Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:355
Strafrecht
12,170 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:355 text/xml public 2026-05-20T10:28:36 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03346 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:355 text/html public 2026-05-20T10:28:17 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:355 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03346 Conclusie AG. Profijtontneming, w.v.v. uit hennepkwekerij. Falend middel met twee deelklachten over motivering door het hof van aantal oogsten en aantal planten. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO). Samenhang met 24/03345. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03346 P Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de betrokkene 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 augustus 2024 (parketnr. 23-003365-23) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 106.989,- en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van dat bedrag. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/03345. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De betrokkene is in de samenhangende stafzaak veroordeeld wegens onder meer het telen van een “grote hoeveelheid hennepplanten” (360) in een door hem gehuurde bovenwoning. In cassatie wordt geklaagd over motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2.2 De conclusie strekt tot verwerping van het middel. 3 Het middel 3.1 Het middel bestrijdt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van de betalingsverplichting op de grond dat deze onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van drie oogsten die voordeel hebben opgeleverd onbegrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens de tweede deelklacht is het oordeel van het hof dat de kwekerij in totaal 360 planten bedroeg onbegrijpelijk omdat deze conclusie uit het ontnemingsrapport door de verdediging voldoende gemotiveerd is betwist, terwijl de verwerping van die betwisting door het hof niet volstaat. Relevante processtukken 3.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging gevoerd en in dat kader onder meer medegedeeld: “Het procesdossier bevat op pagina 24 foto’s van de woning; ik tel op die foto’s 93 potten met aarde (zonder plant). In de ontnemingsprocedure is de hoeveelheid planten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen.” 3.3 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de betrokkene ook het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “ 1. Bewijs feiten 1 en 2 […] 1.20. Er waren kennelijk twee kweekruimten. In de ene ruimte waren 13 armaturen en in de tweede waren 11 armaturen. Op basis daarvan is het aantal potten geschat op resp. 195 en 165 potten, oftewel 15 potten per armatuur. Het aantal potten is niet geteld. Ik heb de foto’s bekeken en geprobeerd het aantal potten te tellen waarin ik ook daadwerkelijk aarde zie. Er zijn op de foto's ook potten te zien waarvan de bovenzijde niet zichtbaar is. Ik meen dat bij die potten niet kan worden vastgesteld of ze gevuld en dus gebruikt waren. Verder zijn bij sommige foto’s delen van de vloer aan het zicht onttrokken door rommel. Mogelijk stonden onder die rommel potten, maar ik ben daar niet vanuit gegaan. De foto's zijn redelijk duidelijk. Ik kom tot het volgende: - pdf p. 24: ongeveer 38 potten met aarde; - Pdf p. 26: ongeveer 15 potten met aarde; - Pdf p. 27: ongeveer 40 potten met aarde. Alles bij elkaar zijn dat 93 potten en wat de verdediging betreft moet dus ook worden uitgegaan van 93 planten, nu niet blijkt van meerdere planten per pot. […] 3. Ontneming […] 3.2. Subsidiair verzoek ik u de vordering af te wijzen omdat geen voordeel is verkregen. Het heeft er alle schijn van dat kort voor de inbeslagname van de hennepkwekerij was geoogst, maar de oogst is niet aangetroffen. Uit het dossier blijkt voorts dat vermoedelijk is ingebroken in de woning, kort voordat de politie ter plaatse kwam. Het is aannemelijk dat de oogst is gestolen. Voor meer oogsten zijn onvoldoende aanwijzingen. De aanvangsdatum van de periode waar de ontneming op ziet is volledig uit de lucht gegrepen, Liander schrijft “Ik ben in overleg met (naam politieambtenaar) ben ik tot de slotsom gekomen dat hier vermoedelijk tenminste 4 keer eerder is geoogst. Dit is gebaseerd op: Produktie data gipsplaat en Trafo aanslag potten en vervuiling koolstoffilters”. De gipsplaten zijn kennelijk gedateerd 24 februari 2017. De transformator is van eind 2016. Dat zegt natuurlijk niet meer dan dat de gipsplaat/trafo toen is vervaardigd. Het zegt niets over wanneer het is verkocht of geïnstalleerd, behalve dat dat niet vóór die datum zal zijn gebeurd. Wat is er dan concreet? Er is kennelijk sprake van verkleuring van het filter, etc. dat is te vaag om tot een verantwoorde schatting te komen dat er vier oogsten waren. 3.3. Meer subsidiair verzoek ik u, mocht u aannemen dat cliënt de woning verhuurde ten behoeve van de hennepteelt, de vordering af te wijzen, omdat tegenover de contante stortingen cq de ontvangen huurinkomsten de door cliënt betaalde huur en het bedrag aan Liander staan. 3.4, Mocht u cliënt veroordelen voor het telen en het wederrechtelijk voordeel aan hem toerekenen, dan wijs ik op het volgende. 3.5. Ik verzoek u uit te gaan van één eerdere oogst die iets heeft opgeleverd en één oogst die niets heeft opgeleverd vanwege de inbraak.” 3.4 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in (met overname van de inhoud van de voetnoten maar niet de originele nummering daarvan): “ De grondslag De betrokkene is veroordeeld bij arrest van het gerechtshof voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat feit en uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene die heeft begaan. In het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna; het rapport) zijn onder meer de volgende aanwijzingen opgenomen: een (grote) hoeveelheid potten met potgrond, in ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen, gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten aangetroffen in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten (24 februari 2017), productiedatum trafo (27 november 2016) en lege verpakkingen van hennepstekken. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is Vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. Op de ING bankrekening op naam van de verdachte heeft hij in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,00. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het volgende: Aantal oogsten Voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof uitgaan van 3 oogsten.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:355 text/xml public 2026-05-20T10:28:36 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03346 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:355 text/html public 2026-05-20T10:28:17 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:355 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03346 Conclusie AG. Profijtontneming, w.v.v. uit hennepkwekerij. Falend middel met twee deelklachten over motivering door het hof van aantal oogsten en aantal planten. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO). Samenhang met 24/03345. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03346 P Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de betrokkene 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 augustus 2024 (parketnr. 23-003365-23) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 106.989,- en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van dat bedrag. Verder heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/03345. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De betrokkene is in de samenhangende stafzaak veroordeeld wegens onder meer het telen van een “grote hoeveelheid hennepplanten” (360) in een door hem gehuurde bovenwoning. In cassatie wordt geklaagd over motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 2.2 De conclusie strekt tot verwerping van het middel. 3 Het middel 3.1 Het middel bestrijdt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van de betalingsverplichting op de grond dat deze onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van drie oogsten die voordeel hebben opgeleverd onbegrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens de tweede deelklacht is het oordeel van het hof dat de kwekerij in totaal 360 planten bedroeg onbegrijpelijk omdat deze conclusie uit het ontnemingsrapport door de verdediging voldoende gemotiveerd is betwist, terwijl de verwerping van die betwisting door het hof niet volstaat. Relevante processtukken 3.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging gevoerd en in dat kader onder meer medegedeeld: “Het procesdossier bevat op pagina 24 foto’s van de woning; ik tel op die foto’s 93 potten met aarde (zonder plant). In de ontnemingsprocedure is de hoeveelheid planten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen.” 3.3 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de betrokkene ook het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “ 1. Bewijs feiten 1 en 2 […] 1.20. Er waren kennelijk twee kweekruimten. In de ene ruimte waren 13 armaturen en in de tweede waren 11 armaturen. Op basis daarvan is het aantal potten geschat op resp. 195 en 165 potten, oftewel 15 potten per armatuur. Het aantal potten is niet geteld. Ik heb de foto’s bekeken en geprobeerd het aantal potten te tellen waarin ik ook daadwerkelijk aarde zie. Er zijn op de foto's ook potten te zien waarvan de bovenzijde niet zichtbaar is. Ik meen dat bij die potten niet kan worden vastgesteld of ze gevuld en dus gebruikt waren. Verder zijn bij sommige foto’s delen van de vloer aan het zicht onttrokken door rommel. Mogelijk stonden onder die rommel potten, maar ik ben daar niet vanuit gegaan. De foto's zijn redelijk duidelijk. Ik kom tot het volgende: - pdf p. 24: ongeveer 38 potten met aarde; - Pdf p. 26: ongeveer 15 potten met aarde; - Pdf p. 27: ongeveer 40 potten met aarde. Alles bij elkaar zijn dat 93 potten en wat de verdediging betreft moet dus ook worden uitgegaan van 93 planten, nu niet blijkt van meerdere planten per pot. […] 3. Ontneming […] 3.2. Subsidiair verzoek ik u de vordering af te wijzen omdat geen voordeel is verkregen. Het heeft er alle schijn van dat kort voor de inbeslagname van de hennepkwekerij was geoogst, maar de oogst is niet aangetroffen. Uit het dossier blijkt voorts dat vermoedelijk is ingebroken in de woning, kort voordat de politie ter plaatse kwam. Het is aannemelijk dat de oogst is gestolen. Voor meer oogsten zijn onvoldoende aanwijzingen. De aanvangsdatum van de periode waar de ontneming op ziet is volledig uit de lucht gegrepen, Liander schrijft “Ik ben in overleg met (naam politieambtenaar) ben ik tot de slotsom gekomen dat hier vermoedelijk tenminste 4 keer eerder is geoogst. Dit is gebaseerd op: Produktie data gipsplaat en Trafo aanslag potten en vervuiling koolstoffilters”. De gipsplaten zijn kennelijk gedateerd 24 februari 2017. De transformator is van eind 2016. Dat zegt natuurlijk niet meer dan dat de gipsplaat/trafo toen is vervaardigd. Het zegt niets over wanneer het is verkocht of geïnstalleerd, behalve dat dat niet vóór die datum zal zijn gebeurd. Wat is er dan concreet? Er is kennelijk sprake van verkleuring van het filter, etc. dat is te vaag om tot een verantwoorde schatting te komen dat er vier oogsten waren. 3.3. Meer subsidiair verzoek ik u, mocht u aannemen dat cliënt de woning verhuurde ten behoeve van de hennepteelt, de vordering af te wijzen, omdat tegenover de contante stortingen cq de ontvangen huurinkomsten de door cliënt betaalde huur en het bedrag aan Liander staan. 3.4, Mocht u cliënt veroordelen voor het telen en het wederrechtelijk voordeel aan hem toerekenen, dan wijs ik op het volgende. 3.5. Ik verzoek u uit te gaan van één eerdere oogst die iets heeft opgeleverd en één oogst die niets heeft opgeleverd vanwege de inbraak.” 3.4 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in (met overname van de inhoud van de voetnoten maar niet de originele nummering daarvan): “ De grondslag De betrokkene is veroordeeld bij arrest van het gerechtshof voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat feit en uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene die heeft begaan. In het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna; het rapport) zijn onder meer de volgende aanwijzingen opgenomen: een (grote) hoeveelheid potten met potgrond, in ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen, gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten aangetroffen in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten (24 februari 2017), productiedatum trafo (27 november 2016) en lege verpakkingen van hennepstekken. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is Vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. Op de ING bankrekening op naam van de verdachte heeft hij in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,00. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het volgende: Aantal oogsten Voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof uitgaan van 3 oogsten.
Volledig
In de kwekerij zijn (na een inbraak) geen hennepplanten meer aangetroffen; de vierde en dus laatste oogst, wordt daarom niet meegenomen in de berekening. Aantal planten De aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De stelling van de raadsman, dat gelet op de foto’s in het dossier niet meer dan 93 planten zijn gekweekt per oogst, is niet aannemelijk. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel. De hierin opgenomen uitgangspunten zijn gebaseerd op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt, dat wil zeggen in totaal 360 hennepplanten.” De eerste deelklacht 3.5 Voor de bespreking van de klacht is het volgende van belang. Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in art. 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook moet de betrokkene de gelegenheid hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. 3.6 Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr heeft begaan. 3.7 De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat betrokkene uit drie oogsten voordeel heeft genoten niet begrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd. Het middel voert daartoe aan dat de omstandigheid dat sprake is van vervuiling en wortelresten niet maakt dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat in totaal vier keer is geoogst, dat bij de producten en in het bijzonder de assimilatielampen is uitgegaan van de productiedatum maar dat dit niets zegt over de datum waarop die producten zijn geïnstalleerd en dat het feit dat in een periode van een half jaar contante geldbedragen zijn gestort niet maakt dat dus sprake is geweest van in totaal drie oogsten met opbrengst. Onder verwijzing naar een conclusie van A-G Aben en het daarop gewezen arrest van de Hoge Raad betoogt de steller van het middel dat in die zaak in plaats van naar de productiedatum naar de maximale gebruiksduur van de aangetroffen assimilatielampen werd gekeken om te beoordelen hoe lang die lampen in werking zouden zijn geweest. Daarnaast had in die zaak een kasopstelling plaatsgevonden en was vastgesteld dat de contante geldbedragen geen legale herkomst hadden, terwijl die “cruciale” vaststelling in onderhavige strafzaak – ondanks het verweer van de verdediging − zou ontbreken. 3.8 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd dat er voor het bestaan van meer oogsten onvoldoende aanwijzingen zouden zijn. Liander gaat uit van de productiedata van de gipsplaat en de transformator, van de aanslag in de potten en de vervuiling van de koolstoffilters. Volgens de raadsman zou dit niets zeggen over wanneer de producten zijn verkocht of geïnstalleerd en bovendien zou de verkleuring van het filter te vaag zijn om tot een schatting van vier oogsten te komen. 3.9 Het hof overweegt in het bestreden arrest onder het kopje “De grondslag” dat de betrokkene is veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof oordeelt vervolgens dat het voldoende aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel uit andere strafbare feiten heeft verkregen waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan. Als aanwijzingen noemt het hof in de eerste plaats de volgende aan het ontnemingsrapport ontleende gegevens, onder verwijzing in een voetnoot naar het ontnemingsrapport (p. 4) en het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 4 maart 2019 (dossierpagina 30-34): een (grote) hoeveelheid potten met potgrond, 24 assimilatielampen , gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten, productiedatum trafo en lege verpakkingen van hennepstekken. Daarnaast overweegt het hof op basis van de aangifte van de fraudespecialist [fraudespecialist] van Liander NV van 19 maart 2019 dat uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019 en dat aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten en trafo, aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. Ook stelt het hof vast dat op de bankrekening op naam van de betrokkene in de periode van 15 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen zijn gestort van in totaal € 10.660,-. Het hof komt dan onder het kopje “Aantal oogsten" tot de conclusie dat het voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaat van drie oogsten. De vierde en laatste oogst wordt door het hof niet meegenomen, nu in de kwekerij (na een inbraak) geen hennepplanten meer zijn aangetroffen. 3.10 Uit het bovenstaande blijkt dat het hof het aantal oogsten heeft gebaseerd op de feiten en omstandigheden uit het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, de aangifte van Liander van 19 maart 2019 en de ontnemingsrapportage van 21 mei 2019. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat aan de inhoud van die bewijsmiddelen de gevolgtrekking kan worden verbonden dat aannemelijk is dat in de periode van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019, dus in een periode van ruim 40 weken, vier hennepkweekoogsten hebben plaatsgevonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu die bewijsmiddelen onder meer inhouden dat wordt uitgegaan van vier oogsten gelet op het aantreffen van potten met potgrond met daarin aanslag en wortelresten van hennepplanten, de (mate van) vervuiling van de koolstoffilters, het aantreffen van assimilatielampen en de vervuiling op de kappen daarvan, het aantreffen van gedroogde resten van hennepplanten in een droognet en lege verpakkingen van hennepstekken en de productiedata op de gipsplaten (februari 2017) en transformator (november 2016). Hierover is door de verdediging in de kern niet meer aangevoerd dan dat de datum op de gipsplaten niets zegt over wanneer deze zijn verkocht of geïnstalleerd en dat “verkleuring van het filter, etc.” te vaag is om tot een verantwoorde schatting te komen dat er vier oogsten waren. Voor zover de verdediging hiermee het standpunt heeft willen betrekken dat de ook in deze zaak toegepaste algemeen gebruikte methode om aantallen oogsten te berekenen aan gebreken lijdt, is dat standpunt niet duidelijk ingenomen en in elk geval niet toegelicht. 3.11 De eerste deelklacht faalt. De tweede deelklacht 3.12 Bij de bespreking van de tweede deelklacht dient voorop te worden gesteld dat de bewijsminima uit het Wetboek van Strafvordering in de ontnemingsprocedure niet van toepassing zijn. Niettemin moet de schatting van de omvang van het voordeel op grond van art. 511f Sv op de inhoud van wettige bewijsmiddelen worden gebaseerd. Als wettig bewijsmiddel kan een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport gelden.
Volledig
In de kwekerij zijn (na een inbraak) geen hennepplanten meer aangetroffen; de vierde en dus laatste oogst, wordt daarom niet meegenomen in de berekening. Aantal planten De aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De stelling van de raadsman, dat gelet op de foto’s in het dossier niet meer dan 93 planten zijn gekweekt per oogst, is niet aannemelijk. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel. De hierin opgenomen uitgangspunten zijn gebaseerd op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt, dat wil zeggen in totaal 360 hennepplanten.” De eerste deelklacht 3.5 Voor de bespreking van de klacht is het volgende van belang. Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in art. 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook moet de betrokkene de gelegenheid hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. 3.6 Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr heeft begaan. 3.7 De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat betrokkene uit drie oogsten voordeel heeft genoten niet begrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd. Het middel voert daartoe aan dat de omstandigheid dat sprake is van vervuiling en wortelresten niet maakt dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat in totaal vier keer is geoogst, dat bij de producten en in het bijzonder de assimilatielampen is uitgegaan van de productiedatum maar dat dit niets zegt over de datum waarop die producten zijn geïnstalleerd en dat het feit dat in een periode van een half jaar contante geldbedragen zijn gestort niet maakt dat dus sprake is geweest van in totaal drie oogsten met opbrengst. Onder verwijzing naar een conclusie van A-G Aben en het daarop gewezen arrest van de Hoge Raad betoogt de steller van het middel dat in die zaak in plaats van naar de productiedatum naar de maximale gebruiksduur van de aangetroffen assimilatielampen werd gekeken om te beoordelen hoe lang die lampen in werking zouden zijn geweest. Daarnaast had in die zaak een kasopstelling plaatsgevonden en was vastgesteld dat de contante geldbedragen geen legale herkomst hadden, terwijl die “cruciale” vaststelling in onderhavige strafzaak – ondanks het verweer van de verdediging − zou ontbreken. 3.8 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd dat er voor het bestaan van meer oogsten onvoldoende aanwijzingen zouden zijn. Liander gaat uit van de productiedata van de gipsplaat en de transformator, van de aanslag in de potten en de vervuiling van de koolstoffilters. Volgens de raadsman zou dit niets zeggen over wanneer de producten zijn verkocht of geïnstalleerd en bovendien zou de verkleuring van het filter te vaag zijn om tot een schatting van vier oogsten te komen. 3.9 Het hof overweegt in het bestreden arrest onder het kopje “De grondslag” dat de betrokkene is veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof oordeelt vervolgens dat het voldoende aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel uit andere strafbare feiten heeft verkregen waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan. Als aanwijzingen noemt het hof in de eerste plaats de volgende aan het ontnemingsrapport ontleende gegevens, onder verwijzing in een voetnoot naar het ontnemingsrapport (p. 4) en het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 4 maart 2019 (dossierpagina 30-34): een (grote) hoeveelheid potten met potgrond, 24 assimilatielampen , gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten, productiedatum trafo en lege verpakkingen van hennepstekken. Daarnaast overweegt het hof op basis van de aangifte van de fraudespecialist [fraudespecialist] van Liander NV van 19 maart 2019 dat uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019 en dat aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten en trafo, aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. Ook stelt het hof vast dat op de bankrekening op naam van de betrokkene in de periode van 15 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen zijn gestort van in totaal € 10.660,-. Het hof komt dan onder het kopje “Aantal oogsten" tot de conclusie dat het voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaat van drie oogsten. De vierde en laatste oogst wordt door het hof niet meegenomen, nu in de kwekerij (na een inbraak) geen hennepplanten meer zijn aangetroffen. 3.10 Uit het bovenstaande blijkt dat het hof het aantal oogsten heeft gebaseerd op de feiten en omstandigheden uit het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, de aangifte van Liander van 19 maart 2019 en de ontnemingsrapportage van 21 mei 2019. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat aan de inhoud van die bewijsmiddelen de gevolgtrekking kan worden verbonden dat aannemelijk is dat in de periode van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019, dus in een periode van ruim 40 weken, vier hennepkweekoogsten hebben plaatsgevonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu die bewijsmiddelen onder meer inhouden dat wordt uitgegaan van vier oogsten gelet op het aantreffen van potten met potgrond met daarin aanslag en wortelresten van hennepplanten, de (mate van) vervuiling van de koolstoffilters, het aantreffen van assimilatielampen en de vervuiling op de kappen daarvan, het aantreffen van gedroogde resten van hennepplanten in een droognet en lege verpakkingen van hennepstekken en de productiedata op de gipsplaten (februari 2017) en transformator (november 2016). Hierover is door de verdediging in de kern niet meer aangevoerd dan dat de datum op de gipsplaten niets zegt over wanneer deze zijn verkocht of geïnstalleerd en dat “verkleuring van het filter, etc.” te vaag is om tot een verantwoorde schatting te komen dat er vier oogsten waren. Voor zover de verdediging hiermee het standpunt heeft willen betrekken dat de ook in deze zaak toegepaste algemeen gebruikte methode om aantallen oogsten te berekenen aan gebreken lijdt, is dat standpunt niet duidelijk ingenomen en in elk geval niet toegelicht. 3.11 De eerste deelklacht faalt. De tweede deelklacht 3.12 Bij de bespreking van de tweede deelklacht dient voorop te worden gesteld dat de bewijsminima uit het Wetboek van Strafvordering in de ontnemingsprocedure niet van toepassing zijn. Niettemin moet de schatting van de omvang van het voordeel op grond van art. 511f Sv op de inhoud van wettige bewijsmiddelen worden gebaseerd. Als wettig bewijsmiddel kan een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport gelden.
Volledig
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan in beginsel zelfs uitsluitend worden gebaseerd op een financieel rapport waarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt over de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. Of de rechter kan volstaan met de vermelding van (een onderdeel van) het financieel rapport en (bepaalde) gevolgtrekkingen uit het rapport, is ervan afhankelijk of die in het rapport gemaakte gevolgtrekkingen zijn ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en of die gevolgtrekking door of namens de betrokkene (voldoende) is betwist. 3.13 De tweede deelklacht verzet zich tegen het oordeel van het hof dat de kwekerij in totaal 360 planten bedroeg. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn nu de gevolgtrekking door het hof uit het ontnemingsrapport dat sprake is van 360 planten voldoende gemotiveerd is betwist. Volgens de steller van het middel had het hof de verwerping van dit standpunt nader moeten motiveren. In hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de lege potten niet door de politie zijn geteld en op de duidelijke foto's uit het dossier in totaal slechts 93 lege potten te zien zijn. Door te overwegen dat de stelling van de raadsman niet aannemelijk is, omdat het hof uitgaat van het ontnemingsrapport en de daarin opgenomen uitgangspunten, zou het hof de stelling onvoldoende gemotiveerd hebben verworpen. 3.14 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het aantal planten niet moet worden geschat aan de hand van het aantal aangetroffen assimilatielampen per kweekruimte, maar op basis van het aantal potten dat op de foto’s kan worden geteld. Gelet daarop en nu niet blijkt van meerdere planten per pot, moet volgens de raadsman worden uitgegaan van 93 hennepplanten (zie onder 3.2-3.3). 3.15 Dit verweer is ook gevoerd in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak. Daarin is door het hof vastgesteld dat sprake was van 360 hennepplanten en is op grond daarvan bewezenverklaard dat sprake was van een “grote hoeveelheid hennepplanten”. Bij de beoordeling van het daartegen gerichte cassatiemiddel in die strafzaak heb ik geconcludeerd dat de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het hof niet onbegrijpelijk is en dat de bewezenverklaarde “grote hoeveelheid hennepplanten” niet ontoereikend is gemotiveerd. 3.16 De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak gebonden. Met AG Keulen ben ik van oordeel dat hieruit voortvloeit dat beslissingen die tot de strafzaak behoren in de ontnemingszaak niet meer ter discussie kunnen worden gesteld en dat daarbij niet ter zake doet of de beslissing in de strafzaak inmiddels onherroepelijk is en of bij die beslissing al dan niet verweer is gevoerd. Het voorgaande laat echter onverlet dat aan de rechter, oordelend op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een zelfstandig oordeel toekomt voor alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. 3.17 Het onder 3.15 en 3.16 opgemerkte impliceert dat het hof in de ontnemingsprocedure gebonden was aan de vaststelling in de strafzaak dat de kwekerij in totaal 360 planten bedroeg en dat daarover ook in cassatie in de ontnemingsprocedure niet kan worden geklaagd. Nu de tweede deelklacht zich daartegen keert – en bijvoorbeeld niet inhoudt dat zelfs uitgaande van 360 planten gebreken kleven aan de schatting van het wederrechtelijke verkregen voordeel of de motivering daarvan – kan de klacht niet slagen. 3.18 Ook los daarvan – zo merk ik ten overvloede op – meen ik dat het oordeel van het hof dat sprake is van 360 planten niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend is gemotiveerd. In het bestreden ontnemingsarrest komt het hof tot het oordeel dat de stelling van de raadsman dat gelet op de foto’s niet meer dan 93 planten zijn gekweekt niet aannemelijk is. Het hof overweegt dat het aantal potten is gebaseerd op het ontnemingsrapport, waarin de opgenomen uitgangspunten zijn gegrond op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Uit het ontnemingsrapport blijkt dat het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Het hof sluit af door te oordelen dat het aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt (in totaal 360 hennepplanten). Daarmee heeft het hof uiteengezet waarom het uitgaat van de berekening van 360 hennepplanten in het ontnemingsrapport in plaats van de door de raadsman aangevoerde berekening, die kort gezegd is gebaseerd op het tellen van potten die op foto zijn vastgelegd. Het hof heeft voorts gemotiveerd waarom het geen reden ziet om af te wijken van de berekening in het ontnemingsrapport waarbij het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte, namelijk door te overwegen dat niet “aannemelijk” is geworden dat “(substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen”. 3.19 De tweede deelklacht faalt eveneens. 4 Afronding 4.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De ontnemingszaak is blijkens het proces-verbaal gelijktijdig met de strafzaak behandeld. De raadsman heeft één pleitnota overlegd, waarin hij eerst onder het kopje “1. Bewijs feiten 1 en 2” ingaat op het bewijs van de in de strafzaak ten laste gelegde hennepteelt en diefstal met verbreking en onder het kopje “3. Ontneming” ingaat op de ontnemingszaak. Hetgeen de raadsman onder het kopje “1. Bewijs feiten 1 en 2” onder randnummer 1.20 over het aantal planten aanvoert is eveneens van belang voor de ontnemingszaak, aangezien hetgeen in de pleitnota over de ontneming wordt aangevoerd daarop voortbouwt. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2], dossierpagina 1 tot en met 11. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34 en het Rapport, pagina 4. Een geschrift, te weten een aangifte door [fraudespecialist] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], dossierpagina 1 tot en met 16. Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [rapporteur 1], dossierpagina 28 tot en met 40. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2], dossierpagina 1 tot en met 11. Zie bijv. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:214, r.o. 2.3.1. Zie bijv. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:214, r.o. 2.3.2. A-G Aben, conclusie voor HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:684. Waarvan 13 assimilatielampen in ruimte 1 en 11 assimilatielampen in ruimte 2. Een blik over de papieren muur laat zien dat in de aangifte wordt verwezen naar het “Opnameformulier Energiefraude” dat onder het kopje “Aangetroffen feiten en omstandigheden die wijzen op meerdere teelten” onder meer het volgende inhoudt: bij de in ruimte A aangetroffen koolstoffilter is aangevinkt dat deze “vuil” en “zeer vuil” was en “schoon” is opgehangen. Bij de in ruimte B aangetroffen koolstoffilter is aangevinkt dat deze “vuil” en “zeer vuil” was en “schoon” is opgehangen.
Volledig
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan in beginsel zelfs uitsluitend worden gebaseerd op een financieel rapport waarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt over de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. Of de rechter kan volstaan met de vermelding van (een onderdeel van) het financieel rapport en (bepaalde) gevolgtrekkingen uit het rapport, is ervan afhankelijk of die in het rapport gemaakte gevolgtrekkingen zijn ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en of die gevolgtrekking door of namens de betrokkene (voldoende) is betwist. 3.13 De tweede deelklacht verzet zich tegen het oordeel van het hof dat de kwekerij in totaal 360 planten bedroeg. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn nu de gevolgtrekking door het hof uit het ontnemingsrapport dat sprake is van 360 planten voldoende gemotiveerd is betwist. Volgens de steller van het middel had het hof de verwerping van dit standpunt nader moeten motiveren. In hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de lege potten niet door de politie zijn geteld en op de duidelijke foto's uit het dossier in totaal slechts 93 lege potten te zien zijn. Door te overwegen dat de stelling van de raadsman niet aannemelijk is, omdat het hof uitgaat van het ontnemingsrapport en de daarin opgenomen uitgangspunten, zou het hof de stelling onvoldoende gemotiveerd hebben verworpen. 3.14 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het aantal planten niet moet worden geschat aan de hand van het aantal aangetroffen assimilatielampen per kweekruimte, maar op basis van het aantal potten dat op de foto’s kan worden geteld. Gelet daarop en nu niet blijkt van meerdere planten per pot, moet volgens de raadsman worden uitgegaan van 93 hennepplanten (zie onder 3.2-3.3). 3.15 Dit verweer is ook gevoerd in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak. Daarin is door het hof vastgesteld dat sprake was van 360 hennepplanten en is op grond daarvan bewezenverklaard dat sprake was van een “grote hoeveelheid hennepplanten”. Bij de beoordeling van het daartegen gerichte cassatiemiddel in die strafzaak heb ik geconcludeerd dat de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het hof niet onbegrijpelijk is en dat de bewezenverklaarde “grote hoeveelheid hennepplanten” niet ontoereikend is gemotiveerd. 3.16 De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak gebonden. Met AG Keulen ben ik van oordeel dat hieruit voortvloeit dat beslissingen die tot de strafzaak behoren in de ontnemingszaak niet meer ter discussie kunnen worden gesteld en dat daarbij niet ter zake doet of de beslissing in de strafzaak inmiddels onherroepelijk is en of bij die beslissing al dan niet verweer is gevoerd. Het voorgaande laat echter onverlet dat aan de rechter, oordelend op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een zelfstandig oordeel toekomt voor alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. 3.17 Het onder 3.15 en 3.16 opgemerkte impliceert dat het hof in de ontnemingsprocedure gebonden was aan de vaststelling in de strafzaak dat de kwekerij in totaal 360 planten bedroeg en dat daarover ook in cassatie in de ontnemingsprocedure niet kan worden geklaagd. Nu de tweede deelklacht zich daartegen keert – en bijvoorbeeld niet inhoudt dat zelfs uitgaande van 360 planten gebreken kleven aan de schatting van het wederrechtelijke verkregen voordeel of de motivering daarvan – kan de klacht niet slagen. 3.18 Ook los daarvan – zo merk ik ten overvloede op – meen ik dat het oordeel van het hof dat sprake is van 360 planten niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend is gemotiveerd. In het bestreden ontnemingsarrest komt het hof tot het oordeel dat de stelling van de raadsman dat gelet op de foto’s niet meer dan 93 planten zijn gekweekt niet aannemelijk is. Het hof overweegt dat het aantal potten is gebaseerd op het ontnemingsrapport, waarin de opgenomen uitgangspunten zijn gegrond op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Uit het ontnemingsrapport blijkt dat het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Het hof sluit af door te oordelen dat het aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt (in totaal 360 hennepplanten). Daarmee heeft het hof uiteengezet waarom het uitgaat van de berekening van 360 hennepplanten in het ontnemingsrapport in plaats van de door de raadsman aangevoerde berekening, die kort gezegd is gebaseerd op het tellen van potten die op foto zijn vastgelegd. Het hof heeft voorts gemotiveerd waarom het geen reden ziet om af te wijken van de berekening in het ontnemingsrapport waarbij het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte, namelijk door te overwegen dat niet “aannemelijk” is geworden dat “(substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen”. 3.19 De tweede deelklacht faalt eveneens. 4 Afronding 4.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De ontnemingszaak is blijkens het proces-verbaal gelijktijdig met de strafzaak behandeld. De raadsman heeft één pleitnota overlegd, waarin hij eerst onder het kopje “1. Bewijs feiten 1 en 2” ingaat op het bewijs van de in de strafzaak ten laste gelegde hennepteelt en diefstal met verbreking en onder het kopje “3. Ontneming” ingaat op de ontnemingszaak. Hetgeen de raadsman onder het kopje “1. Bewijs feiten 1 en 2” onder randnummer 1.20 over het aantal planten aanvoert is eveneens van belang voor de ontnemingszaak, aangezien hetgeen in de pleitnota over de ontneming wordt aangevoerd daarop voortbouwt. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2], dossierpagina 1 tot en met 11. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34 en het Rapport, pagina 4. Een geschrift, te weten een aangifte door [fraudespecialist] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], dossierpagina 1 tot en met 16. Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [rapporteur 1], dossierpagina 28 tot en met 40. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2], dossierpagina 1 tot en met 11. Zie bijv. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:214, r.o. 2.3.1. Zie bijv. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:214, r.o. 2.3.2. A-G Aben, conclusie voor HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:684. Waarvan 13 assimilatielampen in ruimte 1 en 11 assimilatielampen in ruimte 2. Een blik over de papieren muur laat zien dat in de aangifte wordt verwezen naar het “Opnameformulier Energiefraude” dat onder het kopje “Aangetroffen feiten en omstandigheden die wijzen op meerdere teelten” onder meer het volgende inhoudt: bij de in ruimte A aangetroffen koolstoffilter is aangevinkt dat deze “vuil” en “zeer vuil” was en “schoon” is opgehangen. Bij de in ruimte B aangetroffen koolstoffilter is aangevinkt dat deze “vuil” en “zeer vuil” was en “schoon” is opgehangen.