Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:300
Strafrecht
24,199 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:300 text/xml public 2026-03-27T17:21:28 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 25/00659 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:300 text/html public 2026-03-27T17:21:08 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:300 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 25/00659 Conclusie AG in de megazaak Eris (liquidaties en voorbereidingen van liquidaties). Middelen over o.m. de rechtmatigheid van de deal met de kroongetuige en over de enkele ambtshalve constatering door het hof van vormverzuimen die verband houden met de Landeck- en Prokuratuur-problematiek. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81.1 RO. Tussen 25/00523, 25/00524, 25/00537, 25/00542, 25/00579, 25/00658, 25/00659, 25/00667, 25/00688, 25/00689 en 25/00690 bestaat samenhang. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer25/00659 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-003040-22) wegens: - Ten aanzien van het [deelonderzoek 1] (16-659097-19) “ medeplegen van moord ”; - Ten aanzien van het [deelonderzoek 2] (16-659133-19), feit 1: “ handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een onderdeel van een vuurwapen van categorie III ”; - Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16/659032-20) “ deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven ” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, en vijf maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof, niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissingen genomen over het beslag en over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00542, 25/00537, 25/00524, 25/00579, 25/00690, 25/00689, 25/00688, 25/00667 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic en L.M.M. Weyers, advocaten in [plaats] , hebben zes middelen van cassatie voorgesteld. De zaak 4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen. 5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde: (1). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst; (2). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’; (3). de beslissing om af te zien van het oproepen van een niet-verschenen getuige; (4). het bewijsminimum ter zake van de bewezenverklaring in [deelonderzoek 1] ; (5). het gebruik voor het bewijs van verklaringen van anonieme getuigen; (6). de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie. Het eerste middel Inleiding 6. Het middel komt op tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en tegen de verwerping van een daarmee verband houdend niet-ontvankelijkheidsverweer. Geklaagd wordt dat het OM bij het bepalen van de strafeis is uitgegaan van een gevangenisstraf van twintig jaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van vier entwintig jaren stond vermeld. Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis 7. De door de rechter-commissaris rechtmatig bevonden overeenkomst hield in dat het OM zonder de afspraken met de kroongetuige een gevangenisstraf zou hebben geëist van vierentwintig jaren en dat die strafeis zou worden verminderd met 50% wanneer de kroongetuige zijn afspraken onverkort zou nakomen. De verlaging van de basisstrafeis van vierentwintig naar twintig jaren brengt, aldus de stellers van het middel, met zich dat deze afspraak is komen te vervallen. De gewijzigde afspraak is niet onderworpen geweest aan toetsing door de rechter-commissaris. Dit betekent dat de gewijzigde afspraak niet kan gelden als een rechtmatige afspraak tussen het OM en een kroongetuige als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr. 8. De wijziging van de vi-regeling die ingevolge de Wet straffen en beschermen is ingetreden, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die een afwijking van de door de rechter-commissaris getoetste afspraak rechtvaardigt omdat die wijziging (naar het oordeel van de Hoge Raad) geen verzwaring oplevert van de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was (als bedoeld in artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR), maar slechts een wijziging van de executie ervan. De vermindering van de geëiste straf met méér dan de helft van de basisstrafeis van vierentwintig jaar, was dan ook ontoelaatbaar. ‘s Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 9. Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gewijzigde overeenkomst niet betrokken of de extra korting van vier jaar gevangenisstraf (nog) proportioneel is. De extra korting past niet binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het OM toekomt en het (impliciete) oordeel van het hof dat die strafeis niet zodanig onbegrijpelijk laag is dat zij moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. 10. Ook het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige door het verlagen van de basisstrafeis zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad, achten de stellers van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De wetsgeschiedenis wijst uit dat een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde moet worden geschoven wanneer “ de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt .” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder, in het vooronderzoek afgelegde verklaringen. Het juridisch kader 11. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604 ( Passage ), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende: “ 3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte.
Volledig
De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd. De verdachte aan wie een toezegging wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om als getuige een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte, wordt in het vervolg van deze voorafgaande beschouwing aangeduid als 'de getuige'. 3.4. Art. 44a Sr, waarnaar wordt verwezen in art. 226g, eerste lid, Sv, houdt in dat de rechter in de strafzaak tegen de getuige op vordering van de officier van justitie na een op grond van art. 226h, derde lid, Sv gemaakte afspraak de straf die hij overwoog op te leggen, kan verminderen. Het tweede lid van art. 44a Sr omschrijft waarin deze strafvermindering kan bestaan. Het gaat bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf om een vermindering met maximaal de helft. De rechter houdt bij de strafvermindering ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven. Het Wetboek van Strafvordering bevat voorts voorschriften met betrekking tot onder meer de rechtsbijstand aan de getuige (art. 226h, eerste lid, Sv), de toetsing door en de beschikking van de rechter-commissaris (art. 226h, tweede en derde lid, Sv en art. 226i Sv), het horen van de getuige in de strafzaak tegen de andere verdachte (art. 226j Sv) en de maatregelen tot bescherming van de getuige (art. 226l Sv). Deze voorschriften komen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, hieronder nader aan de orde. (…) 3.12. De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat enerzijds de toetsing door de rechter-commissaris en anderzijds de toetsing door de zittingsrechter. 3.13. Art. 226g, derde lid, Sv houdt in dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak toetst. Het gaat daarbij om de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde door de officier van justitie voorgenomen afspraak die overeenkomstig de (vorm)voorschriften van art. 226g, tweede lid, Sv op schrift is gesteld. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). De rechter-commissaris geeft een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv). De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Tot die gegevens behoort ook, voor zover daarvan in het concrete geval sprake is, het proces-verbaal dat de officier van justitie heeft opgemaakt op grond van art. 226g, vierde lid, Sv. Tevens dient, zoals onder 3.10 is vermeld, de rechter-commissaris in het door art. 226g, eerste lid, Sv bestreken geval te zijn geïnformeerd over de eventuele totstandkoming en de inhoud van een schikking als bedoeld in art. 511c Sv met de getuige. De rechter-commissaris legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand. 3.14. Ook in zaken waarin een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv bij de processtukken is gevoegd, geldt dat het is voorbehouden aan de (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Ten aanzien van deze beslissing gelden, indien die verklaring voor de bewijsvoering wordt gebruikt, geen andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde. Evenmin gelden in cassatie met betrekking tot de toetsing van de beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal bijzondere regels. Dat betekent dat in cassatie kan worden onderzocht of door de feitenrechter de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde voorschriften zijn nageleefd, maar niet of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden, ook voor zover deze zijn ontleend aan de verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv, juist zijn. Dat laatste geldt tevens voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD3530). 3.15. Op grond van art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht. De in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv. In het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, ligt al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.) De rechter is bovendien gehouden, indien hij afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat vanwege onregelmatigheden bij de totstandkoming van de afspraak de verklaring van de getuige niet betrouwbaar kan worden geacht, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. ” Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof 12. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een “Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken” van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst).
Volledig
Deze houdt onder meer in: “ 2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren. 2.3 Indien de resultaten van nader onderzoek aanleiding geven tot het vaststellen van een lagere basisstrafeis dan 24 jaren, bijvoorbeeld omdat een feit naar het oordeel van de zaaksofficier van justitie niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan zal de officier van justitie bij onverkorte nakoming door de getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, de strafeis navenant verminderen door de bijgestelde basisstrafeis te matigen met 50%. ” 13. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen: “5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn. Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het [deelonderzoek 3] . Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging. Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk? Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst? Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie. Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard. Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen.
Volledig
Overeenkomst proportioneel? Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen. Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het [deelonderzoek 3] ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing. Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het [deelonderzoek 3] het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld. Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het [deelonderzoek 3] is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast. Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak [deelonderzoek 3] te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook [medeverdachte 1] niet is vervolgd in de zaak [deelonderzoek 3] en dat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 1] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak [deelonderzoek 3] niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [kroongetuige] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden. Netto strafeis disproportioneel? Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen. Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd.
Volledig
De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. (…) Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet. ” De bespreking van het eerste middel 14. Het hof heeft de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst beoordeeld en daarbij onder meer vastgesteld dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hadden op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Tevens heeft het hof geoordeeld dat het OM het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot de overeenkomst te komen. Een en ander wordt in cassatie niet bestreden. 15. Het hof heeft op het punt van de wijziging van de basisstrafeis vastgesteld dat het OM bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft aangekondigd een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd, en dat het OM daadwerkelijk in afwijking van de overeenkomst een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Het hof heeft vastgesteld dat het OM als reden daarvoor heeft opgegeven dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen het vorderen van een gevangenisstraf van twaalf jaren (50% van de in de overeenkomst opgenomen basisstrafeis) voor [kroongetuige] zou leiden tot een netto gevangenisstraf van tien jaren, terwijl de netto gevangenisstraf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst acht jaren zou bedragen. Het OM legde de overeenkomst volgens het hof zo uit dat de inhoud van de overeenkomst ruimte bood om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren gevangenisstraf moest ondergaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd, dat het OM de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis heeft gemotiveerd en dat de rechtbank die motivering heeft beoordeeld en de strafeis heeft overgenomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof geoordeeld dat er geen aanleiding is (a) om de kroongetuigeovereenkomst onrechtmatig te achten, en (b) om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. 16. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof, anders dan de stellers van het middel, er niet van uitgaat dat de kroongetuigeovereenkomst van 13 november 2018 is komen te vervallen, maar dat de door de rechter-commissaris als rechtmatig beoordeelde overeenkomst nog steeds geldt. Deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het betoog van het OM kennelijk aldus opgevat dat het van oordeel was dat gewijzigde omstandigheden – i.c. de wijziging van de vi-regeling die door de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is ingegaan – reden gaven om uit te gaan van een andere basisstrafeis. De aangepaste basisstrafeis strekt ertoe dat de getuige onder de vigerende vi-regeling eenzelfde gevangenisstraf ondergaat als waartoe de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren (onder de vi-regeling die gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst) strekte, te weten effectief acht jaren gevangenisstraf. Het OM heeft zich dus geconformeerd aan ‘de geest’ van de overeenkomst. Het hof acht dit toelaatbaar. Het OM mocht van het hof aan de overeenkomst een uitleg gegeven die strookt met de bedoelingen van de partijen zoals die naar buiten toe zijn gebleken. Ik meen dat zulks niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 17. Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad – volgens de stellers van het middel – zou hebben geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling “ geen strafverzwaring ” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “ zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan .” 18. Voor zover het middel berust op de opvatting dat geen sprake meer is van een afspraak tussen het OM en een kroongetuige, als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr, die aan een rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris is onderworpen geweest, faalt het derhalve. 19. Ook faalt het middel voor zover wordt aangevoerd dat de vermindering van de gevorderde straf met méér dan de helft niet toelaatbaar zou zijn. Immers, er is geen sprake van een vermindering van de basisstrafeis met meer dan 50%: het OM is uitgegaan van een lagere basisstrafeis die het vervolgens met 50% heeft verminderd om tot de strafeis in de zaak van de kroongetuige te komen. Ik wijs erop dat het de rechter – en dus ook het OM – vrijstaat om bij de strafoplegging c.q. de eis rekening te houden met de manier waarop de straf ten uitvoer zal worden gelegd. 20. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het heeft geoordeeld dat de gewijzigde basisstrafeis niet zo laag is dat deze niet anders kan worden beschouwd dan als een ‘verkapte tegenprestatie’ voor het afleggen van verklaringen.
Volledig
In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren niet disproportioneel was, in cassatie niet is bestreden en gelet op de omstandigheid dat de gewijzigde basisstrafeis als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen leidt tot eenzelfde netto-detentietijd die de kroongetuige moest ondergaan, is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij bovendien op dat de gewijzigde basisstrafeis zonder 50% korting als gevolg van de gewijzigde vi-regeling zelfs tot een langere netto-detentietijd zou leiden dan de oorspronkelijke basisstrafeis (achttien jaren ten opzichte van zestien jaren). 21. Gelet op het voorgaande was ten slotte geen nadere motivering vereist van ’s hofs oordeel dat er geen reden was om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Alle klachten falen. Het tweede middel 22. Het middel is gericht tegen de beslissing om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan ‘elektronische gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken’ (hierna kortweg: gegevensdragers) en het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). De constatering van vormverzuimen heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaken Prokuratuur en Landeck . De overwegingen van het hof 23. Het arrest bevat de volgende overwegingen: “5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan. Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Volledig
Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens). In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4). Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.) In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding. Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving. Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan. ” Een nadere omschrijving van het tweede middel 24. Het middel komt met (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen drie onderdelen van de beslissing van het hof om als reactie op de vastgestelde vormverzuimen te volstaan met de (ambtshalve) constatering ervan. Dat betreft de volgende oordelen: (a). de vormverzuimen leveren in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting op; (b). in geval van toegang tot PGP-toestellen is de kans om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken gering, omdat het voornamelijk gaat om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven; (c). aangenomen wordt dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en naar verkeers- en locatiegegevens toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. 25. De stellers van het middel tekenen tot slot aan dat het feit dat ter zitting op dit punt geen verweer is gevoerd, niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, omdat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad pas ná het bestreden arrest is gewezen. Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck 26. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht.
Volledig
Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, onder andere in de zaak Prokuratuur . Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak Landeck uitspraak over Richtlijn 2016/680. 27. In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit. 28. De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck gaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “ dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene .” 29. Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het Prokuratuur -arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. 30. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren. 31. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel. 32. Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025. 33. In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak Landeck . De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). Bovendien dateert het Prokuratuur -arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). De bespreking van het tweede middel 34. In deze zaak is het hof ambtshalve ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens. Het hof overweegt dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek Eris door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar gegevensdragers in beslag zijn genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin opgeslagen gegevens, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een schriftelijke machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat daarbij nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Ook gaat het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan van verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) die de officier van justitie heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar deze situaties zich hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan. 35. Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen: (i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager opgeslagen gegevens als dit een kans geeft om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. (ii).
Volledig
Waar onderzoek is gedaan aan gegevens in PGP-toestellen gaat het voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-toestellen alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om op basis daarvan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken, is gering. (iii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Het onderzoeken van de inhoud van de in beslag genomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden waren niet voorhanden. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd. (iv). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. 36. Het onder (i) genoemde oordeel dat de vormverzuimen die aan de orde zijn in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting opleveren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie mijn opmerkingen onder randnummers 29 en 30). In de afwezigheid van een verweer waarmee het tegendeel is bepleit, vind ik de onder (ii) weergegeven overwegingen van het hof evenmin onbegrijpelijk. Deze getuigen bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde geldt voor de onder (iii) en (iv) beschreven overwegingen van het hof (zie in het bijzonder nog randnummers 31, 32 en 33). 37. Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. 38. Het middel faalt. Het derde middel 39. Met het derde middel wordt opgekomen tegen de beslissing om af te zien van het oproepen van de niet-verschenen [getuige 1] en tegen het oordeel dat (desondanks) sprake is van een eerlijk proces. Het procesverloop, het getuigenverzoek en de beslissing van het hof 40. Op de zitting van het hof van 22 november 2023 – waar [medeverdachte 2] als getuige werd gehoord – is namens de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 3] , mr. [betrokkene 12], het verzoek gedaan om (onder meer) [getuige 1] als getuige te horen. Dit verzoek hield volgens het proces-verbaal van die zitting in: “ De getuige [DA: tevens [medeverdachte 2] ] verklaart vandaag over een cruciaal punt in de zaak van mijn cliënt [DA: medeverdachte [medeverdachte 3] ], namelijk over de vraag wie er schuilgaat achter het account ‘ [accountnaam] ’. Er zijn aanknopingspunten om de identiteit van [betrokkene 1] te achterhalen. Volgens de getuige heeft ene ‘ [bijnaam] ’ – mogelijk is dat ene [getuige 1] – hem met [betrokkene 1] in contact gebracht. Het lijkt mij noodzakelijk om in elk geval die [bijnaam] / [getuige 1] daarover te bevragen. Hem kunnen dan ook vragen worden gesteld over de identiteit van [betrokkene 1] .” 41. Op de zitting van 8 december 2023 heeft het hof naar aanleiding van het voornoemde getuigenverzoek als volgt beslist (onderstreping mijnerzijds): “ De voorzitter deelt mede: Het hof wijst het verzoek tot het horen van (…) en [getuige 1] (“ [bijnaam] ”), geboren op [geboortedatum] 1968, toe in de zaken van alle verdachten in het dossier Eris. De verhoren zullen worden opgedragen aan een gedelegeerd raadsheer-commissaris, zodat we flexibel kunnen inspringen op de aanwezigheid van de getuigen. ” 42. Op 2 februari 2024 heeft de raadsheer-commissaris het hof, over de stand van zaken met betrekking tot het verhoor van (onder meer) [getuige 1] , als volgt bericht: “ [getuige 1] (‘ [bijnaam] ’): Ter terechtzitting op 8 december 2023 is door de meervoudige strafkamer van het hof bepaald dat [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1968, op wordt geroepen als getuige in de zaak tegen voornoemde verdachten. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat [getuige 1] per 21 juni 2022 staat geregistreerd als ONBEKEND RNI. De griffier heeft vervolgens aan het Openbaar Ministerie gevraagd het adres van getuige te achterhalen. Het Openbaar Ministerie heeft op 2 januari 2024 aan het kabinet raadsheer‐commissaris laten weten dat zij de politie gevraagd hebben onderzoek te doen naar de verblijfplaats van [getuige 1] . Zowel het Openbaar Ministerie als de politie beschikt helaas niet over informatie over de verblijfplaats van voornoemde getuige. De informatie van de politie die het kabinet op 2 januari 2024 van het OM ontving luidde voor zover relevant als volgt. 1. De moeder van [getuige 1] heeft aangegeven dat [getuige 1] af en toe bij haar langs komt, af en toe bij zijn vriendin in België verblijft, maar dat zij niet bekend is met een verblijfadres of telefoonnummer. 2. De politie is langs geweest bij twee broers van [getuige 1] . De politie heeft geen van de broers gesproken en van een van de twee is onduidelijk of hij verblijft op het adres dat bekend is bij de politie. 3. De beide zussen van [getuige 1] hebben aangegeven geen adres of telefoonnummer van [getuige 1] te hebben. ” 43. Vervolgens is het getuigenverzoek (opnieuw) aan de orde geweest tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep d.d. 25 maart 2024. Dit proces-verbaal houdt, voor zover thans relevant, in: “ Nadat mr. [betrokkene 2] pagina 134 van de pleitnota heeft voorgedragen, vraagt de voorzitter aan de raadslieden: Het hof heeft het horen van getuigen (…) [getuige 1] (‘ [bijnaam] ’) ambtshalve toegewezen in de zaak van verdachte [medeverdachte 2] en heeft zijn zaak daarvoor verwezen naar de raadsheer-commissaris. Dienen die verhoren wat u betreft nog plaats te vinden? Mr. [betrokkene 2] antwoordt: (…) Wij willen [getuige 1] nog wel horen. Hij zou de verklaring van cliënt — inhoudende dat [bijnaam] cliënt met [betrokkene 1] in contact heeft gebracht — kunnen ondersteunen. Dat is dus nog wel relevant. ” 44. Op 13 mei 2024 heeft de advocaat-generaal over de verrichtingen om [getuige 1] op te roepen bij de raadsheer-commissaris het volgende te kennen gegeven: “ Geachte raadsheer-commissaris, Wij hebben informatie ingewonnen bij de politie over de getuigen (…) [getuige 1] . Wij hebben de politie gevraagd te checken of de getuige(n) inmiddels ergens staan ingeschreven of dat zij een adres of telefoonnummer hebben opgegeven bij de (toevallige) controle of dat er andere informatie over een van deze getuigen bekend is geworden. (…) [getuige 1] staat niet meer ingeschreven in Nederland sinds 2022. Van [getuige 1] is geen verblijfadres bekend en er zijn geen nieuwe registraties/mutaties opgemaakt waarin [getuige 1] voorkomt. (…) ” 45. Een maand later heeft de raadsheer-commissaris de voorzitter van het hof het volgende bericht: “ Ten aanzien van de getuigen (…) [getuige 1] bericht ik u als volgt. Op maandag 13 mei jl. kwam naar aanleiding van een verzoek van mijn zijde om nader geïnformeerd te worden een bericht binnen bij het kabinet met betrekking tot de getuigen (…) [getuige 1] . Uit het bericht volgt dat bij de politie in de systemen geen nieuwe informatie bekend is geworden met betrekking tot een verblijfplaats van de getuigen. Het bericht treft u voor de goede orde als bijlage aan. Uit het bericht is door één van de medewerkers van het kabinet de naam van een advocaat-generaal verwijderd. Op woensdag 12 juni jl. heeft een medewerker van het kabinet ten aanzien van alle drie getuigen nogmaals het BRP en SKDB bevraagd. Dit leverde geen nieuwe informatie op. Overigens is er met betrekking tot de betreffende getuigen geen informatie binnengekomen bij het kabinet.
Volledig
De raadsheer-commissaris beschikt gezien het bovenstaande nog immer niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van de genoemde drie getuigen. (…) ” 46. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 juni 2024 houdt, voor zover thans relevant, in: “ Het hof heeft op 13 juni 2024 twee e-mails ontvangen van de raadsheer-commissaris. Uit de eerste e-mail volgt dat er geen nieuwe informatie bekend is geworden over de verblijfplaatsen van getuigen (…) [getuige 1] . De raadsheer-commissaris beschikt daarom nog steeds niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van deze getuigen. ” 47. Op 12 februari 2025 heeft het hof arrest gewezen. Het bestreden arrest houdt, met betrekking tot het verzoek tot het horen van [getuige 1] , het volgende in (onderstrepingen van mijn hand): “ Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 1] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij via [getuige 1] in contact is gekomen met een zekere [betrokkene 1] . [getuige 1] zou het contact van [medeverdachte 2] met [betrokkene 1] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [betrokkene 1] . Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord. Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken. Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 1] niet als getuige is gehoord. De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [medeverdachte 2] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [medeverdachte 2] ten laste gelegde feiten. ” Een nadere omschrijving van het derde middel 48. Het middel komt met motiveringsklachten op tegen het oordeel dat het “het onaannemelijk is dat de getuige ( [getuige 1] ) binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen” , en dat – ondanks dat deze getuige niet ter zitting is gehoord – het strafproces ‘eerlijk’, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is geweest. 49. Volgens de toelichting op het middel had van het hof en het OM mogen worden verwacht dat zij meer hadden gedaan om de [getuige 1] te traceren. Zo zijn niet álle mogelijke stappen (met name de inzet van politie en aanvullende controles) onderzocht of besproken. Dit geldt temeer nu [getuige 1] van wezenlijk belang was om het door de verdachte naar voren gebrachte (alternatieve) scenario over het bestaan van ‘ [betrokkene 1] ’ van een nadere onderbouwing te kunnen voorzien, aldus de stellers van het middel. De bespreking van het derde middel 50. Nadat het hof op de zitting van 8 december 2023 ambtshalve had bepaald dat [getuige 1] óók in de zaak van de verdachte als getuige moest worden gehoord, heeft het hof (op de zitting van 12 februari 2025) afgezien van het oproepen van de niet-verschenen getuige op de grond dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, zulks in het bijzijn van de verdediging en met gelegenheid tot het stellen van vragen. Het hof heeft in zijn oordeel betrokken (i) dat van de getuige geen verblijfplaats bekend is geworden, nu hij is uitgeschreven uit de BRP onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is geworden waarheen, (ii) dat het raadplegen van de politiesystemen niet heeft geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige, (iii) dat de verdediging geen informatie heeft verschaft en ook anderszins geen informatie naar voren is gekomen waaraan kan worden ontleend dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. 51. Ik acht het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat (onder leiding van de raadsheer-commissaris) uiteenlopende inspanningen zijn verricht om een ondervragingsmogelijkheid van de [getuige 1] te realiseren. Daartoe is de politie ook gevraagd na te gaan of zij beschikte over andere (niet in de BRP en SKDB opgenomen) informatie die van belang kon zijn voor het achterhalen van de woon- of verblijfplaats van de getuige (zie onder randnummers 42 en 44 t/m 46). De [getuige 1] is echter – ondanks herhaalde pogingen daartoe – niet traceerbaar gebleken. De verdediging heeft verder geen informatie verschaft over de vindplaats van deze getuige, terwijl ook het dossier geen (andere) aanknopingspunten biedt voor de woon- of verblijfplaats van de getuige. 52. Overigens acht ik ook het oordeel dat het proces – ondanks dat de [getuige 1] niet in aanwezigheid van de verdediging kon worden gehoord – als geheel ‘eerlijk’ is geweest, niet onbegrijpelijk. Het hof mocht hierbij de relevantie en het belang van de verklaring van [getuige 1] betrekken. Het hof heeft in dit verband mogen aannemen dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige (een zogeheten defence witness ) uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. 53. Het derde middel faalt. Het vierde middel 54. Het vierde middel komt op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] ( [deelonderzoek 1] ). De bewijsvoering 55. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest. 56. Voor de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezen verklaarde feit heeft het hof (onder meer) redengevend geacht de verklaring(en) van [kroongetuige] waarin hij – kort gezegd – heeft verklaard dat hij de verdachte heeft herkend. De bewijsmiddelen dienaangaande houden, voor zover thans relevant, het volgende in (onderstrepingen van mijn hand): “7.2. De verklaringen van [kroongetuige] Kluisverklaringen Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 16 januari 2018, map 118C, p.3230 (…) A: (...) Alleen zeg maar het neefje van [betrokkene 3] is licht getint, die is niet donker donker. A: Die is licht getint en een beetje rooiig met sproetjes . A: Hij heb heel kort haar, dus hij heb zelf een beetje rooie gloed weetje heel lichtjes getint en dan een beetje sproetjes, rooiige sproetjes, hij is heel jong. ” “ Proces-verbaal van verhoor getuige J.A. [kroongetuige] van 13 november 2018, map 118D, p. 3626 V: (...) We willen beginnen om jou een aantal foto’s te tonen. (…) V: Foto nummer 5 ( [verdachte] ). A: Dit is de neef van [betrokkene 3] . Ik ken zijn naam niet. Ik heb hem wel een paar keer omschreven in mijn verklaringen en nu zie ik voor het eerst een foto en dat is eigenlijk waar ik over verklaard heb. En hij stond mij bij als de neef van [betrokkene 3] , maar hoe hij heet, weet ik niet.
Volledig
(…) ” “Eigen waarneming van het hof Het hof heeft aan de hand van een foto van [verdachte] in het dossier op de Informatiestaat SKDB Persoon en op de zitting waargenomen dat [verdachte] een licht getint, wat rossig uiterlijk en sproeten in het gezicht heeft. ” 57. Het arrest bevat daarnaast de volgende bewijsoverwegingen, met betrekking tot de rol van de verdachte bij het bewezen verklaarde feit (onderstrepingen van mijn hand): “6.3.2.5. De rol van [verdachte] De verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat de herkenning van [verdachte] door [kroongetuige] niet betrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebruikt. [kroongetuige] heeft steeds verklaard over het neefje van [betrokkene 3] ( [betrokkene 4] ) en heeft hem – op 13 november 2018 – als zodanig herkend van een foto van [verdachte] . Ook heeft hij verklaard dat het neefje van [betrokkene 3] tijdens het rijden in het midden op de achterbank heeft gezeten en dat hij hem tijdens de rit naar [plaats] bij herhaling in de achteruitkijkspiegel heeft gezien. Hij heeft [verdachte] bovendien daarna nog een paar keer gezien . Hij heeft [verdachte] ontmoet bij het ophalen van [betrokkene 4] in [plaats] . Ook heeft hij meermalen verklaard over een specifieke situatie met het neefje van [betrokkene 3] in de auto in [plaats] toen [betrokkene 4] met de mannen van [betrokkene 5] over een liquidatie aan het praten was. [kroongetuige] heeft over die situatie verklaard dat het neefje van [betrokkene 3] toen heeft gezegd dat hij er op kickte om mensen in het gezicht te schieten. Anders dan voor de derde man geldt, heeft [kroongetuige] het neefje van [betrokkene 3] dus meerdere keren gezien. Bovendien heeft hij geen enkele twijfel bij de herkenning van het neefje van [betrokkene 3] van een foto van [verdachte] . In zijn kluisverklaring van 16 januari 2018 heeft [kroongetuige] het neefje van [betrokkene 3] omschreven als een licht getint persoon, een beetje ‘rooiig’ met sproetjes. “Hij komt wel van [geboorteplaats] , maar is niet donker, donker.” Het hof heeft zelf aan de hand van een foto van [verdachte] in het dossier op de informatiestaat SKDBpersoon en op de zitting waargenomen dat [verdachte] een licht getint, wat rossig uiterlijk en sproeten in het gezicht heeft en dat de omschrijving van [kroongetuige] van het neefje van [betrokkene 3] op hem past. De beschrijving van [kroongetuige] in diens kluisverklaring van het neefje van [betrokkene 3] bevat relatief sterk onderscheidende kenmerken. [kroongetuige] heeft het neefje van [betrokkene 3] na het ophalen in [plaats] op 17/18 april 2017 nog ten minste tweemaal in een periode van maximaal ongeveer twee maanden meegemaakt en ook toen goed kunnen waarnemen. Daarom is er naar het oordeel van het hof geen reden om te twijfelen aan de validiteit van de herkenning door [kroongetuige] van het neefje van [betrokkene 3] aan de hand van een foto van [verdachte] bij een enkelvoudige fotoconfrontatie. De verdediging heeft nog aangevoerd dat mogelijk [betrokkene 6] in plaats van [verdachte] de persoon is die [kroongetuige] op 17 april 2017 in [plaats] heeft opgehaald. [kroongetuige] is echter geconfronteerd met een foto van [betrokkene 6] en hij heeft verklaard deze persoon niet eerder te hebben gezien. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] op 17 april 2017 in [betrokkene 7] . Het hof heeft dit oordeel mede gebaseerd op wat zij hiervoor heeft vastgesteld over de betrokkenheid van [betrokkene 4] , voor zover relevant voor de rol van [verdachte] zoals dat hieronder is uitgewerkt. Anders dan voor [betrokkene 4] blijkt uit het dossier niet dat [verdachte] voorbereidingen heeft getroffen voor de liquidatie of dat hij na de liquidatie nog daarmee samenhangende handelingen heeft verricht. [verdachte] is met [betrokkene 4] en de chauffeur met een automatisch vuurwapen naar de parkeerplaats bij de [A] aan de [a-straat] in [betrokkene 7] gereden. Daar hebben zij de auto van [slachtoffer 2] klemgereden. [verdachte] is een van de twee mannen geweest die – naar de uiterlijke verschijningsvorm ter uitvoering van het gezamenlijke plan om [slachtoffer 2] als de inzittende van de Citroën van het leven te beroven – zijn uitgestapt waarna, al dan niet door [verdachte] zelf, de dodelijke schoten zijn gelost door met het automatische wapen van achteren en van de zijkant op [slachtoffer 2] in de Citroën te schieten. Wie van de twee heeft geschoten, is niet gebleken, maar dit staat aan een bewezenverklaring van het medeplegen niet in de weg. Hierbij is van belang dat [verdachte] , [betrokkene 4] en [medeverdachte 2] geen verklaringen hebben afgelegd die een aanknopingspunt bieden voor een andere uitleg van de door het hof vastgestelde gezamenlijke gedragingen van [verdachte] en [betrokkene 4] (en de chauffeur). Het hof is van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 4] en de chauffeur, waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het betreft de uitvoering van een opdracht om [slachtoffer 2] te liquideren: er was sprake van de uitvoering van een vooropgezet plan en er zijn veel momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien. ” Een nadere omschrijving van het vierde middel 58. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof de bewezenverklaring (in strijd met artikel 342 lid 2 Sv) in de kern heeft doen steunen op de verklaring van slechts één getuige (namelijk: de herkenning van de verdachte door [kroongetuige] tijdens een enkelvoudige fotoconfrontatie), en dat het hof de bewezenverklaring – gelet op de bezwaren die kleven aan de voor het bewijs gebruikte ‘bronnen’ – ontoereikend heeft gemotiveerd. De bespreking van het vierde middel 59. Het hof heeft de herkenning van de verdachte door [kroongetuige] , tijdens een enkelvoudige fotoconfrontatie, als betrouwbaar beoordeeld, en voor het bewijs gebruikt. Het hof heeft daarbij in zijn oordeel betrokken dat de kroongetuige meermaals heeft verklaard over “het neefje van [betrokkene 3] ”, dat de kroongetuige hem meerdere keren – tijdens verschillende ontmoetingen in de auto – heeft gezien, en ook dat hij ‘het neefje’ nadien heeft herkend als de verdachte op een aan hem door verbalisanten getoonde foto. In zijn oordeel heeft het hof bovendien meegewogen dat de beschrijving van de kroongetuige in zijn kluisverklaring van ‘het neefje’ relatief sterk onderscheidende kenmerken bevat (namelijk: licht getint, een beetje ‘rooiig’, met sproetjes), terwijl deze beschrijving past bij de uiterlijke kenmerken die het hof zelf bij de verdachte (op een SKDB-foto en tijdens de zitting) heeft waargenomen. Uit ’s hofs eigen waarneming (die overigens ook tot het bewijs is gebezigd, zie hiervoor onder randnummer 56) blijkt immers dat de verdachte “een licht getint, wat rossig uiterlijk en sproeten in het gezicht heeft” . 60. Dat het hof, gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft geoordeeld dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de accuratesse van de herkenning van de verdachte door de kroongetuige, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd. De klachten van het middel stuiten daarop af. 61. Het vierde middel snijdt geen hout. Het vijfde middel 62. Het vijfde middel bevat een klacht over (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] ( [deelonderzoek 1] ). Geklaagd wordt dat het hof gebruik heeft gemaakt van twee verklaringen afgelegd door een anonieme getuige ( [getuige 2] ), terwijl het hof het gebruik van deze verklaringen, in strijd met het bepaalde in artikel 360 lid 1 Sv, niet in het bijzonder heeft gemotiveerd. Dit verzuim leidt volgens de stellers van het middel tot nietigheid van de bestreden uitspraak. De bewijsvoering 63.
Volledig
Voor de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezen verklaarde feit heeft het hof (onder meer) redengevend geacht twee verklaringen afgelegd door [getuige 2] . De bewijsmiddelen dienaangaande houden het volgende in: “ Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] van 18 april 2017, map 81, p. 51 De getuige verklaarde: Op maandag 17 april 2017, omstreeks 23.00 uur, bevond ik mij samen met mijn vriend [betrokkene 8] en [betrokkene 9] op een parkeerterrein achter de [A] op [b-straat] te [betrokkene 7] . Wij waren aan het chillen en ik bemerkte dat er een auto naast mijn auto kwam staan. (...) Ik kon duidelijk door de ramen van mijn auto zien dat er een grijze Peugeot naast mijn auto parkeerde. Ik zag dat de Peugeot een station model was en donker getinte achterruiten had. De ruiten aan de voorzijde van de auto waren ook getint alleen minder donker. Ik kon wel naar binnen kijken. Ik weet nog wel dat er op het parkeerterrein genoeg lantaarnpalen stonden dus ik kon alles goed zien. Doordat ik het vreemd vond dat ze daar parkeerde, bleef ik wat langer kijken. Ik zag op een bepaald moment twee mannen in de auto zitten. Ik zag dat het donker getinte mannen betroffen. Ik denk dat ze negroïde waren, want ze hadden een hele donkere huid. Ik zag op een bepaald moment dat de Peugeot achteruit reed en met zijn kont naar de [a-straat] reed. Ik lette er verder niet meer op. Ik hoorde ineens kort daarna twee harde knallen. Ik schrok hiervan. Ik dacht in eerste instantie dat het vuurwerk was, maar ik kreeg er een ander gevoel bij. Het klonk toch anders. Op datzelfde moment keek ik waar de knallen vandaan kwamen. Ik zag dat de Peugeot die zojuist naast ons weg was gereden dwars achter een ander voertuig stond. Ik zag dat dit voertuig een zwarte Citroën betrof. Ik denk een klein model, mogelijk een C1 of vergelijkbaar. Ik zag dat de Citroën met zijn neus richting de [A] stond. Ik zag dat de bijrijder van het voertuig nog snel in de Peugeot sprong. Ik zag dat de Peugeot hierna met hoge snelheid richting de openbare weg reed. Ik zag dat dit de [c-straat] betrof. Ik zag dat de Peugeot hierna richting de snelweg reed. Ik vertrouwde het toch niet dus keek ik nog een keer goed naar de Citroën alwaar de hard weggereden Peugeot dwars achter stond. Ik zag ineens dat de achterruit van de Citroën stuk was. Ik kon dit goed zien, omdat er geen andere geparkeerde auto’s mijn zicht blokkeerden. Ik zag ook nog iemand in de Citroën zitten op de bestuurdersstoel. Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] van 10 mei 2017, map 81, p. 95 V: Wat gebeurde er toen? A: Ik zag de achterruiten van die auto, een Peugeot, grijs van kleur en station model, geblindeerd waren. Ik weet dat NN05 door de ruiten naar die auto keek en een persoon zag zitten. Ik heb wel iets zien bewegen, maar weet niet wie of wat dit was. V: Hoeveel mensen zaten er in die auto? A: Ik denk twee, althans die heb ik gezien. Direct daarna hoorde ik twee knallen. Ik ging er vanuit dat het vuurwerk was. Ik keek om en zag de Peugeot staan. Ik zag de Peugeot achter de groene Polo en de auto van het slachtoffer staan. De Peugeot stond dusdanig achter de auto van het slachtoffer dat hij nooit achteruit weg had kunnen rijden. De Peugeot stond recht achter de auto van het slachtoffer. Ik zag alleen de bijrijder staan. Deze stond naast de auto. Daarna sprong de bijrijder in de auto en ik zag en hoorde dat de auto letterlijk weg racete. Ze reden rechtsaf richting de snelweg. ” 64. Het arrest bevat daarnaast, voor zover relevant, de volgende overwegingen (onderstrepingen van mijn hand): “6.3.2.1. De liquidatie van [slachtoffer 2] Op 17 april 2017 omstreeks 23.00 uur is [slachtoffer 2] op een parkeerplaats bij de [A] aan de [a-straat] in [betrokkene 7] neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden. De verklaringen van [kroongetuige] [kroongetuige] heeft over de liquidatie van [slachtoffer 2] verklaard dat hij in de middag van 17 april 2017 samen met zijn vader [kroongetuige] een afspraak had met [medeverdachte 2] bij [B] aan de [d-straat] waar zij hebben geluncht. Tijdens deze afspraak is ook [betrokkene 4] verschenen en zijn [betrokkene 4] en [medeverdachte 2] apart gaan zitten. Na de lunch heeft [kroongetuige] bij vertrek op verzoek van [medeverdachte 2] een tas met daarin een kalasjnikov van [betrokkene 4] aangepakt. Vervolgens heeft [kroongetuige] [medeverdachte 2] teruggereden naar [plaats] . [kroongetuige] reed er met het wapen in de auto achteraan. [betrokkene 4] is toen ook vertrokken. Aangekomen in [plaats] bij de verblijfplaats van [medeverdachte 2] , heeft [medeverdachte 2] de tas met het wapen uit de auto van [kroongetuige] gepakt en in de achterbak van zijn auto gelegd. Na een kort gesprek zijn [kroongetuige] en [kroongetuige] vertrokken en is [medeverdachte 2] buiten blijven staan in verband met een volgende afspraak. [kroongetuige] heeft na zijn vertrek bij [medeverdachte 2] [betrokkene 4] in een grijze stationwagen zien aan komen rijden richting [medeverdachte 2] . Op 17 april 2017 ’s avonds was [kroongetuige] onderweg met [betrokkene 10] toen hij een bericht ontving van [medeverdachte 2] met het verzoek om [medeverdachte 2] en zijn vrouw op te halen. Het adres werd nog niet gedeeld en [kroongetuige] werd verzocht te wachten in de buurt van waar hij op dat moment reed. [kroongetuige] besloot te wachten bij een […] -tankstation aan de [e-straat 1] in [betrokkene 7] . Uiteindelijk kreeg [kroongetuige] het adres [f-straat] in [plaats] door. Hij is daar samen met [betrokkene 10] naartoe gereden. Toen hij was aangekomen, kreeg [kroongetuige] het verzoek om zijn lichten aan te zetten. Op dat moment kwamen niet [medeverdachte 2] en zijn vrouw, maar drie in het zwart geklede mannen aangerend. Een van hen herkende [kroongetuige] van de club als ‘ [betrokkene 3] ’. Aan de hand van een foto van [betrokkene 4] heeft [kroongetuige] de persoon die hij als [betrokkene 3] kende herkend. Een van de andere twee mannen heeft hij daarna nog een paar keer in het bijzijn van [betrokkene 3] gezien en heeft hij leren kennen als het ‘neefje van [betrokkene 3] ’. Aan de hand van een foto van [verdachte] heeft [kroongetuige] de persoon die hij kende als het neefje van [betrokkene 3] herkend. De derde man herkende hij niet en heeft hij daarna niet meer gezien. De drie mannen stapten achterin de auto en op verzoek van [betrokkene 4] reed [kroongetuige] naar [plaats] . Tijdens de rit hoorde [kroongetuige] het geluid van ijzer op ijzer, waaruit hij afleidde dat de mannen wapens bij zich hadden. [kroongetuige] heeft de drie mannen vervolgens afgezet in de omgeving van de verblijfplaats van [betrokkene 4] in [plaats] en hij heeft [medeverdachte 2] bericht dat het was gelukt. Hierop kreeg [kroongetuige] te horen dat hij de volgende dag bij [medeverdachte 2] in [plaats] langs moest komen. Op 18 april 2017 was [kroongetuige] in [plaats] waar hij van [medeverdachte 2] te horen kreeg dat hij de schutters van de liquidatie van [slachtoffer 2] had opgehaald, waarvoor hij van [medeverdachte 2] € 500,- kreeg. [medeverdachte 2] vertelde [kroongetuige] dat [betrokkene 5] de opdrachtgever voor de liquidatie was. Op diezelfde dag was hij met [medeverdachte 2] in [plaats] waar zij [betrokkene 4] hebben ontmoet. Bij deze ontmoeting hebben [medeverdachte 2] en [betrokkene 4] elkaar omhelsd en gevierd dat de liquidatie was gelukt. [betrokkene 4] heeft daarbij in het bijzijn van [kroongetuige] uitgelegd hoe de liquidatie was verlopen. Ze hadden de auto van [slachtoffer 2] klemgereden, waren uitgestapt en hadden vervolgens eerst via de achterkant en daarna via de zijkant op hem geschoten. [betrokkene 4] beeldde daarbij een lang vuurwapen uit en hij vertelde dat hij zeker wist dat [slachtoffer 2] al door de eerste handelingen dood was, omdat ze zijn hersenen eruit zagen hangen. Daarna waren zij weggereden. [kroongetuige] heeft daarbij van [betrokkene 4] begrepen dat de derde persoon, niet zijnde [betrokkene 4] of [verdachte] , de chauffeur was. [betrokkene 4] heeft verder tegen [kroongetuige] gezegd dat hij hun leven had gered, omdat de sleutel van de tweede vluchtauto was afgebroken.