Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:372
Strafrecht
28,007 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:372 text/xml public 2026-05-20T12:46:00 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/04254 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:372 text/html public 2026-05-20T12:43:35 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:372 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/04254 Conclusie AG. Overtreding art. 9 lid 7 WVW 1994. Besturen personenauto, terwijl rijbewijs is ingevorderd en niet is teruggegeven. Middelen gaan over het gebruik voor het bewijs van een bepaalde verklaring van de verdachte, de grondslag waarop het rijbewijs is ingevorderd, het ontbreken van bewijs voor het niet teruggegeven zijn van het rijbewijs, de ontoereikendheid van de verwerping van een beroep op avas (feitelijke dwaling) en schending van de inzendtermijn in de cassatiefase. Het laatste middel slaagt, maar er kan gelet op de opgelegde straffen worden volstaan met de enkele constatering van termijnoverschrijding. De overige middelen falen, art. 81 lid 1 RO. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04254 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 19 november 2024 (parketnr. 23-001628-23) wegens 2. “overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994” (hierna: WVW 1994) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 24 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens het besturen van een personenauto, terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Het eerste middel richt zich tegen het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel II) om de reden dat niet duidelijk is dat en wanneer de verdachte die verklaring zou hebben afgelegd. Het tweede middel klaagt over de grondslag waarop het rijbewijs is ingevorderd en houdt verder in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het ingevorderde rijbewijs niet aan de verdachte zou zijn teruggegeven. Het derde middel bevat de klacht dat het hof niet, althans op ontoereikende wijze, heeft beslist op het beroep op afwezigheid van alle schuld. Het vierde middel houdt in dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden. 2.2 Deze conclusie strekt ertoe dat de eerste drie middelen falen en dat het vierde middel terecht is voorgesteld. 3 Bewezenverklaring en bewijsmiddelen 3.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 25 januari 2022 omstreeks 01:30 uur te Schiphol als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 een op zijn naam gesteld rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Loevesteinse Randweg, een motorrijtuig (personenauto), van de categorie waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd” 3.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “ I. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 31 mei 2023. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Na mijn eerste aanhouding ben ik later die nacht, op 25 januari 2022, weer weggereden in mijn auto. II. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik herinner mij dat bij de voorgeleiding het rijbewijs werd ingevorderd. III. Een proces-verbaal van invordering rijbewijs van 25 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren, digitale dossierpagina’s 58 - 60. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Op 25 januari 2022 omstreeks 00:22 uur, is naar aanleiding van: - overtreding van artikel 8/163 van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 24 januari 2022 te 23:30 uur in de gemeente Haarlemmermeer VAN: Naam : [verdachte] Voornamen Geboortedatum : [geboortedatum] 1976 Geboorteplaats : [geboorteplaats] Adres : [a-straat 1] Woonplaats : [plaats] de overgifte van het op zijn naam staand rijbewijs gevorderd. Het betreft een rijbewijs met nummer nr. [0001] , categorie AM,B, op 1 augustus 2018 afgegeven door de burgemeester te Amsterdam. Het rijbewijs werd ingevorderd omdat bovenstaande persoon verdacht wordt van overtreding van: - artikel 8/163 van de Wegenverkeerswet 1994: - immers, wij verbalisanten en/of getuige(n) hebben verdachte daadwerkelijk zien rijden - de verdachte weigerde medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 570 ug/l, hetgeen bleek uit: - het totaal geen medewerking verlenen. IV. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van ontvangst van het ingevorderd rijbewijs, opgemaakt op 25 januari 2022 door verbalisant [verbalisant 3] , digitale dossierpagina 43. Dit schriftelijke bescheid houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant [verbalisant 3] : Op 25-01-2022 omstreeks: 00:47 uur te Badhoevedorp in de gemeente Haarlemmermeer heb ik ontvangen het ingevorderde rijbewijs: Rijbewijsnummer: [0001] Afgegeven aan: Achternamen: [verdachte] Voornaam: Geboren op: [geboortedatum] 1976 VERBOD TOT BESTUREN VAN EEN RIJBEWIJSPLICHTIG MOTORRIJTUIG. (ARTIKEL 9 WEGENVERKEERSWET 1994) Het is degene van wie ingevolge artikel 130 en/of artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven te besturen of als bestuurder te doen besturen. V. Een proces-verbaal van rijden onder invloed van 25 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, digitale dossierpagina’s 31I-35. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant [verbalisant 4] : Op dinsdag, 25 januari 2022 om 01:30 uur zag ik, verbalisant, dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig, Personenauto, BMW/1 Serie, 4SZ-7760, reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Loevesteinse Randweg te Schiphol. Achternaam [verdachte] Geboortedatum [geboortedatum] 1976 Geboorteplaats [geboorteplaats] Geboorteland India Adres [a-straat 1] Postcode/plaats [plaats] ” 4 Het eerste middel 4.1 Het middel richt zich tegen het gebruik door het hof voor het bewijs van de verklaring van de verdachte “afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024” (bewijsmiddel II). 4.2 In de onder 3.2 weergegeven bewijsmiddelen is als bewijsmiddel II de door de verdachte “ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024” afgelegde verklaring “Ik herinner mij dat bij de voorgeleiding het rijbewijs werd ingevorderd” opgenomen. 4.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De raadsman deelt mee dat de verdachte zijn standpunt in deze zaak heeft opgeschreven, in het Engels, en dit stuk graag aan het hof wil overleggen. Hij overhandigt deze brief aan het hof. […] De voorzitter deelt mee: Nadat u uw auto parkeerde bij de bushalte, hebben ze u gevraagd om mee te werken aan een voorlopige blaastest. Omdat u niet meewerkte, bent u aangehouden en meegenomen naar het bureau (van de KMar). Daar is drie keer geprobeerd om een ademanalyse uit te voeren, zonder resultaat. Daarop bent u voorgeleid aan onderofficier [verbalisant 5] . Hij heeft u bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek. U heeft dat geweigerd. Toen is tegen u gezegd dat uw rijbewijs zou worden ingevorderd.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:372 text/xml public 2026-05-20T12:46:00 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/04254 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:372 text/html public 2026-05-20T12:43:35 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:372 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/04254 Conclusie AG. Overtreding art. 9 lid 7 WVW 1994. Besturen personenauto, terwijl rijbewijs is ingevorderd en niet is teruggegeven. Middelen gaan over het gebruik voor het bewijs van een bepaalde verklaring van de verdachte, de grondslag waarop het rijbewijs is ingevorderd, het ontbreken van bewijs voor het niet teruggegeven zijn van het rijbewijs, de ontoereikendheid van de verwerping van een beroep op avas (feitelijke dwaling) en schending van de inzendtermijn in de cassatiefase. Het laatste middel slaagt, maar er kan gelet op de opgelegde straffen worden volstaan met de enkele constatering van termijnoverschrijding. De overige middelen falen, art. 81 lid 1 RO. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04254 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 19 november 2024 (parketnr. 23-001628-23) wegens 2. “overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994” (hierna: WVW 1994) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 24 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens het besturen van een personenauto, terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Het eerste middel richt zich tegen het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel II) om de reden dat niet duidelijk is dat en wanneer de verdachte die verklaring zou hebben afgelegd. Het tweede middel klaagt over de grondslag waarop het rijbewijs is ingevorderd en houdt verder in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het ingevorderde rijbewijs niet aan de verdachte zou zijn teruggegeven. Het derde middel bevat de klacht dat het hof niet, althans op ontoereikende wijze, heeft beslist op het beroep op afwezigheid van alle schuld. Het vierde middel houdt in dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden. 2.2 Deze conclusie strekt ertoe dat de eerste drie middelen falen en dat het vierde middel terecht is voorgesteld. 3 Bewezenverklaring en bewijsmiddelen 3.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 25 januari 2022 omstreeks 01:30 uur te Schiphol als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 een op zijn naam gesteld rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Loevesteinse Randweg, een motorrijtuig (personenauto), van de categorie waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd” 3.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “ I. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 31 mei 2023. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Na mijn eerste aanhouding ben ik later die nacht, op 25 januari 2022, weer weggereden in mijn auto. II. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik herinner mij dat bij de voorgeleiding het rijbewijs werd ingevorderd. III. Een proces-verbaal van invordering rijbewijs van 25 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren, digitale dossierpagina’s 58 - 60. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Op 25 januari 2022 omstreeks 00:22 uur, is naar aanleiding van: - overtreding van artikel 8/163 van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 24 januari 2022 te 23:30 uur in de gemeente Haarlemmermeer VAN: Naam : [verdachte] Voornamen Geboortedatum : [geboortedatum] 1976 Geboorteplaats : [geboorteplaats] Adres : [a-straat 1] Woonplaats : [plaats] de overgifte van het op zijn naam staand rijbewijs gevorderd. Het betreft een rijbewijs met nummer nr. [0001] , categorie AM,B, op 1 augustus 2018 afgegeven door de burgemeester te Amsterdam. Het rijbewijs werd ingevorderd omdat bovenstaande persoon verdacht wordt van overtreding van: - artikel 8/163 van de Wegenverkeerswet 1994: - immers, wij verbalisanten en/of getuige(n) hebben verdachte daadwerkelijk zien rijden - de verdachte weigerde medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 570 ug/l, hetgeen bleek uit: - het totaal geen medewerking verlenen. IV. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van ontvangst van het ingevorderd rijbewijs, opgemaakt op 25 januari 2022 door verbalisant [verbalisant 3] , digitale dossierpagina 43. Dit schriftelijke bescheid houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant [verbalisant 3] : Op 25-01-2022 omstreeks: 00:47 uur te Badhoevedorp in de gemeente Haarlemmermeer heb ik ontvangen het ingevorderde rijbewijs: Rijbewijsnummer: [0001] Afgegeven aan: Achternamen: [verdachte] Voornaam: Geboren op: [geboortedatum] 1976 VERBOD TOT BESTUREN VAN EEN RIJBEWIJSPLICHTIG MOTORRIJTUIG. (ARTIKEL 9 WEGENVERKEERSWET 1994) Het is degene van wie ingevolge artikel 130 en/of artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven te besturen of als bestuurder te doen besturen. V. Een proces-verbaal van rijden onder invloed van 25 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, digitale dossierpagina’s 31I-35. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant [verbalisant 4] : Op dinsdag, 25 januari 2022 om 01:30 uur zag ik, verbalisant, dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig, Personenauto, BMW/1 Serie, 4SZ-7760, reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Loevesteinse Randweg te Schiphol. Achternaam [verdachte] Geboortedatum [geboortedatum] 1976 Geboorteplaats [geboorteplaats] Geboorteland India Adres [a-straat 1] Postcode/plaats [plaats] ” 4 Het eerste middel 4.1 Het middel richt zich tegen het gebruik door het hof voor het bewijs van de verklaring van de verdachte “afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024” (bewijsmiddel II). 4.2 In de onder 3.2 weergegeven bewijsmiddelen is als bewijsmiddel II de door de verdachte “ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024” afgelegde verklaring “Ik herinner mij dat bij de voorgeleiding het rijbewijs werd ingevorderd” opgenomen. 4.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De raadsman deelt mee dat de verdachte zijn standpunt in deze zaak heeft opgeschreven, in het Engels, en dit stuk graag aan het hof wil overleggen. Hij overhandigt deze brief aan het hof. […] De voorzitter deelt mee: Nadat u uw auto parkeerde bij de bushalte, hebben ze u gevraagd om mee te werken aan een voorlopige blaastest. Omdat u niet meewerkte, bent u aangehouden en meegenomen naar het bureau (van de KMar). Daar is drie keer geprobeerd om een ademanalyse uit te voeren, zonder resultaat. Daarop bent u voorgeleid aan onderofficier [verbalisant 5] . Hij heeft u bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek. U heeft dat geweigerd. Toen is tegen u gezegd dat uw rijbewijs zou worden ingevorderd.
Volledig
Wat ook is gebeurd. De verdachte verklaart: Ik herinner me goed wat er is gebeurd, ik herinner me elk detail omdat dit een hele belangrijke zaak is in mijn leven. De politie zei dat ik naar hun lachte. Ik wilde hun niet provoceren. Ik wilde duidelijk maken dat ik mij niet goed voelde. Dat ik mij eerst weer beter moest voelen voor ik een blaastest kon doen. Ik heb wel meegewerkt met de politie, de hele tijd. Daarna ben ik teruggebracht naar mijn auto. Zij hebben mij geen stuk of iets overhandigd waarop staat dat mijn rijbewijs in beslag was genomen en dat ik niet mocht rijden. De voorzitter deelt mee: In het proces-verbaal staat dat ‘overgifte van uw rijbewijs is gevorderd’ en dat uw ‘rijbewijs bij het proces-verbaal is gevoegd’. Doorgenummerde bladzijde 43 van het procesdossier bevat de Kennisgeving van ontvangst van uw ingevorderde rijbewijs, op 25 januari 2022 omstreeks 0.47 uur. Waarom was het niet duidelijk voor u dat u niet mocht rijden? De verdachte verklaart: Zo is het niet gegaan, Ze hebben mij naar het bureau gebracht. Een politieman vertelde mij dat het ademonderzoek niet goed ging. Zij brachten mij daarna terug naar mijn auto. Zij hadden mij een schriftelijk, ondertekend stuk moeten meegeven waarop duidelijk stond dat ik niet mocht rijden, met een vertaling in het Engels. Ik spreek alleen maar Engels. In dat geval was het voor mij duidelijk geweest dat ik niet mocht rijden. Ze hebben mij mijn pasjes en mijn portemonnee teruggegeven. Ik wist niet dat mijn rijbewijs daar niet meer bij zat. […] De advocaat-generaal deelt mee: Ook uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde bladzijde 58) volgt dat de verdachte zijn rijbewijs heeft afgegeven. De verdachte verklaart: Ik heb mijn rijbewijs al bij mijn staandehouding aan de agenten afgegeven. Ik heb niet gezien dat mijn rijbewijs daarna niet in mijn portemonnee is teruggedaan. […]” 4.4 De door de verdachte op de terechtzitting van 17 oktober 2024 overgelegde brief bevattende het standpunt van de verdachte houdt voor zover van belang het volgende in: “The police argue that they handed me a Dutch document, with an English translation, stating as prohibited from driving. However, no such document was ever produced, and as per protocol, I should have been given clear, written confirmation–something I could acknowledge with a signature–so that I was fully aware of the situation and consequences. […] The police's failure to follow proper procedures directly contributed to the charge of driving under suspension. If the police had provided the necessary documentation and informed me clearly of my suspension in writing, the charge of driving without a license would never have arisen. It is worth noting that during my first court appearance, one of the three cases against me was dropped, demonstrating my cooperation with law enforcement. The second case, related to driving without a license, could have similarly been avoided had the proper steps been taken.” 4.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het onder 4.3 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 niet een verklaring van de verdachte met een inhoud als vermeld in bewijsmiddel II bevat. Uit genoemd proces-verbaal zou juist volgen dat de verdachte betwist dat bij de voorgeleiding of op enig ander moment het rijbewijs werd ingevorderd – laat staan dat de verdachte heeft verklaard dat hij zich dit heeft herinnerd – en dat hij ervan uitging dat het rijbewijs bij zijn heenzending weer onderdeel uitmaakte van de teruggegeven portemonnee en pasjes. Dat betekent dat het hof deze (niet afgelegde) verklaring niet voor het bewijs mocht bezigen en het hof de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 afgelegde verklaring heeft gedenatureerd. Daarbij wordt door de steller van het middel nog opgemerkt dat de verdachte een dergelijke verklaring evenmin heeft afgelegd op de eerdere terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2024 , noch op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 mei 2023, terwijl een dergelijke verklaring ook niet is terug te vinden in de bewijsmiddelen. Volgens de steller van het middel heeft de verdachte ook belang bij vernietiging nu de gewraakte verklaring ziet op de kern van de bewezenverklaring, namelijk het rijden door de verdachte na invordering van het rijbewijs ter gelegenheid van de voorgeleiding op grond van art. 164 WVW 1994, terwijl de overige bewijsmiddelen daarop geen betrekking hebben nu die (kennelijk) zien op de vordering van de overgifte van het rijbewijs bij de staandehouding. Het wegdenken van de gewraakte verklaring uit de bewijsvoering maakt volgens de steller van het middel dat ’s hofs oordeel dat het rijbewijs was ingevorderd ontoereikend is gemotiveerd. Daarnaast zou het belang eruit bestaan dat – zoals hierna bij middel 3 als standpunt wordt ingenomen – de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een verweer heeft gevoerd dat bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan een beroep op afwezigheid van alle schuld. Het beroep op deze strafuitsluitingsgrond zou volgens de steller van het middel tardief worden bevonden als de klacht dat het hof ten onrechte tot bewijs de vermeend door de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring heeft gebruikt en/of heeft gedenatureerd niet tot vernietiging zou leiden. 4.6 Art. 9 lid 7 WVW 1994 luidt: “Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.” 4.7 Uit de onder 3.1 weergegeven bewezenverklaring blijkt dat in het onderhavige geval de tweede in art. 9 lid 7 WVW 1994 genoemde situatie is bewezen verklaard, namelijk dat de verdachte een auto heeft bestuurd terwijl een op zijn naam gesteld rijbewijs “was ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet was teruggegeven”. 4.8 Het hof heeft op grond van hetgeen de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 oktober 2024 heeft verklaard, vastgesteld dat de verklaring van de verdachte “voor zover van belang en zakelijk weergegeven” inhoudt: “Ik herinner mij dat bij de voorgeleiding het rijbewijs werd ingevorderd.” (bewijsmiddel II). Voor zover de steller van het middel ter onderbouwing van het belang bij het middel aanvoert dat buiten de verklaring van de verdachte zoals opgenomen onder bewijsmiddel II, (kennelijk) door het hof geen bewijsmiddelen zijn gebezigd waaruit blijkt dat het rijbewijs was ingevorderd, meen ik dat dit standpunt feitelijke grondslag mist. Daarbij wijs ik op bewijsmiddel III, inhoudende een “proces-verbaal van invordering rijbewijs”, en bewijsmiddel IV, de “kennisgeving van ontvangst van het ingevorderd rijbewijs”. Het laatstgenoemd bewijsmiddel (IV) is blijkens de slotzin van de aanvulling met bewijsmiddelen door het hof kennelijk aangemerkt als een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344 lid 1 onder 5° Sv zodat het alleen kan gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Uit dit laatste bewijsmiddel blijkt dat “het ingevorderde rijbewijs” eerst 25 minuten na de vordering tot overgifte van het rijbewijs door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bewijsmiddel III) door verbalisant [verbalisant 3] is ontvangen. Uit bewijsmiddel III blijkt verder dat dit proces-verbaal naast een relaas over de overgifte van het rijbewijs ook melding maakt van de reden(en) voor de invordering. Ik meen dan ook dat niet kan worden gezegd dat dit bewijsmiddel (kennelijk) slechts ziet op de vordering van de overgifte van het rijbewijs bij de staandehouding. Dat brengt mee dat evenmin kan worden gezegd dat zonder de als bewijsmiddel II gebezigde verklaring van de verdachte niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het “rijbewijs was ingevorderd” zoals is bewezenverklaard.
Volledig
Wat ook is gebeurd. De verdachte verklaart: Ik herinner me goed wat er is gebeurd, ik herinner me elk detail omdat dit een hele belangrijke zaak is in mijn leven. De politie zei dat ik naar hun lachte. Ik wilde hun niet provoceren. Ik wilde duidelijk maken dat ik mij niet goed voelde. Dat ik mij eerst weer beter moest voelen voor ik een blaastest kon doen. Ik heb wel meegewerkt met de politie, de hele tijd. Daarna ben ik teruggebracht naar mijn auto. Zij hebben mij geen stuk of iets overhandigd waarop staat dat mijn rijbewijs in beslag was genomen en dat ik niet mocht rijden. De voorzitter deelt mee: In het proces-verbaal staat dat ‘overgifte van uw rijbewijs is gevorderd’ en dat uw ‘rijbewijs bij het proces-verbaal is gevoegd’. Doorgenummerde bladzijde 43 van het procesdossier bevat de Kennisgeving van ontvangst van uw ingevorderde rijbewijs, op 25 januari 2022 omstreeks 0.47 uur. Waarom was het niet duidelijk voor u dat u niet mocht rijden? De verdachte verklaart: Zo is het niet gegaan, Ze hebben mij naar het bureau gebracht. Een politieman vertelde mij dat het ademonderzoek niet goed ging. Zij brachten mij daarna terug naar mijn auto. Zij hadden mij een schriftelijk, ondertekend stuk moeten meegeven waarop duidelijk stond dat ik niet mocht rijden, met een vertaling in het Engels. Ik spreek alleen maar Engels. In dat geval was het voor mij duidelijk geweest dat ik niet mocht rijden. Ze hebben mij mijn pasjes en mijn portemonnee teruggegeven. Ik wist niet dat mijn rijbewijs daar niet meer bij zat. […] De advocaat-generaal deelt mee: Ook uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde bladzijde 58) volgt dat de verdachte zijn rijbewijs heeft afgegeven. De verdachte verklaart: Ik heb mijn rijbewijs al bij mijn staandehouding aan de agenten afgegeven. Ik heb niet gezien dat mijn rijbewijs daarna niet in mijn portemonnee is teruggedaan. […]” 4.4 De door de verdachte op de terechtzitting van 17 oktober 2024 overgelegde brief bevattende het standpunt van de verdachte houdt voor zover van belang het volgende in: “The police argue that they handed me a Dutch document, with an English translation, stating as prohibited from driving. However, no such document was ever produced, and as per protocol, I should have been given clear, written confirmation–something I could acknowledge with a signature–so that I was fully aware of the situation and consequences. […] The police's failure to follow proper procedures directly contributed to the charge of driving under suspension. If the police had provided the necessary documentation and informed me clearly of my suspension in writing, the charge of driving without a license would never have arisen. It is worth noting that during my first court appearance, one of the three cases against me was dropped, demonstrating my cooperation with law enforcement. The second case, related to driving without a license, could have similarly been avoided had the proper steps been taken.” 4.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het onder 4.3 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 niet een verklaring van de verdachte met een inhoud als vermeld in bewijsmiddel II bevat. Uit genoemd proces-verbaal zou juist volgen dat de verdachte betwist dat bij de voorgeleiding of op enig ander moment het rijbewijs werd ingevorderd – laat staan dat de verdachte heeft verklaard dat hij zich dit heeft herinnerd – en dat hij ervan uitging dat het rijbewijs bij zijn heenzending weer onderdeel uitmaakte van de teruggegeven portemonnee en pasjes. Dat betekent dat het hof deze (niet afgelegde) verklaring niet voor het bewijs mocht bezigen en het hof de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 afgelegde verklaring heeft gedenatureerd. Daarbij wordt door de steller van het middel nog opgemerkt dat de verdachte een dergelijke verklaring evenmin heeft afgelegd op de eerdere terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2024 , noch op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 mei 2023, terwijl een dergelijke verklaring ook niet is terug te vinden in de bewijsmiddelen. Volgens de steller van het middel heeft de verdachte ook belang bij vernietiging nu de gewraakte verklaring ziet op de kern van de bewezenverklaring, namelijk het rijden door de verdachte na invordering van het rijbewijs ter gelegenheid van de voorgeleiding op grond van art. 164 WVW 1994, terwijl de overige bewijsmiddelen daarop geen betrekking hebben nu die (kennelijk) zien op de vordering van de overgifte van het rijbewijs bij de staandehouding. Het wegdenken van de gewraakte verklaring uit de bewijsvoering maakt volgens de steller van het middel dat ’s hofs oordeel dat het rijbewijs was ingevorderd ontoereikend is gemotiveerd. Daarnaast zou het belang eruit bestaan dat – zoals hierna bij middel 3 als standpunt wordt ingenomen – de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een verweer heeft gevoerd dat bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan een beroep op afwezigheid van alle schuld. Het beroep op deze strafuitsluitingsgrond zou volgens de steller van het middel tardief worden bevonden als de klacht dat het hof ten onrechte tot bewijs de vermeend door de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring heeft gebruikt en/of heeft gedenatureerd niet tot vernietiging zou leiden. 4.6 Art. 9 lid 7 WVW 1994 luidt: “Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.” 4.7 Uit de onder 3.1 weergegeven bewezenverklaring blijkt dat in het onderhavige geval de tweede in art. 9 lid 7 WVW 1994 genoemde situatie is bewezen verklaard, namelijk dat de verdachte een auto heeft bestuurd terwijl een op zijn naam gesteld rijbewijs “was ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet was teruggegeven”. 4.8 Het hof heeft op grond van hetgeen de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 oktober 2024 heeft verklaard, vastgesteld dat de verklaring van de verdachte “voor zover van belang en zakelijk weergegeven” inhoudt: “Ik herinner mij dat bij de voorgeleiding het rijbewijs werd ingevorderd.” (bewijsmiddel II). Voor zover de steller van het middel ter onderbouwing van het belang bij het middel aanvoert dat buiten de verklaring van de verdachte zoals opgenomen onder bewijsmiddel II, (kennelijk) door het hof geen bewijsmiddelen zijn gebezigd waaruit blijkt dat het rijbewijs was ingevorderd, meen ik dat dit standpunt feitelijke grondslag mist. Daarbij wijs ik op bewijsmiddel III, inhoudende een “proces-verbaal van invordering rijbewijs”, en bewijsmiddel IV, de “kennisgeving van ontvangst van het ingevorderd rijbewijs”. Het laatstgenoemd bewijsmiddel (IV) is blijkens de slotzin van de aanvulling met bewijsmiddelen door het hof kennelijk aangemerkt als een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344 lid 1 onder 5° Sv zodat het alleen kan gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Uit dit laatste bewijsmiddel blijkt dat “het ingevorderde rijbewijs” eerst 25 minuten na de vordering tot overgifte van het rijbewijs door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bewijsmiddel III) door verbalisant [verbalisant 3] is ontvangen. Uit bewijsmiddel III blijkt verder dat dit proces-verbaal naast een relaas over de overgifte van het rijbewijs ook melding maakt van de reden(en) voor de invordering. Ik meen dan ook dat niet kan worden gezegd dat dit bewijsmiddel (kennelijk) slechts ziet op de vordering van de overgifte van het rijbewijs bij de staandehouding. Dat brengt mee dat evenmin kan worden gezegd dat zonder de als bewijsmiddel II gebezigde verklaring van de verdachte niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het “rijbewijs was ingevorderd” zoals is bewezenverklaard.
Volledig
Bewijsmiddelen III en IV, in onderlinge samenhang bezien, bieden daarvoor voldoende steun. Daarop stuit het middel mijns inziens af. 4.9 Daarbij merk ik nog op dat – zoals hierna bij de bespreking van het derde middel ook aan de orde komt – voor een bewezenverklaring van art. 9 lid 7 WVW 1994 niet is vereist dat de verdachte ten tijde van het besturen dan wel doen besturen van het motorrijtuig opzet of schuld had ten aanzien van het zijn ingevorderd van het rijbewijs. Uit de bewijsmiddelen behoeft dan ook niet te blijken dat de verdachte zich op bedoeld tijdstip in meerdere of mindere mate bewust was of had moeten zijn van de omstandigheid dat zijn rijbewijs was ingevorderd. 4.10 Verder merk ik nog op dat de onder 4.3 en 4.4 weergegeven verklaringen van de verdachte er naar de kern genomen op neerkomen dat hij er niet schriftelijk (in een voor hem begrijpelijk taal) van in kennis is gesteld dat zijn rijbewijs was ingevorderd noch dat het hem om die reden verboden was om te rijden. Zijn verklaringen hebben zo bezien betrekking op het ontbreken van opzet of schuld ten aanzien van het ingevorderd zijn van het rijbewijs. Dat het hof uit de verklaring van de verdachte, inhoudende “Ik herinner me goed wat er is gebeurd”, heeft afgeleid dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 heeft verklaard dat hij het zich herinnert dat – zoals door de voorzitter van het hof aan hem was voorgehouden – bij de voorgeleiding (door [verbalisant 5] is gezegd dat) het rijbewijs werd ingevorderd, is zo bezien niet onbegrijpelijk. Daartoe telt ook dat de verdachte in reactie op hetgeen de voorzitter hem voorhield niet heeft weersproken dat zijn rijbewijs was ingevorderd, terwijl hij juist wel ook op die terechtzitting heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs aan de agenten had afgegeven en uit zijn verdere verklaringen niet volgt dat hij dit daarna heeft teruggekregen. Zie in dit verband ook hetgeen hierna onder 5.9 wordt opgemerkt. 4.11 Het middel faalt. 5 Het tweede middel 5.1 Het middel heeft betrekking op de grondslag waarop het rijbewijs is ingevorderd en houdt verder in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het ingevorderde rijbewijs niet aan de verdachte zou zijn teruggegeven. 5.2 Volgens de toelichting op het middel maakt de invordering van het rijbewijs deel uit van de aan de verdachte in de tenlastelegging verweten gedraging, zodat uit de bewijsmiddelen moet blijken dat van een dergelijke op art. 164 WVW 1994 gestoelde (rechtsgeldige) invordering sprake is geweest. Uit de gebezigde bewijsmiddelen III en IV blijkt volgens de steller van het middel dat de invordering heeft plaatsgevonden op de grond dat de verdachte zou hebben geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 163 lid 2, 6, 8 of 9 WVW 1994. Laatstgenoemde twee leden van art. 163 WVW 1994 (lid 8 en 9) vormen geen bepalingen op grond waarvan de overgifte van een rijbewijs kan worden gevorderd. Verder kan volgens de steller van het middel uit de enkele omstandigheid van het “totaal geen medewerking verlenen” aan het adem- c.q. bloedonderzoek niet een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 8 lid 2 WVW 1994 worden afgeleid, althans is het kennelijke oordeel van het hof dat het enkele “totaal geen medewerking verlenen” met het bevolen onderzoek het ernstig vermoeden oplevert dat het (adem)alcoholgehalte van de verdachte hoger is dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht resp. hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed, niet begrijpelijk. Ook zou uit de bewijsvoering niet kunnen volgen dat naast de als grondslag voor de vordering van de overgifte van het rijbewijs genoemde leden 2 en 6 van art. 163 WVW 1994 genoemde omstandigheden, ook gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om de overgifte te vorderen op de in art. 164 lid 3 WVW 1994 genoemde grond, terwijl het in de bewijsvoering tevens ontbreekt aan feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat het rijbewijs niet aan hem is teruggegeven. Resumerend wordt gesteld dat uit de gebezigde bewijsvoering niet kan volgen dat van een (rechtsgeldige) (in)vordering als bedoeld in art. 164 WVW 1994 (tot overgifte) van het op naam van de verdachte gestelde rijbewijs sprake is geweest en/of daaruit niet kan volgen dat het rijbewijs niet aan de verdachte was teruggegeven. 5.3 Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit de WVW 1994, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit , van belang: - Art. 9 lid 7: “Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.” - Art. 163 lid 1, 2, 6 en 7: “1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a. 2. De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. […] 6. De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. 7. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts of een verpleegkundige de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd. […]” - Art. 164 lid 1 t/m 4: “1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. 2. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van: a. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed; b.
Volledig
Bewijsmiddelen III en IV, in onderlinge samenhang bezien, bieden daarvoor voldoende steun. Daarop stuit het middel mijns inziens af. 4.9 Daarbij merk ik nog op dat – zoals hierna bij de bespreking van het derde middel ook aan de orde komt – voor een bewezenverklaring van art. 9 lid 7 WVW 1994 niet is vereist dat de verdachte ten tijde van het besturen dan wel doen besturen van het motorrijtuig opzet of schuld had ten aanzien van het zijn ingevorderd van het rijbewijs. Uit de bewijsmiddelen behoeft dan ook niet te blijken dat de verdachte zich op bedoeld tijdstip in meerdere of mindere mate bewust was of had moeten zijn van de omstandigheid dat zijn rijbewijs was ingevorderd. 4.10 Verder merk ik nog op dat de onder 4.3 en 4.4 weergegeven verklaringen van de verdachte er naar de kern genomen op neerkomen dat hij er niet schriftelijk (in een voor hem begrijpelijk taal) van in kennis is gesteld dat zijn rijbewijs was ingevorderd noch dat het hem om die reden verboden was om te rijden. Zijn verklaringen hebben zo bezien betrekking op het ontbreken van opzet of schuld ten aanzien van het ingevorderd zijn van het rijbewijs. Dat het hof uit de verklaring van de verdachte, inhoudende “Ik herinner me goed wat er is gebeurd”, heeft afgeleid dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 heeft verklaard dat hij het zich herinnert dat – zoals door de voorzitter van het hof aan hem was voorgehouden – bij de voorgeleiding (door [verbalisant 5] is gezegd dat) het rijbewijs werd ingevorderd, is zo bezien niet onbegrijpelijk. Daartoe telt ook dat de verdachte in reactie op hetgeen de voorzitter hem voorhield niet heeft weersproken dat zijn rijbewijs was ingevorderd, terwijl hij juist wel ook op die terechtzitting heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs aan de agenten had afgegeven en uit zijn verdere verklaringen niet volgt dat hij dit daarna heeft teruggekregen. Zie in dit verband ook hetgeen hierna onder 5.9 wordt opgemerkt. 4.11 Het middel faalt. 5 Het tweede middel 5.1 Het middel heeft betrekking op de grondslag waarop het rijbewijs is ingevorderd en houdt verder in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het ingevorderde rijbewijs niet aan de verdachte zou zijn teruggegeven. 5.2 Volgens de toelichting op het middel maakt de invordering van het rijbewijs deel uit van de aan de verdachte in de tenlastelegging verweten gedraging, zodat uit de bewijsmiddelen moet blijken dat van een dergelijke op art. 164 WVW 1994 gestoelde (rechtsgeldige) invordering sprake is geweest. Uit de gebezigde bewijsmiddelen III en IV blijkt volgens de steller van het middel dat de invordering heeft plaatsgevonden op de grond dat de verdachte zou hebben geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 163 lid 2, 6, 8 of 9 WVW 1994. Laatstgenoemde twee leden van art. 163 WVW 1994 (lid 8 en 9) vormen geen bepalingen op grond waarvan de overgifte van een rijbewijs kan worden gevorderd. Verder kan volgens de steller van het middel uit de enkele omstandigheid van het “totaal geen medewerking verlenen” aan het adem- c.q. bloedonderzoek niet een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 8 lid 2 WVW 1994 worden afgeleid, althans is het kennelijke oordeel van het hof dat het enkele “totaal geen medewerking verlenen” met het bevolen onderzoek het ernstig vermoeden oplevert dat het (adem)alcoholgehalte van de verdachte hoger is dan 570 microgram per liter uitgeademde lucht resp. hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed, niet begrijpelijk. Ook zou uit de bewijsvoering niet kunnen volgen dat naast de als grondslag voor de vordering van de overgifte van het rijbewijs genoemde leden 2 en 6 van art. 163 WVW 1994 genoemde omstandigheden, ook gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om de overgifte te vorderen op de in art. 164 lid 3 WVW 1994 genoemde grond, terwijl het in de bewijsvoering tevens ontbreekt aan feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat het rijbewijs niet aan hem is teruggegeven. Resumerend wordt gesteld dat uit de gebezigde bewijsvoering niet kan volgen dat van een (rechtsgeldige) (in)vordering als bedoeld in art. 164 WVW 1994 (tot overgifte) van het op naam van de verdachte gestelde rijbewijs sprake is geweest en/of daaruit niet kan volgen dat het rijbewijs niet aan de verdachte was teruggegeven. 5.3 Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit de WVW 1994, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde feit , van belang: - Art. 9 lid 7: “Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.” - Art. 163 lid 1, 2, 6 en 7: “1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a. 2. De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. […] 6. De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. 7. Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts of een verpleegkundige de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd. […]” - Art. 164 lid 1 t/m 4: “1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. 2. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van: a. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed; b.
Volledig
artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter bloed; c. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid; […] 3. De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. 4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken. […]” 5.4 Uit de onder 3.1 weergegeven bewezenverklaring blijkt als opgemerkt dat in het onderhavige geval de tweede in art. 9 lid 7 WVW 1994 genoemde situatie is bewezen verklaard, namelijk dat de verdachte een auto heeft bestuurd terwijl een op zijn naam gesteld rijbewijs “was ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet was teruggegeven”. Ook voor die situatie geldt dat de grondslag voor de invordering van het rijbewijs moet zijn gelegen in art. 164 WVW 1994. 5.5 Uit het als bewijsmiddel III gebezigde “proces-verbaal van invordering rijbewijs” van 25 januari 2022 blijkt dat de overgifte van het rijbewijs is gevorderd naar aanleiding van “overtreding van artikel 8/163 van de Wegenverkeerswet 1994”. Verder houdt dit proces-verbaal in dat het rijbewijs ook wegens die verdenking werd ingevorderd. Daarbij is vermeld dat de verbalisanten en/of getuige(n) de verdachte daadwerkelijk hebben zien rijden en dat “de verdachte medewerking weigerde te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 570 ug/l”. Ook is te kennen gegeven dat dit bleek uit “het totaal geen medewerking verlenen”. 5.6 Art. 164 lid 2 WVW 1994 houdt in dat de in art. 159 onderdelen a en b WVW 1994 genoemde personen bij verdenking van een overtreding van – voor zover hier van belang – de Wegenverkeerswet 1994 op grond van een vijftal gronden de overgifte van een rijbewijs kunnen vorderen. Gelet op de formulering in het proces-verbaal van invordering rijbewijs (bewijsmiddel III) – waarin er gewag van wordt gemaakt dat “een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 570 ug/l” en dat “de verdachte weigerde medewerking te verlenen” – kan in het onderhavige geval alleen belang toekomen aan de gronden genoemd in art. 164 lid 2 onder a en c. Bij nadere beschouwing van het proces-verbaal is duidelijk dat de meest directe grond voor invordering van het rijbewijs die van art. 164 lid 2 onder c jo. art. 163 lid 6 WVW 1994 was. Niet alleen staat in het proces-verbaal immers de weigering om medewerking te verlenen centraal als reden om het rijbewijs in te vorderen, dat dit de meest directe reden was voor de invordering volgt ook uit het bij de bespreking van het eerste middel beschreven moment waarop het rijbewijs is ingevorderd (namelijk pas nadat eerst driemaal was bevolen dat de verdachte mee zou werken aan een bloedonderzoek; zie onder 4.8). Daarbij komt dat zonder concrete vaststellingen in het proces-verbaal over de staat waarin de verdachte zich op het moment van de staandehouding bevond, behoudens “het totaal geen medewerking verlenen”, ook niet goed valt in te zien dat de opsporingsambtenaren als invorderingsgrondslag het oog zouden hebben gehad op art. 164 lid 2 onder a WVW 1994. Erop gelet dat een en ander voortvloeit uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is het hof er kennelijk van uitgegaan – en kon het hof er ook van uitgaan – dat in het onderhavige geval de onder c genoemde grond is toegepast. De klacht dat uit de gebezigde bewijsvoering niet kan volgen dat van een rechtsgeldige invordering van het rijbewijs op grond van art. 164 WVW 1994 sprake is geweest mist zodoende feitelijke grondslag. 5.7 Dan resteert de klacht dat uit de gebezigde bewijsvoering niet blijkt dat het rijbewijs “niet was teruggegeven” zoals is bewezen verklaard. Daarvoor is van belang wat het hof in de in het arrest weergegeven “bewijsoverweging” – waarover later meer – overweegt: “ Bewijsoverweging feit 2 De raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat zijn rijbewijs was ingevorderd, mede omdat hij werd teruggebracht naar zijn geparkeerde auto en ook zijn portemonnee terugkreeg, waarbij hem op dat moment niet werd verteld dat hij niet mocht rijden. […] Het hof overweegt als volgt. […] Ten aanzien van feit 2 voorts De stelling van de verdediging dat de verdachte niet wist van de invordering van zijn rijbewijs vindt geen steun in het dossier, nu daaruit duidelijk naar voren komt dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd en dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd. Het hof heeft ook de overtuiging bekomen dat het rijbewijs is ingevorderd. Het onder 2 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.” 5.8 Het hof overweegt dat uit het dossier duidelijk naar voren komt “dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd” en “dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd”. Het hof noemt niet de bewijsmiddelen waaraan deze vaststellingen zijn ontleend. In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vindt enkel laatstgenoemde vaststelling steun (zie bewijsmiddel IV). Wel blijkt dat de voorzitter van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 aan de verdachte heeft voorgehouden dat toen hij werd voorgeleid voor onderofficier [verbalisant 5] , deze hem heeft bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek en dat [verbalisant 5] toen de verdachte weigerde, tegen hem heeft gezegd dat zijn rijbewijs zou worden ingevorderd. Hoewel het hof is gehouden om het wettig bewijsmiddel te benoemen waaraan het voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden ontleent, meen ik dat de verdachte gelet op de op de terechtzitting voorgehouden feiten en omstandigheden, onvoldoende belang heeft bij dit deel van de klacht. Het is immers zonneklaar dat deze vaststelling door het hof is ontleend aan het door genoemde [verbalisant 5] opgemaakte “proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding” van 25 januari 2022 (p. 3), terwijl het op genoemde grond ingevorderd zijn van het rijbewijs zonder meer impliceert dat het rijbewijs niet aan de verdachte is teruggegeven toen hij werd heengezonden. Daarbij merk ik nog op dat door de verdediging in feitelijke aanleg ook niet zozeer is betwist dat het rijbewijs niet zou zijn teruggegeven. 5.9 Het middel faalt. 6 Het derde middel 6.1 Het middel bevat de klacht dat het hof niet, althans op ontoereikende wijze, heeft gerespondeerd op het beroep van de verdediging op afwezigheid van alle schuld wegens het ontbreken van bewustheid bij de verdachte dat zijn rijbewijs was ingevorderd. 6.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De verdachte beheerst de Nederlandse taal niet. Om die reden vindt het onderzoek plaats met bijstand van [naam 1], een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Engelse taal.
Volledig
artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter bloed; c. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid; […] 3. De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. 4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken. […]” 5.4 Uit de onder 3.1 weergegeven bewezenverklaring blijkt als opgemerkt dat in het onderhavige geval de tweede in art. 9 lid 7 WVW 1994 genoemde situatie is bewezen verklaard, namelijk dat de verdachte een auto heeft bestuurd terwijl een op zijn naam gesteld rijbewijs “was ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet was teruggegeven”. Ook voor die situatie geldt dat de grondslag voor de invordering van het rijbewijs moet zijn gelegen in art. 164 WVW 1994. 5.5 Uit het als bewijsmiddel III gebezigde “proces-verbaal van invordering rijbewijs” van 25 januari 2022 blijkt dat de overgifte van het rijbewijs is gevorderd naar aanleiding van “overtreding van artikel 8/163 van de Wegenverkeerswet 1994”. Verder houdt dit proces-verbaal in dat het rijbewijs ook wegens die verdenking werd ingevorderd. Daarbij is vermeld dat de verbalisanten en/of getuige(n) de verdachte daadwerkelijk hebben zien rijden en dat “de verdachte medewerking weigerde te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 570 ug/l”. Ook is te kennen gegeven dat dit bleek uit “het totaal geen medewerking verlenen”. 5.6 Art. 164 lid 2 WVW 1994 houdt in dat de in art. 159 onderdelen a en b WVW 1994 genoemde personen bij verdenking van een overtreding van – voor zover hier van belang – de Wegenverkeerswet 1994 op grond van een vijftal gronden de overgifte van een rijbewijs kunnen vorderen. Gelet op de formulering in het proces-verbaal van invordering rijbewijs (bewijsmiddel III) – waarin er gewag van wordt gemaakt dat “een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 570 ug/l” en dat “de verdachte weigerde medewerking te verlenen” – kan in het onderhavige geval alleen belang toekomen aan de gronden genoemd in art. 164 lid 2 onder a en c. Bij nadere beschouwing van het proces-verbaal is duidelijk dat de meest directe grond voor invordering van het rijbewijs die van art. 164 lid 2 onder c jo. art. 163 lid 6 WVW 1994 was. Niet alleen staat in het proces-verbaal immers de weigering om medewerking te verlenen centraal als reden om het rijbewijs in te vorderen, dat dit de meest directe reden was voor de invordering volgt ook uit het bij de bespreking van het eerste middel beschreven moment waarop het rijbewijs is ingevorderd (namelijk pas nadat eerst driemaal was bevolen dat de verdachte mee zou werken aan een bloedonderzoek; zie onder 4.8). Daarbij komt dat zonder concrete vaststellingen in het proces-verbaal over de staat waarin de verdachte zich op het moment van de staandehouding bevond, behoudens “het totaal geen medewerking verlenen”, ook niet goed valt in te zien dat de opsporingsambtenaren als invorderingsgrondslag het oog zouden hebben gehad op art. 164 lid 2 onder a WVW 1994. Erop gelet dat een en ander voortvloeit uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is het hof er kennelijk van uitgegaan – en kon het hof er ook van uitgaan – dat in het onderhavige geval de onder c genoemde grond is toegepast. De klacht dat uit de gebezigde bewijsvoering niet kan volgen dat van een rechtsgeldige invordering van het rijbewijs op grond van art. 164 WVW 1994 sprake is geweest mist zodoende feitelijke grondslag. 5.7 Dan resteert de klacht dat uit de gebezigde bewijsvoering niet blijkt dat het rijbewijs “niet was teruggegeven” zoals is bewezen verklaard. Daarvoor is van belang wat het hof in de in het arrest weergegeven “bewijsoverweging” – waarover later meer – overweegt: “ Bewijsoverweging feit 2 De raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat zijn rijbewijs was ingevorderd, mede omdat hij werd teruggebracht naar zijn geparkeerde auto en ook zijn portemonnee terugkreeg, waarbij hem op dat moment niet werd verteld dat hij niet mocht rijden. […] Het hof overweegt als volgt. […] Ten aanzien van feit 2 voorts De stelling van de verdediging dat de verdachte niet wist van de invordering van zijn rijbewijs vindt geen steun in het dossier, nu daaruit duidelijk naar voren komt dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd en dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd. Het hof heeft ook de overtuiging bekomen dat het rijbewijs is ingevorderd. Het onder 2 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.” 5.8 Het hof overweegt dat uit het dossier duidelijk naar voren komt “dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd” en “dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd”. Het hof noemt niet de bewijsmiddelen waaraan deze vaststellingen zijn ontleend. In de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vindt enkel laatstgenoemde vaststelling steun (zie bewijsmiddel IV). Wel blijkt dat de voorzitter van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 aan de verdachte heeft voorgehouden dat toen hij werd voorgeleid voor onderofficier [verbalisant 5] , deze hem heeft bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek en dat [verbalisant 5] toen de verdachte weigerde, tegen hem heeft gezegd dat zijn rijbewijs zou worden ingevorderd. Hoewel het hof is gehouden om het wettig bewijsmiddel te benoemen waaraan het voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden ontleent, meen ik dat de verdachte gelet op de op de terechtzitting voorgehouden feiten en omstandigheden, onvoldoende belang heeft bij dit deel van de klacht. Het is immers zonneklaar dat deze vaststelling door het hof is ontleend aan het door genoemde [verbalisant 5] opgemaakte “proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding” van 25 januari 2022 (p. 3), terwijl het op genoemde grond ingevorderd zijn van het rijbewijs zonder meer impliceert dat het rijbewijs niet aan de verdachte is teruggegeven toen hij werd heengezonden. Daarbij merk ik nog op dat door de verdediging in feitelijke aanleg ook niet zozeer is betwist dat het rijbewijs niet zou zijn teruggegeven. 5.9 Het middel faalt. 6 Het derde middel 6.1 Het middel bevat de klacht dat het hof niet, althans op ontoereikende wijze, heeft gerespondeerd op het beroep van de verdediging op afwezigheid van alle schuld wegens het ontbreken van bewustheid bij de verdachte dat zijn rijbewijs was ingevorderd. 6.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De verdachte beheerst de Nederlandse taal niet. Om die reden vindt het onderzoek plaats met bijstand van [naam 1], een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Engelse taal.
Volledig
Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald. […] De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij deelt mee dat hij het niet eens is met de bewezenverklaring. […] De raadsman deelt mee dat de verdachte zijn standpunt in deze zaak heeft opgeschreven, in het Engels, en dit stuk graag aan het hof wil overleggen. Hij overhandigt deze brief aan het hof. De verdachte verklaart: Het klopt dat ik op Schiphol was om paracetamol te kopen en dat ik kort daarvoor iemand bij een bushalte had afgezet. Ik was daar rond middernacht. Het was in de coronatijd en alle winkels in Amsterdam waren dicht. Ik voelde mij erg ziek. Ik kan aantonen met door mij ontvangen appberichten dat dat zo was, omdat veel mensen mij beterschap hadden gewenst. Ik had eerder met mijn huisarts gebeld. Ik kon toen geen afspraak maken omdat ik niet levensbedreigend ziek was. Mij is gezegd dat ik paracetamol moest innemen. Ik voelde me steeds slechter en had geen medicatie. Mijn collega is met mij meegegaan naar Schiphol. Hij is uitgestapt om de medicijnen te kopen. Even verderop heb ik toen mijn auto geparkeerd. Vervolgens kwam de politie bij mijn auto. Toen zij het portier openden leunde ik tegen het zijraam, waardoor ik min of meer uit de auto viel. Zij vertelden mij dat ik een voorlopige ademtest moest doen. Dat heb ik gedaan. U zegt dat u in het dossier heeft gelezen wat er is gebeurd en wat ik eerder heb verklaard, zodat ik niet alles opnieuw hoef te vertellen. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik geen alcohol gebruik. Ik had de nacht van 24 op 25 januari 2022 ook niet gedronken. De voorzitter deelt mee: Er zijn daarna meerdere politiemensen en/of beveiligers bij u gekomen. Zij hebben opgeschreven dat zij tijdens hun gesprek met u waarnamen dat u naar alcohol rook en dat u onduidelijk sprak en moeilijk uit uw woorden kwam. Zij zagen ook dat u onvast ter been was en dat u viel. Hoe kunt u dat verklaren als u geen alcohol had gedronken? De verdachte verklaart: De politie heeft in mijn auto een bijna lege Bacardifles gevonden. Ik heb gezegd dat ze de vingerafdrukken op die fles moesten bemonsteren. Dat is niet gebeurd. Zei zeggen dat mijn adem naar alcohol rook. Dat zijn hun woorden tegen de mijne. Ik kan mij niet herinneren of ik bij mijn pogingen om de blaastest(en) te doen om de situatie heb gelachen. Ik heb hen wel gezegd dat het niet klopte. Ik voelde me een dag eerder al niet goed. Na mijn covid-vaccinatie ben ik heel lang ziek geweest. Ik heb de daarover gevoerde Whatsapp-gesprekken overgelegd. Mijn auto was geparkeerd bij mijn bedrijf, dat is aan de [b-straat] in [plaats]. Ik moest mijn auto ophalen. Dat ik aan het werk was, betekent niet dat ik fysiek werk deed. Ik werkte online. Ik voelde me steeds slechter en wilde overleven, ik wilde me beter voelen. De voorzitter deelt mee: Nadat u uw auto parkeerde bij de bushalte, hebben ze u gevraagd om mee te werken aan een voorlopige blaastest. Omdat u niet meewerkte, bent u aangehouden en meegenomen naar het bureau (van de KMar). Daar is drie keer geprobeerd om een ademanalyse uit te voeren, zonder resultaat. Daarop bent u voorgeleid aan onderofficier [verbalisant 5] . Hij heeft u bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek. U heeft dat geweigerd. Toen is tegen u gezegd dat uw rijbewijs zou worden ingevorderd. Wat ook is gebeurd. De verdachte verklaart: Ik herinner me goed wat er is gebeurd, ik herinner me elk detail omdat dit een hele belangrijke zaak is in mijn leven. De politie zei dat ik naar hun lachte. Ik wilde hun niet provoceren. Ik wilde duidelijk maken dat ik mij niet goed voelde. Dat ik mij eerst weer beter moest voelen voor ik een blaastest kon doen. Ik heb wel meegewerkt met de politie, de hele tijd. Daarna ben ik teruggebracht naar mijn auto. Zij hebben mij geen stuk of iets overhandigd waarop staat dat mijn rijbewijs in beslag was genomen en dat ik niet mocht rijden. De voorzitter deelt mee: In het proces-verbaal staat dat ‘overgifte van uw rijbewijs is gevorderd’ en dat uw ‘rijbewijs bij het proces-verbaal is gevoegd’. Doorgenummerde bladzijde 43 van het procesdossier bevat de Kennisgeving van ontvangst van uw ingevorderde rijbewijs, op 25 januari 2022 omstreeks 0.47 uur. Waarom was het niet duidelijk voor u dat u niet mocht rijden? De verdachte verklaart: Zo is het niet gegaan, Ze hebben mij naar het bureau gebracht. Een politieman vertelde mij dat het ademonderzoek niet goed ging. Zij brachten mij daarna terug naar mijn auto. Zij hadden mij een schriftelijk, ondertekend stuk moeten meegeven waarop duidelijk stond dat ik niet mocht rijden, met een vertaling in het Engels. Ik spreek alleen maar Engels. In dat geval was het voor mij duidelijk geweest dat ik niet mocht rijden. Ze hebben mij mijn pasjes en mijn portemonnee teruggegeven. Ik wist niet dat mijn rijbewijs daar niet meer bij zat. De voorzitter deelt mee: De politieagenten zien u daarna in uw auto stappen en wegrijden. Andere agenten zien u op de busbaan rijden, zetten hun auto - met zwaailicht en sirene - voor uw auto om u te laten stoppen. Waarom reed u toen eerst een keer om die auto heen? De verdachte verklaart: Ik reed op de busbaan omdat mijn auto daar nog stond, die was na mijn (eerste) aanhouding niet verplaatst. Ik ben die KMar-auto niet voorbijgereden. Zij stonden met hun auto voor mijn auto en toen ben ik meteen gestopt. Daarna ben ik weer naar het bureau gebracht. De voorzitter deelt mee dat de verhoren op 29 mei 2024 van vier verbalisanten in deze zaak geen nieuwe informatie hebben opgeleverd omdat zij zich het voorval niet goed meer konden herinneren. Het is inmiddels lang geleden gebeurd. De advocaat-generaal deelt mee: Ook uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde bladzijde 58) volgt dat de verdachte zijn rijbewijs heeft afgegeven. De verdachte verklaart: Ik heb mijn rijbewijs al bij mijn staandehouding aan de agenten afgegeven. Ik heb niet gezien dat mijn rijbewijs daarna niet in mijn portemonnee is teruggedaan. Ik wil graag nog een aantal punten toelichten. Als ik schuldig zou zijn aan het tenlastegelegde dan zou ik een bedreiging zijn voor de gemeenschap. Als ik dronken zou zijn geweest waarom ben ik dan teruggebracht naar mijn auto? In het proces-verbaal staan een aantal dingen die niet kloppen, dat ik om de verbalisanten gelachen heb, dat ik zelf advocaat ben. Zij keken ook naar een strafzaak van zes jaar voor deze zaak. Toen heb ik schuld bekend en heb ik mijn verantwoordelijkheid aanvaard. Ik heb nu een vliegbrevet. Ik ben bezig met de luchtvaart en overleg in dat verband met verschillende landen. Ik heb vijf bedrijven in Nederland waarmee ik hier werkgelegenheid schep. Ik heb deze bedrijven van de bodem af opgebouwd. Weet u hoe belangrijk dit rijbewijs is voor mijn carrière? Als eigenaar van een luchtvaartmaatschappij weet ik hoe belangrijk het is om geen levens op het spel te zetten. Dit gebeurde tijdens een COVID-19-lockdown, misschien had ik daarom niet op straat moeten zijn. Als ik had geweten dat ik zonder rijbewijs reed, was ik nooit zover doorgereden. Als gevolg van deze strafzaak, mag ik niet vliegen voor Europese luchtvaartmaatschappijen. Daarom heb ik een eigen luchtvaartmaatschappij opgestart. Wij zijn nu bezig met Hongaarse autoriteiten om de juiste certificaten te krijgen. Dit bedrijf is nog niet operationeel. Mijn bouwbedrijven en andere bedrijven heb ik nog. Daarom heb ik nog voldoende inkomsten. Ik heb geen schulden. Omdat ik bijna 49 jaar oud ben, is dit een belangrijk moment in mijn loopbaan en is het cruciaal dat mijn bedrijven slagen. Door deze strafzaak is heb ik veel vertraging opgelopen. Ik ben inmiddels Nederlands staatsburger geworden. Als u mij een boete oplegt van € 600 a 700 euro, levert mij dat geen grote problemen op. Dat geldt ook bij oplegging van een taakstraf. Dat is alleen maar een zegening voor mij. Het gaat mij erom wat op mijn strafblad komt te staan, in verband met de strafpunten die ik dan krijg.
Volledig
Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald. […] De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij deelt mee dat hij het niet eens is met de bewezenverklaring. […] De raadsman deelt mee dat de verdachte zijn standpunt in deze zaak heeft opgeschreven, in het Engels, en dit stuk graag aan het hof wil overleggen. Hij overhandigt deze brief aan het hof. De verdachte verklaart: Het klopt dat ik op Schiphol was om paracetamol te kopen en dat ik kort daarvoor iemand bij een bushalte had afgezet. Ik was daar rond middernacht. Het was in de coronatijd en alle winkels in Amsterdam waren dicht. Ik voelde mij erg ziek. Ik kan aantonen met door mij ontvangen appberichten dat dat zo was, omdat veel mensen mij beterschap hadden gewenst. Ik had eerder met mijn huisarts gebeld. Ik kon toen geen afspraak maken omdat ik niet levensbedreigend ziek was. Mij is gezegd dat ik paracetamol moest innemen. Ik voelde me steeds slechter en had geen medicatie. Mijn collega is met mij meegegaan naar Schiphol. Hij is uitgestapt om de medicijnen te kopen. Even verderop heb ik toen mijn auto geparkeerd. Vervolgens kwam de politie bij mijn auto. Toen zij het portier openden leunde ik tegen het zijraam, waardoor ik min of meer uit de auto viel. Zij vertelden mij dat ik een voorlopige ademtest moest doen. Dat heb ik gedaan. U zegt dat u in het dossier heeft gelezen wat er is gebeurd en wat ik eerder heb verklaard, zodat ik niet alles opnieuw hoef te vertellen. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik geen alcohol gebruik. Ik had de nacht van 24 op 25 januari 2022 ook niet gedronken. De voorzitter deelt mee: Er zijn daarna meerdere politiemensen en/of beveiligers bij u gekomen. Zij hebben opgeschreven dat zij tijdens hun gesprek met u waarnamen dat u naar alcohol rook en dat u onduidelijk sprak en moeilijk uit uw woorden kwam. Zij zagen ook dat u onvast ter been was en dat u viel. Hoe kunt u dat verklaren als u geen alcohol had gedronken? De verdachte verklaart: De politie heeft in mijn auto een bijna lege Bacardifles gevonden. Ik heb gezegd dat ze de vingerafdrukken op die fles moesten bemonsteren. Dat is niet gebeurd. Zei zeggen dat mijn adem naar alcohol rook. Dat zijn hun woorden tegen de mijne. Ik kan mij niet herinneren of ik bij mijn pogingen om de blaastest(en) te doen om de situatie heb gelachen. Ik heb hen wel gezegd dat het niet klopte. Ik voelde me een dag eerder al niet goed. Na mijn covid-vaccinatie ben ik heel lang ziek geweest. Ik heb de daarover gevoerde Whatsapp-gesprekken overgelegd. Mijn auto was geparkeerd bij mijn bedrijf, dat is aan de [b-straat] in [plaats]. Ik moest mijn auto ophalen. Dat ik aan het werk was, betekent niet dat ik fysiek werk deed. Ik werkte online. Ik voelde me steeds slechter en wilde overleven, ik wilde me beter voelen. De voorzitter deelt mee: Nadat u uw auto parkeerde bij de bushalte, hebben ze u gevraagd om mee te werken aan een voorlopige blaastest. Omdat u niet meewerkte, bent u aangehouden en meegenomen naar het bureau (van de KMar). Daar is drie keer geprobeerd om een ademanalyse uit te voeren, zonder resultaat. Daarop bent u voorgeleid aan onderofficier [verbalisant 5] . Hij heeft u bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek. U heeft dat geweigerd. Toen is tegen u gezegd dat uw rijbewijs zou worden ingevorderd. Wat ook is gebeurd. De verdachte verklaart: Ik herinner me goed wat er is gebeurd, ik herinner me elk detail omdat dit een hele belangrijke zaak is in mijn leven. De politie zei dat ik naar hun lachte. Ik wilde hun niet provoceren. Ik wilde duidelijk maken dat ik mij niet goed voelde. Dat ik mij eerst weer beter moest voelen voor ik een blaastest kon doen. Ik heb wel meegewerkt met de politie, de hele tijd. Daarna ben ik teruggebracht naar mijn auto. Zij hebben mij geen stuk of iets overhandigd waarop staat dat mijn rijbewijs in beslag was genomen en dat ik niet mocht rijden. De voorzitter deelt mee: In het proces-verbaal staat dat ‘overgifte van uw rijbewijs is gevorderd’ en dat uw ‘rijbewijs bij het proces-verbaal is gevoegd’. Doorgenummerde bladzijde 43 van het procesdossier bevat de Kennisgeving van ontvangst van uw ingevorderde rijbewijs, op 25 januari 2022 omstreeks 0.47 uur. Waarom was het niet duidelijk voor u dat u niet mocht rijden? De verdachte verklaart: Zo is het niet gegaan, Ze hebben mij naar het bureau gebracht. Een politieman vertelde mij dat het ademonderzoek niet goed ging. Zij brachten mij daarna terug naar mijn auto. Zij hadden mij een schriftelijk, ondertekend stuk moeten meegeven waarop duidelijk stond dat ik niet mocht rijden, met een vertaling in het Engels. Ik spreek alleen maar Engels. In dat geval was het voor mij duidelijk geweest dat ik niet mocht rijden. Ze hebben mij mijn pasjes en mijn portemonnee teruggegeven. Ik wist niet dat mijn rijbewijs daar niet meer bij zat. De voorzitter deelt mee: De politieagenten zien u daarna in uw auto stappen en wegrijden. Andere agenten zien u op de busbaan rijden, zetten hun auto - met zwaailicht en sirene - voor uw auto om u te laten stoppen. Waarom reed u toen eerst een keer om die auto heen? De verdachte verklaart: Ik reed op de busbaan omdat mijn auto daar nog stond, die was na mijn (eerste) aanhouding niet verplaatst. Ik ben die KMar-auto niet voorbijgereden. Zij stonden met hun auto voor mijn auto en toen ben ik meteen gestopt. Daarna ben ik weer naar het bureau gebracht. De voorzitter deelt mee dat de verhoren op 29 mei 2024 van vier verbalisanten in deze zaak geen nieuwe informatie hebben opgeleverd omdat zij zich het voorval niet goed meer konden herinneren. Het is inmiddels lang geleden gebeurd. De advocaat-generaal deelt mee: Ook uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde bladzijde 58) volgt dat de verdachte zijn rijbewijs heeft afgegeven. De verdachte verklaart: Ik heb mijn rijbewijs al bij mijn staandehouding aan de agenten afgegeven. Ik heb niet gezien dat mijn rijbewijs daarna niet in mijn portemonnee is teruggedaan. Ik wil graag nog een aantal punten toelichten. Als ik schuldig zou zijn aan het tenlastegelegde dan zou ik een bedreiging zijn voor de gemeenschap. Als ik dronken zou zijn geweest waarom ben ik dan teruggebracht naar mijn auto? In het proces-verbaal staan een aantal dingen die niet kloppen, dat ik om de verbalisanten gelachen heb, dat ik zelf advocaat ben. Zij keken ook naar een strafzaak van zes jaar voor deze zaak. Toen heb ik schuld bekend en heb ik mijn verantwoordelijkheid aanvaard. Ik heb nu een vliegbrevet. Ik ben bezig met de luchtvaart en overleg in dat verband met verschillende landen. Ik heb vijf bedrijven in Nederland waarmee ik hier werkgelegenheid schep. Ik heb deze bedrijven van de bodem af opgebouwd. Weet u hoe belangrijk dit rijbewijs is voor mijn carrière? Als eigenaar van een luchtvaartmaatschappij weet ik hoe belangrijk het is om geen levens op het spel te zetten. Dit gebeurde tijdens een COVID-19-lockdown, misschien had ik daarom niet op straat moeten zijn. Als ik had geweten dat ik zonder rijbewijs reed, was ik nooit zover doorgereden. Als gevolg van deze strafzaak, mag ik niet vliegen voor Europese luchtvaartmaatschappijen. Daarom heb ik een eigen luchtvaartmaatschappij opgestart. Wij zijn nu bezig met Hongaarse autoriteiten om de juiste certificaten te krijgen. Dit bedrijf is nog niet operationeel. Mijn bouwbedrijven en andere bedrijven heb ik nog. Daarom heb ik nog voldoende inkomsten. Ik heb geen schulden. Omdat ik bijna 49 jaar oud ben, is dit een belangrijk moment in mijn loopbaan en is het cruciaal dat mijn bedrijven slagen. Door deze strafzaak is heb ik veel vertraging opgelopen. Ik ben inmiddels Nederlands staatsburger geworden. Als u mij een boete oplegt van € 600 a 700 euro, levert mij dat geen grote problemen op. Dat geldt ook bij oplegging van een taakstraf. Dat is alleen maar een zegening voor mij. Het gaat mij erom wat op mijn strafblad komt te staan, in verband met de strafpunten die ik dan krijg.
Volledig
[…] De raadsman voert woord ter verdediging: Mijn cliënt is heel standvastig in zijn verklaringen over de avond en nacht van 24 op 25 januari 2022. Hij kan tot in detail vertellen wat toen is gebeurd. Daarom wilde de verdediging de verbalisanten hierover horen. Verbalisanten hebben gerelateerd dat de adem van de verdachte naar alcohol rook en dat hij door dronkenschap bijna uit de auto viel toen zij het portier openden. De verklaringen van de verdachte voor zijn gedrag en het bijna uit de auto vallen komen mij logisch voor. Hij was/voelde zich ziek en leunde tegen het portier toen dit werd geopend. Ik kan mij wel voorstellen dat verbalisanten een andere conclusie trokken. Echter de bijna lege Bacardifles op de achterbank was door de (kort daarvoor afgezette) passagier leeggedronken en achtergelaten. Wat er verder is gebeurd is rommelig geverbaliseerd. De verdachte heeft zijn rijbewijs afgegeven en kreeg dat niet meer terug. Dit is wel geverbaliseerd, maar was voor de verdachte ‘onzichtbaar’. De verdachte heeft (na zijn eerste aanhouding) meegewerkt aan de ademanalyse afname. Daarom is hij dan ook van dit feit vrijgesproken. Hij heeft de bloedproef wel geweigerd. De verdachte wordt daarna, met zijn portemonnee – waarin gewoonlijk zijn rijbewijs zit – teruggebracht naar zijn auto. Hij heeft toen niet beseft dat hij niet mocht rijden. Het verbaasde mij enorm dat de door de raadsheer-commissaris gehoorde verbalisanten allen verklaarden zich deze zaak niet meer te herinneren. Zij hadden wellicht geen zin om vervelende vragen te beantwoorden. De verbalisant die het aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt kon zich het verhoor van de verdachte kennelijk wel herinneren. De advocaat-generaal vertelde dat zij contact heeft gehad met verbalisant [verbalisant 5] . Bij de raadsheer-commissaris kon hij zich niets herinneren, maar kennelijk wel tijdens zijn gesprek met de advocaat-generaal. Gewoonlijk kan worden uitgegaan van hetgeen in ambtsedige processen-verbaal is gerelateerd, ik vraag mij af of dat in dit geval ook geldt. Mijn cliënt zegt duidelijk dat hij niet zou hebben gereden als hij had geweten dat zijn rijbewijs was ingenomen. Hij had ook niet gedronken. Primair voer ik aan dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van artikel 6 EVRM. Subsidiair meen ik dat de inhoud van het dossier niet kan leiden tot voldoende overtuiging om tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te concluderen. […] Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart: Als ik iets fout zou hebben gedaan, dan had ik daarvoor excuses gemaakt. Maar deze zaak kent vele misverstanden. Ik zou nooit moedwillig de wet overtreden.” 6.3 De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 overgelegde schriftelijke verklaring houdt voor zover van belang het volgende in: “To begin, let me address the night in question. For the sake of argument, I will assume that I am viewed as guilty and considered a threat to society at the time of the incident. However, if I truly posed a danger, it is deeply concerning that after my initial interaction with the police, I was left next to my car, with the keys still in hand. If the officers genuinely believed I was a risk to public safety, they should have followed proper procedure and ensured that I was not in a position to operate a vehicle while intoxicated. The police argue that they handed me a Dutch document, with an English translation, stating as prohibited from driving. However, no such document was ever produced, and as per protocol, I should have been given clear, written confirmation-something I could acknowledge with a signature-so that I was fully aware of the situation and consequences. After the police dropped me to the car and I drove away, I was immediately stopped minutes after by a police vehicle that braked just a few feet in front of mine, creating a dangerous situation. If the police were aware that I was intoxicated, stopping so close to my car not only jeopardized my safety but also their own. This raises a troubling question: was the police intentionally waiting for me to drive away, hoping I might collide with their vehicle to build a stronger case against me? Their decision to stop so abruptly just a few feet in front of my car seems not only reckless but potentially designed to provoke an accident, rather than prevent one. Moreover, after my second arrest, my car-which had been parked at the Schiphol bus stop- was moved to the police station. However, this action was not taken the first time, when I was initially found intoxicated. What changed between the first and second interactions that prompted them to take my car at a later stage, instead of dealing with it earlier? The police's failure to follow proper procedures directly contributed to the charge of driving under suspension. If the police had provided the necessary documentation and informed me clearly of my suspension in writing, the charge of driving without a license would never have arisen. It is worth noting that during my first court appearance, one of the three cases against me was dropped, demonstrating my cooperation with law enforcement. The second case, related to driving without a license, could have similarly been avoided had the proper steps been taken.” 6.4 Het bestreden arrest houdt het volgende in: “ Bewijsoverweging feit 2 De raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat zijn rijbewijs was ingevorderd, mede omdat hij werd teruggebracht naar zijn geparkeerde auto en ook zijn portemonnee terugkreeg, waarbij hem op dat moment niet werd verteld dat hij niet mocht rijden. […] Het hof overweegt als volgt. […] Ten aanzien van feit 2 voorts De stelling van de verdediging dat de verdachte niet wist van de invordering van zijn rijbewijs vindt geen steun in het dossier, nu daaruit duidelijk naar voren komt dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd en dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd. Het hof heeft ook de overtuiging bekomen dat het rijbewijs is ingevorderd. Het onder 2 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden. […] Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.” 6.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht over de wetenschap van verdachte betreffende de invordering van het rijbewijs en het verbod om vanaf dat moment nog zijn auto te besturen, bezwaarlijk anders kan worden geduid dan als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Volgens de steller van het middel heeft het hof het verweer (kennelijk) ten onrechte opgevat als een bewijsverweer en daarmee miskend dat de verdachte heeft aangevoerd dat hij zich niet bewust is geweest van het feit dat zijn rijbewijs was ingevorderd en het hem daardoor verboden was zijn auto te besturen. Dit zou los staan van de vraag of door de verbalisanten al dan niet kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs werd ingevorderd. Het hof zou bij de verwerping van het verweer alleen op dit laatste in zijn gegaan en daarmee hebben verzuimd uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing te geven op het gevoerde verweer. Ook wordt herhaald dat het hof niet kenbaar heeft aangegeven waaruit “duidelijk naar voren komt dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd en dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd.” Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou dit niet blijken. Daarbij merkt de steller van het middel op dat de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal in het Nederlands zijn opgesteld en niet inhouden dat een en ander in een andere taal dan de Nederlandse taal aan de verdachte kenbaar is gemaakt, terwijl niet ter discussie kan staan dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Dit “kenbaar maken” zou – om de redenen vermeld bij het eerste middel – ook niet kunnen blijken uit de als bewijsmiddel II gebezigde verklaring van de verdachte.
Volledig
[…] De raadsman voert woord ter verdediging: Mijn cliënt is heel standvastig in zijn verklaringen over de avond en nacht van 24 op 25 januari 2022. Hij kan tot in detail vertellen wat toen is gebeurd. Daarom wilde de verdediging de verbalisanten hierover horen. Verbalisanten hebben gerelateerd dat de adem van de verdachte naar alcohol rook en dat hij door dronkenschap bijna uit de auto viel toen zij het portier openden. De verklaringen van de verdachte voor zijn gedrag en het bijna uit de auto vallen komen mij logisch voor. Hij was/voelde zich ziek en leunde tegen het portier toen dit werd geopend. Ik kan mij wel voorstellen dat verbalisanten een andere conclusie trokken. Echter de bijna lege Bacardifles op de achterbank was door de (kort daarvoor afgezette) passagier leeggedronken en achtergelaten. Wat er verder is gebeurd is rommelig geverbaliseerd. De verdachte heeft zijn rijbewijs afgegeven en kreeg dat niet meer terug. Dit is wel geverbaliseerd, maar was voor de verdachte ‘onzichtbaar’. De verdachte heeft (na zijn eerste aanhouding) meegewerkt aan de ademanalyse afname. Daarom is hij dan ook van dit feit vrijgesproken. Hij heeft de bloedproef wel geweigerd. De verdachte wordt daarna, met zijn portemonnee – waarin gewoonlijk zijn rijbewijs zit – teruggebracht naar zijn auto. Hij heeft toen niet beseft dat hij niet mocht rijden. Het verbaasde mij enorm dat de door de raadsheer-commissaris gehoorde verbalisanten allen verklaarden zich deze zaak niet meer te herinneren. Zij hadden wellicht geen zin om vervelende vragen te beantwoorden. De verbalisant die het aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt kon zich het verhoor van de verdachte kennelijk wel herinneren. De advocaat-generaal vertelde dat zij contact heeft gehad met verbalisant [verbalisant 5] . Bij de raadsheer-commissaris kon hij zich niets herinneren, maar kennelijk wel tijdens zijn gesprek met de advocaat-generaal. Gewoonlijk kan worden uitgegaan van hetgeen in ambtsedige processen-verbaal is gerelateerd, ik vraag mij af of dat in dit geval ook geldt. Mijn cliënt zegt duidelijk dat hij niet zou hebben gereden als hij had geweten dat zijn rijbewijs was ingenomen. Hij had ook niet gedronken. Primair voer ik aan dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van artikel 6 EVRM. Subsidiair meen ik dat de inhoud van het dossier niet kan leiden tot voldoende overtuiging om tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te concluderen. […] Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart: Als ik iets fout zou hebben gedaan, dan had ik daarvoor excuses gemaakt. Maar deze zaak kent vele misverstanden. Ik zou nooit moedwillig de wet overtreden.” 6.3 De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 overgelegde schriftelijke verklaring houdt voor zover van belang het volgende in: “To begin, let me address the night in question. For the sake of argument, I will assume that I am viewed as guilty and considered a threat to society at the time of the incident. However, if I truly posed a danger, it is deeply concerning that after my initial interaction with the police, I was left next to my car, with the keys still in hand. If the officers genuinely believed I was a risk to public safety, they should have followed proper procedure and ensured that I was not in a position to operate a vehicle while intoxicated. The police argue that they handed me a Dutch document, with an English translation, stating as prohibited from driving. However, no such document was ever produced, and as per protocol, I should have been given clear, written confirmation-something I could acknowledge with a signature-so that I was fully aware of the situation and consequences. After the police dropped me to the car and I drove away, I was immediately stopped minutes after by a police vehicle that braked just a few feet in front of mine, creating a dangerous situation. If the police were aware that I was intoxicated, stopping so close to my car not only jeopardized my safety but also their own. This raises a troubling question: was the police intentionally waiting for me to drive away, hoping I might collide with their vehicle to build a stronger case against me? Their decision to stop so abruptly just a few feet in front of my car seems not only reckless but potentially designed to provoke an accident, rather than prevent one. Moreover, after my second arrest, my car-which had been parked at the Schiphol bus stop- was moved to the police station. However, this action was not taken the first time, when I was initially found intoxicated. What changed between the first and second interactions that prompted them to take my car at a later stage, instead of dealing with it earlier? The police's failure to follow proper procedures directly contributed to the charge of driving under suspension. If the police had provided the necessary documentation and informed me clearly of my suspension in writing, the charge of driving without a license would never have arisen. It is worth noting that during my first court appearance, one of the three cases against me was dropped, demonstrating my cooperation with law enforcement. The second case, related to driving without a license, could have similarly been avoided had the proper steps been taken.” 6.4 Het bestreden arrest houdt het volgende in: “ Bewijsoverweging feit 2 De raadsman heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist dat zijn rijbewijs was ingevorderd, mede omdat hij werd teruggebracht naar zijn geparkeerde auto en ook zijn portemonnee terugkreeg, waarbij hem op dat moment niet werd verteld dat hij niet mocht rijden. […] Het hof overweegt als volgt. […] Ten aanzien van feit 2 voorts De stelling van de verdediging dat de verdachte niet wist van de invordering van zijn rijbewijs vindt geen steun in het dossier, nu daaruit duidelijk naar voren komt dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd en dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd. Het hof heeft ook de overtuiging bekomen dat het rijbewijs is ingevorderd. Het onder 2 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden. […] Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.” 6.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht over de wetenschap van verdachte betreffende de invordering van het rijbewijs en het verbod om vanaf dat moment nog zijn auto te besturen, bezwaarlijk anders kan worden geduid dan als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Volgens de steller van het middel heeft het hof het verweer (kennelijk) ten onrechte opgevat als een bewijsverweer en daarmee miskend dat de verdachte heeft aangevoerd dat hij zich niet bewust is geweest van het feit dat zijn rijbewijs was ingevorderd en het hem daardoor verboden was zijn auto te besturen. Dit zou los staan van de vraag of door de verbalisanten al dan niet kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs werd ingevorderd. Het hof zou bij de verwerping van het verweer alleen op dit laatste in zijn gegaan en daarmee hebben verzuimd uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing te geven op het gevoerde verweer. Ook wordt herhaald dat het hof niet kenbaar heeft aangegeven waaruit “duidelijk naar voren komt dat aan verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd en dat het rijbewijs ook daadwerkelijk aan de politie is overhandigd.” Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou dit niet blijken. Daarbij merkt de steller van het middel op dat de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal in het Nederlands zijn opgesteld en niet inhouden dat een en ander in een andere taal dan de Nederlandse taal aan de verdachte kenbaar is gemaakt, terwijl niet ter discussie kan staan dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Dit “kenbaar maken” zou – om de redenen vermeld bij het eerste middel – ook niet kunnen blijken uit de als bewijsmiddel II gebezigde verklaring van de verdachte.
Volledig
Resumerend wordt gesteld dat het kennelijke oordeel van het hof dat het “kenbaar maken” in een voor de verdachte begrijpelijke taal en/of op een door hem redelijkerwijze niet mis te verstane manier is gebeurd, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdachte in dat verband heeft aangevoerd. Dat het hof de overtuiging heeft bekomen dat het rijbewijs van de verdachte is ingevorderd doet volgens de steller van het middel niet ter zake. 6.6 Zoals reeds opgemerkt onder 4.9 is voor een bewezenverklaring van art. 9 lid 7 WVW 1994 niet vereist dat de verdachte ten tijde van het besturen dan wel doen besturen van het motorrijtuig opzet of schuld had ten aanzien van het ingevorderd zijn van het rijbewijs, zodat uit de bewijsmiddelen ook niet behoeft te blijken dat de verdachte zich op bedoeld tijdstip in meerdere of mindere mate bewust was of had moeten zijn van de omstandigheid dat zijn rijbewijs was ingevorderd. Een mogelijk gebrekkige bewustheid kan wel van belang zijn voor de beoordeling van een beroep op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld. 6.7 Voor zover het middel aanvoert dat het hof heeft miskend dat een beroep op afwezigheid van alle schuld bij het onderhavige delict niet als een bewijsverweer moet worden opgevat is dat juist. Ik volg echter niet het door de steller van het middel ingenomen standpunt dat het hof niet dan wel ontoereikend is ingegaan op het verweer dat bewustheid bij de verdachte heeft ontbroken ten aanzien van het zijn ingevorderd van het rijbewijs (ik begrijp: een beroep op feitelijke dwaling. In de onder 6.4 weergeven “bewijsoverweging” benoemt het hof expliciet “dat aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd”. Zoals al bij de bespreking van het tweede middel naar voren kwam (zie onder 5.9) heeft het hof de vaststelling “dat aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd” klaarblijkelijk ontleend aan het door [verbalisant 5] opgemaakte “proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding” van 25 januari 2022. Een blik achter de papieren muur laat zien dat [verbalisant 5] in dit proces-verbaal onder meer relateert: “De verdachte achtte zichzelf niet in staat om in de Nederlandse taal te communiceren. Zijn taalkeuze was Engelse. Ik communiceerde met hem in de Engelse taal, wat de verdachte verstond en begreep” en aan het slot “Op 25 januari 2022 te 00:47 uur, heb ik, [verbalisant 5] , verdachte medegedeeld dat zijn rijbewijs zal worden ingevorderd op grond van artikel 164 lid 2 onder c, indien hij zich niet laat onderwerpen aan een bloedonderzoek. Vervolgens heb ik de verdachte nogmaals bevolen zich te laten onderwerpen aan een bloedonderzoek. Ik, [verbalisant 5] , hoorde dat verdachte zei dat hij niet wilde meewerken aan dit bloedonderzoek.” In het licht van deze geciteerde inhoud uit het door [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal is het mijns inziens niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld “dat aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd” en de verdachte zich derhalve bewust is geweest van het feit dat zijn rijbewijs was ingevorderd en het op dit punt gevoerde verweer daarom wordt verworpen. Daarbij merk ik nog op dat – zoals onder 4.9 al aan de orde kwam – de insteek van het verweer naar de kern genomen was dat de verdachte niet schriftelijk (in een voor de verdachte begrijpelijke taal) in kennis is gesteld dat zijn rijbewijs was ingevorderd. 6.8 Overigens wijs ik erop dat de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld slechts van toepassing kan zijn indien in elk geval alle strafrechtelijk relevant schuld ontbreekt. Gelet hierop kon het beroep van de verdachte op deze exceptie ook los van hetgeen onder 6.7 uiteen is gezet niet slagen. Blijkens zijn eigen verklaring op de terechtzitting van 17 oktober 2024 heeft de verdachte zijn rijbewijs aan de agenten afgegeven, terwijl uit die verklaring ook volgt dat hij niet heeft gekeken of hij bij het terugkrijgen van zijn portemonnee ook het rijbewijs kreeg geretourneerd. Ook wanneer wordt aangenomen dat de verdachte ervan uit is gegaan dat hij het rijbewijs terug had gekregen en hieraan de conclusie heeft verbonden dat zijn rijbewijs niet of niet meer was ingevorderd, heeft hij dit gezien het voorgaande te lichtvaardig verondersteld, zodat er onvoldoende grond is om te concluderen dat zijn handelen geheel verontschuldigbaar is wegens het ontbreken van alle strafrechtelijk relevante verwijtbaarheid. Dat het volgens de verdachte “is deeply concerning that after my initial interaction with the police, I was left next to my car, with the keys still in hand” maakt dit niet anders. 6.9 Ook dit middel faalt. 7 Het vierde middel 7.1 Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 7.2 Namens de verdachte is op 21 november 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 23 september 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan twee maanden is overschreden, terwijl een voortvarende afdoening in cassatie niet meer mogelijk is. Het middel is terecht voorgesteld. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straffen kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. 8 Afronding 8.1 De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het vierde middel is terecht voorgesteld. 8.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 8.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Op 21 november 2023 heeft er een rolzitting plaatsgevonden waarbij de verdachte aanwezig was. Een blik achter de papieren muur leert dat de verdachte om 23:53 uur is aangehouden, dat de (voorlopige) ademanalyse om 00:21 uur is gestart en driemaal is geprobeerd een resultaat te verkrijgen, dat de overgifte van het rijbewijs om 00:22 uur is gevorderd, dat de verdachte vervolgens is overgebracht naar het politiebureau, dat de verdachte om 00:38 uur is voorgeleid, hem tussen 00:42 en 00:45 uur tweemaal is bevolen mee te werken aan een bloedonderzoek, dat de verdachte om 00:47 uur te kennen is gegeven dat niet meewerken aan het bloedonderzoek leidt tot invordering van het rijbewijs, dat toen nogmaals is bevolen dat de verdachte zich onderwerpt aan het bloedonderzoek en dat om 00:47 uur het rijbewijs door verbalisant [verbalisant 3] is ontvangen. Zie voor een uitgebreide beschouwing over art. 9 lid 7 WVW 1994 A-G Hofstee in zijn conclusie voor HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1800, NJ 2022/68 m.nt Vellinga, randnr. 20-27. Zie HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0255, NJ 2010/342, r.o. 2.4. Alleen in art. 163 lid 7 WVW 1994 is nadien een wijziging aangebracht in die zin dat de woorden “Onze Minister van Veiligheid en Justitie” zijn vervangen door de woorden “Onze Minister van Justitie en Veiligheid”. Zie in dit verband HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2708, NJ 2005/417, r.o. 3.6. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers, r.o. 3.3. Zie HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0255, NJ 2010/342, r.o. 2.4. Vgl. bijv. het in de vorige voetnoot genoemde arrest en HR 5 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8746, NJ 1991/529. Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.2 onder C.
Volledig
Resumerend wordt gesteld dat het kennelijke oordeel van het hof dat het “kenbaar maken” in een voor de verdachte begrijpelijke taal en/of op een door hem redelijkerwijze niet mis te verstane manier is gebeurd, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdachte in dat verband heeft aangevoerd. Dat het hof de overtuiging heeft bekomen dat het rijbewijs van de verdachte is ingevorderd doet volgens de steller van het middel niet ter zake. 6.6 Zoals reeds opgemerkt onder 4.9 is voor een bewezenverklaring van art. 9 lid 7 WVW 1994 niet vereist dat de verdachte ten tijde van het besturen dan wel doen besturen van het motorrijtuig opzet of schuld had ten aanzien van het ingevorderd zijn van het rijbewijs, zodat uit de bewijsmiddelen ook niet behoeft te blijken dat de verdachte zich op bedoeld tijdstip in meerdere of mindere mate bewust was of had moeten zijn van de omstandigheid dat zijn rijbewijs was ingevorderd. Een mogelijk gebrekkige bewustheid kan wel van belang zijn voor de beoordeling van een beroep op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld. 6.7 Voor zover het middel aanvoert dat het hof heeft miskend dat een beroep op afwezigheid van alle schuld bij het onderhavige delict niet als een bewijsverweer moet worden opgevat is dat juist. Ik volg echter niet het door de steller van het middel ingenomen standpunt dat het hof niet dan wel ontoereikend is ingegaan op het verweer dat bewustheid bij de verdachte heeft ontbroken ten aanzien van het zijn ingevorderd van het rijbewijs (ik begrijp: een beroep op feitelijke dwaling. In de onder 6.4 weergeven “bewijsoverweging” benoemt het hof expliciet “dat aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd”. Zoals al bij de bespreking van het tweede middel naar voren kwam (zie onder 5.9) heeft het hof de vaststelling “dat aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd” klaarblijkelijk ontleend aan het door [verbalisant 5] opgemaakte “proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding” van 25 januari 2022. Een blik achter de papieren muur laat zien dat [verbalisant 5] in dit proces-verbaal onder meer relateert: “De verdachte achtte zichzelf niet in staat om in de Nederlandse taal te communiceren. Zijn taalkeuze was Engelse. Ik communiceerde met hem in de Engelse taal, wat de verdachte verstond en begreep” en aan het slot “Op 25 januari 2022 te 00:47 uur, heb ik, [verbalisant 5] , verdachte medegedeeld dat zijn rijbewijs zal worden ingevorderd op grond van artikel 164 lid 2 onder c, indien hij zich niet laat onderwerpen aan een bloedonderzoek. Vervolgens heb ik de verdachte nogmaals bevolen zich te laten onderwerpen aan een bloedonderzoek. Ik, [verbalisant 5] , hoorde dat verdachte zei dat hij niet wilde meewerken aan dit bloedonderzoek.” In het licht van deze geciteerde inhoud uit het door [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal is het mijns inziens niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld “dat aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn rijbewijs is ingevorderd” en de verdachte zich derhalve bewust is geweest van het feit dat zijn rijbewijs was ingevorderd en het op dit punt gevoerde verweer daarom wordt verworpen. Daarbij merk ik nog op dat – zoals onder 4.9 al aan de orde kwam – de insteek van het verweer naar de kern genomen was dat de verdachte niet schriftelijk (in een voor de verdachte begrijpelijke taal) in kennis is gesteld dat zijn rijbewijs was ingevorderd. 6.8 Overigens wijs ik erop dat de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld slechts van toepassing kan zijn indien in elk geval alle strafrechtelijk relevant schuld ontbreekt. Gelet hierop kon het beroep van de verdachte op deze exceptie ook los van hetgeen onder 6.7 uiteen is gezet niet slagen. Blijkens zijn eigen verklaring op de terechtzitting van 17 oktober 2024 heeft de verdachte zijn rijbewijs aan de agenten afgegeven, terwijl uit die verklaring ook volgt dat hij niet heeft gekeken of hij bij het terugkrijgen van zijn portemonnee ook het rijbewijs kreeg geretourneerd. Ook wanneer wordt aangenomen dat de verdachte ervan uit is gegaan dat hij het rijbewijs terug had gekregen en hieraan de conclusie heeft verbonden dat zijn rijbewijs niet of niet meer was ingevorderd, heeft hij dit gezien het voorgaande te lichtvaardig verondersteld, zodat er onvoldoende grond is om te concluderen dat zijn handelen geheel verontschuldigbaar is wegens het ontbreken van alle strafrechtelijk relevante verwijtbaarheid. Dat het volgens de verdachte “is deeply concerning that after my initial interaction with the police, I was left next to my car, with the keys still in hand” maakt dit niet anders. 6.9 Ook dit middel faalt. 7 Het vierde middel 7.1 Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 7.2 Namens de verdachte is op 21 november 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 23 september 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan twee maanden is overschreden, terwijl een voortvarende afdoening in cassatie niet meer mogelijk is. Het middel is terecht voorgesteld. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straffen kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. 8 Afronding 8.1 De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het vierde middel is terecht voorgesteld. 8.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 8.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Op 21 november 2023 heeft er een rolzitting plaatsgevonden waarbij de verdachte aanwezig was. Een blik achter de papieren muur leert dat de verdachte om 23:53 uur is aangehouden, dat de (voorlopige) ademanalyse om 00:21 uur is gestart en driemaal is geprobeerd een resultaat te verkrijgen, dat de overgifte van het rijbewijs om 00:22 uur is gevorderd, dat de verdachte vervolgens is overgebracht naar het politiebureau, dat de verdachte om 00:38 uur is voorgeleid, hem tussen 00:42 en 00:45 uur tweemaal is bevolen mee te werken aan een bloedonderzoek, dat de verdachte om 00:47 uur te kennen is gegeven dat niet meewerken aan het bloedonderzoek leidt tot invordering van het rijbewijs, dat toen nogmaals is bevolen dat de verdachte zich onderwerpt aan het bloedonderzoek en dat om 00:47 uur het rijbewijs door verbalisant [verbalisant 3] is ontvangen. Zie voor een uitgebreide beschouwing over art. 9 lid 7 WVW 1994 A-G Hofstee in zijn conclusie voor HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1800, NJ 2022/68 m.nt Vellinga, randnr. 20-27. Zie HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0255, NJ 2010/342, r.o. 2.4. Alleen in art. 163 lid 7 WVW 1994 is nadien een wijziging aangebracht in die zin dat de woorden “Onze Minister van Veiligheid en Justitie” zijn vervangen door de woorden “Onze Minister van Justitie en Veiligheid”. Zie in dit verband HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2708, NJ 2005/417, r.o. 3.6. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers, r.o. 3.3. Zie HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0255, NJ 2010/342, r.o. 2.4. Vgl. bijv. het in de vorige voetnoot genoemde arrest en HR 5 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8746, NJ 1991/529. Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.2 onder C.