Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-31
ECLI:NL:PHR:2026:309
Strafrecht
9,920 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:309 text/xml public 2026-04-03T11:53:39 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-31 24/01875 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:309 text/html public 2026-04-03T11:53:00 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:309 Parket bij de Hoge Raad , 31-03-2026 / 24/01875 Conclusie AG. Computervredebreuk, schending ambtsgeheim en opzettelijk aanwezig hebben cocaïne door voormalig politiemedewerker. Bewijsklachten over oordeel hof dat verdachte informatie uit politiesystemen heeft opgevraagd en verschaft aan een derde, falen volgens AG. Vierde klacht kan volgens AG niet worden aangemerkt als cassatiemiddel idzv de wet. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01875 Zitting 31 maart 2026 CONCLUSIE P.T.C. van Kampen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte 1 Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 30 april 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001592-22) wegens (feit 2) “computervredebreuk, meermalen gepleegd”, (feit 3) “enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd” en (feit 4) “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 81 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis. 1.2 In eerste aanleg heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van (onder meer) de in hoger beroep bewezenverklaarde feiten 2 en 4 en hem - evenals het hof - veroordeeld voor feit 3. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat A. Jhingoer heeft een schriftuur ingediend. 1.4 In de aanhef van de schriftuur is de algemene cassatieklacht geformuleerd dat het hof de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 niet naar de eis der wet heeft gemotiveerd, althans is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (waarbij ik overigens opmerk dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van feit 1). Daarna volgen drie middelen die kennelijk moeten worden beschouwd als een nadere invulling van deze algemene klacht en die zich blijkens hun inhoud richten tegen verschillende vaststellingen van het hof met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3. De schriftuur houdt tot slot een vierde als cassatiemiddel gepresenteerde klacht in, die betrekking heeft op feit 4. 2 De uitspraak van het hof 2.1 Het hof heeft onder de feiten 2, 3 en 4 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “2. hij in de periode van 14 september 2015 tot en met 28 december 2015 in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in één of meer geautomatiseerd(e) werk(en), van de Nationale Politie, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, immers heeft hij gebruik gemaakt van een gebruikersnaam en een wachtwoord die hem ter beschikking stonden en heeft hij zich met die gebruikersnaam en dat wachtwoord toegang verschaft, met een ander doel dan waarvoor hem die gebruikersnaam en dat wachtwoord ter beschikking stonden en was toegestaan. 3. hij in de periode van 14 september 2015 tot en met 28 december 2015 in Nederland een of meer geheimen, te weten informatie, uit de bedrijfsprocessensystemen van de Nationale Politie, die aan hem verdachte, ter beschikking stonden, waarvan hij, verdachte, wist dat hij uit hoofde van ambt te weten in de functie van Generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP) in de rang van hoofdagent van politie bij de Politie Eenheid Rotterdam , verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij meermalen de uitkomsten van (malafide) raadplegingen die niet relevant waren voor de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de Nationale Politie, verstrekt aan een derde, althans aangewend voor privégebruik te weten informatie met betrekking tot: (tussen I september 2015 - 28 december 2015) - de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] - de (kencodes van) personen, [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] 4. hij te [plaats] , op 22 mei 2020 opzettelijk aanwezig heeft gehad 13 ponypacks (totaal 1,679 gram) cocaïne en 9,274 gram fenacetine, in elk geval een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.” 2.2 De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen. “Feiten 2 en 3 1. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 14 januari 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 2001092049.AMB. Dit proces-verbaal (met bijlage) houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 75-84 van algemeen dossier Corsica): In het onderzoek 26DeVink is op 14 november 2018 een proces verbaal van restinformatie opgemaakt. Kort samengevat bestaat op grond van geselecteerde PGP-berichten van de periode 1 september 2015 t/m 30 juni 2016, het vermoeden dat er tussen de gebruikers van de PGP-adressen [PGP-adres 1] en [PGP-adres 2] informatie wordt uitgewisseld waarbij er een mogelijkheid bestaat om tegen betaling informatie uit politiesystemen te verkrijgen. Naar aanleiding van dit proces-verbaal van restinformatie is een proces-verbaal van verdenking opgemaakt onder documentnummer 1911191022.AMB tegen een NN-verdachte. Op basis van dit proces-verbaal van verdenking zijn de historische loggings van bedrijfsprocessystemen van de politie gevorderd onder documentnummer 1912131400.BOB. De loggings zijn opgevraagd bij het team forensisch digitaal onderzoek van de landelijke eenheid met betrekking op de periode 1 september 2015 t/m 30 juni 2016. Onderzoek 2. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 15 juni 2020 onder nummer 2006151030.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 114 van zaaksdossier PGP): Nader onderzoek in de gevorderde loggegevens van de gebruiker met [personeelsnummer 1] , behorende bij politieambtenaar [verdachte] , wees uit dat de entiteit [betrokkene 6] wel was bevraagd. De navolgende bevragingen zijn vastgelegd in de politiesystemen: Datum Tijdstip Persnr Bevraagd 26-11-2015 14:14:49 [personeelsnummer 1] [betrokkene 6] 1995 26-11-2015 13:15:14 [personeelsnummer 1] [betrokkene 6] 1995- [geboortedatum] 3. Het proces-verbaal restinformatie van de politie Team High Tech Crime 1, d.d. 14 november 2018 onder nummer LERDA15008-1693. Dit proces-verbaal (met bijlage) houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 19-25 van algemeen dossier Corsica): Een zoekslag binnen de Landelijke Bereikbaarheidsgids van de politie zag ik dat het [personeelsnummer 1] is afgegeven aan: Naam [verdachte] Functie Medewerker GGP Rang Agent Persnr [personeelsnummer 2] Oud persnr [personeelsnummer 1] Afdeling Basisteam [plaats] Werkplek [a-straat] , [plaats] 4. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 18 maart 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 1509101516.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 21-23 van zaaksdossier zaak PGP): Van: [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-09-10T15:16:23.248Z Tekst Bro kijk deze kenteken voor mij [kenteken 1] Hoe veel 200barkies toch ahaha 5. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 23 maart 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 1509141903.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven. - (blz. 28-29 van zaaksdossier zaak PGP): Van: [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] . Verzonden: 2015-09-14T19:03:27.000Z Tekst Slm bro. Je plaka is klr. Opmerking verbalisant: Plaka is 'straattaal’ voor bord (bron: www.straatwoordenboek.nl). 6. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 11 mei 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 1512251420.AMB.
Volledig
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 154-157 van zaaksdossier zaak PGP): Conversatie van 25 december 2015 Van : [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden: 2015-12-25T14:20:58.204Z Tekst: Bro als ik je een kenteken geef binnen hoelang weet je meer ? Van: [PGP-adres 1] . Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden: 2015-12-25T15:46:01.000Z Tekst: 3 dge max die kenteken gegevens toch, Van : [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-12-25T16:13:05.668Z Tekst: Ja adres en naam hoef niet op papieren en ik betaal die niet he zeg je [kenteken 2] Conversatie van 28 december 2015 Van: [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden: 2015-12-28T21:52:48.000Z Tekst: [kenteken 2] Fiat 5oo zwarte kleur Naam: [betrokkene 10] [geboortedatum] 1980 Adres ; [b-straat 1] [postcode] [plaats] br. 7. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, integriteit en Klachten (RT), d.d. 14 april 2020 onder nummer RTSDA19010, documentnummer 1509301206.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 56-57 van zaaksdossier zaak PGP.) : Van : [PGP-adres 2] Ontvanger (s) : [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-09-30T12:45:33.238Z Tekst [betrokkene 1] [geboortedatum] -1985 Bro probeer binnen 2 dagen aub 8. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 15 april 2020 onder nummer RTSDA19010. Documentcode 1510071811.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 63-65 van zaaksdossier zaak PGP): Op 7 en 8 oktober 2015 vond er een conversatie plaats tussen de gebruikers van de PGP-adressen [PGP-adres 1] en [PGP-adres 2] . Dit komt naar voren uit de navolgende berichten: Van: [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden : 2015-10-07T18:11:53.000Z Tekst Br. K heb je dinge bij me ? Van : [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-10-07T18:13:30.670Z Tekst Ok bro ik ben nog ver heeft die man onderzoek ? Van: [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden : 2015-10-07T18:16:13.000Z Tekst Stond wat in met onderzoek over tellecomunicatie uit tci info , heeft patser en gerigstreert bij de criminele inlichting en verhale 9. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 16 april 2020 onder nummer RTSDA19010. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 80-81 van zaaksdossier zaak PGP) : Van : [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-10-09 T16:26:11.901Z Tekst : [betrokkene 3] [geboortedatum] -1987 10. Het proces verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 16 april 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 1510091600.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 98-100 van zaaksdossier zaak PGP): Van: [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden : 2015-10-18 T 11:54:46.000Z Tekst : Br k hb hier [betrokkene 3] [geboortedatum] 87 en [betrokkene 4] uit 1965 11. Het proces verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 15 april 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 1510211435.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 103-104 van zaaksdossier zaak PGP): Van: [PGP-adres 2] Ontvanger (s ) : [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-10-21T 14:35:35.836Z Tekst Ok als ik je nu 2 ga geven heb je ze ook vanavond ? Van: [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden: 2015-10-21 14:37:21.000Z Tekst Nee man broer, morge of overmorge bro Van: [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden: 2015-10-21 14:51:22.664Z Tekst [betrokkene 5] [geboortedatum] -1984 [betrokkene 6] [geboortedatum] -1995 12. Het proces verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 15 april 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 1511261426.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 115-118 van zaaksdossier zaak PGP): Van : [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden: 2015-11:26T15:25:40.000Z Tekst Hoe gaat t ? Kan k vandaag om 11 uur die 2 name brenge , Van: [PGP-adres 2] Ontvanger(s): [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-11-26T21:42:56.000Z Tekst Hebben ze onderzoek ik zie nu pas je bericht Van: [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden : 2015-11:26T21:44:45.000Z Tekst Nee man , mr wel notitsies en patser en mutaties broer , k moet die andere mense geve dossiers drm moest gelijk weg man broer, 13. Het proces verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 16 april 2020 onder nummer RTSDA19010, documentcode 1512131844.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 124-127 van zaaksdossier zaak PGP) : Van: [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden : 2015-12-13T18:44:50.255Z Tekst. Bro hoe is het als ik je een naam geef binnen hoelang is die binnen en aub vaste datum want ik ga ze zeggen in welke dag en dan moet ik zeker die dag hebben Van : [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden : 2015-12-13T18:45:54.000Z Tekst K zie hem morge broer voor vrijdag heeft die hem , Van : [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden: 2015-12-13T2.0:18:09.000Z Tekst Broer kan je sturen nu k ga ze allemaal wat k binne heb brenge morge middag drm ? Van: [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden: 2015-12-13T21:26:40.595Z Tekst [betrokkene 7] [geboortedatum] -1984 [betrokkene 8] [geboortedatum] -1979 Van: [PGP-adres 2] Ontvanger(s) : [PGP-adres 1] Verzonden: 2015-12-14T12:32:13.830Z Tekst [betrokkene 9] [geboortedatum] -1982 Hoe laat heb je die andere 2 bro ? 14. Het proces verbaal van bevindingen van de politie Team Veiligheid, Integriteit en Klachten (RT), d.d. 21 april 2020 onder nummer RTSDA19010, documentnummer 1512190649.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 133-140 van zaaksdossier zaak PGP) : Van : [PGP-adres 1] Ontvanger(s) : [PGP-adres 2] Verzonden : 2015-12-19T06:49:22.000Z Tekst Br, [betrokkene 9] , en [betrokkene 7] , kome niet uit in systeem heb bsn van nodig, [betrokkene 8] wel heb het in handen, k ben [plaats] 12 uur ben k [plaats] Feit 4 15. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 april 2024. 16. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie-eenheid Rotterdam , d.d. 23 mei 2020 onder nummer RTSDA19010, documentnummer 2005231100.AMB (blz. 24-26 van zaaksdossier zaak Opium) 17. Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 26 mei 2020. 18. Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 27 mei 2020.” 2.3 Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 het volgende overwogen. “De verdediging stelt zich - gelijk als in eerste aanleg - op het standpunt dat bevragingen op of via het account van verdachte, bijvoorbeeld in de rol van wachtcommandant, ook ten behoeve van een derde kunnen hebben plaatsgevonden. Daarnaast stelt de verdediging dat het mogelijk is dat collega’s gebruik maakten van de 'openstaande' computer van de verdachte wanneer deze kortdurend afwezig was, bijvoorbeeld voor het halen van koffie of toiletbezoek. Vaststaande feiten Bij het onderzoek Corsica is een hoeveelheid PGP- berichten ontsleuteld en inzichtelijk gemaakt. De berichtenuitwisseling tussen het account [PGP-adres 1] (hierna: ‘ [PGP-adres 1] ‘) en [PGP-adres 2] (hierna: ' [PGP-adres 2] ') leidde tot een onderzoek naar de mogelijke omkoping van een politieambtenaar die tegen betaling vertrouwelijke informatie zou lekken naar het criminele circuit. Uit de betreffende PGP-"gesprekken" blijkt dat [PGP-adres 2] aan [PGP-adres 1] informatie vraagt over kentekens, namen en een BSN-nummer. Uit deze gesprekken valt af te leiden dat [PGP-adres 1] dit op zijn beurt uit zet bij een derde ter opvraging in politiesystemen. Uit de gesprekken blijkt vervolgens, in de meeste gevallen, dat [PGP-adres 1] de informatie ontvangt en doorgeeft aan [PGP-adres 2] .
Volledig
Het dossier bevat ontsleutelde communicatie tussen [PGP-adres 1] en [PGP-adres 2] in de periode van 17 maart 2015 tot en met 18 januari 2016. Naar aanleiding van deze PGP-communicatie is onderzocht of de betreffende informatie is bevraagd vanuit een politieaccount en zo ja, vanaf welk politieaccount. Uit dit onderzoek bleek dat er bevragingen zijn gedaan met betrekking tot de door [PGP-adres 2] gevraagde informatie vanaf het account van de gebruiker met het [personeelsnummer 1] . Dit dienstnummer en het bijhorende account is gekoppeld aan de verdachte. Het hof zal hieronder per bevraagd gegeven uiteenzetten wanneer dat door [PGP-adres 2] aan [PGP-adres 1] is opgevraagd, wanneer de bevraging op het account van de verdachte heeft plaatsgevonden en of c.q. wanneer [PGP-adres 1] de informatie heeft gekregen van een derde. Waar de tijdsaanduiding in het dossier de UTC standaard tijd betreft is deze hieronder omgezet naar de daadwerkelijke Nederlandse tijd (in de zomer +2 uur en in de winter +1 uur bij de UTC tijd). [kenteken 1] Op 10 september 2015 wordt door [PGP-adres 2] informatie over dit kenteken verzocht. Op 14 september 2015 om 14:33 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar dit kenteken vanaf het account van de verdachte. Op 14 september 2015 laat [PGP-adres 1] aan [PGP-adres 2] weten dat zijn plaka (het hof begrijpt: kenteken) klaar is. Kenteken 78-ZG-HN Op 18 september 2015 wordt door [PGP-adres 2] informatie over dit kenteken verzocht. Op 27 september 2015 om 12:26 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar dit kenteken vanaf het account van de verdachte. In de PGP communicatie komt niet terug dat [PGP-adres 1] de informatie van een derde over dit kenteken heeft ontvangen. [kenteken 2] Op 25 december 2015 wordt door [PGP-adres 2] informatie over dit kenteken verzocht. Op 28 december 2015 om 22:40 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar dit kenteken vanaf het account van de verdachte. Op 28 december 2015 om 22:52 uur stuurt [PGP-adres 1] de informatie over dit kenteken (auto, naam en adres) naar [PGP-adres 2] . [betrokkene 1] Op 30 september 2015 wordt er door [PGP-adres 1] en [PGP-adres 2] over [betrokkene 1] gesproken. Op 7 oktober 2015 om 13:14 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar deze naam vanaf het account van de verdachte. Op 7 oktober 2015 om 20:16 uur geeft [PGP-adres 1] enige informatie aan [PGP-adres 2] met betrekking tot [betrokkene 1] en spreken ze af om de papieren te overhandigen. [betrokkene 13] Op 13 oktober 2015 wordt door [PGP-adres 2] om informatie omtrent deze naam verzocht. Op 16 oktober 2015 om 22:09 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar deze naam vanaf het account van de verdachte. In de PGP communicatie komt niet terug dat [PGP-adres 1] de informatie, van een derde over deze naam heeft ontvangen. [betrokkene 3] Op 9 oktober 2015 verzoekt [PGP-adres 2] om informatie over deze naam. Op 16 oktober 2015 om 20:34 uur en 20:35 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar deze naam vanaf het account van de verdachte. Op 18 oktober 2015 om 13:54 uur vermeldt [PGP-adres 1] dat hij [betrokkene 3] heeft. [betrokkene 4] Uit de PGP communicatie blijkt niet dat [PGP-adres 2] verzocht heeft om informatie met betrekking tot deze naam. Op 16 oktober 2015 om 20:43 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar deze naam vanaf het account van de verdachte. Op 18 oktober 2015 om 13:54 uur zegt [PGP-adres 1] tegen [PGP-adres 2] dat hij [betrokkene 4] heeft. [betrokkene 5] en [betrokkene 6] Op 21 oktober 2015 verzoekt [PGP-adres 2] om informatie van zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 6] . Op 24 november geeft [PGP-adres 2] te kennen dat hij niet blij is dat hij er een maand op moet wachten. Op 26 november 2015 om 14:00 uur, 14:08 uur, en 14:15 uur hebben er bevragingen plaatsgevonden naar deze twee namen vanaf het account van de verdachte. Op 26 november 2015 om 16:25 uur vraagt [PGP-adres 1] of hij die twee namen naar [PGP-adres 2] kan komen brengen. [betrokkene 7] Op 13 december 2015 verzoekt [PGP-adres 2] om informatie over deze naam. Op 19 december 2015 om 6:34 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar deze naam vanaf het account van de verdachte. Op 19 december 2015 om 7:49 uur meldt [PGP-adres 1] dat deze naam niet uit het systeem komt. [betrokkene 8] Op 13 december 2015 verzoekt [PGP-adres 2] om informatie over deze naam. Op 19 december 2015 om 6:35 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar deze naam vanaf het account van de verdachte. Op 19 december 2015 om 7:49 uur meldt [PGP-adres 1] dat hij [betrokkene 8] in handen heeft en dat hij in [plaats] is en naar [plaats] komt. [betrokkene 9] Op 13 december verzoekt [PGP-adres 2] om informatie over deze naam. Op 19 december 2015 om 6:31 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden naar deze naam vanaf het account van de verdachte. Op 19 december 2015 om 7:49 uur meldt [PGP-adres 1] dat deze naam niet uit het systeem komt. BSN-nummer [BSN (8 cijfers)] en/of [BSN (9 cijfers)] Op 21 december 2015 stuurt [PGP-adres 2] een 8-cijferig BSN-nummer naar [PGP-adres 1] en verzoekt om informatie daarover. Op 22 december 2015 vraagt [PGP-adres 1] om 9 cijfers, die [PGP-adres 2] vervolgens op 22 december 2015 stuurt ( [BSN (9 cijfers)] ). Op 23 december 2015 om 14:27 uur heeft er een bevraging plaatsgevonden met betrekking tot dit nummer vanaf het account van de verdachte. In de PGP communicatie komt niet terug dat [PGP-adres 1] de informatie van een derde over dit BSN-nummer heeft ontvangen. Bevragingen door één persoon Het hof ziet zich ten eerste gesteld voor de vraag of [PGP-adres 1] de informatie kreeg van één persoon. Met andere woorden: zijn alle bevragingen vanaf het account van de verdachte gedaan door dezelfde persoon. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de hiervoor weergegeven informatie met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde gegevens blijkt dat sprake is van een sterk verband tussen de bevragingen en de PGP- chats tussen [PGP-adres 1] en [PGP-adres 2] . De bevragingen in het politiesysteem vinden - behoudens in het geval van de naam [betrokkene 4] - telkens plaats nadat [PGP-adres 2] in de chat om de informatie aan [PGP-adres 1] heeft gevraagd. In die gevallen waarin er in de chat een vorm van terugkoppeling plaatsvindt van de bevraagde informatie, gebeurt dit meestal op de dag waarop de bevraging is gedaan, vaak kort na de bevraging. Daarnaast komt de door [PGP-adres 2] opgevraagde informatie overeen met de bevraagde informatie in het politiesysteem, ook als het om niet-bestaande gegevens ging, zoals de naam [betrokkene 11] . Als er door [PGP-adres 2] tegelijkertijd om meerdere namen werd verzocht, zijn deze ook tegelijkertijd bevraagd. Het hof concludeert uit het bovenstaande dat de bevragingen op het account van de verdachte steeds zijn gedaan op verzoeken van [PGP-adres 1] om die informatie, welke verzoeken steeds volgden op PGP berichten tussen [PGP-adres 2] en [PGP-adres 1] waarin [PGP-adres 2] om die informatie vroeg. Het hof acht het, gezien de onmiskenbare correlatie tussen het verkrijgen van de informatie door [PGP-adres 1] en de bevragingen in het politiesysteem, onaannemelijk dat de bevragingen op het account van de verdachte door verschillende mensen zijn gedaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de bevragingen zijn gedaan binnen een relatief kort tijdbestek van vier maanden. Derhalve concludeert het hof dat de bevragingen door één persoon zijn gedaan en wel via het account van verdachte. Bevragingen door een ander dan de verdachte? Ten tweede ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het de verdachte zelf is geweest die de tenlastegelegde bevragingen heeft gedaan. De raadsman heeft immers betoogd dat het mogelijk een ander is geweest die gebruik heeft gemaakt van het account van verdachte als deze zijn computer 'open' en derhalve onbeveiligd achterliet om even koffie te halen of naar het toilet te gaan. In het dossier bevindt zich geen aanknopingspunt dat een ander dan de verdachte de beschikking heeft gehad over de inloggegevens van zijn account. Daaruit leidt het hof af dat bevragingen via het account van de verdachte zijn gedaan nadat hij zelf had ingelogd.
Volledig
Dat zou evenwel uitzondering kunnen leiden in die gevallen waarin - het scenario van de raadsman volgend - een ander met behulp van het geopende en niet vergrendelde account van de verdachte, tijdens momenten van diens afwezigheid bevragingen naar de tenlastegelegde gegevens zou hebben gedaan. Met betrekking tot dat scenario zou het - zoals hiervoor reeds vastgesteld - steeds moeten zijn gebeurd door één en dezelfde persoon. Nog daargelaten dat dat naar objectieve maatstaven op zichzelf al buitengewoon onwaarschijnlijk moet worden geacht, valt dat niet te rijmen met de omstandigheid dat er enkele bevragingen buiten diensttijd zijn gedaan op het account van de verdachte. In die gevallen is het uitgesloten dat een ander via de openstaande computer op het account van de verdachte een bevraging heeft gedaan. Daarnaast valt niet in te zien waarom die betreffende persoon dan steeds een computer gebruikte waarop de verdachte was ingelogd en niet ook computers waarop anderen waren ingelogd en die tijdelijk verlieten. Dit scenario is naar het oordeel van het hof derhalve niet aannemelijk geworden. Bevragingen door de verdachte ten behoeve van een ander? Tenslotte ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de bevragingen zijn gedaan door de verdachte ten behoeve van een ander. De raadsman heeft immers betoogd dat het voorkomt dat een 'corrupte politiemedewerker' aan een assistent-wachtcommandant verzoekt om een bevraging te doen. Ook voor dit scenario geldt dat het - zoals hiervoor reeds vastgesteld - steeds zou moeten zijn gebeurd ten behoeve van één en dezelfde persoon. Het hof stelt voorop dat de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft erkend nooit als wachtcommandant te hebben gefungeerd. Dat laat evenwel nog de mogelijkheid bestaan dat dit zou kunnen hebben plaatsgevonden tijdens diensten waarop de verdachte als assistent-wachtcommandant werkzaam was. Dat scenario is naar het oordeel van hof niet aannemelijk geworden, omdat de verdachte zich dan immers zou moeten kunnen herinneren dat hij in het najaar van 2015 steeds door die persoon was benaderd om voor hem bevragingen te doen. De verdachte heeft echter niet in die zin verklaard. Overigens Tenslotte stelt het hof vast dat de verdachte [PGP-adres 1] , geïdentificeerd als [betrokkene 12] , kende. Slotsom De hiervoor genoemde omstandigheden, in samenhang bezien, maken dat het hof vaststelt dat het de verdachte is geweest die via zijn account de bevragingen heeft gedaan op verzoek van [PGP-adres 1] .” 2.4 Verder is bij de beoordeling van de cassatiemiddelen van belang wat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ter verdediging heeft aangevoerd. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 2024 heeft de raadsman mondeling het volgende ter verdediging aangevoerd met betrekking tot de feiten: “De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt: De advocaat-generaal geeft aan: het kan niet anders dan dat de verdachte de informatie heeft verstrekt. Dat is niet het criterium. Het moet 100% zeker zijn dat het mijn cliënt is geweest. Uit het appcontact tussen [betrokkene 12] en mijn cliënt blijkt niets geks. Het feit dat mijn cliënt 60.000 bevragingen heeft gedaan, is niet strafbaar. Het geeft vooral aan dat hij veel werk heeft verricht. Wij kunnen niet beoordelen of hij dat allemaal zelf heeft gedaan. Er staan maar 14 bevragingen op de tenlastelegging, naar die bevragingen is onderzoek gedaan, wij kunnen ons tegen die andere bevragingen niet verdedigen. Er zijn drie bevragingen vanaf het account van mijn cliënt gedaan die niet ook door een ander zijn bevraagd. Dat heeft hij kunnen doen als wachtcommandant. Dat is een alternatief scenario. Mijn cliënt heeft uitgelegd dat bureau […] in de praktijk wel assistent-wachtcommandanten had. Het OM heeft niet onderzocht waar mijn cliënt in de tenlastegelegde periode precies werkzaam was. De conclusie dat hij geen assistent-wachtcommandant was of binnen het flexteam heeft gewerkt, is nergens op gebaseerd. Het dossier bevat geen enkel bewijs dat mijn cliënt bepaalde bevragingen voor privégebruik heeft gedaan. Daarom dient mijn cliënt vrijgesproken te worden voor alle feiten. Wat betreft de ambtelijke omkoping is er geen overdracht geweest van informatie. Er is gezocht, maar er zijn geen geprinte documenten gevonden. Daarbij merk ik op dat als dit zo makkelijk zou zijn, er geen reden is om hier in 2016 vroegtijdig mee te stoppen. Je zou verwachten dat bij mijn cliënt stapels met kentekens en contanten gevonden zouden zijn. Dat is allemaal niet het geval. De heimelijke zoeking in zijn auto heeft niets opgeleverd. Mijn cliënt had een bruto inkomen van ongeveer 40.000 euro per jaar. Er was geen behoefte aan meer geld. Voorts merk ik op dat de urenregistratie van belang is. Mijn cliënt heeft aangegeven dat deze tijden niet kloppen, omdat hij veel overwerkte. Omdat de registratie niet klopt, kunnen we ook niet vaststellen dat mijn cliënt de bevragingen thuis heeft gedaan waar niemand bij zijn account kon. Er bestaat te veel onzekerheid. Primair vraag ik vrijspraak (…).” 3 Het eerste cassatiemiddel 3.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat [betrokkene 12] (de persoon achter het account ‘ [PGP-adres 1] ’) de informatie uit de politiesystemen heeft verkregen van de verdachte, onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank de verdachte in eerste aanleg heeft vrijgesproken van het verwerken of overdragen van gegevens, dat de verdediging heeft gesteld dat telefonisch contact tussen de verdachte en [betrokkene 12] niet tot een concrete ontmoeting heeft geleid, dat overdracht van gegevens noodzakelijk was omdat uit PGP-berichten is gebleken dat ‘ [PGP-adres 2] ’ (de persoon aan wie [betrokkene 12] de informatie heeft doorgespeeld) de informatie op papier wilde hebben en er voor een ontmoeting of overdracht “geen enkel bewijsmiddel in het dossier is aangetroffen”. 3.2 Met deze onderbouwing heeft het cassatiemiddel alle trekken van een bewijsverweer, dat evenwel blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2024 niet in die hoedanigheid aan het hof is voorgelegd. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij (mondeling) pleidooi slechts gesteld – overigens in relatie tot de onder 1 tenlastegelegde ambtelijke omkoping – dat er geen overdracht van informatie is geweest, er geen geprinte documenten zijn gevonden en er evenmin “stapels met kenteken en contanten” bij de verdachte zijn aangetroffen. Daarmee kan ik de stelling in het middel dat de verdediging zou hebben aangevoerd dat telefonisch contact tussen de verdachte en [betrokkene 12] niet tot een ontmoeting heeft geleid, niet thuisbrengen. Voor het overige steunt het middel in hoge mate op feiten die niet door het hof zijn vastgesteld en die evenmin door de verdediging ten verwere voor het hof zijn aangevoerd. Daarmee miskent het middel het karakter van de cassatieprocedure en de rol van de Hoge Raad als cassatierechter, die meebrengen dat in cassatie (in dit verband) geen nieuwe feiten kunnen worden aangevoerd. 3.3 Ik volsta hier met de constatering dat het hof in zijn bewijsoverwegingen toereikend heeft uiteengezet waarom het (onder feit 3) bewezen acht dat de verdachte gegevens uit de politiesystemen heeft verstrekt aan een derde ( [betrokkene 12] ), ook zonder dat uit de vaststellingen van het hof direct blijkt van een overdracht van informatie tussen deze twee. Het cassatiemiddel faalt. 4 Het tweede cassatiemiddel 4.1 Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het de verdachte is geweest die de bevragingen in de politiesystemen heeft gedaan. 4.2 Ook in dit verband worden in het middel onder aanhaling van dossierstukken en getuigenverklaringen feiten aangedragen, die in hoger beroep blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 2024 niet door de verdediging aan het hof zijn voorgelegd. De steller van het middel concludeert daarna dat het hof “onvoldoende rekening (…) [heeft] gehouden” met die feiten of deze “ontlastende gegevens onvoldoende heeft weersproken”. Ook hier geldt echter dat het voor een dergelijk feitelijk betoog in cassatie te laat is.
Volledig
4.3 Het hof heeft het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd, ook in het licht van datgene dat door de verdediging blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 2024 wel als verweer aan het hof is voorgelegd. Het middel kan niet leiden tot cassatie. 5 Het derde cassatiemiddel 5.1 Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte mogelijk de informatie heeft opgevraagd op verzoek van een andere politiemedewerker. Het hof heeft dit niet aannemelijk geacht. Samengevat heeft het hof geoordeeld dat ook in dit scenario de informatie moet zijn opgevraagd ten behoeve van (op verzoek van) één en dezelfde persoon. De verdachte zou zich moeten kunnen herinneren dat hij in het najaar van 2015 steeds door die persoon was benaderd om voor hem bevragingen te doen. De verdachte heeft echter niet in die zin verklaard, aldus het hof. 5.2 Het middel bevat de klacht dat gelet op het tijdsverloop en de grote hoeveelheid bevragingen die de verdachte heeft gedaan, niet van hem verwacht mocht worden dat hij een collega of ketenpartner kon aanwijzen die hem gevraagd zou hebben de bevragingen te doen. 5.3 Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de geschetste mogelijkheid dat de verdachte de bevragingen te goeder trouw heeft gedaan ten behoeve van een andere politiemedewerker, kunnen betrekken in hoeverre de verdachte hieraan een concrete invulling heeft gegeven. Bij pleidooi is niet veel meer naar voren gebracht dan de enkele, kale mogelijkheid dat de verdachte de bevragingen heeft “kunnen doen” als wachtcommandant, terwijl evenmin concrete omstandigheden zijn aangevoerd die meebrengen dat van de verdachte niet verlangd kan worden dat hij hierin meer inzicht geeft. Tegen die achtergrond was het hof niet tot een nadere motivering gehouden. Ook merk ik op dat de beoordeling door het hof van dit ‘alternatieve scenario’ moet worden beschouwd tegen de achtergrond van de overige vaststellingen die het hof tot het oordeel hebben gebracht dat de verdachte de informatie zelf op verzoek van [betrokkene 12] (de persoon achter het account ‘ [PGP-adres 1] ’) heeft opgezocht in de politiesystemen, zoals het gegeven dat de bevragingen deels buiten diensttijd van de verdachte door deze laatste zijn gedaan. 5.4 Verder voert middel in cassatie nieuwe feiten en omstandigheden aan die het ‘alternatieve scenario’ handen en voeten moeten geven. In zoverre leidt het middel aan hetzelfde euvel als het eerste en tweede middel en kan het niet tot cassatie leiden. 5.5 Het middel faalt. 6 De vierde als cassatiemiddel aangeduide klacht 6.1 In de schriftuur wordt onder de aanhef ‘feit 4’ naar voren gebracht dat “Voor de fenacetine (..) er slechts een analyse [is] uitgevoerd door een verbalisant die daarbij gebruik heeft gemaakt een zogenaamde Raman Sectroscopisch onderzoek die een indicatief resultaat geeft. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om de fenacetine nader te laten onderzoeken door het NFI.” 6.2 Waar het volgens de steller van het middel aan zou schorten in de uitspraak van het hof wordt evenwel niet toegelicht. Het aangevoerde bevat aldus niet een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het kan daarom niet worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin van art. 437 lid 2 Sv en moet daarom buiten bespreking blijven. 6.3 Ten overvloede merk ik op dat volgens het als bewijsmiddel 16 gebruikte proces-verbaal van bevindingen de bij de verdachte aangetroffen brokjes fenacetine geen cocaïne bevatten, terwijl de stof fenacetine zelf niet is vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Volgens het genoemde proces-verbaal van bevindingen wordt fenacetine gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne. Aangenomen moet worden dat het hof de fenacetine (slechts) in de bewezenverklaring heeft opgenomen omdat de verdachte de stof tezamen met de ponypacks met cocaïne aanwezig heeft gehad. Voor de bewezenverklaring dat de verdachte (ook) opzettelijk cocaïne of “in elk geval een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne” aanwezig heeft gehad, is de fenacetine evenwel niet van belang. Voor zover de klacht beoogt de bewezenverklaring te bestrijden op het punt dat de aangetroffen brokjes daadwerkelijk fenacetine betroffen, kan die daarom tot niets leiden. 7 Slotsom 7.1 Het eerste, tweede en derde cassatiemiddel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Met betrekking tot de afdoening door de Hoge Raad merk ik op dat in ieder geval het tweede en derde cassatiemiddel zich richten tegen vaststellingen van het hof die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, van welk feit de rechtbank in eerste aanleg (integraal) heeft vrijgesproken. In deze zaak doet zich evenwel de bijzonderheid voor dat de rechtbank in haar vonnis wel als vaststaand heeft aangenomen dat de verdachte de in hoger beroep onder 2 bewezenverklaarde gedragingen heeft begaan. Dat de rechtbank toch vrijsprak, berust op een (aanvechtbare) uitleg van de tenlastelegging. Gelet daarop meen ik dat het onderhavige geval niet gelijk kan worden gesteld met een geval zoals beschreven in het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2023 (post-Jaddoe), in welk geval een afdoening met toepassing van art. 81 lid 1 RO minder in de rede zou liggen (Vgl. HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1110 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens onder randnr. 3.2 (ECLI:NL:PHR:2025:599). 7.2 De vierde als cassatiemiddel aangeduide klacht moet buiten bespreking blijven. 7.3 Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn van twee jaren voor de behandeling van de zaak in cassatie zal worden overschreden indien de Hoge Raad uitspraak doet na 9 mei 2026. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 7.4 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De rechtbank overwoog onder meer: “Door zijn autorisatie met gebruikmaking van een gebruikersnaam en wachtwoord te gebruiken voor doeleinden die buiten de grenzen van zijn autorisatie vielen, is hij wederrechtelijk binnengedrongen in een geautomatiseerd werk zoals bedoeld in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht en heeft hij, door zich daartoe op die manier de toegang te verwerven, gebruik gemaakt van een valse sleutel in de zin van voornoemd artikel.” De rechtbank oordeelde dat de tevens tenlastegelegde, in art. 138ab lid 2 Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheid niet vaststond – ook het hof heeft daar overigens van vrijgesproken. Anders dan het hof, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit moest leiden tot een integrale vrijspraak, dus ook van het onder lid 1 van art. 138ab Sr bedoelde tenlastegelegde strafbare feit. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer.