Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:442
Strafrecht
10,595 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:442 text/xml public 2026-05-20T14:53:02 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/04185 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:442 text/html public 2026-05-20T14:39:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:442 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/04185 Conclusie AG. Mensenhandel door uitbuiten van vijf huishoudelijke hulpen uit Indonesië (art. 273f Sr). Vervolg na vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:156). M1 over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van een getuige omdat de verdediging afstand heeft gedaan van die getuige in de procedure bij het hof voorafgaand aan de vernietiging door de Hoge Raad. Middel slaagt zodat andere klachten geen bespreking behoeven. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/0186. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04185 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een aantal in beslag genomen voorwerpen en heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/04186. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 De procesgang 2.1 De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) het meermalen medeplegen van mensenhandel. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 9 december 2021 vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel (en haar veroordeeld voor de overige twee ten laste gelegde feiten). De advocaat-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. 2.2 Bij arrest van 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:156 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd omdat – kort gezegd – de vrijspraak “kennelijk op de onjuiste opvatting [berust] dat slechts de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting en dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, daarom geen bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel toelaten”. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, “maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging” en wees de zaak terug naar het hof Amsterdam “opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan”. Na terugwijzing van de zaak heeft het hof Amsterdam de verdachte veroordeeld voor het meermalen medeplegen van mensenhandel, tegen welke veroordeling het huidige cassatieberoep zich richt. 3 Het eerste middel 3.1 In het middel wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen op de grond dat de verdediging reeds tijdens de inhoudelijke behandeling van de eerste procedure in hoger beroep afstand van voornoemde getuige heeft gedaan, onjuist dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen is omkleed. 3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021, op welke terechtzitting de zaak werd behandeld in de procesfase voorafgaande aan de eerste cassatieprocedure bij de Hoge Raad, houdt onder meer in: “De voorzitter maakt voorts melding van het e-mailbericht van mr. I.N. Weski van 11 november 2021, houdende de mededeling dat de verdediging in de zaak van de verdachte [verdachte] afstand doet van het horen van [medeverdachte] als getuige, en houdende onderzoekswensen, te weten het verzoek tot het afspelen van videobestanden op de terechtzitting van heden, het horen van de aangeefsters als getuigen en het horen [getuige] als getuige. Voorts maakt de voorzitter melding van de bij e-mailbericht van 12 november 2021 door de advocaat-generaal gegeven reactie op deze onderzoekswensen, inhoudende dat zij zich verzet tegen het horen van alle verzochte getuigen. Deze correspondentie is eveneens in de dossiers gevoegd.” 3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024, op welke terechtzitting de zaak na terugwijzing door de Hoge Raad werd behandeld, houdt onder meer het volgende in, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel: “De voorzitter maakt melding van de volgende bij het hof ingekomen stukken. In de zaken van beide verdachten: - een e-mailbericht van de raadsman van 17 oktober 2024, inhoudende een aantal verzoeken tot nader onderzoek en het verzoek de zitting van heden een regiekarakter te geven; (…) De raadslieden worden in de gelegenheid gesteld de verzoeken om onderzoek, aangekondigd in de mail van 17 oktober 2024, te doen naar voren te brengen en toe te lichten. Mr. Weski voert in beide zaken het volgende aan: Ik verzoek namens beide cliënten de volgende personen te horen als getuige: (…) 19. Beide cliënten over en weer in elkaars zaken. (…) Aangezien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, is het criterium van het verdedigingsbelang aan de orde. Dit geldt echter niet voor de getuigen die reeds zijn gehoord. (…) Tot slot wenst de verdediging beide cliënten te horen in elkaars zaken. De verdediging wenst vragen te stellen over de paspoorten van de aangeefsters en eventueel over het wel of niet behaalde economisch voordeel. Met betrekking tot het horen van [verdachte] in de zaak van [medeverdachte] merk ik in het bijzonder het volgende op. De rol van [medeverdachte] lag net iets anders. [verdachte] was degene die contact legde met personen in Indonesië. Zij sprak de taal. In de verklaringen van de aangeefsters staat ook dat zij geen contact hadden met [medeverdachte] . De ruzie die in de app-berichten te lezen is, speelde zich niet af tussen [medeverdachte] en de aangeefsters. [verdachte] dient in de zaak van [medeverdachte] dus te worden gehoord over wat zijn rol was. U houdt mij voor dat [verdachte] hierover eerder is gehoord. Dat klopt. De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld haar standpunt met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging kenbaar te maken. Zij voert het volgende aan: Gelet op het tijdstip van het indienen van de verzoeken, dienen de verzoeken te worden getoetst aan het noodzaakscriterium. De raadslieden hadden de verzoeken eerder kunnen indienen. Ik verwijs naar een arrest van uw hof van 23 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:457. Het gaat erom of de ‘procedure as a whole’ eerlijk is geweest. Ik meen dat alle verzoeken dienen te worden afgewezen. (…) Ook het horen van de verdachten in elkaars zaken (verzoek 19) is eerder ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2018 verzocht door de verdediging. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 en 25 november 2021 lees ik op pagina 3 dat de verdediging in de zaak van [verdachte] afstand heeft gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige, die niet ter terechtzitting aanwezig was. Ik verwijs naar het arrest van uw hof uit 2023 dat ik zojuist heb genoemd en verzoek u dit verzoek om proceseconomische redenen af te wijzen. De verdediging wenst de verdachten in elkaars zaken te horen over de paspoorten.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:442 text/xml public 2026-05-20T14:53:02 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/04185 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:442 text/html public 2026-05-20T14:39:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:442 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/04185 Conclusie AG. Mensenhandel door uitbuiten van vijf huishoudelijke hulpen uit Indonesië (art. 273f Sr). Vervolg na vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:156). M1 over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van een getuige omdat de verdediging afstand heeft gedaan van die getuige in de procedure bij het hof voorafgaand aan de vernietiging door de Hoge Raad. Middel slaagt zodat andere klachten geen bespreking behoeven. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/0186. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04185 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een aantal in beslag genomen voorwerpen en heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/04186. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 De procesgang 2.1 De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) het meermalen medeplegen van mensenhandel. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 9 december 2021 vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel (en haar veroordeeld voor de overige twee ten laste gelegde feiten). De advocaat-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. 2.2 Bij arrest van 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:156 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd omdat – kort gezegd – de vrijspraak “kennelijk op de onjuiste opvatting [berust] dat slechts de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting en dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, daarom geen bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel toelaten”. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, “maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging” en wees de zaak terug naar het hof Amsterdam “opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan”. Na terugwijzing van de zaak heeft het hof Amsterdam de verdachte veroordeeld voor het meermalen medeplegen van mensenhandel, tegen welke veroordeling het huidige cassatieberoep zich richt. 3 Het eerste middel 3.1 In het middel wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen op de grond dat de verdediging reeds tijdens de inhoudelijke behandeling van de eerste procedure in hoger beroep afstand van voornoemde getuige heeft gedaan, onjuist dan wel onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen is omkleed. 3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021, op welke terechtzitting de zaak werd behandeld in de procesfase voorafgaande aan de eerste cassatieprocedure bij de Hoge Raad, houdt onder meer in: “De voorzitter maakt voorts melding van het e-mailbericht van mr. I.N. Weski van 11 november 2021, houdende de mededeling dat de verdediging in de zaak van de verdachte [verdachte] afstand doet van het horen van [medeverdachte] als getuige, en houdende onderzoekswensen, te weten het verzoek tot het afspelen van videobestanden op de terechtzitting van heden, het horen van de aangeefsters als getuigen en het horen [getuige] als getuige. Voorts maakt de voorzitter melding van de bij e-mailbericht van 12 november 2021 door de advocaat-generaal gegeven reactie op deze onderzoekswensen, inhoudende dat zij zich verzet tegen het horen van alle verzochte getuigen. Deze correspondentie is eveneens in de dossiers gevoegd.” 3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024, op welke terechtzitting de zaak na terugwijzing door de Hoge Raad werd behandeld, houdt onder meer het volgende in, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel: “De voorzitter maakt melding van de volgende bij het hof ingekomen stukken. In de zaken van beide verdachten: - een e-mailbericht van de raadsman van 17 oktober 2024, inhoudende een aantal verzoeken tot nader onderzoek en het verzoek de zitting van heden een regiekarakter te geven; (…) De raadslieden worden in de gelegenheid gesteld de verzoeken om onderzoek, aangekondigd in de mail van 17 oktober 2024, te doen naar voren te brengen en toe te lichten. Mr. Weski voert in beide zaken het volgende aan: Ik verzoek namens beide cliënten de volgende personen te horen als getuige: (…) 19. Beide cliënten over en weer in elkaars zaken. (…) Aangezien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, is het criterium van het verdedigingsbelang aan de orde. Dit geldt echter niet voor de getuigen die reeds zijn gehoord. (…) Tot slot wenst de verdediging beide cliënten te horen in elkaars zaken. De verdediging wenst vragen te stellen over de paspoorten van de aangeefsters en eventueel over het wel of niet behaalde economisch voordeel. Met betrekking tot het horen van [verdachte] in de zaak van [medeverdachte] merk ik in het bijzonder het volgende op. De rol van [medeverdachte] lag net iets anders. [verdachte] was degene die contact legde met personen in Indonesië. Zij sprak de taal. In de verklaringen van de aangeefsters staat ook dat zij geen contact hadden met [medeverdachte] . De ruzie die in de app-berichten te lezen is, speelde zich niet af tussen [medeverdachte] en de aangeefsters. [verdachte] dient in de zaak van [medeverdachte] dus te worden gehoord over wat zijn rol was. U houdt mij voor dat [verdachte] hierover eerder is gehoord. Dat klopt. De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld haar standpunt met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging kenbaar te maken. Zij voert het volgende aan: Gelet op het tijdstip van het indienen van de verzoeken, dienen de verzoeken te worden getoetst aan het noodzaakscriterium. De raadslieden hadden de verzoeken eerder kunnen indienen. Ik verwijs naar een arrest van uw hof van 23 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:457. Het gaat erom of de ‘procedure as a whole’ eerlijk is geweest. Ik meen dat alle verzoeken dienen te worden afgewezen. (…) Ook het horen van de verdachten in elkaars zaken (verzoek 19) is eerder ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2018 verzocht door de verdediging. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 en 25 november 2021 lees ik op pagina 3 dat de verdediging in de zaak van [verdachte] afstand heeft gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige, die niet ter terechtzitting aanwezig was. Ik verwijs naar het arrest van uw hof uit 2023 dat ik zojuist heb genoemd en verzoek u dit verzoek om proceseconomische redenen af te wijzen. De verdediging wenst de verdachten in elkaars zaken te horen over de paspoorten.
Volledig
Ik verwijs naar pagina A 06 191 van het procesdossier, waar staat beschreven dat [medeverdachte] tijdens het binnentreden de paspoorten uit een plastic tas uit de kast haalde. Het is duidelijk dat [medeverdachte] wist waar de paspoorten lagen. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 verklaard dat zij bang was dat de aangeefsters zouden vertrekken met haar kinderen. Het is duidelijk dat zij de paspoorten had ingenomen. Daarom zie ik geen noodzaak tot het horen van de verdachten in elkaars zaken. (…) De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal dat het noodzaakscriterium van toepassing is. Hij deelt in dat verband mede: Wij zijn van mening dat het criterium van het verdedigingsbelang geldt, tenzij de verzochte getuigen al eerder zijn gehoord. Dat geldt ook voor het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen als getuige, ook al heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] .” 3.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 heeft het hof het verzoek van de verdediging om de medeverdachte [medeverdachte] te horen als volgt afgewezen: “Het verzoek tot het horen van de verdachten in elkaars zaken (verzoek 19) wordt afgewezen. De verdediging heeft in de zaak van [verdachte] reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige. Om die reden wordt het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen afgewezen. (…) Evenmin ziet het hof in de arresten van de Hoge Raad in onderhavige zaken aanleiding om de verdachten (nogmaals) in elkaars zaak te horen als getuige.” 3.5 In de toelichting op het middel wordt met twee klachten opgekomen tegen ‘s hofs afwijzing van het getuigenverzoek. 3.6 De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof “louter lijkt te rusten op de door de verdediging in eerdere procesfase gedane afstand van deze getuige”, terwijl “niet of niet zonder meer gesteld kan worden dat deze afstand of waiver zich ook uitstrekt tot de procesfase na terugwijzing door de Hoge Raad”. 3.7 Het hof heeft, zoals hiervoor onder randnummer 3.4 reeds is weergegeven, aan zijn afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen ten grondslag gelegd dat “[d]e verdediging (…) reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand [heeft] gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige”. Gelet daarop meen ik dat deze klacht als een rechtsklacht moet worden opgevat – inhoudende dat ’s hofs afwijzing van het verzoek om [medeverdachte] als getuige te horen op de (enkele) grond dat de verdediging reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand heeft gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige, op de onjuiste rechtsopvatting berust dat als de verdediging in hoger beroep (ondubbelzinnig) afstand heeft gedaan van het horen een getuige en de zaak vervolgens door de Hoge Raad wordt beoordeeld en teruggewezen of verwezen naar het hof om – in ieder geval ten aanzien van de beslissingen over het ten laste gelegde feit waarop het getuigenverzoek ziet – opnieuw te worden berecht en afgedaan, de verdediging in de daaropvolgende procedure in hoger beroep niet kan terugkomen van deze afstand en het opnieuw verzoeken om deze getuige te horen met andere woorden (onder alle denkbare omstandigheden, waaronder derhalve alle denkbare motiveringen van zo’n verzoek) zinloos is. 3.8 Ik stel het volgende voorop. In het geval dat in een cassatieprocedure de Hoge Raad een uitspraak vernietigt en de zaak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, op de voet van art. 440 Sv terugwijst naar het hof of verwijst naar een ander hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan, is het de taak van de rechter die na verwijzing of terugwijzing moet oordelen om het onderzoek binnen de uit de beslissing van de Hoge Raad voortvloeiende grenzen “geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit”. Voor de beoordeling van de voorliggende rechtsopvatting is van belang te weten wat onder het ‘geheel opnieuw aanvangen en voltooien’ in de hier bedoelde zin moet worden verstaan en welk ‘tegendeel’ mogelijk uit de wet voortvloeit. 3.9 Corstens schrijft dat onder “opnieuw berechten en afdoen” moet worden verstaan “dat de zaak weer terugkeert naar de stand waarin deze zich bevond voordat het rechtsgeding in de instantie waarvan de beslissing is vernietigd, aanving.” Het betekent een geheel nieuwe behandeling met het oog op de op de voet van art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen. Met AG Van Dorst meen ik dat vernietiging van een rechterlijke einduitspraak “impliceert dat die uitspraak niet meer bestaat en dat ook het onderzoek dat daaraan vooraf is gegaan, geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden” en dat dit tot gevolg heeft “dat de rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zelfstandig een geheel nieuw onderzoek dient in te stellen”. Die rechter is met andere woorden “in geen enkel opzicht gebonden door (tussen)beslissingen van de eerdere rechter noch door gedragingen van procespartijen of derden op de eerdere zitting”. Daaruit vloeit volgens Van Dorst voort dat de verdachte vrij is in het betrekken van zijn – al dan niet nieuwe – positie, zoals het voeren van een (niet eerder aangevoerd) verweer. Dat na terug- of verwijzing van de zaak een geheel nieuwe behandeling dient plaats te vinden, past ook bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de niet-toepasselijkheid van art. 410 lid 1 Sv en de daarmee samenhangende bepalingen en het desondanks onverkort gelden van art. 263, tweede tot en met vijfde lid en art. 264 Sv wat betreft de opgave door de verdediging van getuigen. 3.10 Het voorgaande betekent echter niet dat gebeurtenissen op de eerdere zitting nadien geen enkele rol meer kunnen of mogen spelen, omdat het enkele feit dat de einduitspraak is vernietigd nog niet betekent dat de eerdere zitting alsnog geacht wordt niet te hebben bestaan. De rechter mag na terug- of verwijzing van de zaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting aandacht besteden aan hetgeen op een eerdere terechtzitting is voorgevallen en daarbij kennisnemen van het daarvan opgemaakte proces-verbaal, mits de rechter louter tot zijn oordeel komt op de grondslag van zijn ter terechtzitting opnieuw verrichte en voltooide onderzoek. Wel mag hij gebruikmaken van op de eerdere terechtzitting afgelegde getuigenverklaringen. Het voorgaande “laat echter onverlet dat hetgeen daar is geschied nadien nog slechts bij hoge uitzondering een rol kan spelen. Want vernietiging van een rechterlijke beslissing is op zichzelf al een sanctie die tot gevolg heeft dat ook fouten waarop de vernietiging niet steunt, nadien in beginsel niet meer relevant zijn”. 3.11 Uit het voorgaande moet mijns inziens worden afgeleid (a) dat het de verdediging vrijstaat om na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad een nieuwe positie te betrekken, (b) dat zij derhalve getuigenverzoeken mag doen die zij eerder niet zinvol achtte en (c) dat haar daarom door de rechter niet kan worden tegengeworpen dat zij in de procesfase voorafgaande aan de beoordeling van de zaak door de Hoge Raad reeds afstand heeft gedaan van het horen van een getuige (en evenmin dat het verzoek om die getuige te horen derhalve moet worden verworpen). Hieruit vloeit voort dat de hiervoor onder randnummer 3.7 weergegeven rechtsopvatting van het hof onjuist is en dat de afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] te horen op de grond dat de verdediging reeds tijdens de inhoudelijke behandeling van de eerste procedure in hoger beroep afstand van deze getuige heeft gedaan, op een onjuiste rechtsopvatting berust. Het middel klaagt daarover terecht.
Volledig
Ik verwijs naar pagina A 06 191 van het procesdossier, waar staat beschreven dat [medeverdachte] tijdens het binnentreden de paspoorten uit een plastic tas uit de kast haalde. Het is duidelijk dat [medeverdachte] wist waar de paspoorten lagen. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 verklaard dat zij bang was dat de aangeefsters zouden vertrekken met haar kinderen. Het is duidelijk dat zij de paspoorten had ingenomen. Daarom zie ik geen noodzaak tot het horen van de verdachten in elkaars zaken. (…) De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal dat het noodzaakscriterium van toepassing is. Hij deelt in dat verband mede: Wij zijn van mening dat het criterium van het verdedigingsbelang geldt, tenzij de verzochte getuigen al eerder zijn gehoord. Dat geldt ook voor het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen als getuige, ook al heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] .” 3.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 heeft het hof het verzoek van de verdediging om de medeverdachte [medeverdachte] te horen als volgt afgewezen: “Het verzoek tot het horen van de verdachten in elkaars zaken (verzoek 19) wordt afgewezen. De verdediging heeft in de zaak van [verdachte] reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige. Om die reden wordt het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen afgewezen. (…) Evenmin ziet het hof in de arresten van de Hoge Raad in onderhavige zaken aanleiding om de verdachten (nogmaals) in elkaars zaak te horen als getuige.” 3.5 In de toelichting op het middel wordt met twee klachten opgekomen tegen ‘s hofs afwijzing van het getuigenverzoek. 3.6 De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof “louter lijkt te rusten op de door de verdediging in eerdere procesfase gedane afstand van deze getuige”, terwijl “niet of niet zonder meer gesteld kan worden dat deze afstand of waiver zich ook uitstrekt tot de procesfase na terugwijzing door de Hoge Raad”. 3.7 Het hof heeft, zoals hiervoor onder randnummer 3.4 reeds is weergegeven, aan zijn afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen ten grondslag gelegd dat “[d]e verdediging (…) reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand [heeft] gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige”. Gelet daarop meen ik dat deze klacht als een rechtsklacht moet worden opgevat – inhoudende dat ’s hofs afwijzing van het verzoek om [medeverdachte] als getuige te horen op de (enkele) grond dat de verdediging reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand heeft gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige, op de onjuiste rechtsopvatting berust dat als de verdediging in hoger beroep (ondubbelzinnig) afstand heeft gedaan van het horen een getuige en de zaak vervolgens door de Hoge Raad wordt beoordeeld en teruggewezen of verwezen naar het hof om – in ieder geval ten aanzien van de beslissingen over het ten laste gelegde feit waarop het getuigenverzoek ziet – opnieuw te worden berecht en afgedaan, de verdediging in de daaropvolgende procedure in hoger beroep niet kan terugkomen van deze afstand en het opnieuw verzoeken om deze getuige te horen met andere woorden (onder alle denkbare omstandigheden, waaronder derhalve alle denkbare motiveringen van zo’n verzoek) zinloos is. 3.8 Ik stel het volgende voorop. In het geval dat in een cassatieprocedure de Hoge Raad een uitspraak vernietigt en de zaak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, op de voet van art. 440 Sv terugwijst naar het hof of verwijst naar een ander hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan, is het de taak van de rechter die na verwijzing of terugwijzing moet oordelen om het onderzoek binnen de uit de beslissing van de Hoge Raad voortvloeiende grenzen “geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit”. Voor de beoordeling van de voorliggende rechtsopvatting is van belang te weten wat onder het ‘geheel opnieuw aanvangen en voltooien’ in de hier bedoelde zin moet worden verstaan en welk ‘tegendeel’ mogelijk uit de wet voortvloeit. 3.9 Corstens schrijft dat onder “opnieuw berechten en afdoen” moet worden verstaan “dat de zaak weer terugkeert naar de stand waarin deze zich bevond voordat het rechtsgeding in de instantie waarvan de beslissing is vernietigd, aanving.” Het betekent een geheel nieuwe behandeling met het oog op de op de voet van art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen. Met AG Van Dorst meen ik dat vernietiging van een rechterlijke einduitspraak “impliceert dat die uitspraak niet meer bestaat en dat ook het onderzoek dat daaraan vooraf is gegaan, geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden” en dat dit tot gevolg heeft “dat de rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zelfstandig een geheel nieuw onderzoek dient in te stellen”. Die rechter is met andere woorden “in geen enkel opzicht gebonden door (tussen)beslissingen van de eerdere rechter noch door gedragingen van procespartijen of derden op de eerdere zitting”. Daaruit vloeit volgens Van Dorst voort dat de verdachte vrij is in het betrekken van zijn – al dan niet nieuwe – positie, zoals het voeren van een (niet eerder aangevoerd) verweer. Dat na terug- of verwijzing van de zaak een geheel nieuwe behandeling dient plaats te vinden, past ook bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de niet-toepasselijkheid van art. 410 lid 1 Sv en de daarmee samenhangende bepalingen en het desondanks onverkort gelden van art. 263, tweede tot en met vijfde lid en art. 264 Sv wat betreft de opgave door de verdediging van getuigen. 3.10 Het voorgaande betekent echter niet dat gebeurtenissen op de eerdere zitting nadien geen enkele rol meer kunnen of mogen spelen, omdat het enkele feit dat de einduitspraak is vernietigd nog niet betekent dat de eerdere zitting alsnog geacht wordt niet te hebben bestaan. De rechter mag na terug- of verwijzing van de zaak tijdens het onderzoek ter terechtzitting aandacht besteden aan hetgeen op een eerdere terechtzitting is voorgevallen en daarbij kennisnemen van het daarvan opgemaakte proces-verbaal, mits de rechter louter tot zijn oordeel komt op de grondslag van zijn ter terechtzitting opnieuw verrichte en voltooide onderzoek. Wel mag hij gebruikmaken van op de eerdere terechtzitting afgelegde getuigenverklaringen. Het voorgaande “laat echter onverlet dat hetgeen daar is geschied nadien nog slechts bij hoge uitzondering een rol kan spelen. Want vernietiging van een rechterlijke beslissing is op zichzelf al een sanctie die tot gevolg heeft dat ook fouten waarop de vernietiging niet steunt, nadien in beginsel niet meer relevant zijn”. 3.11 Uit het voorgaande moet mijns inziens worden afgeleid (a) dat het de verdediging vrijstaat om na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad een nieuwe positie te betrekken, (b) dat zij derhalve getuigenverzoeken mag doen die zij eerder niet zinvol achtte en (c) dat haar daarom door de rechter niet kan worden tegengeworpen dat zij in de procesfase voorafgaande aan de beoordeling van de zaak door de Hoge Raad reeds afstand heeft gedaan van het horen van een getuige (en evenmin dat het verzoek om die getuige te horen derhalve moet worden verworpen). Hieruit vloeit voort dat de hiervoor onder randnummer 3.7 weergegeven rechtsopvatting van het hof onjuist is en dat de afwijzing van het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte] te horen op de grond dat de verdediging reeds tijdens de inhoudelijke behandeling van de eerste procedure in hoger beroep afstand van deze getuige heeft gedaan, op een onjuiste rechtsopvatting berust. Het middel klaagt daarover terecht.
Volledig
3.12 Gelet op het slagen van deze klacht meen ik dat de tweede deelklacht (inhoudende dat na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad sprake is “van de door Keulen genoemde situatie dat er een ander licht is geworpen op de feiten en omstandigheden (…) bij het begin van de berechting – in casu de eerste procedure in hoger beroep – [zo]dat verdachte en diens raadsman niet aan die eerdere afstandsverklaring kunnen worden gehouden”) , geen bespreking meer behoeft. Datzelfde geldt voor het tweede cassatiemiddel waarin wordt geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot de schending van de redelijke termijn in de feitelijke instanties. Mocht de Hoge Raad hierover anders denken, dan ben ik bereid aanvullend te concluderen. 4 Afronding 4.1 Het eerste middel is terecht voorgesteld, zodat het tweede middel niet behoeft te worden besproken. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer 23-000329-24 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3060). Deze rechtsklacht is in (de toelichting op) het middel niet nader gemotiveerd. Een rechtsklacht behoeft echter niet te worden gemotiveerd: Vgl. HR 2 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7638 in combinatie met de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Jörg van 4 november 2003. In cassatie is onbestreden dat de verdediging op die terechtzitting ‘afstand heeft gedaan’ van het horen van [medeverdachte] als getuige. Vgl. het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.69 en oudere arresten zoals HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.3 en HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964, NJ 2010/262 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht , bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1045, waarin hij verwijst naar HR 26 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9867, NJ 1988/261, m.nt. G.J.M. Corstens en HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6253, NJ 2007/286, m.nt. D.H. de Jong. Dat leid ik af uit HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4270. Zie zijn conclusie voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr. 5. Vgl. HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964, NJ 2010/262 m.nt. P.A.M. Mevis, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5546, NJ 2013/34, rov. 3.3 en 3.4 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.70-2.72. Vgl. de conclusie van A-G Van Dorst voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr 6. HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.4. Vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011/607, m.nt. M.J. Borgers. Borgers merkt in zijn annotatie op dat wat hem betreft uit dit arrest niet mag worden afgeleid dat de leden 3 en 4 van art. 322 Sv thans (geheel) overeenkomstige toepassing vinden op de procedure na terug- of verwijzing door de Hoge Raad, omdat ook nu uitgangspunt is dat het gerecht waarnaar is terug- of verwezen, het onderzoek ter terechtzitting in zijn geheel opnieuw moet aanvangen. Dat brengt volgens hem “met zich dat er – afgezien van het gebruikmaken van eerder afgelegde verklaringen – geen ruimte bestaat om de concreet in art. 322 lid 4 Sv genoemde beslissingen, voor zover die zijn genomen in de instantie voorafgaande aan de ver- of terugwijzing door de Hoge Raad, in stand te laten in de procedure na ver- of terugwijzing”. Dat spreekt volgens hem ook voor zich, nu de reden voor cassatie de onjuistheid van één van die beslissingen kan betreffen. Vgl. de conclusie van A-G Van Dorst voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr. 7. De stellers van het middel wijzen op de conclusie van Keulen van 3 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:630, randnrs. 53 en 56, waarin hij schrijft dat als de verdediging “expressly and in an unequivocal manner” afstand doet van het ondervragingsrecht, daaraan, in het geval later alsnog om een getuigenverhoor wordt verzocht, betekenis kan worden gehecht bij de vraag of het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen noodzakelijk is, maar dat daarbij wel een vereiste is dat deze afstand van het horen van de getuigen ofwel ‘waiver’ “plaatsvindt in full awareness of the facts of the case. Indien de berechting ander licht werpt op de feiten en omstandigheden die bij het begin van de berechting bekend waren, en tegen de achtergrond waarvan afstand van het ondervragingsrecht is gedaan, kunnen de verdachte en zijn raadsman daar niet langer aan gehouden worden. Het is daarbij aan de raadsman om over het voetlicht te brengen welke feiten en omstandigheden meebrengen dat de verdediging niet langer aan de eerdere afstand van recht gebonden is.”
Volledig
3.12 Gelet op het slagen van deze klacht meen ik dat de tweede deelklacht (inhoudende dat na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad sprake is “van de door Keulen genoemde situatie dat er een ander licht is geworpen op de feiten en omstandigheden (…) bij het begin van de berechting – in casu de eerste procedure in hoger beroep – [zo]dat verdachte en diens raadsman niet aan die eerdere afstandsverklaring kunnen worden gehouden”) , geen bespreking meer behoeft. Datzelfde geldt voor het tweede cassatiemiddel waarin wordt geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot de schending van de redelijke termijn in de feitelijke instanties. Mocht de Hoge Raad hierover anders denken, dan ben ik bereid aanvullend te concluderen. 4 Afronding 4.1 Het eerste middel is terecht voorgesteld, zodat het tweede middel niet behoeft te worden besproken. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer 23-000329-24 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3060). Deze rechtsklacht is in (de toelichting op) het middel niet nader gemotiveerd. Een rechtsklacht behoeft echter niet te worden gemotiveerd: Vgl. HR 2 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7638 in combinatie met de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Jörg van 4 november 2003. In cassatie is onbestreden dat de verdediging op die terechtzitting ‘afstand heeft gedaan’ van het horen van [medeverdachte] als getuige. Vgl. het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.69 en oudere arresten zoals HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.3 en HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964, NJ 2010/262 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht , bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1045, waarin hij verwijst naar HR 26 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9867, NJ 1988/261, m.nt. G.J.M. Corstens en HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6253, NJ 2007/286, m.nt. D.H. de Jong. Dat leid ik af uit HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4270. Zie zijn conclusie voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr. 5. Vgl. HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3964, NJ 2010/262 m.nt. P.A.M. Mevis, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5546, NJ 2013/34, rov. 3.3 en 3.4 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.70-2.72. Vgl. de conclusie van A-G Van Dorst voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr 6. HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, rov. 5.4. Vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011/607, m.nt. M.J. Borgers. Borgers merkt in zijn annotatie op dat wat hem betreft uit dit arrest niet mag worden afgeleid dat de leden 3 en 4 van art. 322 Sv thans (geheel) overeenkomstige toepassing vinden op de procedure na terug- of verwijzing door de Hoge Raad, omdat ook nu uitgangspunt is dat het gerecht waarnaar is terug- of verwezen, het onderzoek ter terechtzitting in zijn geheel opnieuw moet aanvangen. Dat brengt volgens hem “met zich dat er – afgezien van het gebruikmaken van eerder afgelegde verklaringen – geen ruimte bestaat om de concreet in art. 322 lid 4 Sv genoemde beslissingen, voor zover die zijn genomen in de instantie voorafgaande aan de ver- of terugwijzing door de Hoge Raad, in stand te laten in de procedure na ver- of terugwijzing”. Dat spreekt volgens hem ook voor zich, nu de reden voor cassatie de onjuistheid van één van die beslissingen kan betreffen. Vgl. de conclusie van A-G Van Dorst voorafgaande aan HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308, m.nt. T.M. Schalken, randnr. 7. De stellers van het middel wijzen op de conclusie van Keulen van 3 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:630, randnrs. 53 en 56, waarin hij schrijft dat als de verdediging “expressly and in an unequivocal manner” afstand doet van het ondervragingsrecht, daaraan, in het geval later alsnog om een getuigenverhoor wordt verzocht, betekenis kan worden gehecht bij de vraag of het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen noodzakelijk is, maar dat daarbij wel een vereiste is dat deze afstand van het horen van de getuigen ofwel ‘waiver’ “plaatsvindt in full awareness of the facts of the case. Indien de berechting ander licht werpt op de feiten en omstandigheden die bij het begin van de berechting bekend waren, en tegen de achtergrond waarvan afstand van het ondervragingsrecht is gedaan, kunnen de verdachte en zijn raadsman daar niet langer aan gehouden worden. Het is daarbij aan de raadsman om over het voetlicht te brengen welke feiten en omstandigheden meebrengen dat de verdediging niet langer aan de eerdere afstand van recht gebonden is.”