Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:452
Strafrecht
6,736 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:452 text/xml public 2026-05-20T10:13:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03035 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:452 text/html public 2026-05-20T10:11:08 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:452 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03035 Conclusie AG. Bedreiging en mishandeling. Falend middel over bevestiging van beslissing tot partiële toewijzing van vordering van benadeelde partij. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03035 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 juli 2024 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023 bevestigd met uitzondering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Naast deze opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel had de politierechter de verdachte wegens 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 2. “mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Verder had de politierechter beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het vonnis bepaald. Het hof heeft de verdachte aanvullend een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contactverbod, opgelegd voor de duur van vijf jaren en heeft bepaald dat de vervangende hechtenis per overtreding van de maatregel is gesteld op drie dagen met een maximum van zes maanden. Het hof heeft deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds onderworpen is geweest aan de (eerder) dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel en met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in vervangende hechtenis heeft ondergaan. 1.2 Namens de verdachte heeft P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend. 2 Het middel 2.1 Het middel keert zich – naar ik begrijp – tegen de bevestiging door het hof van de beslissing van de politierechter tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bevat de klacht dat het oordeel dat sprake is van een situatie waarin de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat van een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden gesproken, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat niet is gemotiveerd waarom sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, althans waarom de benadeelde op andere wijze in haar persoon was aangetast en dat geen sprake is van een geval waarin de nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat als het ware automatisch een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij: “Feit 1: in de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats], [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes in de richting van voornoemde [benadeelde] te wijzen terwijl hij, verdachte, daarbij de volgende woorden toevoegde "Ik ga jou vermoorden" en "als zij het huis verlaat ga ik haar vermoorden en mezelf ook", althans woorden van gelijke bedreigende aard of strekking. Feit 2: in de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats] zijn levensgezel [benadeelde], heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] te slaan.” 2.3 Bij het in eerste aanleg door de benadeelde partij ingediende verzoek tot vergoeding van immateriële schade is een schadeonderbouwingsformulier van Slachtofferhulp Nederland gevoegd, dat onder meer inhoudt: “ Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding Benadeelde is door het handelen van verdachte op 'andere wijze in de persoon aangetast' ex artikel 6:106 sub b BW. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In de jurisprudentie is echter aanvaard dat van 'aantasting in de persoon op andere wijze' niet alleen sprake is indien geestelijk letsel in de zin van een psychiatrisch ziektebeeld kan worden vastgesteld, maar ook indien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde(n) die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen kunnen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken (zie onder meer r.o. 4.2.1 van Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Bij bedreiging met een wapen is niet vereist dat benadeelde geestelijk letsel (in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) heeft opgelopen; ook de aard van de normschending kan grond zijn voor toewijzing. Het handelen van verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde, dit kan worden aangemerkt als een vorm van 'aantasting in de persoon' zoals genoemd in artikel 6:106 sub b BW (zie onder meer r.o. 22 in de conclusie van AG Hofstee van 3 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1022 en ECLI:NL:GHARL:2020:10504).” 2.4 De politierechter heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] als volgt overwogen: “De benadeelde partij [benadeelde] vordert € 1.250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. In het belang van en zoals gevorderd door de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd voor het deel van de gevorderde schadeposten die zijn toegewezen.” 2.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2024 vermeldt dat de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd conform de door haar overgelegde pleitnotities, die – voor zover hier van belang – inhouden: “Vordering benadeelde partij 56. Gelet op de bepleite integrale vrijspraak verzoek ik u om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. 57. Subsidiair verzoek ik u eveneens als de politierechter aansluiting te zoeken bij soortgelijke zaken en verzoek ik u de immateriële schade op hooguit 500 euro te begroten.” 2.6 Art. 6:106 BW luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […] b.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:452 text/xml public 2026-05-20T10:13:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03035 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:452 text/html public 2026-05-20T10:11:08 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:452 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03035 Conclusie AG. Bedreiging en mishandeling. Falend middel over bevestiging van beslissing tot partiële toewijzing van vordering van benadeelde partij. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03035 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 juli 2024 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023 bevestigd met uitzondering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Naast deze opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel had de politierechter de verdachte wegens 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 2. “mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Verder had de politierechter beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het vonnis bepaald. Het hof heeft de verdachte aanvullend een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contactverbod, opgelegd voor de duur van vijf jaren en heeft bepaald dat de vervangende hechtenis per overtreding van de maatregel is gesteld op drie dagen met een maximum van zes maanden. Het hof heeft deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds onderworpen is geweest aan de (eerder) dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel en met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in vervangende hechtenis heeft ondergaan. 1.2 Namens de verdachte heeft P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend. 2 Het middel 2.1 Het middel keert zich – naar ik begrijp – tegen de bevestiging door het hof van de beslissing van de politierechter tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bevat de klacht dat het oordeel dat sprake is van een situatie waarin de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat van een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden gesproken, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat niet is gemotiveerd waarom sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, althans waarom de benadeelde op andere wijze in haar persoon was aangetast en dat geen sprake is van een geval waarin de nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat als het ware automatisch een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij: “Feit 1: in de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats], [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes in de richting van voornoemde [benadeelde] te wijzen terwijl hij, verdachte, daarbij de volgende woorden toevoegde "Ik ga jou vermoorden" en "als zij het huis verlaat ga ik haar vermoorden en mezelf ook", althans woorden van gelijke bedreigende aard of strekking. Feit 2: in de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats] zijn levensgezel [benadeelde], heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] te slaan.” 2.3 Bij het in eerste aanleg door de benadeelde partij ingediende verzoek tot vergoeding van immateriële schade is een schadeonderbouwingsformulier van Slachtofferhulp Nederland gevoegd, dat onder meer inhoudt: “ Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding Benadeelde is door het handelen van verdachte op 'andere wijze in de persoon aangetast' ex artikel 6:106 sub b BW. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In de jurisprudentie is echter aanvaard dat van 'aantasting in de persoon op andere wijze' niet alleen sprake is indien geestelijk letsel in de zin van een psychiatrisch ziektebeeld kan worden vastgesteld, maar ook indien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde(n) die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen kunnen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken (zie onder meer r.o. 4.2.1 van Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Bij bedreiging met een wapen is niet vereist dat benadeelde geestelijk letsel (in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) heeft opgelopen; ook de aard van de normschending kan grond zijn voor toewijzing. Het handelen van verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde, dit kan worden aangemerkt als een vorm van 'aantasting in de persoon' zoals genoemd in artikel 6:106 sub b BW (zie onder meer r.o. 22 in de conclusie van AG Hofstee van 3 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1022 en ECLI:NL:GHARL:2020:10504).” 2.4 De politierechter heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] als volgt overwogen: “De benadeelde partij [benadeelde] vordert € 1.250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. In het belang van en zoals gevorderd door de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd voor het deel van de gevorderde schadeposten die zijn toegewezen.” 2.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2024 vermeldt dat de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd conform de door haar overgelegde pleitnotities, die – voor zover hier van belang – inhouden: “Vordering benadeelde partij 56. Gelet op de bepleite integrale vrijspraak verzoek ik u om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. 57. Subsidiair verzoek ik u eveneens als de politierechter aansluiting te zoeken bij soortgelijke zaken en verzoek ik u de immateriële schade op hooguit 500 euro te begroten.” 2.6 Art. 6:106 BW luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […] b.
Volledig
indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.” 2.7 In zijn overzichtsarrest van 29 mei 2019, heeft de Hoge Raad onder meer als volgt overwogen (met weglating van voetnoten): “b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW) […] 2.4.5 Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.” 2.8 Art. 361 lid 4 Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen. Uit de beslissing zal in ieder geval moeten blijken op welke in art. 6:106 BW genoemde grond de vordering is toegewezen. Indien de grond niet aanstonds blijkt uit (de motivering van) de beslissing, zal deze onder omstandigheden kunnen worden ingelezen. Daarvoor is wel vereist dat de feitelijke vaststellingen die (ingelezen) grond kunnen dragen. 2.9 Blijkens de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij is de vordering gestoeld op de grond dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 sub b BW, doordat – gelet op de aard van de normschending – het handelen van de verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij. 2.10 Het hof heeft het vonnis van de politierechter bij arrest van 30 juli 2024 bevestigd, met uitzondering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. In dat vonnis heeft de politierechter ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij overwogen dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en dat ter terechtzitting (alleen) de hoogte van de vordering is betwist. De (immateriële) schade is – op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend – naar billijkheid op € 500 begroot. Namens de verdachte is in hoger beroep de hoogte van de vordering betwist. 2.11 Uit de overwegingen die ten grondslag liggen aan de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in het door het hof bevestigde vonnis, volgt dat die vordering is toegewezen aangezien er een ‘ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer’. Mede gelet op hetgeen aan de vordering ten grondslag is gelegd, volgt daaruit dat de toewijzing is gestoeld op de grond dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. 2.12 Ik acht de bevestiging door het hof van de beslissing van de rechtbank tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, in het licht van hetgeen ten laste van de verdachte is bewezenverklaard (de bedreiging met een mes) en van hetgeen aan de vordering ten grondslag is gelegd, terwijl in hoger beroep alleen de hoogte van de vordering is betwist, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. 2.13 Het middel faalt. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 23-002962-23. HR 29 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga. Vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0173 en HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7391. Vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1947.
Volledig
indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.” 2.7 In zijn overzichtsarrest van 29 mei 2019, heeft de Hoge Raad onder meer als volgt overwogen (met weglating van voetnoten): “b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW) […] 2.4.5 Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.” 2.8 Art. 361 lid 4 Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen. Uit de beslissing zal in ieder geval moeten blijken op welke in art. 6:106 BW genoemde grond de vordering is toegewezen. Indien de grond niet aanstonds blijkt uit (de motivering van) de beslissing, zal deze onder omstandigheden kunnen worden ingelezen. Daarvoor is wel vereist dat de feitelijke vaststellingen die (ingelezen) grond kunnen dragen. 2.9 Blijkens de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij is de vordering gestoeld op de grond dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 sub b BW, doordat – gelet op de aard van de normschending – het handelen van de verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij. 2.10 Het hof heeft het vonnis van de politierechter bij arrest van 30 juli 2024 bevestigd, met uitzondering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. In dat vonnis heeft de politierechter ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij overwogen dat vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en dat ter terechtzitting (alleen) de hoogte van de vordering is betwist. De (immateriële) schade is – op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend – naar billijkheid op € 500 begroot. Namens de verdachte is in hoger beroep de hoogte van de vordering betwist. 2.11 Uit de overwegingen die ten grondslag liggen aan de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in het door het hof bevestigde vonnis, volgt dat die vordering is toegewezen aangezien er een ‘ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer’. Mede gelet op hetgeen aan de vordering ten grondslag is gelegd, volgt daaruit dat de toewijzing is gestoeld op de grond dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. 2.12 Ik acht de bevestiging door het hof van de beslissing van de rechtbank tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, in het licht van hetgeen ten laste van de verdachte is bewezenverklaard (de bedreiging met een mes) en van hetgeen aan de vordering ten grondslag is gelegd, terwijl in hoger beroep alleen de hoogte van de vordering is betwist, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. 2.13 Het middel faalt. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 23-002962-23. HR 29 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga. Vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0173 en HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7391. Vgl. HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1947.