uiteenzetten waarom het hof komt tot bewezenverklaring van het zijn van een criminele organisatie van de Bandidos MC, waarop het oogmerk van de organisatie was gericht en welke rol voor de verdachte bewezen kan worden. Het hof zal dit doen aan de hand van de navolgende onderdelen: a. Ontstaansgeschiedenis van het Sittardse chapter van de Bandidos MC; b. De regels van de Bandidos; c. Problemen met de Hells Angels; d. Oogmerk bedreiging en openlijke geweldpleging; e. Oogmerk verboden wapenbezit; f. Conclusie. a. Ontstaansgeschiedenis van het Sittardse chapter van de Bandidos MC In 1966 is door Don Chambers de Bandidos Motorcycle Club (verder: Bandidos) opgericht in de Verenigde Staten van Amerika, meer specifiek de stad San Leon in Texas. De slogan van de club is ‘ We are the people your parents warned you about ’. Op 15 maart 2014 werd het eerste chapter van de Bandidos door medeverdachte [medeverdachte 1] , een oud vice-president van de Hells Angels, opgericht in Nederland. Medeverdachte [medeverdachte 1] werd de president van het chapter, dat zich vestigde in Sittard. De oprichting van het Sittardse chapter van de Bandidos werd daags erna gevolgd door een granaataanslag op de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] . Nadien volgden nog twee granaataanslagen op de woningen van medeverdachte [medeverdachte 1] en [betrokkene 9] (een ander lid van de Bandidos) en een aanslag op een café in Echt waar de Bandidos regelmatig bij elkaar kwamen, allemaal in 2014. Hoewel daders van deze aanslagen nooit zijn gevonden, wordt hiermee de sfeer rondom Bandidos MC wel duidelijk. Uit hetgeen hierna onder het kopje ‘problemen met de Hells Angels’ is beschreven, is af te leiden dat er animositeit tussen de Bandidos enerzijds en de Hells Angels anderzijds bestond. Dit lag tevens aan de basis van het geweld dat in zaaksdossier 9 ( [A] ) wordt beschreven. Medio maart/april 2015 telde het Sittardse chapter ongeveer 22 leden, prospects en hangarounds. Leden betaalden contributie en men vergaderde nagenoeg wekelijks. b. De regels van de Bandidos (de Bandidos-bijbel) Tijdens het onderzoek werd bij medeverdachte [medeverdachte 1] een zogenaamde Bandidos-bijbel gevonden. Deze ‘bijbel’ bevindt zich in het procesdossier op pagina 1355-1428 (ZD1) en vermeldt onder meer het volgende: (pagina 1365) (...) 3. At the regional level, the Club consists of Chapters. Their bodies are the Executive Board and the General Meeting. Members of the Executive Board are the Chapter President, one or more Vice President(s), the Secretary, the Treasurer, the Sergeant at Arms and the Road Captain. 4. The Club is represented by the Chapter President and the Vice President(s), each of them having sole power to represent the Club. 5. The Executive Board is responsible for all Club matters which are not specially assigned to other bodies of the association or to the National Chapter under the Articles of Association. The responsibilities of the Executive Board include: A) The preparation and calling of the General Meeting. B) The implementation of decisions taken by the General Meeting, and of instructions of the National Chapter. C) The making of decisions on the admission of Members. (pagina 1367) General Meeting 1. Once a week, each Chapter has to hold a Club meeting. 2. All upcoming decisions and current projects are to be discussed at the Club meeting. Each Member/Candidate should be granted the right to raise matters of concern at the Club meeting. (pagina 1371) President: Represents the Chapter on Club President Meetings and is responsible for the Chapter within the Club. After voted in Chapter President, the President decides what Officers he wants in the Chapter. Delegates Club work to the other Officers in the Chapter. He is in charge of Chapter Meetings. Making sure the Chapter follows the Bylaws and in general running the Chapter on Club basis. Vice President: President’s right hand. Takes over the President’s office, when President is on trips or other functions. (when the President is elsewhere) Making sure, President’s orders is followed, regarding Club business. Sgt At Arms: In charge of the inner discipline in the Club. Making sure, President’s orders are carried out. (within the Club) Making sure, local Chapter rules and Bandidos MC Bylaws are followed within the Club. In charge of Chapter security, such as cameras, locks, alarms, guard lists and all security around the Chapter/Club. Making sure to update the Chapter on bad situations in the local area and on trips also checking out other areas with help from local Sgt. At Arms. Updates the President about Club spirit and situation. Treasure: Taking care of Chapter money and pays Member Donation. Keeping books on Members payments to the Chapter, collecting debts within the Chapter. In charge of the Account planning, together with all officers in the Chapter, to decide a budget for all officers and for the whole Chapter. Taking care of support and bar sales, pricing and planning. (Together with President and Secretary).
Volledig
Secretary: Contact person, writes meeting reports and the monthly newsletter as well as he keeps lists of phone numbers and addresses within the Chapter and outside the Chapter (other Chapter's addresses and phone numbers). Taking care of gifts and works as a ceremony master. Arranging tickets for trips and takes care of hosting guests, together with the Road Captain. Keeping fellow Chapter officers updated on the monthly Newsletter and updates all phone and address lists. President’s assistant at meetings. In charge of the Chapters bmcmail account. The Chapter ’s office keeper, making sure that the Chapter’s computer is working and that the Chapter has pens, paper and everything a Chapter’s office needs. Road Captain: Planning routes & trips (with Treasure & Secretary). For trips fixing tickets and hotels etc. Checking all Chapter bikes, also papers, passports and driver licenses. Making sure all bikes are in good shape. Only safe, fast and good bikes are allowed in a Bandidos MC pack. Making sure, the pack is on the right way and keeping all bikes in line on a road trip. Checks tools and accessories before a road trip. Taking care of Customs, tickets and paying road toils on a road trip. Checking problems with Customs, Police and other outside situations along the road before and on road trips. Making sure the pack is riding safe on road trips. Closes crossroads and making sure the pack stays together at traffic lights, exits and other crossings. Orders and instructs everyone during road trips. Het hof leidt uit deze zogenaamde Bandidos bijbel af dat de club zowel internationaal als nationaal strak is georganiseerd waarbij duidelijk is bepaald welke bevoegdheden bij welke rollen horen. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte de rol van secretary/treasurer had. Blijkens de Bandidos Bible was hij daarmee ook lid van Executive Board en daarmee bestuurslid van de Bandidos. Echter is slechts het lidmaatschap van de organisatie ten laste gelegd zodat het hof dat zal bewijzen. c. Problemen met de Hells Angels In augustus 2014 werd de rivaliteit tussen de motorclubs Bandidos en Hells Angels openlijk zichtbaar door een confrontatie tussen die twee clubs in Alkmaar. Begin 2015 zijn de eerste duidelijke tekenen van problemen met de motorclub Hells Angels zichtbaar in Limburg. Dat er ook daadwerkelijk sprake was van een vete tussen beide blijkt ook wel uit de diverse in de bewijsmiddelen opgenomen communicatie en verslagen. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat de motorclub de Hells Angels – die ook wel worden aangeduid als HA of 81 (de achtste en eerste letter van het alfabet, HA) – regelmatig onderwerp van gesprek is. Daarbij heeft te gelden dat die gesprekken over de Hells Angels vaak agressief van aard zijn jegens hen. Op 24 januari 2015, een dag nadat Bandidos-lid [betrokkene 1] problemen zou hebben gehad met Hells Angels of sympathisanten daarvan, vond een zogenaamde ‘klopjacht’ op leden van de Hells Angels plaats. Meerdere leden van de Sittardse Bandidos bezochten die avond diverse plekken waar kennelijk regelmatig leden van de Hells Angels of hun sympathisanten kwamen, doch zonder resultaat. Uit diverse afgeluisterde gesprekken blijkt echter wel dat men die avond op pad was met de bedoeling te vechten. Daarbij tekenend is dat [medeverdachte 1] in een OVC-gesprek vertelt een steekwerend vest aan te hebben. Op 24 januari 2015 bezochten zeven leden van de Bandidos, aangevoerd door hun president, medeverdachte [medeverdachte 1] , het café ‘ [A] ’ in Sittard. Daarbij werd de uitbaatster in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat leden van de Hells Angels, ‘rood/wit’, of hun supporters niet meer welkom waren en dat medeverdachte [medeverdachte 1] het café zou sluiten als hij anders constateerde. Het hof constateert met betrekking tot de bedoeling van de Bandidos die avond dat één van de aanwezigen, [betrokkene 2] , zijn colors kon verdienen als hij met een lid van de Hells Angels in gevecht zou gaan. Op 25 januari 2015 en 16 maart 2015 vonden vervolgens provocaties plaats van de zijde van de Hells Angels. Zo bezochten de Hells Angels café [D] in Kerkrade, gelieerd aan de Bandidos, en staken daar kennelijk banden lek. Tevens bezochten zij een lid van de Bandidos in Susteren. Op 25 maart 2015 vond vervolgens een brandstichting plaats bij genoemd café [D]. De op heterdaad aangehouden verdachte bleek een lid van de Supportcrew 81, de officiële supportclub van de Hells Angels uit Kerkrade. Op 7 mei 2015 vond de openlijke geweldpleging bij café [A] in Sittard plaats. Drie aan een supportclub van de Hells Angels te linken personen werden door een grote groep Bandidos mishandeld. Uit de afgeluisterde gesprekken kan geconcludeerd worden dat dit geen uit de hand gelopen gesprek en/of conflict is geweest, zoals een aantal verdachten ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard. Een en ander is immers de dag van tevoren besproken, waarbij bijvoorbeeld was afgesproken dat hangaround [betrokkene 11] niet zou meegaan, omdat ‘je (...) niet weet wat zo iemand doet als hij vast komt te zitten’. Op de dag zelf werd tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] besproken dat het ‘een beetje dom’ was onder cameratoezicht en dat ze hem maar eens even een half jaar het ziekenhuis in slaan ofzo, of steken. [medeverdachte 2] voegde toe dat hij wel meegaat, ook al is het dus ‘een beetje dom’. Uit onder andere dit vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de aanwezigen rekening hielden met het feit dat er geweld zou worden gebruikt. Na het geweld bij café ‘ [A] ’, bezochten de Sittardse Bandidos de Markt in Kerkrade, waarbij zij zich, in colors, voor het café/restaurant [B] posteerden. Die locatie is net als café [A] gelieerd aan de Hells Angels. Dat volgt ook uit het op het café aanwezige plakkaat met ‘81’. Het incident bij café [A] eindigde met een schot vanuit het café naar buiten. Uit de afgeluisterde gesprekken die avond blijkt dat dit ook reden voor diverse leden van de Bandidos is geweest om in het vervolg niet meer ongewapend ergens naartoe te gaan en dat ze zich willen bewapenen. d. Oogmerk bedreiging en openlijke geweldpleging Uit vorenstaande uiteenzetting volgt naar het oordeel van het hof dat de Bandidos van meet af aan een rivaliteit koesterden jegens de Hells Angels, die onder meer in bovengenoemde incidenten (over en weer) tot uitdrukking kwam. De sfeer tussen de motoclubs was letterlijk en figuurlijk explosief van aard. Uit de getapte gesprekken en de OVC-gesprekken tussen de leden van de Bandidos volgt dat de houding van de Bandidos jegens de Hells Angels gewelddadig was en erop neerkwam dat de Hells Angels op een gewelddadige wijze ‘bestreden’ c.q. ‘bejaagd’ dienden te worden. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat MC Bandidos het oogmerk had tot bedreiging en openlijke geweldpleging, in het bijzonder gericht tegen de Hells Angels. e. Oogmerk tot ‘verboden wapenbezit’ Naar het oordeel van het hof heeft de criminele organisatie ook het oogmerk gehad op (kortgezegd) verboden wapenbezit. Daartoe overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er verschillende malen wapens bij de leden van de organisatie aanwezig zijn geweest, de andere leden daar in veel gevallen van op de hoogte waren en er op enig moment onder de leden is besproken dat de club zich moet gaan ‘bewapenen’, onder meer naar aanleiding van het incident bij café [A] . Besproken wordt dat er ‘een ding’ bij [betrokkene 3] moet worden gehaald, die ‘een stuk of zes’ zou moeten hebben. In een garagebox van [betrokkene 3] aan de [a-straat] in [plaats] zijn meerdere vuurwapens en ook 5 raketwerpers en 2 handgranaten aangetroffen. Uit het procesdossier volgt verder dat [betrokkene 4] de schuld op zich heeft genomen met betrekking tot een wapen dat in de kofferbak van medeverdachte [medeverdachte 1] is gevonden, hetgeen voor dit clublid een positieve consequentie in de interne club hiërarchie tot gevolg had. Hij werd namelijk bevorderd van hangaround tot prospect. Dan is ook nog in de Bandidos bijbel vermeld dat er een ‘sergeant at arms’ is die behalve voor de interne discipline daarnaast o.a.
Volledig
Secretary: Contact person, writes meeting reports and the monthly newsletter as well as he keeps lists of phone numbers and addresses within the Chapter and outside the Chapter (other Chapter's addresses and phone numbers). Taking care of gifts and works as a ceremony master. Arranging tickets for trips and takes care of hosting guests, together with the Road Captain. Keeping fellow Chapter officers updated on the monthly Newsletter and updates all phone and address lists. President’s assistant at meetings. In charge of the Chapters bmcmail account. The Chapter ’s office keeper, making sure that the Chapter’s computer is working and that the Chapter has pens, paper and everything a Chapter’s office needs. Road Captain: Planning routes & trips (with Treasure & Secretary). For trips fixing tickets and hotels etc. Checking all Chapter bikes, also papers, passports and driver licenses. Making sure all bikes are in good shape. Only safe, fast and good bikes are allowed in a Bandidos MC pack. Making sure, the pack is on the right way and keeping all bikes in line on a road trip. Checks tools and accessories before a road trip. Taking care of Customs, tickets and paying road toils on a road trip. Checking problems with Customs, Police and other outside situations along the road before and on road trips. Making sure the pack is riding safe on road trips. Closes crossroads and making sure the pack stays together at traffic lights, exits and other crossings. Orders and instructs everyone during road trips. Het hof leidt uit deze zogenaamde Bandidos bijbel af dat de club zowel internationaal als nationaal strak is georganiseerd waarbij duidelijk is bepaald welke bevoegdheden bij welke rollen horen. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte de rol van secretary/treasurer had. Blijkens de Bandidos Bible was hij daarmee ook lid van Executive Board en daarmee bestuurslid van de Bandidos. Echter is slechts het lidmaatschap van de organisatie ten laste gelegd zodat het hof dat zal bewijzen. c. Problemen met de Hells Angels In augustus 2014 werd de rivaliteit tussen de motorclubs Bandidos en Hells Angels openlijk zichtbaar door een confrontatie tussen die twee clubs in Alkmaar. Begin 2015 zijn de eerste duidelijke tekenen van problemen met de motorclub Hells Angels zichtbaar in Limburg. Dat er ook daadwerkelijk sprake was van een vete tussen beide blijkt ook wel uit de diverse in de bewijsmiddelen opgenomen communicatie en verslagen. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat de motorclub de Hells Angels – die ook wel worden aangeduid als HA of 81 (de achtste en eerste letter van het alfabet, HA) – regelmatig onderwerp van gesprek is. Daarbij heeft te gelden dat die gesprekken over de Hells Angels vaak agressief van aard zijn jegens hen. Op 24 januari 2015, een dag nadat Bandidos-lid [betrokkene 1] problemen zou hebben gehad met Hells Angels of sympathisanten daarvan, vond een zogenaamde ‘klopjacht’ op leden van de Hells Angels plaats. Meerdere leden van de Sittardse Bandidos bezochten die avond diverse plekken waar kennelijk regelmatig leden van de Hells Angels of hun sympathisanten kwamen, doch zonder resultaat. Uit diverse afgeluisterde gesprekken blijkt echter wel dat men die avond op pad was met de bedoeling te vechten. Daarbij tekenend is dat [medeverdachte 1] in een OVC-gesprek vertelt een steekwerend vest aan te hebben. Op 24 januari 2015 bezochten zeven leden van de Bandidos, aangevoerd door hun president, medeverdachte [medeverdachte 1] , het café ‘ [A] ’ in Sittard. Daarbij werd de uitbaatster in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat leden van de Hells Angels, ‘rood/wit’, of hun supporters niet meer welkom waren en dat medeverdachte [medeverdachte 1] het café zou sluiten als hij anders constateerde. Het hof constateert met betrekking tot de bedoeling van de Bandidos die avond dat één van de aanwezigen, [betrokkene 2] , zijn colors kon verdienen als hij met een lid van de Hells Angels in gevecht zou gaan. Op 25 januari 2015 en 16 maart 2015 vonden vervolgens provocaties plaats van de zijde van de Hells Angels. Zo bezochten de Hells Angels café [D] in Kerkrade, gelieerd aan de Bandidos, en staken daar kennelijk banden lek. Tevens bezochten zij een lid van de Bandidos in Susteren. Op 25 maart 2015 vond vervolgens een brandstichting plaats bij genoemd café [D]. De op heterdaad aangehouden verdachte bleek een lid van de Supportcrew 81, de officiële supportclub van de Hells Angels uit Kerkrade. Op 7 mei 2015 vond de openlijke geweldpleging bij café [A] in Sittard plaats. Drie aan een supportclub van de Hells Angels te linken personen werden door een grote groep Bandidos mishandeld. Uit de afgeluisterde gesprekken kan geconcludeerd worden dat dit geen uit de hand gelopen gesprek en/of conflict is geweest, zoals een aantal verdachten ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard. Een en ander is immers de dag van tevoren besproken, waarbij bijvoorbeeld was afgesproken dat hangaround [betrokkene 11] niet zou meegaan, omdat ‘je (...) niet weet wat zo iemand doet als hij vast komt te zitten’. Op de dag zelf werd tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] besproken dat het ‘een beetje dom’ was onder cameratoezicht en dat ze hem maar eens even een half jaar het ziekenhuis in slaan ofzo, of steken. [medeverdachte 2] voegde toe dat hij wel meegaat, ook al is het dus ‘een beetje dom’. Uit onder andere dit vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de aanwezigen rekening hielden met het feit dat er geweld zou worden gebruikt. Na het geweld bij café ‘ [A] ’, bezochten de Sittardse Bandidos de Markt in Kerkrade, waarbij zij zich, in colors, voor het café/restaurant [B] posteerden. Die locatie is net als café [A] gelieerd aan de Hells Angels. Dat volgt ook uit het op het café aanwezige plakkaat met ‘81’. Het incident bij café [A] eindigde met een schot vanuit het café naar buiten. Uit de afgeluisterde gesprekken die avond blijkt dat dit ook reden voor diverse leden van de Bandidos is geweest om in het vervolg niet meer ongewapend ergens naartoe te gaan en dat ze zich willen bewapenen. d. Oogmerk bedreiging en openlijke geweldpleging Uit vorenstaande uiteenzetting volgt naar het oordeel van het hof dat de Bandidos van meet af aan een rivaliteit koesterden jegens de Hells Angels, die onder meer in bovengenoemde incidenten (over en weer) tot uitdrukking kwam. De sfeer tussen de motoclubs was letterlijk en figuurlijk explosief van aard. Uit de getapte gesprekken en de OVC-gesprekken tussen de leden van de Bandidos volgt dat de houding van de Bandidos jegens de Hells Angels gewelddadig was en erop neerkwam dat de Hells Angels op een gewelddadige wijze ‘bestreden’ c.q. ‘bejaagd’ dienden te worden. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat MC Bandidos het oogmerk had tot bedreiging en openlijke geweldpleging, in het bijzonder gericht tegen de Hells Angels. e. Oogmerk tot ‘verboden wapenbezit’ Naar het oordeel van het hof heeft de criminele organisatie ook het oogmerk gehad op (kortgezegd) verboden wapenbezit. Daartoe overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er verschillende malen wapens bij de leden van de organisatie aanwezig zijn geweest, de andere leden daar in veel gevallen van op de hoogte waren en er op enig moment onder de leden is besproken dat de club zich moet gaan ‘bewapenen’, onder meer naar aanleiding van het incident bij café [A] . Besproken wordt dat er ‘een ding’ bij [betrokkene 3] moet worden gehaald, die ‘een stuk of zes’ zou moeten hebben. In een garagebox van [betrokkene 3] aan de [a-straat] in [plaats] zijn meerdere vuurwapens en ook 5 raketwerpers en 2 handgranaten aangetroffen. Uit het procesdossier volgt verder dat [betrokkene 4] de schuld op zich heeft genomen met betrekking tot een wapen dat in de kofferbak van medeverdachte [medeverdachte 1] is gevonden, hetgeen voor dit clublid een positieve consequentie in de interne club hiërarchie tot gevolg had. Hij werd namelijk bevorderd van hangaround tot prospect. Dan is ook nog in de Bandidos bijbel vermeld dat er een ‘sergeant at arms’ is die behalve voor de interne discipline daarnaast o.a.
Volledig
verantwoordelijk is voor de veiligheid van de club en de clubleden. Deze sergeant at arms voor de Bandidos MC Sittard is [betrokkene 5] . In het dossier is communicatie aangetroffen tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 5] die elkaar spreken na het geweldsincident bij [A] . In dat gesprek zegt medeverdachte [medeverdachte 2] tegen [betrokkene 5] dat ze ‘oude ijzers’ bij elkaar moeten rapen. Gezien de context van dit gesprek in samenhang met de hieraan vooraf gegane gesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 5] en een verwijzing in dit gesprek naar de president van Haarlem die is opgepakt en ‘van alles thuis had liggen’, en uit het dossier kan blijken dat de president van de Hells Angels Haarlem op 29 april 2016 is opgepakt in verband met vuurwapens, verstaat het hof dit gesprek aldus dat het daarbij gaat om vuurwapens. Het hof leidt hieruit af dat de rol van de sergeant at arms mede inhoudt om desgevraagd en desnodig leden van wapens te voorzien als de situatie daarom vraagt. In het vorenstaande ligt besloten dat een clubcultuur is ontstaan en in stand is gehouden, waarbinnen verboden wapenbezit werd begaan als onderdeel daarvan. Naar het oordeel van het hof had de organisatie daarom ook oogmerk op het plegen van (kortgezegd) verboden wapenbezit. f. Conclusie Naar het oordeel van het hof was Bandidos MC een criminele organisatie met het oogmerk tot het plegen van de misdrijven ‘(bedreiging met) geweld’ en ‘verboden wapenbezit’. De rol van de verdachte in deze organisatie heeft eruit bestaan dat hij secretary/treasurer is geweest van de criminele organisatie Bandidos, waarmee hij lid is geweest van de criminele organisatie Bandidos.” Het verweer van de verdediging 2.5 Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2025 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die ten aanzien van dit feit inhoudt: “ 1 Deelname aan een criminele organisatie Cliënt herkent zich niet in het door het openbaar ministerie geschetste beeld, waarin hij wordt beschuldigd te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie. In de praktijk blijken feitelijke perceptie bij cliënt en het juridisch perspectief op dit punt vaak uiteen te lopen. In ieder geval heeft cliënt zelf nooit het gevoel of idee gehad bij een criminele organisatie te horen. De vraag, waarvoor de verdediging zich thans ziet gesteld, is of dat gevoel zich ook in juridische zin kan vertalen in een vrijspraak. Toetsingskader (…) Voorts moet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het deelnemen aan die criminele organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft gehad . Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. In het requisitoir stelt het O.M. hierover (pagina 46): requisitoir p 46: Beoordelingskader Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 1S juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het oogmerk ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie . Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Het oogmerk behoeft op zichzelf in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (HR 13 oktober 1987, NJ 1988/425). Voor bewijs van het bestanddeel “oogmerk” zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd , aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking , zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559). De organisatie bestond, zoals hiervoor is vastgesteld, met name uit de hiervoor genoemde full colour members van de Bandidos MC, chapter Sittard, de prospects en de hangarounds. Het chapter in Sittard betrof het Nederlandse moederchapter. Bij het beantwoorden van de vraag of de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven komt naar het oordeel van het Openbaar Ministerie betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden, een en ander zoals overigens ook werd overwogen in de arresten tegen meerdere leden van de Hells Angels107. De verdediging stelt uitdrukkelijk dat uit de opsomming van incidenten, de verklaringen die zijn afgelegd, maar ook de communicatie die is opgenomen of uitgelezen dat er juist sprake is van nagenoeg alleen maar handelingen van personen die op persoonlijke titel – in ieder geval los van de Bandido’s – zaken hebben gedaan. Het incident bij [A] mag daarop als enige uitzondering worden gezien. Dat was een gezamenlijke onderneming. Ik zie evenwel geen duurzaam of gestructureerde samenwerking binnen de bandido’s op het plegen van geweld. Integendeel: kennelijk waren er een aantal mensen die mogelijk strafbare feiten hebben gepleegd maar niet als groep of organisatie maar als persoon of personen. Wie wist er van de plantjes bij Silberie? Waaruit blijkt dat [betrokkene 6] iets zou zijn van Bandido's? Had [betrokkene 7] zijn geld niet al geleend toen de Bandido's nog lang niet bestonden? Nogmaals soms is wat je niet constateert belangrijker dan wat je wel vaststelt. En we zien in dit dossier dat inderdaad mensen die lid zijn van de Bandido’s mogelijk strafbare feiten plegen maar we zien nergens – uitgezonderd [A] – dat de mensen dit doen als bandido's of namens als bandido’s. Het Openbaar Ministerie meende in eerste aanleg aan de hand van de uitspraken in de zaken tegen de Hells Angels van het Gerechtshof Amsterdam elementen te kunnen vinden waaruit het criminele oogmerk zou blijken. Hoewel de Rechtbank Limburg op vele punten heeft vrijgesproken is ter zake van feiten die zouden zien op de criminele organisatie is ter zake van bedreiging en openlijke geweldpleging wel tot een bewezenverklaring gekomen. Ook in hoger beroep wordt er namens [verdachte] gesteld dat er geen oogmerk bestond tot het plegen van deze feiten. Wat stelt nu het openbaar ministerie als zijnde de argumenten om te spreken van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven: - Bedreigende en gewelddadige reputatie Wat is dat? Waaruit blijkt dat? Uit een handboek van wetenschappers? Waaruit blijkt dat een reputatie ook feitelijk leidt tot criminele handelingen? - Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen Waar blijkt dat uit? Het Openbaar Ministerie stelt dat: “ in de Bandidos-bijbel is expliciet opgenomen een verbod om te dealen in heroïne, te verkrachten of te verklikken. Dat roept uiteraard direct de vraag op of het daarmee – volgens de interne Bandidos-regels – dan wel is toegestaan àlle overige misdrijven te plegen .” Dit is natuurlijk een onzin redenering. - Misdrijven Hierover zegt het O.M. pag 49: Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat leden van de Bandidos MC zich in de tenlastegelegde periode schuldig hebben gemaakt aan het plegen van misdrijven, die naar het oordeel van het Openbaar Ministerie rechtstreeks verband houden met het chapter. Cliënt bestrijdt dit. Het incident bij [A] kan inderdaad worden gezien als voorbeeld hiervan maar niet blijkt dat dit het oogmerk van de organisatie was. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de Bandidos MC het oogmerk had om strafbare feiten te plegen. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de Bandidos MC een criminele organisatie is. [verdachte] . Voorts moet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het deelnemen aan die criminele organisatie.
Volledig
verantwoordelijk is voor de veiligheid van de club en de clubleden. Deze sergeant at arms voor de Bandidos MC Sittard is [betrokkene 5] . In het dossier is communicatie aangetroffen tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 5] die elkaar spreken na het geweldsincident bij [A] . In dat gesprek zegt medeverdachte [medeverdachte 2] tegen [betrokkene 5] dat ze ‘oude ijzers’ bij elkaar moeten rapen. Gezien de context van dit gesprek in samenhang met de hieraan vooraf gegane gesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 5] en een verwijzing in dit gesprek naar de president van Haarlem die is opgepakt en ‘van alles thuis had liggen’, en uit het dossier kan blijken dat de president van de Hells Angels Haarlem op 29 april 2016 is opgepakt in verband met vuurwapens, verstaat het hof dit gesprek aldus dat het daarbij gaat om vuurwapens. Het hof leidt hieruit af dat de rol van de sergeant at arms mede inhoudt om desgevraagd en desnodig leden van wapens te voorzien als de situatie daarom vraagt. In het vorenstaande ligt besloten dat een clubcultuur is ontstaan en in stand is gehouden, waarbinnen verboden wapenbezit werd begaan als onderdeel daarvan. Naar het oordeel van het hof had de organisatie daarom ook oogmerk op het plegen van (kortgezegd) verboden wapenbezit. f. Conclusie Naar het oordeel van het hof was Bandidos MC een criminele organisatie met het oogmerk tot het plegen van de misdrijven ‘(bedreiging met) geweld’ en ‘verboden wapenbezit’. De rol van de verdachte in deze organisatie heeft eruit bestaan dat hij secretary/treasurer is geweest van de criminele organisatie Bandidos, waarmee hij lid is geweest van de criminele organisatie Bandidos.” Het verweer van de verdediging 2.5 Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2025 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die ten aanzien van dit feit inhoudt: “ 1 Deelname aan een criminele organisatie Cliënt herkent zich niet in het door het openbaar ministerie geschetste beeld, waarin hij wordt beschuldigd te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie. In de praktijk blijken feitelijke perceptie bij cliënt en het juridisch perspectief op dit punt vaak uiteen te lopen. In ieder geval heeft cliënt zelf nooit het gevoel of idee gehad bij een criminele organisatie te horen. De vraag, waarvoor de verdediging zich thans ziet gesteld, is of dat gevoel zich ook in juridische zin kan vertalen in een vrijspraak. Toetsingskader (…) Voorts moet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het deelnemen aan die criminele organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft gehad . Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. In het requisitoir stelt het O.M. hierover (pagina 46): requisitoir p 46: Beoordelingskader Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 1S juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het oogmerk ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie . Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Het oogmerk behoeft op zichzelf in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (HR 13 oktober 1987, NJ 1988/425). Voor bewijs van het bestanddeel “oogmerk” zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd , aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking , zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559). De organisatie bestond, zoals hiervoor is vastgesteld, met name uit de hiervoor genoemde full colour members van de Bandidos MC, chapter Sittard, de prospects en de hangarounds. Het chapter in Sittard betrof het Nederlandse moederchapter. Bij het beantwoorden van de vraag of de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven komt naar het oordeel van het Openbaar Ministerie betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden, een en ander zoals overigens ook werd overwogen in de arresten tegen meerdere leden van de Hells Angels107. De verdediging stelt uitdrukkelijk dat uit de opsomming van incidenten, de verklaringen die zijn afgelegd, maar ook de communicatie die is opgenomen of uitgelezen dat er juist sprake is van nagenoeg alleen maar handelingen van personen die op persoonlijke titel – in ieder geval los van de Bandido’s – zaken hebben gedaan. Het incident bij [A] mag daarop als enige uitzondering worden gezien. Dat was een gezamenlijke onderneming. Ik zie evenwel geen duurzaam of gestructureerde samenwerking binnen de bandido’s op het plegen van geweld. Integendeel: kennelijk waren er een aantal mensen die mogelijk strafbare feiten hebben gepleegd maar niet als groep of organisatie maar als persoon of personen. Wie wist er van de plantjes bij Silberie? Waaruit blijkt dat [betrokkene 6] iets zou zijn van Bandido's? Had [betrokkene 7] zijn geld niet al geleend toen de Bandido's nog lang niet bestonden? Nogmaals soms is wat je niet constateert belangrijker dan wat je wel vaststelt. En we zien in dit dossier dat inderdaad mensen die lid zijn van de Bandido’s mogelijk strafbare feiten plegen maar we zien nergens – uitgezonderd [A] – dat de mensen dit doen als bandido's of namens als bandido’s. Het Openbaar Ministerie meende in eerste aanleg aan de hand van de uitspraken in de zaken tegen de Hells Angels van het Gerechtshof Amsterdam elementen te kunnen vinden waaruit het criminele oogmerk zou blijken. Hoewel de Rechtbank Limburg op vele punten heeft vrijgesproken is ter zake van feiten die zouden zien op de criminele organisatie is ter zake van bedreiging en openlijke geweldpleging wel tot een bewezenverklaring gekomen. Ook in hoger beroep wordt er namens [verdachte] gesteld dat er geen oogmerk bestond tot het plegen van deze feiten. Wat stelt nu het openbaar ministerie als zijnde de argumenten om te spreken van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven: - Bedreigende en gewelddadige reputatie Wat is dat? Waaruit blijkt dat? Uit een handboek van wetenschappers? Waaruit blijkt dat een reputatie ook feitelijk leidt tot criminele handelingen? - Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen Waar blijkt dat uit? Het Openbaar Ministerie stelt dat: “ in de Bandidos-bijbel is expliciet opgenomen een verbod om te dealen in heroïne, te verkrachten of te verklikken. Dat roept uiteraard direct de vraag op of het daarmee – volgens de interne Bandidos-regels – dan wel is toegestaan àlle overige misdrijven te plegen .” Dit is natuurlijk een onzin redenering. - Misdrijven Hierover zegt het O.M. pag 49: Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat leden van de Bandidos MC zich in de tenlastegelegde periode schuldig hebben gemaakt aan het plegen van misdrijven, die naar het oordeel van het Openbaar Ministerie rechtstreeks verband houden met het chapter. Cliënt bestrijdt dit. Het incident bij [A] kan inderdaad worden gezien als voorbeeld hiervan maar niet blijkt dat dit het oogmerk van de organisatie was. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de Bandidos MC het oogmerk had om strafbare feiten te plegen. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de Bandidos MC een criminele organisatie is. [verdachte] . Voorts moet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het deelnemen aan die criminele organisatie.
Volledig
Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft gehad . Waar [verdachte] verdacht wordt van betrokkenheid bij hennepteelt in [C] valt op dat dit op geen enkele wijze kan worden gerelateerd aan de Bandido's doch enkel de verdenking t.a.v. van een drietal personen die – daarnaast – ook lid zijn van de Bandido's. Voor [verdachte] geldt nog dat er een paar andere delicten op de til staan waaronder [A] ” De bespreking van het middel 2.6 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie (bestaande uit de leden van MC Bandidos (chapter Sittard), hierna: Bandidos) die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten bedreiging, openlijk geweld en verboden wapenbezit. Het middel richt zijn pijlen op de bewezenverklaring van het vereiste opzet, dat besloten ligt in het bestanddeel ‘deelneming aan’ als bedoeld in art. 140 Sr. 2.7 De verdediging heeft een vrijspraakverweer gevoerd dat in de kern luidt dat niet kan worden vastgesteld dat Bandidos het oogmerk had om strafbare feiten te plegen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat strafbare feiten die door leden van Bandidos zijn gepleegd – met uitzondering van de openlijke geweldpleging bij café [A] – op persoonlijke titel zijn gepleegd en geen verband hielden met de motorclub. Anders dan de stellers van het middel ontwaar ik hierin geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het opzet van de verdachte. Dat de verdachte – zoals aangevoerd – nooit het gevoel of idee heeft gehad bij een criminele organisatie te horen kan bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt. 2.8 In zijn uiteenzetting van het juridisch kader heeft het hof onder 4 stilgestaan bij het vereiste opzet. In dat kader heeft het hof onder meer vooropgesteld dat voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Daarmee is het hof van het rechtens juiste toetsingskader uitgegaan. 2.9 Uit de vaststellingen van het hof volgt dat Bandidos van meet af aan een rivaliteit koesterde jegens de motorclub de Hells Angels en uit getapte gesprekken en de OVC-gesprekken tussen de leden van Bandidos volgt dat Bandidos een gewelddadige houding innam tegenover de Hells Angels. Deze spanningen resulteerden onder meer in een incident bij café [A] , gelieerd aan de Hells Angels, waarbij drie aan een supportclub van de Hells Angels te linken personen door een grote groep Bandidos – waaronder de verdachte zelf – werden mishandeld. Uit de bewijsmiddelen volgt volgens het hof daarnaast dat er verschillende malen wapens bij de leden van de organisatie aanwezig zijn geweest, de andere leden daar in veel gevallen van op de hoogte waren en er op enig moment onder de leden is besproken dat de club zich moet gaan ‘bewapenen’. Het hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat Bandidos het oogmerk had tot bedreiging en openlijke geweldpleging, in het bijzonder gericht tegen de Hells Angels, alsmede tot het plegen van verboden wapenbezit. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte lid was van Bandidos. Hij was de secretary/treasurer van de motorclub en was in die hoedanigheid ook lid van de Executive Board en daarmee bestuurslid van de motorclub. 2.10 Daarin ligt als oordeel besloten dat de verdachte in zijn algemeenheid wist (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat Bandidos het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Het hof heeft de wetenschap van de verdachte van het door diens leden breed uitgedragen gewelddadige en bedreigende karakter van Bandidos kennelijk afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte een hoge positie bekleedde binnen de motorclub en zelf participeerde in het gewelddadige handelen tegen de Hells Angels. Die gevolgtrekking acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk en behoefde – in het licht van het gevoerde verweer – geen nadere motivering. 3 Het tweede middel 3.1 Het middel behelst – bezien in samenhang met de toelichting – de klacht dat de strafmotivering onvoldoende met redenen is omkleed en het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de strafoplegging. Het oordeel van het hof 3.2 Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof het volgende overwogen: “ De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een taakstraf. Daarbij heeft de raadsman onder meer verwezen naar het aandeel van de verdachte in de verweten gedragingen, de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat er geen vrees is voor herhaling. Het oordeel van het hof Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie. Deze criminele organisatie bestond uit diverse leden van het Sittardse chapter van de motorclub Bandidos, te weten: medeverdachte [medeverdachte 1] als president, vice-president medeverdachte [medeverdachte 3] , sergeant of arms [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] , de verdachte als secretary/treasurer, road captain medeverdachte [medeverdachte 4] , full members [betrokkene 8] , medeverdachte [medeverdachte 5] , [betrokkene 9] , medeverdachte [medeverdachte 2] , medeverdachte probationary [medeverdachte 6] en hangaround [betrokkene 10] . De criminele organisatie had als oogmerk het plegen van bedreigingen en openlijke geweldpleging – in het bijzonder tegen de motorclub Hells Angels – en het voorhanden hebben van verboden wapens. Het Sittardse chapter van motorclub Bandidos zorgde voor een explosieve sfeer in Sittard en omgeving. Zo vond vlak na de oprichting in maart 2014 een granaataanslag plaats op de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] . Korte tijd later volgden nog twee granaataanslagen, één op diezelfde woning en één op de woning van [betrokkene 9] . Al eind maart 2014 werden enkele leden aangehouden en later ook veroordeeld wegens verboden wapenbezit. Gaandeweg werd in de zomer van 2014 de rivaliteit tussen de motorclubs Bandidos en Hells Angels openlijk zichtbaar door een confrontatie tussen die twee clubs in Alkmaar. Uit het dossier blijkt ook van een daadwerkelijke vete tussen beide clubs in Limburg, zowel uit afgeluisterde gesprekken als uit diverse incidenten. Dit alles lijkt voort te komen uit een diepgewortelde, langdurende en zich over meer landen uitstrekkende strijd om hegemonie. Die vete en de bedoelingen van het Sittardse chapter van Bandidos kwamen in januari en mei 2015 tot uiting. Op 24 januari 2015 vond een zogenaamde klopjacht plaats op leden van de Hells Angels. Meerdere leden van de Sittardse Bandidos bezochten die avond diverse plekken waar kennelijk regelmatig leden van de Hells Angels of hun sympathisanten kwamen. De bedoeling die avond was duidelijk: vechten met de Hells Angels.
Volledig
Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft gehad . Waar [verdachte] verdacht wordt van betrokkenheid bij hennepteelt in [C] valt op dat dit op geen enkele wijze kan worden gerelateerd aan de Bandido's doch enkel de verdenking t.a.v. van een drietal personen die – daarnaast – ook lid zijn van de Bandido's. Voor [verdachte] geldt nog dat er een paar andere delicten op de til staan waaronder [A] ” De bespreking van het middel 2.6 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie (bestaande uit de leden van MC Bandidos (chapter Sittard), hierna: Bandidos) die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten bedreiging, openlijk geweld en verboden wapenbezit. Het middel richt zijn pijlen op de bewezenverklaring van het vereiste opzet, dat besloten ligt in het bestanddeel ‘deelneming aan’ als bedoeld in art. 140 Sr. 2.7 De verdediging heeft een vrijspraakverweer gevoerd dat in de kern luidt dat niet kan worden vastgesteld dat Bandidos het oogmerk had om strafbare feiten te plegen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat strafbare feiten die door leden van Bandidos zijn gepleegd – met uitzondering van de openlijke geweldpleging bij café [A] – op persoonlijke titel zijn gepleegd en geen verband hielden met de motorclub. Anders dan de stellers van het middel ontwaar ik hierin geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het opzet van de verdachte. Dat de verdachte – zoals aangevoerd – nooit het gevoel of idee heeft gehad bij een criminele organisatie te horen kan bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt. 2.8 In zijn uiteenzetting van het juridisch kader heeft het hof onder 4 stilgestaan bij het vereiste opzet. In dat kader heeft het hof onder meer vooropgesteld dat voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Daarmee is het hof van het rechtens juiste toetsingskader uitgegaan. 2.9 Uit de vaststellingen van het hof volgt dat Bandidos van meet af aan een rivaliteit koesterde jegens de motorclub de Hells Angels en uit getapte gesprekken en de OVC-gesprekken tussen de leden van Bandidos volgt dat Bandidos een gewelddadige houding innam tegenover de Hells Angels. Deze spanningen resulteerden onder meer in een incident bij café [A] , gelieerd aan de Hells Angels, waarbij drie aan een supportclub van de Hells Angels te linken personen door een grote groep Bandidos – waaronder de verdachte zelf – werden mishandeld. Uit de bewijsmiddelen volgt volgens het hof daarnaast dat er verschillende malen wapens bij de leden van de organisatie aanwezig zijn geweest, de andere leden daar in veel gevallen van op de hoogte waren en er op enig moment onder de leden is besproken dat de club zich moet gaan ‘bewapenen’. Het hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat Bandidos het oogmerk had tot bedreiging en openlijke geweldpleging, in het bijzonder gericht tegen de Hells Angels, alsmede tot het plegen van verboden wapenbezit. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte lid was van Bandidos. Hij was de secretary/treasurer van de motorclub en was in die hoedanigheid ook lid van de Executive Board en daarmee bestuurslid van de motorclub. 2.10 Daarin ligt als oordeel besloten dat de verdachte in zijn algemeenheid wist (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat Bandidos het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Het hof heeft de wetenschap van de verdachte van het door diens leden breed uitgedragen gewelddadige en bedreigende karakter van Bandidos kennelijk afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte een hoge positie bekleedde binnen de motorclub en zelf participeerde in het gewelddadige handelen tegen de Hells Angels. Die gevolgtrekking acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk en behoefde – in het licht van het gevoerde verweer – geen nadere motivering. 3 Het tweede middel 3.1 Het middel behelst – bezien in samenhang met de toelichting – de klacht dat de strafmotivering onvoldoende met redenen is omkleed en het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de strafoplegging. Het oordeel van het hof 3.2 Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof het volgende overwogen: “ De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een taakstraf. Daarbij heeft de raadsman onder meer verwezen naar het aandeel van de verdachte in de verweten gedragingen, de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat er geen vrees is voor herhaling. Het oordeel van het hof Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie. Deze criminele organisatie bestond uit diverse leden van het Sittardse chapter van de motorclub Bandidos, te weten: medeverdachte [medeverdachte 1] als president, vice-president medeverdachte [medeverdachte 3] , sergeant of arms [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] , de verdachte als secretary/treasurer, road captain medeverdachte [medeverdachte 4] , full members [betrokkene 8] , medeverdachte [medeverdachte 5] , [betrokkene 9] , medeverdachte [medeverdachte 2] , medeverdachte probationary [medeverdachte 6] en hangaround [betrokkene 10] . De criminele organisatie had als oogmerk het plegen van bedreigingen en openlijke geweldpleging – in het bijzonder tegen de motorclub Hells Angels – en het voorhanden hebben van verboden wapens. Het Sittardse chapter van motorclub Bandidos zorgde voor een explosieve sfeer in Sittard en omgeving. Zo vond vlak na de oprichting in maart 2014 een granaataanslag plaats op de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] . Korte tijd later volgden nog twee granaataanslagen, één op diezelfde woning en één op de woning van [betrokkene 9] . Al eind maart 2014 werden enkele leden aangehouden en later ook veroordeeld wegens verboden wapenbezit. Gaandeweg werd in de zomer van 2014 de rivaliteit tussen de motorclubs Bandidos en Hells Angels openlijk zichtbaar door een confrontatie tussen die twee clubs in Alkmaar. Uit het dossier blijkt ook van een daadwerkelijke vete tussen beide clubs in Limburg, zowel uit afgeluisterde gesprekken als uit diverse incidenten. Dit alles lijkt voort te komen uit een diepgewortelde, langdurende en zich over meer landen uitstrekkende strijd om hegemonie. Die vete en de bedoelingen van het Sittardse chapter van Bandidos kwamen in januari en mei 2015 tot uiting. Op 24 januari 2015 vond een zogenaamde klopjacht plaats op leden van de Hells Angels. Meerdere leden van de Sittardse Bandidos bezochten die avond diverse plekken waar kennelijk regelmatig leden van de Hells Angels of hun sympathisanten kwamen. De bedoeling die avond was duidelijk: vechten met de Hells Angels.
Volledig
Toevalligerwijs werd er die avond nergens een Hells Angel aangetroffen, omdat er een clubfeest gehouden werd op een locatie die niet door Bandidos werd bezocht. Op 7 mei 2015 was het zogezegd wel raak met de openlijke geweldpleging bij café [A] in Sittard en de provocatie van de Hells Angels daarna in Kerkrade. Hierdoor kreeg het Sittardse chapter meer en meer een bedreigende en gewelddadige reputatie. Het lijkt erop dat de Bandidos de enige motorclub in de omgeving, of zelfs van heel Nederland, wilden worden. Alles was erop gericht de baas te zijn. Dit werd onderling besproken en ook uitgedragen door intimidaties en geweld. Daarbij was het gebruik van wapens uitdrukkelijk een optie, niet alleen is dat gezien bij het geweldsincident bij [A] , maar ook blijkt uit de gesprekken dat wapens beschikbaar zijn of zouden zijn, als ze nodig zijn. Los van het voorgaande, bleken er nog tal van omstandigheden die duidden op de criminele aard van het samenwerkingsverband. Zo probeerde men op allerlei manieren uit het zicht van politie en justitie te blijven. Leden werden gemaand voorzichtig om te gaan met communicatiemiddelen, men had zogenaamde PGP-telefoons en er werd een coöperatie opgericht die als dekmantel had te gelden voor een clubhuis, waarbij ook wachtgelopen werd. Deze omstandigheden staan weliswaar niet in directe relatie tot de bedreigingen en het geweld tegen de Hells Angels, maar tonen wel het karakter van de club. Kortom, de aanwezigheid van het Sittardse chapter van Bandidos zorgde voor een aantasting van de openbare orde. Het liet zich leiden door territoriumdrift en plaatste zichzelf buiten de democratische rechtsorde. Met betrekking tot de op te leggen straf ten aanzien van de deelneming aan de criminele organisatie neemt het hof 12 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt voor de leden members en probationaries, 14 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt voor de bestuursleden en 18 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt voor de leiders/oprichters van de criminele organisatie. Omdat de verdachte secretary/treasurer was van Bandidos en hij aldus een bestuursfunctie binnen de criminele organisatie vervulde, acht het hof voor dit feit in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden passend. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich op 7 mei 2015 schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging bij café [A] . Hij heeft daarbij zelf actief geweld uitgeoefend. Het geweld vond plaats in het kader van de territoriumdrift van het Sittardse chapter van Bandidos en hun vijandigheid tegen de Hells Angels. Bovendien was er sprake van nietsvermoedende slachtoffers die zonder enige aanleiding werden mishandeld door een veel grotere groep in colors geklede leden van de Sittardse Bandidos. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het tezamen met anderen beroep- of bedrijfsmatig opzettelijk telen van ruim 1700 hennepplanten. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de productie van softdrugs. Deze productie houdt de illegale handel in softdrugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft. De verdachte heeft zich van de negatieve gevolgen van zijn handelen onvoldoende rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen, kennelijk met het oog op persoonlijk financieel gewin, de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde eerder meermalen onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten was veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Deze omstandigheden hebben ten aanzien van de strafmaat in strafverzwarende zin meegewogen. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij een baan heeft en daarnaast mantelzorger is voor zijn vrouw. De verdachte heeft twee kinderen en twee kleinkinderen. Echter hebben deze omstandigheden, gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, nauwelijks een rol gespeeld bij het bepalen van de strafmaat. Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht voor de bewezenverklaarde feiten oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder dat hij mantelzorger is voor zijn vrouw, ziet het hof echter aanleiding deze straf te matigen met 3 maanden. Aldus acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden passend en geboden. Redelijke termijn Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, moet de zaak telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte op 27 mei 2015 in verzekering is gesteld en hij vervolgens gedurende de behandeling in eerste aanleg 185 dagen in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft vervolgens op 9 juli 2021 vonnis gewezen. Aldus is niet binnen zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn vonnis gewezen en is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 5 jaren overschreden. Voorts stelt het hof vast dat namens de verdachte op 23 juli 2021 hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof heden op 28 maart 2025 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. Aldus is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 20 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijdingen van de redelijke termijn rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Het hof zal de overschrijdingen van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de gevangenisstraf zal matigen met 5 maanden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Volledig
Toevalligerwijs werd er die avond nergens een Hells Angel aangetroffen, omdat er een clubfeest gehouden werd op een locatie die niet door Bandidos werd bezocht. Op 7 mei 2015 was het zogezegd wel raak met de openlijke geweldpleging bij café [A] in Sittard en de provocatie van de Hells Angels daarna in Kerkrade. Hierdoor kreeg het Sittardse chapter meer en meer een bedreigende en gewelddadige reputatie. Het lijkt erop dat de Bandidos de enige motorclub in de omgeving, of zelfs van heel Nederland, wilden worden. Alles was erop gericht de baas te zijn. Dit werd onderling besproken en ook uitgedragen door intimidaties en geweld. Daarbij was het gebruik van wapens uitdrukkelijk een optie, niet alleen is dat gezien bij het geweldsincident bij [A] , maar ook blijkt uit de gesprekken dat wapens beschikbaar zijn of zouden zijn, als ze nodig zijn. Los van het voorgaande, bleken er nog tal van omstandigheden die duidden op de criminele aard van het samenwerkingsverband. Zo probeerde men op allerlei manieren uit het zicht van politie en justitie te blijven. Leden werden gemaand voorzichtig om te gaan met communicatiemiddelen, men had zogenaamde PGP-telefoons en er werd een coöperatie opgericht die als dekmantel had te gelden voor een clubhuis, waarbij ook wachtgelopen werd. Deze omstandigheden staan weliswaar niet in directe relatie tot de bedreigingen en het geweld tegen de Hells Angels, maar tonen wel het karakter van de club. Kortom, de aanwezigheid van het Sittardse chapter van Bandidos zorgde voor een aantasting van de openbare orde. Het liet zich leiden door territoriumdrift en plaatste zichzelf buiten de democratische rechtsorde. Met betrekking tot de op te leggen straf ten aanzien van de deelneming aan de criminele organisatie neemt het hof 12 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt voor de leden members en probationaries, 14 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt voor de bestuursleden en 18 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt voor de leiders/oprichters van de criminele organisatie. Omdat de verdachte secretary/treasurer was van Bandidos en hij aldus een bestuursfunctie binnen de criminele organisatie vervulde, acht het hof voor dit feit in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden passend. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich op 7 mei 2015 schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging bij café [A] . Hij heeft daarbij zelf actief geweld uitgeoefend. Het geweld vond plaats in het kader van de territoriumdrift van het Sittardse chapter van Bandidos en hun vijandigheid tegen de Hells Angels. Bovendien was er sprake van nietsvermoedende slachtoffers die zonder enige aanleiding werden mishandeld door een veel grotere groep in colors geklede leden van de Sittardse Bandidos. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het tezamen met anderen beroep- of bedrijfsmatig opzettelijk telen van ruim 1700 hennepplanten. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de productie van softdrugs. Deze productie houdt de illegale handel in softdrugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft. De verdachte heeft zich van de negatieve gevolgen van zijn handelen onvoldoende rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen, kennelijk met het oog op persoonlijk financieel gewin, de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde eerder meermalen onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten was veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Deze omstandigheden hebben ten aanzien van de strafmaat in strafverzwarende zin meegewogen. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij een baan heeft en daarnaast mantelzorger is voor zijn vrouw. De verdachte heeft twee kinderen en twee kleinkinderen. Echter hebben deze omstandigheden, gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, nauwelijks een rol gespeeld bij het bepalen van de strafmaat. Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht voor de bewezenverklaarde feiten oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder dat hij mantelzorger is voor zijn vrouw, ziet het hof echter aanleiding deze straf te matigen met 3 maanden. Aldus acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden passend en geboden. Redelijke termijn Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, moet de zaak telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte op 27 mei 2015 in verzekering is gesteld en hij vervolgens gedurende de behandeling in eerste aanleg 185 dagen in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft vervolgens op 9 juli 2021 vonnis gewezen. Aldus is niet binnen zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn vonnis gewezen en is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 5 jaren overschreden. Voorts stelt het hof vast dat namens de verdachte op 23 juli 2021 hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof heden op 28 maart 2025 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. Aldus is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 20 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijdingen van de redelijke termijn rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Het hof zal de overschrijdingen van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de gevangenisstraf zal matigen met 5 maanden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Volledig
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.” Het verweer van de verdediging 3.3 Het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 13 januari en 30 januari 2025 houden – voor zover hier van belang – het volgende in: “De verdachte verklaart desgevraagd het volgende: Ik werk sinds drie jaar bij [C] . Ik doe de elektra in de meterkasten en plaats gasleiders en slimme meters. Ik zorg nog veel voor mijn vrouw, ik ben haar mantelzorger. Het gaat steeds slechter met haar. Zij wordt ’s ochtends opgehaald voor dagbesteding en wordt rond half drie in de middag thuis gebracht. Ik ben dan net thuis en dan zorg ik voor haar. Zij heeft twee herseninfarcten gehad en heeft Parkinson. Ik heb twee kinderen en twee kleinkinderen. De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. De raadsman voegt daaraan het navolgende toe: Mijn cliënt heeft eerst via een detacheringsbureau gewerkt bij [C] . Sinds 2022 is hij bij [C] in loondienst. Nadat deze strafzaak in de media bekend was, is mijn cliënt bij de directie geroepen. Sinds zijn vrijlating heeft hij geen contact meer met justitie. Is een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf mogelijk? In alle opzichten is de oplegging van een gevangenisstraf aan mijn cliënt een ramp. Daarom is de verdediging in appel gegaan. Wanneer mijn cliënt de gevangenis in moet, moet zijn vrouw hun huis uit. Mijn cliënt heeft van zijn zonden geleerd en heeft laten zien dat hij anders kan leven. De maatschappij is er niet bij gebaat wanneer aan mijn cliënt een gevangenisstraf wordt opgelegd. Mijn cliënt en zijn vrouw zouden daarbij extra gestraft worden. Hij kan een taakstraf verrichten. Mijn cliënt is iemand die bekend staat als een vriendelijk en behulpzaam persoon. Zelf kan hij een gevangenisstraf wel uitzitten, maar hij heeft veel zorgen om andere dingen. Met de oplegging van een gevangenisstraf wordt hij onevenredig belast. Ik vraag ook aan de advocaat- generaal om over een andere straftoemeting na te denken. De raadsman voert andermaal het woord: De advocaat-generaal stelt dat het grote onderzoek door de politie in 2016 is gesloten. Dat is al negen jaar geleden. Ik kan niet zeggen dat er sprake is van voortvarendheid. Het onderzoek heeft lang geduurd, kennelijk omdat het moeilijk was om de zaken te plannen. Dat is een omstandigheid die mijn cliënt niet valt aan te rekenen. Dat is enkel anders wanneer de verdediging om veel getuigenverhoren had verzocht. Mijn cliënt heeft nooit een dergelijk verzoek ingediend. Hij is altijd verschenen en heeft nooit gevraagd om uitstel. Volgens de advocaat-generaal is de termijnoverschrijding te wijten aan de omvang van de zaak. Ik heb veel grotere zaken gedaan en die komen vaak na twee jaar al op zitting. Het heeft in deze zaak gewoon veel te lang geduurd. Tien jaar, dat hoort niet. We zien in de jurisprudentie dat raadsheren bij extreme termijnoverschrijding kijken naar andere omstandigheden. Stel dat mijn cliënt in de afgelopen tien jaar nog meer feiten had gepleegd, dan was het anders. Ik vind dat als iemand niet laat zien dat hij zijn leven heeft verbeterd, hij ook niets moet zeggen. Het antwoord van het Openbaar Ministerie vind ik niet overtuigend. Ik heb in eerste aanleg nog de voorzitter van de rechtbank gesproken. Ik weet nog dat ik thuis achter mijn scherm zat te luisteren naar de zitting. Mr. Bosma heeft geweldig werk geleverd om de zaak op zitting te krijgen. Covid-19 is daarom ook niet schuldig aan de termijnoverschrijding. Wat heeft preventie nog voor doel? Mensen hebben al in de gevangenis gezeten en de club Bandidos is opgeheven. Ik had bij het Openbaar Ministerie meer begrip voor de huidige situatie verwacht. Generale preventie is bijna door erosie verweerd. Ik hoop dat uw hof kijkt naar de overschrijding van de redelijke termijn. Wellicht kan uw hof een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, of anders een taakstraf. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan mijn cliënt niet oplossen. Bij een taakstraf kan hij nog iets met zijn dochter regelen met betrekking tot de zorg van zijn vrouw.” 3.4 De op de zitting van 30 januari 2025 voorgedragen pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt ten aanzien van de strafmaat in: “Indien en voor zover er feiten bewezen kunnen worden wenst de verdediging dat er rekening wordt gehouden met de omstandigheden. Tijdens onze studie hebben we geleerd dat de doelstellingen van het sanctiesysteem in het strafrecht ziet op: a. vergelding (het bestraffen van de strafbare gedraging) b. generale preventie (bestraffing straalt een waarschuwing uit naar derden) c. specifieke preventie (betrokken zal door zijn bestraffing niet in herhaling vallen) We moeten constateren dat door de verstrekkende maatregelen die door de Rechtbank indertijd zijn genomen – lang voorarrest, daarna lange tijd contactverbod – de hiervoor genoemde doelen al voor een belangrijk gedeelte werden ingevuld. Je mag je afvragen of – nu na 10 jaar – straffen nog zinvol is nu er al een behoorlijk voorarrest heeft plaatsgevonden en ook daarna lange tijd sancties hebben gespeeld. De verdediging is van mening dat voor de straftoemeting in deze zaak met name heeft te gelden: a) het aandeel van betrokkene in de verweten gedragingen b) de periode die inmiddels is verstreken c) de gedragingen van de personen sedert het voorval d) de persoonlijke omstandigheden (familie situatie, is er werk). e) Is er een onderbouwde vrees voor herhaling. Voor [verdachte] geldt dat er een zekere betrokkenheid was bij henneplantage [C] en bij het incident bij [A] . Hoewel het O.M. en de verdediging verschillen over deelname aan de criminele organisaties kan worden geconcludeerd dat cliënt al lang in voorarrest heeft verbleven en daarnaast ook gedurende langere tijd gebonden was aan de gemeentegrenzen. Moet [verdachte] nog nadere straf ondergaan voor feiten die bijna 10 jaar geleden hebben plaatsgevonden? Na zijn vrijlating heeft [verdachte] werk gezocht en gevonden. Sedert september 2019 is hij in vaste dienst eerst via l-workx B.V. bij [C] en daarna vast bij [C] . (bijlage 1) Zijn thuis situatie wordt vooral gekenmerkt door veel zorgen over zijn vrouw.(bijlage 2) Het hoeft geen betoog dat de aanwezigheid van cliënt thuis absoluut noodzakelijk is. Hij is ook mantelzorger van haar. In eerste aanleg veroordeelde de Rechtbank [verdachte] tot 14 maanden gevangenisstraf. Hij heeft al 6 maanden in voorarrest gezeten. Gelet op de lange duur van de procedure, zijn rehabilitatie met het vinden van goed werk, de zorg die hij heeft over zijn vrouw is de vraag of de zaak niet kan worden afgedaan met een restant straf die voorwaardelijk is of een restantstraf in de vorm van een taakstraf. Sedert zijn vrijlating hebben zich geen incidenten meer voorgedaan. Ook het strafblad van cliënt – zoals het openbaar ministerie in eerste aanleg ook stelde – levert geen noemenswaardige feiten op. Er is hoegenaamd aantoonbaar geen vrees voor herhaling. Uit het standaardarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) volgt wanneer sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn alsmede welke consequenties hieraan verbonden dienen te worden. Hieruit volgt dat bij een overschrijding tot 12 maanden een strafkorting van 10% op zijn plaats is. Bij een overschrijding met meer dan 12 maanden handelt de rechter naar bevind van zaken (r.o. 3.6.4). De Rechtbank heeft 4 jaar geleden 14 maanden passend geacht. De AG komt tot een andere bewezenverklaring ( [A] geen verzwarende omstandigheden) en gelet op de enorme termijnoverschrijding dient dit gevolgen te hebben voor de straftoemeting.
Volledig
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.” Het verweer van de verdediging 3.3 Het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 13 januari en 30 januari 2025 houden – voor zover hier van belang – het volgende in: “De verdachte verklaart desgevraagd het volgende: Ik werk sinds drie jaar bij [C] . Ik doe de elektra in de meterkasten en plaats gasleiders en slimme meters. Ik zorg nog veel voor mijn vrouw, ik ben haar mantelzorger. Het gaat steeds slechter met haar. Zij wordt ’s ochtends opgehaald voor dagbesteding en wordt rond half drie in de middag thuis gebracht. Ik ben dan net thuis en dan zorg ik voor haar. Zij heeft twee herseninfarcten gehad en heeft Parkinson. Ik heb twee kinderen en twee kleinkinderen. De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. De raadsman voegt daaraan het navolgende toe: Mijn cliënt heeft eerst via een detacheringsbureau gewerkt bij [C] . Sinds 2022 is hij bij [C] in loondienst. Nadat deze strafzaak in de media bekend was, is mijn cliënt bij de directie geroepen. Sinds zijn vrijlating heeft hij geen contact meer met justitie. Is een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf mogelijk? In alle opzichten is de oplegging van een gevangenisstraf aan mijn cliënt een ramp. Daarom is de verdediging in appel gegaan. Wanneer mijn cliënt de gevangenis in moet, moet zijn vrouw hun huis uit. Mijn cliënt heeft van zijn zonden geleerd en heeft laten zien dat hij anders kan leven. De maatschappij is er niet bij gebaat wanneer aan mijn cliënt een gevangenisstraf wordt opgelegd. Mijn cliënt en zijn vrouw zouden daarbij extra gestraft worden. Hij kan een taakstraf verrichten. Mijn cliënt is iemand die bekend staat als een vriendelijk en behulpzaam persoon. Zelf kan hij een gevangenisstraf wel uitzitten, maar hij heeft veel zorgen om andere dingen. Met de oplegging van een gevangenisstraf wordt hij onevenredig belast. Ik vraag ook aan de advocaat- generaal om over een andere straftoemeting na te denken. De raadsman voert andermaal het woord: De advocaat-generaal stelt dat het grote onderzoek door de politie in 2016 is gesloten. Dat is al negen jaar geleden. Ik kan niet zeggen dat er sprake is van voortvarendheid. Het onderzoek heeft lang geduurd, kennelijk omdat het moeilijk was om de zaken te plannen. Dat is een omstandigheid die mijn cliënt niet valt aan te rekenen. Dat is enkel anders wanneer de verdediging om veel getuigenverhoren had verzocht. Mijn cliënt heeft nooit een dergelijk verzoek ingediend. Hij is altijd verschenen en heeft nooit gevraagd om uitstel. Volgens de advocaat-generaal is de termijnoverschrijding te wijten aan de omvang van de zaak. Ik heb veel grotere zaken gedaan en die komen vaak na twee jaar al op zitting. Het heeft in deze zaak gewoon veel te lang geduurd. Tien jaar, dat hoort niet. We zien in de jurisprudentie dat raadsheren bij extreme termijnoverschrijding kijken naar andere omstandigheden. Stel dat mijn cliënt in de afgelopen tien jaar nog meer feiten had gepleegd, dan was het anders. Ik vind dat als iemand niet laat zien dat hij zijn leven heeft verbeterd, hij ook niets moet zeggen. Het antwoord van het Openbaar Ministerie vind ik niet overtuigend. Ik heb in eerste aanleg nog de voorzitter van de rechtbank gesproken. Ik weet nog dat ik thuis achter mijn scherm zat te luisteren naar de zitting. Mr. Bosma heeft geweldig werk geleverd om de zaak op zitting te krijgen. Covid-19 is daarom ook niet schuldig aan de termijnoverschrijding. Wat heeft preventie nog voor doel? Mensen hebben al in de gevangenis gezeten en de club Bandidos is opgeheven. Ik had bij het Openbaar Ministerie meer begrip voor de huidige situatie verwacht. Generale preventie is bijna door erosie verweerd. Ik hoop dat uw hof kijkt naar de overschrijding van de redelijke termijn. Wellicht kan uw hof een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, of anders een taakstraf. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan mijn cliënt niet oplossen. Bij een taakstraf kan hij nog iets met zijn dochter regelen met betrekking tot de zorg van zijn vrouw.” 3.4 De op de zitting van 30 januari 2025 voorgedragen pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt ten aanzien van de strafmaat in: “Indien en voor zover er feiten bewezen kunnen worden wenst de verdediging dat er rekening wordt gehouden met de omstandigheden. Tijdens onze studie hebben we geleerd dat de doelstellingen van het sanctiesysteem in het strafrecht ziet op: a. vergelding (het bestraffen van de strafbare gedraging) b. generale preventie (bestraffing straalt een waarschuwing uit naar derden) c. specifieke preventie (betrokken zal door zijn bestraffing niet in herhaling vallen) We moeten constateren dat door de verstrekkende maatregelen die door de Rechtbank indertijd zijn genomen – lang voorarrest, daarna lange tijd contactverbod – de hiervoor genoemde doelen al voor een belangrijk gedeelte werden ingevuld. Je mag je afvragen of – nu na 10 jaar – straffen nog zinvol is nu er al een behoorlijk voorarrest heeft plaatsgevonden en ook daarna lange tijd sancties hebben gespeeld. De verdediging is van mening dat voor de straftoemeting in deze zaak met name heeft te gelden: a) het aandeel van betrokkene in de verweten gedragingen b) de periode die inmiddels is verstreken c) de gedragingen van de personen sedert het voorval d) de persoonlijke omstandigheden (familie situatie, is er werk). e) Is er een onderbouwde vrees voor herhaling. Voor [verdachte] geldt dat er een zekere betrokkenheid was bij henneplantage [C] en bij het incident bij [A] . Hoewel het O.M. en de verdediging verschillen over deelname aan de criminele organisaties kan worden geconcludeerd dat cliënt al lang in voorarrest heeft verbleven en daarnaast ook gedurende langere tijd gebonden was aan de gemeentegrenzen. Moet [verdachte] nog nadere straf ondergaan voor feiten die bijna 10 jaar geleden hebben plaatsgevonden? Na zijn vrijlating heeft [verdachte] werk gezocht en gevonden. Sedert september 2019 is hij in vaste dienst eerst via l-workx B.V. bij [C] en daarna vast bij [C] . (bijlage 1) Zijn thuis situatie wordt vooral gekenmerkt door veel zorgen over zijn vrouw.(bijlage 2) Het hoeft geen betoog dat de aanwezigheid van cliënt thuis absoluut noodzakelijk is. Hij is ook mantelzorger van haar. In eerste aanleg veroordeelde de Rechtbank [verdachte] tot 14 maanden gevangenisstraf. Hij heeft al 6 maanden in voorarrest gezeten. Gelet op de lange duur van de procedure, zijn rehabilitatie met het vinden van goed werk, de zorg die hij heeft over zijn vrouw is de vraag of de zaak niet kan worden afgedaan met een restant straf die voorwaardelijk is of een restantstraf in de vorm van een taakstraf. Sedert zijn vrijlating hebben zich geen incidenten meer voorgedaan. Ook het strafblad van cliënt – zoals het openbaar ministerie in eerste aanleg ook stelde – levert geen noemenswaardige feiten op. Er is hoegenaamd aantoonbaar geen vrees voor herhaling. Uit het standaardarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) volgt wanneer sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn alsmede welke consequenties hieraan verbonden dienen te worden. Hieruit volgt dat bij een overschrijding tot 12 maanden een strafkorting van 10% op zijn plaats is. Bij een overschrijding met meer dan 12 maanden handelt de rechter naar bevind van zaken (r.o. 3.6.4). De Rechtbank heeft 4 jaar geleden 14 maanden passend geacht. De AG komt tot een andere bewezenverklaring ( [A] geen verzwarende omstandigheden) en gelet op de enorme termijnoverschrijding dient dit gevolgen te hebben voor de straftoemeting.
Volledig
Die bevinding zou in casus – met alle persoonlijke omstandigheden – moeten zijn dat met een onvoorwaardelijk gedeelte gelijk voorarrest en een werkstraf voldoende passend kan zijn.” De bespreking van het middel 3.5 Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid, wat inhoudt dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. De verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting ligt in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. Waar het gaat om de motiveringsverplichting van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv, die naast de motiveringsvoorschriften van art. 359 lid 5 en 6 Sv zelfstandige betekenis heeft, past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de feitenrechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de feitenrechter daarvan juist zou moeten afzien. De feitenrechter moet dan op grond van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door de feitenrechter genoemde gronden voor de opgelegde straf. 3.6 De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten en een taakstraf op te leggen. In dat verband is onder meer bepleit dat: - de verdachte al zes maanden in voorarrest heeft gezeten; - de feiten dateren van tien jaar geleden en straffen niet langer zinvol is; - de verdachte sinds september 2019 een vaste baan heeft; - de verdachte mantelzorger is voor zijn vrouw; - het strafblad van de verdachte geen noemenswaardige feiten benoemt; - sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. 3.7 De stellers van het middel voeren aan dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat het hof acht heeft geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging en dat het hof evenmin voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht niet opwoog tegen de gronden voor de opgelegde straf. Geklaagd wordt dat niet is ingegaan op de hiervoor genoemde, door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden. 3.8 Blijkens het bestreden arrest heeft het hof hetgeen door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, gekwalificeerd als een straftoemetingsverweer. In zijn strafmaatoverwegingen is het hof ingegaan op de door de verdediging geschetste persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De overwegingen van het hof houden onder meer in dat de verdachte een baan heeft en mantelzorger is voor zijn vrouw. Het hof heeft deze omstandigheden beperkt meegewogen bij het bepalen van de strafmaat, gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Daarover heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte als secretary/treasurer een bestuursfunctie vervulde binnen Bandidos, welke motorclub zorgde voor een explosieve sfeer in Sittard en omgeving en een aantasting van de openbare orde, en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en het tezamen met anderen beroep- of bedrijfsmatig opzettelijk telen van hennepplanten en daarmee de illegale handel in softdrugs in stand heeft gehouden, met allerlei maatschappelijk ongewenste effecten tot gevolg. Het hof heeft in de omstandigheid dat de verdachte mantelzorger is wel aanleiding gezien om de straf te matigen met drie maanden. Ook heeft het hof in strafverzwarende zin in aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde eerder meermalen onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten was veroordeeld. Het hof heeft voorts acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten. Verder heeft het hof rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en een strafvermindering van vijf maanden toegepast. Het hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarmee heeft het hof genoegzaam de redenen opgegeven waarom het – in afwijking van het door de verdediging naar voren gebrachte standpunt – meent dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode die de verdachte in voorarrest heeft gezeten in combinatie met een taakstraf. Dat het hof daarbij niet uitvoerig op ieder aspect van dit standpunt is ingegaan, maakt dat niet anders. Het middel faalt. 4 Slotsom 4.1 Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. N. Jörg. HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294, NJ 2025/122, m.nt. J.M. ten Voorde; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde. Zie over de reikwijdte van de uit art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv voortvloeiende responsieplicht HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, waarnaar de Hoge Raad verwijst in HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294, NJ 2025/122, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.4.4.
Volledig
Die bevinding zou in casus – met alle persoonlijke omstandigheden – moeten zijn dat met een onvoorwaardelijk gedeelte gelijk voorarrest en een werkstraf voldoende passend kan zijn.” De bespreking van het middel 3.5 Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid, wat inhoudt dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. De verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting ligt in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. Waar het gaat om de motiveringsverplichting van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv, die naast de motiveringsvoorschriften van art. 359 lid 5 en 6 Sv zelfstandige betekenis heeft, past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de feitenrechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de feitenrechter daarvan juist zou moeten afzien. De feitenrechter moet dan op grond van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door de feitenrechter genoemde gronden voor de opgelegde straf. 3.6 De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten en een taakstraf op te leggen. In dat verband is onder meer bepleit dat: - de verdachte al zes maanden in voorarrest heeft gezeten; - de feiten dateren van tien jaar geleden en straffen niet langer zinvol is; - de verdachte sinds september 2019 een vaste baan heeft; - de verdachte mantelzorger is voor zijn vrouw; - het strafblad van de verdachte geen noemenswaardige feiten benoemt; - sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. 3.7 De stellers van het middel voeren aan dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat het hof acht heeft geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging en dat het hof evenmin voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht niet opwoog tegen de gronden voor de opgelegde straf. Geklaagd wordt dat niet is ingegaan op de hiervoor genoemde, door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden. 3.8 Blijkens het bestreden arrest heeft het hof hetgeen door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, gekwalificeerd als een straftoemetingsverweer. In zijn strafmaatoverwegingen is het hof ingegaan op de door de verdediging geschetste persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De overwegingen van het hof houden onder meer in dat de verdachte een baan heeft en mantelzorger is voor zijn vrouw. Het hof heeft deze omstandigheden beperkt meegewogen bij het bepalen van de strafmaat, gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Daarover heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte als secretary/treasurer een bestuursfunctie vervulde binnen Bandidos, welke motorclub zorgde voor een explosieve sfeer in Sittard en omgeving en een aantasting van de openbare orde, en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en het tezamen met anderen beroep- of bedrijfsmatig opzettelijk telen van hennepplanten en daarmee de illegale handel in softdrugs in stand heeft gehouden, met allerlei maatschappelijk ongewenste effecten tot gevolg. Het hof heeft in de omstandigheid dat de verdachte mantelzorger is wel aanleiding gezien om de straf te matigen met drie maanden. Ook heeft het hof in strafverzwarende zin in aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde eerder meermalen onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten was veroordeeld. Het hof heeft voorts acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten. Verder heeft het hof rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en een strafvermindering van vijf maanden toegepast. Het hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarmee heeft het hof genoegzaam de redenen opgegeven waarom het – in afwijking van het door de verdediging naar voren gebrachte standpunt – meent dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode die de verdachte in voorarrest heeft gezeten in combinatie met een taakstraf. Dat het hof daarbij niet uitvoerig op ieder aspect van dit standpunt is ingegaan, maakt dat niet anders. Het middel faalt. 4 Slotsom 4.1 Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. N. Jörg. HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294, NJ 2025/122, m.nt. J.M. ten Voorde; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde. Zie over de reikwijdte van de uit art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv voortvloeiende responsieplicht HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, waarnaar de Hoge Raad verwijst in HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294, NJ 2025/122, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.4.4.