Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:297
Strafrecht
24,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:297 text/xml public 2026-03-27T16:30:22 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 25/00579 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:297 text/html public 2026-03-27T16:29:49 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:297 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 25/00579 Conclusie AG in de megazaak Eris (liquidaties en voorbereidingen van liquidaties). Middelen over o.m. de rechtmatigheid van de deal met de kroongetuige en over de enkele ambtshalve constatering door het hof van vormverzuimen die verband houden met de Landeck- en Prokuratuur-problematiek. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81.1 RO. Tussen 25/00523, 25/00524, 25/00537, 25/00542, 25/00579, 25/00658, 25/00659, 25/00667, 25/00688, 25/00689 en 25/00690 bestaat samenhang. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer25/00579 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-003045-22) wegens: - Ten aanzien van de deelonderzoeken [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] (16-659124-19) Feit 1, subsidiair: “ medeplegen van voorbereiding van moord, meermalen gepleegd ” Feit 2, subsidiair: “ medeplegen van voorbereiding van moord ” - Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659041-20) “ deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven ” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof, niet voor dit cassatieberoep relevante beslissingen genomen over het beslag en over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00542, 25/00537, 25/00524, 25/00690, 25/00689, 25/00688, 25/00667, 25/00659 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld. De zaak 4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen. 5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde: (1)(2). de bewezenverklaring in [deelonderzoek 1] ; (3). de bewezenverklaring in [deelonderzoek 2] ; (4). De bewezenverklaring in deelonderzoek Criminele organisatie; (5). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst; (6). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’. Het eerste middel 6. Het eerste middel komt met diverse klachten op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ( [deelonderzoek 1] ). In het bijzonder wordt aangevoerd: (a) het hof is ontoereikend gemotiveerd afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een PGP-toestel in zijn bezit heeft gehad of deelnemer is geweest aan welk PGP-gesprek dan ook en dat ook niet kan worden vastgesteld dat de verdachte kennis had van de inhoud van PGP-gesprekken tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 3] ; (b) de vaststellingen van het hof dat [medeverdachte 1] "de opdracht [voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ] vervolgens [heeft] uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ” en daarbij "via een PGP-telefoon contact onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd” , en dat "in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact [stonden] met [medeverdachte 1] ” kunnen niet volgen uit de bewijsmiddelen en het hof heeft ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn bewijsoverweging die feiten en omstandigheden of het wettige bewijsmiddel waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend, aangeduid; (c) het oordeel dat “alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig waren” , mede in het licht van wat door de verdediging was aangevoerd, is niet zonder meer begrijpelijk; (d) het oordeel dat “op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden” en dat “ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ” is, mede in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk; (e) het oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP-berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden, is, mede in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd over het voortijdige vertrek van de verdachte van de plaats delict, onbegrijpelijk. De bewezenverklaring en bewijsvoering 7. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “ in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten: - vuurwapens en - gestolen auto’s bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad ”. 8. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest. In het bijzonder heeft het hof de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: “6.1.
Volledig
De aangetroffen chats (…) Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] ) Veronderstelde datum : 16 maart 2017 Tijdstip [bijnaam 2] [bijnaam 1] (…) Die 2 16.41 Adres [a-straat 1] Vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje van 2 a 3 jaar Als hij wordt opgehaald door seat zwarte moeten ze allebei of thuis gebracht dan pak je wie je kan of allebei Of een taxi 5 serie nieuwe is een vriend van ze haalt ze ook op soms donker grijze (…) 140 allebei op snelheid 160 (…) Hun kan je ook drive by geven bro Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] ) Veronderstelde datum : 16 maart 2017 Tijdstip [bijnaam 2] [bijnaam 1] (…) (onleesbaar) herkennen clio’s? (…) 18.26 Dus eigenlijk als ik nu daar ga laten staan achter in bus of fiets kunnen we ze timeren (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] ) Veronderstelde datum : 16 maart 2017 Tijdstip [bijnaam 2] [bijnaam 1] (…) 20.06 En ze komen ook met z'n 2tjes trainen soms maar dan rijden ze van zijn huis na daar of ze spreken daar af (…) 20.07 Deze moet binnen nu en paar dagen max klaar zijn 20.07 Ok ok 20.08 Ik doe et morgen 200% Als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog (…) 20.15 Oke oke is goed doe maar morgen maar strak op hun dan broer (…) 20.17 Ik laat ze morgen hele dag daar zijn (…) 20.22 Sportschool klopt ook maar is niet dat ze elke dag gaan en weet schema ook niet precies snap je (…) Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…) In het kader van opsporingsonderzoek Eris werd [medeverdachte 1] op 21 november 2018 aangehouden in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] . In de omgeving van deze woning stond de BMW met [kenteken 1] geparkeerd. Uit waarnemingen van observatieteams is gebleken dat deze BMW destijds in gebruik was bij [medeverdachte 1] (onder andere OT.004; OT.026; OT.052; OT.056). In de BMW is een harde schijf van het merk LaCie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze harde schijf is voorzien van het unieke beslagnummer AG03.01.009 en het unieke SIN […] . De harde schijf is vervolgens met de daartoe bestemde forensische onderzoeksapparatuur uitgelezen, waarvan een afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt. Op de harde schijf staan meerdere foto's en video’s van een mobiele telefoon waarop chatgesprekken worden gevoerd via Sky. Met Sky kunnen berichten worden verstuurd, voorzien van encryptie. Een aantal van de foto’s en een video zijn vermoedelijk gemaakt op 16 maart 2017 tussen 19:04 uur en 20:23 uur (…). Dit betreffen foto’s en een video van een chatgesprek tussen een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 1] ' en een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 2] ’. In deze chat stuurt ‘ [bijnaam 1] ’ een bericht door van een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 3] .’. Bij dit bericht van ‘ [bijnaam 3] .’ staat de datum 16 maart 20 17. Op (...) 16 maart 2017 om 19:07:13 uur en 19:08:37 uur zijn vervolgens onderstaande foto’s van een mobiele telefoon gemaakt. Foto 1 Foto 2 De man afgebeeld op foto 1 vertoont wat uiterlijk betreft opvallende overeenkomsten met [slachtoffer 1] (vorm van het linkeroor, vorm van de neus en ontbreken van haartjes in de linker wenkbrauw). De man afgebeeld op foto 2 vertoont wat uiterlijk betreft sterke overeenkomsten met [slachtoffer 2] (vorm en stand van de oren, vorm van de bovenlip en vorm van de neus). 6.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 17 september 2020, (…) O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 1] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 2] met automatische wapens en handvuurwapens. (…) V: Naar welke sportschool gingen jullie? A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis op loopafstand. (…) Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…) Betreft: Gesprek met [slachtoffer 2] Op de vraag of [slachtoffer 2] in 2017 wel eens aan de [a-straat] kwam verklaarde hij dat hij [betrokkene 3] in 2017 altijd bij deze woning aan de [a-straat] kwam ophalen met een auto. (…) Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 17 september 2020, (…) V: Naar welke sportschool gingen jullie? A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis. Ietsje verderop. (…) Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…) Op maart 2017 omstreeks 14:45 uur waren wij, verbalisanten, (...) te [plaats] . Ik, verbalisant, bevond mij in de publieksruimte van een viskraam, welke zich bevond op de kruising [c-straat ] / [d-straat] . Ik zag dat er een man de publieksruimte van de viskraam binnenliep. Deze man was de later aangehouden verdachte [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] bij de visverkoper van de viskraam enkel twee flesjes AA-drink bestelde. Ik zag dat [verdachte] vervolgens met de twee flesjes naar buiten liep. Ik, verbalisant (...), zag dat [verdachte] de rijbaan overstak en richting een tweede man liep, welke zat te wachten, op een muurtje, bij de ingang van [e-straat] . Deze man bleek de later aangehouden verdachte [medeverdachte 2] te zijn. Wij, verbalisanten, zagen dat er zich een derde man voegde bij [verdachte] en [medeverdachte 2] . Dit bleek de later aangehouden verdachte [medeverdachte 3] te zijn. Wij zagen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met elkaar een gesprek voerden en daarbij geregeld keken in de richting van de overzijde, in de richting van een bloemenkiosk, welke zich naast de eerder genoemde viskraam bevond. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tezamen liepen over de [c-straat ] in de richting van de kruising met [f-straat] . Wij zagen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de genoemde kruising (...) liepen richting een parkeerplaats. Ik, verbalisant (...), zag dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] plaats namen in een zwarte personenauto, merk Renault, type Clio, voorzien van [kenteken 2] . Ik zag dat de genoemde auto wegreed in de richting van de [c-straat ] . Wij, verbalisanten, hoorden portofonisch dat de verdachten waren aangehouden (...). Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…) Uit het raadplegen van de website google.nl blijkt mij, verbalisant, dat op het adres [d-straat 1] in [plaats] een [A] sportschool is gevestigd. Deze sportschool ligt op de kruising met de [c-straat ] in [plaats] en bevindt zich op 550 meter lopen van de [a-straat 1] in [plaats] . Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…) Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [c-straat ] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [medeverdachte 3] zich bij [verdachte] en [medeverdachte 2] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [verdachte] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ging staan waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [c-straat ] met de [d-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [d-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen. Vanaf de [c-straat ] waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.” 9. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen: “6.3.4. [deelonderzoek 1] Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 6 3.4.1.
Volledig
De aangetroffen chats Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek plaats tussen [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 1] , en ‘ [bijnaam 1] ’, veredeld als [betrokkene 4] . [betrokkene 4] stuurt een foto en zegt “ die 2 ” en geeft als adres [a-straat 1] . Op een harde schijf die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 1] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden. [slachtoffer 1] herkent zichzelf op een van de door [betrokkene 4] gestuurde foto’s. Zijn vriend [slachtoffer 2] herkent zichzelf van de andere foto. [betrokkene 4] geeft [medeverdachte 1] nog de volgende informatie: “ vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar ”, “ niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is ”, “ rijdt meestal vanaf de [d-straat] de [g-straat] in na [h-straat] , dan verder na [d-straat] , komt vanaf de [c-straat ] meestal! ”, “ hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro ”, “ hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang ”, “ hij traint ook bij die [A] bij [d-straat] is 3 min lopen van z’n huis! ”, “ z’n vrouw werkt tot 3 uur ” en “ weet ook waar ze eten in [stadswijk 1] , tussen 5 en 7 uur ”. [slachtoffer 1] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] geeft aan dat er maar één persoon is die over al deze informatie beschikt. Het gaat om een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [betrokkene 5] ’ noemen. [slachtoffer 1] wijst [betrokkene 4] op een foto aan als de persoon die hij kent als die ‘ [betrokkene 5] ’. [betrokkene 4] laat aan [medeverdachte 1] weten dat de prijs voor de twee mannen “ 140 allebei op snelheid 160 ” is. [medeverdachte 1] mag deze personen ook een “ drive by geven ”. Volgens [betrokkene 4] stapt “ hij uit voor zijn deur ”, dan moet [medeverdachte 1] “ hem pakken ”. Als ze “ met z’n 3tjes zijn ook ”, dan “ Pak je ze alle 3 ”. [medeverdachte 1] mag hem ook pakken “ als hij naar huis loopt van gym ”. [betrokkene 4] tipt nog dat ze “ in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden ”. Het hof stelt op basis hiervan vast dat [betrokkene 4] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitzet, daarover inlichtingen aan [medeverdachte 1] verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet. Later in het chatgesprek laat [betrokkene 4] aan [medeverdachte 1] weten dat het als het “ vandaag niks is dan morgen op scherp ” en dat “ deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn ”. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet ”, “ als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog ”. Hij “ laat ze morgen hele dag daar zijn ”. Ook noemt [medeverdachte 1] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio. 6 3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de ingang van [e-straat] aan de [c-straat ] tegenover de [A] aan de [d-straat] aangetroffen. Eerst enige tijd [medeverdachte 2] en [verdachte] en daarna ook [medeverdachte 3] hielden zich daar op en waren met elkaar aan het praten. Daarbij keken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geregeld in de richting van de bloemenkiosk, met in het verlengde daarvan zichtbaar de [A] aan de [d-straat] . Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens gecontroleerd en daarna aangehouden. Tijdens de fouillering van [verdachte] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelauto. In deze bestelauto bevonden zich meerdere wapens: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen. Daarnaast bevonden zich in de bestelauto een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Die omstandigheden hebben alle kenmerken van een voorgenomen liquidatie waarbij de vluchtauto in brand wordt gestoken om eventuele sporen te vernietigen en de opsporing van de daders te bemoeilijken. Op een [betrokkene 13] van de goederen is het DNA van [verdachte] en [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [medeverdachte 3] . De kroongetuige heeft verklaard dat leden van [motorclub] wapens in tv’s verstopten. Ook [medeverdachte 3] heeft dat verklaard. Hij heeft in dat verband ook verklaard dat hij zelf wapens inbouwde. Tijdens de fouillering van [medeverdachte 2] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGPaccount van [medeverdachte 1] . Er zijn ook vlak voor de aanhouding nog berichten gewisseld met dat account. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [medeverdachte 1] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen eerder van [betrokkene 4] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn aangetroffen precies de locatie is die [betrokkene 4] in de chat met [medeverdachte 1] noemt als de plek waar hij moet staan. Dat maakt ook andere aangevoerde scenario’s, waaronder de overdracht van wapens na een filmopname, onaannemelijk. (…) 6 3.4.4. De rol van [medeverdachte 1] (…) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangenomen via [betrokkene 4] . Hij heeft met [betrokkene 4] besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden. Hij heeft de opdracht vervolgens uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Daarbij heeft [medeverdachte 1] via een PGPtelefoon contact onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd. Zij hadden daarbij de beschikking over vuurwapens met bijbehorende munitie en gestolen auto’s met valse kentekenplaten. (…) [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de aangetroffen wapens waren gebruikt voor de documentaire die hij aan het maken was en niet waren bestemd voor het plegen van een liquidatie. Hij had geregeld dat de wapens zouden worden teruggebracht. Het hof acht deze verklaring in het licht van het beschikbare bewijsmateriaal niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat de filmmaker [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij de op 17 maart 2017 inbeslaggenomen wapens niet herkent als voorwerpen die zijn gebruikt bij filmopnames en deze niet eerder heeft gezien. (…) 6 3.4.7. De rol van [verdachte] Aan [verdachte] is primair het medeplegen van een poging tot moord ten laste gelegd. Van een strafbare poging is pas sprake als er een begin is gemaakt met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarvoor is vereist dat er een handeling is verricht die direct was gericht op de voltooiing van het delict. Op het moment dat [verdachte] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werd aangehouden, was van een dergelijke handeling nog geen sprake. Dit betekent dat geen sprake is van een strafbare poging. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Volledig
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [verdachte] bezig was met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij was samen met [medeverdachte 2] en – na enige tijd – ook met [medeverdachte 3] aanwezig op de door [medeverdachte 1] besproken plek. Ze hadden op dat moment de beschikking over gestolen voertuigen met valse kentekenplaten en vuurwapens met bijbehorende munitie. In de Volkswagen Caddy waren ook plastic flessen en een jerrycan met benzine voorhanden, die kunnen worden gebruikt om een vluchtauto in brand te steken. [verdachte] heeft verklaard dat hem is gevraagd of hij de auto waarin later de wapens zijn aangetroffen naar [plaats] wilde rijden en op een parkeerplaats bij [e-straat] [het hof begrijpt: [f-straat] ] wilde neerzetten. Vervolgens moest hij richting de ingang van het park lopen waar iemand de sleutel zou komen ophalen. [verdachte] wist naar eigen zeggen niet waarom hij de auto daar moest neerzetten en dacht dat dit mogelijk te maken had met opnames voor een pilotfilm. Het hof volgt [verdachte] hierin niet. De gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP-berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ laten geen andere conclusie toe dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden. In de chats tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] over de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gezegd dat het “ 200% ” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan. Daarnaast waren alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig en stonden in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact met [medeverdachte 1] . Het hof betrekt hierbij ook nog dat [verdachte] , zoals is vastgesteld in het zaaksdossier [deelonderzoek 2] , zich kort daarvoor samen met – onder meer – [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden van eveneens een liquidatie. Dat de aangetroffen wapens mogelijk ook voor een ander misdadig doel gebruikt hadden kunnen worden dan een liquidatie is, gelet op al het voorgaande, evenmin aannemelijk geworden. Het hof overweegt in dit licht nog dat op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk geworden om wat voor ander misdadig doel het dan wel zou gaan. Tot slot geldt ook dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm [naar het hof begrijpt die van [medeverdachte 1] ], alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] . Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorbereiden van moord met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , met dien verstande dat hij wordt vrijgesproken van de in de tenlastelegging genoemde PGP-telefoons. Omdat niet is komen vast te staan dat deze PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf – de uitvoering van de voorgenomen liquidatie(s) – is niet voldaan aan het vereiste dat het object waarop een in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht genoemde gedraging betrekking heeft, is bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198).” De pleitnota 10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2024 blijkt dat de raadsman namens de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer in: “1.1.2 Inhoud PGP-chats en de wetenschap bij cliënt Er bestaan in dit dossier zichtbaar twee parallel lopende, maar geheel van elkaar gescheiden, werkelijkheden. Namelijk één die volgt uit de in het dossier aanwezige PGP-chats en de ander die volgt uit de daadwerkelijke feitelijke handelingen van één ieder, maar in dit geval meer specifiek die van mijn client. Voor uw hof is de cruciale vraag wat mijn cliënt wist en/of kon weten van de inhoud van de ‘PGP-chats en de eventuele en vermeende opdrachten die daaruit voortvloeide. Vaststaand en onbetwist is dat cliënt op geen enkel moment deelnemer is geweest welk PGP-gesprek dan ook. Er is ook geen enkel PGP-toestel en/of account op enig moment aan cliënt toegeschreven. Dat brengt ons bij de eerste zowel logische als zeer belangrijke vaststelling en conclusie ten aanzien van de aan client ten laste gelegde feiten, namelijk dat cliënt dus onmogelijk op directe wijze wetenschap kan hebben gehad van hetgeen er in de PGP-chats is besproken! Het gevolg van deze vaststelling en conclusie is dat de enige mogelijkheid voor cliënt om ook maar enige wetenschap te hebben gehad of kunnen hebben van hetgeen er in de PGP-chats is besproken, hij dit van of via één of meer anderen heeft gehoord/verkregen. En nu alle verdenkingen jegens cliënt nu juist volledig samenhangen met het wel of niet bestaan van ‘werkelijke’ wetenschap bij cliënt, dient het bewijs voor deze, door het openbaar ministerie vermeende, wetenschap direct, redengevend en zonder ruimte voor twijfel te worden geleverd door het openbaar ministerie. Het bestaan van deze wetenschap bij cliënt slechts suggereren, of als vanzelfsprekend aannemen is onvoldoende. En uw hof dient ervoor te waken niet in deze stroom mee te worden getrokken en waar u al denkt aan enige informatie aan de kant van client, te motiveren hoe cliënt dan aan deze wetenschap is gekomen, waaruit dit blijkt en in welke bewijsmiddelen we dit onomstotelijk en zonder alternatieve mogelijkheid terug zien. Want bewijs moet meer zijn dan slechts een mooi klinkend en/of creatief ingekleurde suggestie of onderbuikgevoel. Het bewijs voor deze wetenschap zal moeten bestaan uit objectief aantoonbare en redengevende feiten, volgend uit het dossier. Maar, geachte leden van het hof, de verdediging zal u vast op weg helpen: dat bewijs is er niet! Het dossier biedt ons geen objectieve en directe bewijsmiddelen op basis waarvan gesteld kan worden dat mijn cliënt enige wetenschap heeft gehad, of überhaupt had kunnen hebben op óf voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten! Het openbaar ministerie onderbouwd op geen punt, op geen enkel moment en op geen enkele manier cliënt dan die, door het openbaar ministerie vermeende wetenschap, heeft verkregen c.q. had kunnen verkrijgen. Het openbaar ministerie stelt dat gewoon. (…) [deelonderzoek 1] 5.1 Inleiding Ook ten aanzien van dit deeldossier geldt hetgeen de verdediging reeds bij de algemene inleiding van dit pleidooi heeft gezegd in zeer grote en zeer belangrijke mate. Namelijk dat er zichtbaar en aantoonbaar sprake is geweest van twee parallel lopende, maar geheel van elkaar gescheiden, werkelijkheden. Namelijk één die volgt uit de in het dossier aanwezige PGP-chats en de ander die volgt uit de daadwerkelijke feitelijke handelingen van één ieder, maar in dit geval meer specifiek die van mijn cliënt. En voor uw hof is ten aanzien van dit deeldossier wederom de cruciale vraag wat mijn cliënt wist en/of kón weten van de inhoud van de ‘PGP-chats en de eventuele en vermeende opdrachten die daaruit voortvloeide en/of mee samen hingen. Want wat is er tegen cliënt gezegd? Is hem verteld wat er uit de PGP-chats kan volgen, of is hem totaal wat anders verteld? Client stelt dat laatste en heeft er ook zelf nog eens een bepaalde invulling aan gegeven. Logisch, want dat is wat een mens doet; zoeken naar een logische invullen en verklaring. Het draait in dit deeldossier dan ook echt maar om één vraag en dat is: wat wist cliënt op 17 maart 2017, dan wel wat had hij überhaupt kunnen weten? (…) Want aan de verklaring van cliënt mag niet zonder meer voorbij worden gegaan, zolang deze niet door de redengevende bewijsmiddelen volgend uit het dossier wordt weersproken.
Volledig
En dat is niet het geval! Want werkelijk het enige redengevende bewijs wat betreft de vermeende bij voorbereidingshandelingen cliënt dat er sprake zou zijn geweest van voor een aanstaande liquidatie is volgens de rechtbank de aanwezigheid van het onder [medeverdachte 2] aangetroffen PGP-toestel en dat daarmee continue in contact kon worden gestaan met [medeverdachte 1] . Maar geachte leden van het hof, het punt is nu juist dat dit PGP-toestel niet van cliënt was, hij dit niet bij zich heeft gehad en überhaupt nooit in het bezit is geweest van een PGP- toestel. En het is veel te makkelijk en kort door de bocht om te stellen dat door de aanwezigheid van dit PGP-toestel bij één van de twee medeverdachten, cliënt zonder meer en vanzelfsprekend op de hoogte is geweest en/of gebracht van hetgeen er die dag met en/of via dit PGP-toestel is verstuurd en binnengekomen. Misschien is eerder wel expliciet tegen de gebruiker gezegd dat hij dit met niemand mocht bespreken, of zelfs dat dit in ieder geval niet met [verdachte] mocht worden besproken. Het ligt daarbij voor de hand dat de chats/gesprekken die via PGP-toestellen liepen ook alleen bedoeld waren voor de deelnemers aan deze chats/gesprekken en niet ook voor niet deelnemers en/of anderen. Als de informatie uit deze PGP-chats ook en zeker bij cliënt bekend moest zijn was het wel naar hem verstuurd via whatsapp of sms, toch?! Dus de aanwezigheid van dit PGP-toestel bij één van de medeverdachten is wel redengevend bewijs, maar niet specifiek ten aanzien van cliënt. Dit wordt het eventueel pas als er ook bewijs is voor het feit dat cliënt op de hoogte is gebracht van informatie die uit de PGP-chats volgde. En dat bewijs ontbreekt zoals inmiddels voldoende herhaald gezegd. Overigens is er niets bekend ten aanzien van de inhoud van de die dag ontvangen en verstuurde berichten door en van dit PGP-toestel en is dus de motivering van de rechtbank dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] continue met [medeverdachte 1] in contact stonden, laat staan dat kan worden gezegd dat dit te maken had met een eventuele voorbereiding op een liquidatie, dus slechts een theoretische mogelijkheid en helemaal niet een vastgesteld gegeven. Ook een niet onbelangrijke vaststelling. (…) 5.6.1 Contra-indicaties voor wetenschap bij client Zoals gezegd dan nu de contra-indicaties voor de vermeende wetenschap bij cliënt, want die zijn er in dit deeldossier meer dan aanwijzingen – laat staan bewijs – dat cliënt deze wetenschap wel had, dan wel had kunnen hebben. Ten eerste maar weer de vaststelling dat aan cliënt op geen enkel moment ook maar enig PGP-toestel of account is toegeschreven. In directe zin kan cliënt dus geen wetenschap hebben gehad van hetgeen er in de PGP- gesprekken is besproken. Hij is daaraan tenslotte geen deelnemer geweest. Dus de enige mogelijkheid voor dient om enige wetenschap te hebben gehad of te kunnen hebben van wat er in die PGP-gesprekken is besproken, is dat hij dit van een ander of anderen heeft gehoord. Maar hiervoor ontbreekt - in tegenstelling tot de visie van het openbaar ministerie en het vonnis van de rechtbank - echt ieder bewijs. (…) 5 6.1.4 Proces-verbaal van observatie; gedrag van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (…) Vanaf het moment dat [medeverdachte 3] aankwam is deze met [medeverdachte 2] in gesprek gegaan, op grote afstand van cliënt. En dat dus op een manier die zelfs bij de politie de indruk wekte dat cliënt het gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet mocht volgen! Dus de binnen [motorclub] hooggeplaatste [medeverdachte 3] (een ‘national ’) waarover de kroongetuige heeft verklaard dat hij ‘close’ was met [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] , een directe vertrouweling en vriend van [medeverdachte 1] , die tot in de vroege jaren samen terug gaan. En waarom niet gewoon in het bijzijn van [verdachte] , waarom op deze bewust gecreëerde afstand? Daar is toch maar één logische verklaring voor, geachte leden van het hof. Namelijk dat cliënt niet wist en blijkbaar ook vooral niet mócht weten van de hoed en de rand en de werkelijke reden van zijn aanwezigheid daar. Dus als uw hof al komt tot de vaststelling dat er via het onder één van de medeverdachte aangetroffen PGP-toestel informatie bekend was, dan is dit een onmogelijk te passeren en keiharde contra-indicatie voor de stelling van het openbaar ministerie en de kale aanname van de rechtbank dat óók cliënt dan wel van deze informatie op de hoogte moet zijn geweest. Gelet op de daar geobserveerde omstandigheden werd cliënt overduidelijk weg gehouden bij het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . (…) 5 6.1.5 Wapens in Caddy niet passend bij actuele voorbereidingshandelingen De wapens die in de Caddy zijn aangetroffen waren allesbehalve klaar om direct te gebruiken. De verdediging wijst in dit kader op het proces-verbaal van wapenonderzoek, d.d. 17 maart 2017 De volgende wapens zijn aangetroffen: - Kalashnikov model 47 (itemnummer 5354703); Dit wapen was niet voorzien van een (klap)kolf en dus niet (goed bruikbaar). Onderin moet een gebogen patroonmagazijn worden ingebracht. Een dergelijk patroonmagazijn is apart en leeg aangetroffen en in beslag genomen (itemnummer) 5354704. Wel is de bijbehorende munitie apart aangetroffen, 2x24 patronen (itemnummers 5354708 en 5354709) - Zastava M70AB2 (itemnummer 5354705); Van dit vuurwapen ontbraken enkele onderdelen, en was daardoor absoluut niet ‘schietklaar ’. - Pistool Walther P99AS (itemnummer 5354706); Dit was gevuld met 15 patronen (itemnummer 5354707) en was dus voor direct gebruik gereed. - Pistool Walther P38 (itemnummer 5355120); Met een demper (itemnummer 5355118), maar zonder patronen. - Leeg magazijn (itemnummer 5354704); Maximale inhoud voor 20 patronen. Geachte leden van het hof, als daadwerkelijk voor die dag het plan bestond om één of twee personen te liquideren, dan zal er ongetwijfeld aan twee schutters gedacht zijn. Het openbaar ministerie zal dit vast beamen, gelet op hun gekunstelde redenering in [deelonderzoek 4] dat er daar wel sprake moet zijn geweest van twee schutters. En dat zal dan toch betekenen dat er voor deze beide schutters (automatische) vuurwapens moesten zijn. Dit was niet het geval, maar wel lag er één onbruikbaar vuurwapen (essentiële onderdelen ontbraken) en één vuurwapen zonder munitie in de Caddy. Maar als er (direct) een liquidatie gepleegd had moeten worden dan waren dit uiteraard twee volledig nutteloze goederen. Maar toch lagen ze in de Caddy. Dit maakt dit geheel aan wapens dus juist een contra-indicatie in plaats van een redengevende aanwijzing voor de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. En dat niet alleen, het past daarbij ook nog eens naadloos bij de gedachtegang van cliënt dat de goederen in de Caddy mogelijk voor opnames van de pilotfilm waren. Iets dat ook [medeverdachte 1] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft bevestigd. 5.6.2 Verklaring van cliënt ten aanzien van dit deeldossier Client heeft ook ten aanzien van dit deeldossier uitgebreid verklaard en zijn gedachtegang gedeeld. Het is te veel om hier allemaal expliciet te citeren, dus de verdediging wijst u in dit kader in ieder geval in brede zin op het proces-verbaal ter terechtzitting van eerste aanleg, d.d. 1 oktober 2021 vanaf pagina 33. Wel zal ik de meest essentiële onderdelen uit zijn verklaringen hier aan u voorhouden, waaruit kan volgen dat dient niet meer wetenschap had, dan dat hij die dag, in opdracht van [medeverdachte 1] , een Volkswagen Caddy in [plaats] moest wegzetten en de sleutel aan iemand moest afgeven. (…) Dat client niet alleen geen wetenschap had van de mogelijk zeer heftige en werkelijke reden dat hij die auto daar moest neerzetten, maar dat hij zelfs dacht dat het te maken had met wederom opnames voor de pilotfilm, blijkt ook uit de verklaringen van cliënt. Client heeft ter terechtzitting in eerste aanleg, bijna kinderlijk naïef, uitgelegd wat hij dacht over het waarom hij die Caddy in [plaats] moest neerzetten. En zelfs dacht dat waarschijnlijk [betrokkene 6] de sleutel bij hem zou komen oppikken.
Volledig
En ik noem het kinderlijk naïef, omdat het mogelijk heel ver afstaat van de werkelijke reden. Maar dat neemt niet weg dat de gedachtegang van cliënt niet alleen logisch is, maar ook aantoonbaar houvast vindt in het dossier. Want cliënt herkende de tv die in de Caddy stond van kort daarvoor, toen hem was gevraagd spullen te sjouwen in het kader van de opnames van een pilotfilm, waar ook [betrokkene 6] bij was. En toen moesten deze spullen van [plaats] naar [plaats] . Net als deze keer dus, toen cliënt was gevraagd om de Caddy van [plaats] naar [plaats] te rijden. Kortom, uw hof kan de verklaring van cliënt op dit punt absoluut niét zomaar terzijde schuiven, er niet zonder meer aan voorbij gaan. Zijn verklaring is immers bestaanbaar bij de feiten in het dossier en wordt hierdoor op geen enkele wijze en ten aanzien van geen enkel onderdeel door uitgesloten. ” De bespreking van het eerste middel Deelklachten (a) en (b) 11. De deelklachten (a) en (b) zijn beide in de kern gericht tegen de vaststellingen dat [medeverdachte 1] “de opdracht [voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ] vervolgens [heeft] uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] “ en “via een PGP-telefoon contact [heeft] onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd” en dat “in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact [stonden] met [medeverdachte 1] ” . Aangevoerd wordt dat het hof daarmee onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (deelklacht a), en dat die vaststellingen geen steun vinden in de bewijsmiddelen (deelklacht b). 12. Uit de bewijsvoering blijkt dat op 17 maart 2017 om 14.45 uur is waargenomen dat de verdachte bij een viskraam op de kruising [c-straat ] / [d-straat] twee drankjes kocht en zich vervolgens bij [medeverdachte 2] voegde, dat daarna [medeverdachte 3] zich bij hen voegde en dat de drie gezamenlijk naar een Renault Clio met [kenteken 2] liepen, waarna zij wegreden en werden aangehouden. Tijdens hun verblijf ter hoogte van de viskraam liep de verdachte op een gegeven moment weg van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarna zij volop in gesprek met elkaar gingen. Onderwijl keken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] regelmatig naar een bloemenkiosk in het verlengde waarvan de sportschool [A] ligt. Bij de insluitingsfouillering van [medeverdachte 2] is een PGP-toestel veiliggesteld, waarin een groot aantal berichten van 17 maart 2017 van en naar ‘ [bijnaam 2] ’ ( [medeverdachte 1] ) zijn aangetroffen. Alle berichten waren verzonden tussen 13.12 en 16.03 uur. Het laatste verzonden bericht dateerde van 15.34 uur, kort voor de controle van de verdachten, en de laatste ontvangen berichten dateerden van kort voor en net na die controle. Naast de Renault Clio stond een gestolen Volkswagen Caddy bestelbus geparkeerd, waarvan de sleutel tijdens de veiligheidsfouillering van de verdachte is aangetroffen. In die bestelbus zijn onder meer meerdere wapens, een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine gevonden. Op een deel van de goederen die zich in de bestelbus bevonden is DNA-materiaal van de verdachte en [medeverdachte 2] bemonsterd. Ook werd een tv aangetroffen met daarop een handafdruk van [medeverdachte 3] . 13. De bewijsvoering houdt niet in dat de verdachte beschikte over een PGP-toestel. De bewijsvoering bevat ook geen (PGP-)communicatie tussen de verdachte en anderen. Niettemin stelt het hof vast dat de verdachte bezig was met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij “samen met [medeverdachte 2] en – na enige tijd – ook met [medeverdachte 3] aanwezig [was] op de door [medeverdachte 1] besproken plek ”. Het hof heeft kennelijk aangenomen dat [medeverdachte 1] via het bij [medeverdachte 2] aangetroffen PGP-toestel contact onderhield met [medeverdachte 2] én de verdachte aangezien die tot de aanhouding samen waren. Dit acht ik niet onbegrijpelijk. Voor zover het door de verdediging aangevoerde zou kunnen worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, wat volgens mij niet het geval is, heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het daarvan is afgeweken. De deelklachten (a) en (b) falen daarom. Deelklachten (c), (d) en (e) 14. De deelklachten (c), (d) en (e) berusten allen in de kern op het standpunt dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van een liquidatie maar meende dat de wapens in de Volkswagen bestemd waren voor het opnemen van een pilotfilm. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. - De vaststelling dat “alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig waren” is niet begrijpelijk omdat een deel van de wapens niet (direct) gereed was voor gebruik tijdens een liquidatie, zodat de aanwezigheid van die wapens niet redengevend kan zijn voor het opzet van de verdachte (deelklacht c); - Het oordeel dat “op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden” en dat “ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ” is niet begrijpelijk nu de verklaring van de verdachte op dit punt wel degelijk is onderbouwd (deelklacht d); - Het oordeel dat “de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden, nu in de chats tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] over de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gezegd dat het “ 200% ” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan” is niet begrijpelijk gelet op het bij de deelklachten (a) tot en met (d) aangevoerde én de omstandigheid dat de inhoud van de PGP-chats tussen ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 1] ’ niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken op 17 maart 2017. 15. Het hof heeft vastgesteld dat in de bestelbus de volgende goederen zijn aangetroffen: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen, een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Het hof heeft daarmee onderkend dat niet alle aangetroffen wapens (direct) bruikbaar waren. Dat maakt de vaststelling dat “alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig” echter nog niet onbegrijpelijk, nu die vaststelling niet uitsluit dat wapens nog geladen moesten worden of er anderszins nog handelingen met de aangetroffen voorwerpen nodig waren om deze bij een liquidatie te gebruiken. Deelklacht (c) faalt derhalve. 16. Het oordeel dat “op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk is geworden dat de aangetroffen wapens voor ander misdadig doel dan de liquidatie gebruikt zouden kunnen worden” en dat “ook niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm, alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] ” is ook niet onbegrijpelijk. Dat eerder sprake is geweest van de opname van een pilotfilm en dat de verklaring van [medeverdachte 1] de verklaring van de verdachte op dit punt ondersteunt, doet daaraan niet af, zeker gezien de PGP-berichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] .
Volledig
Ik memoreer daarbij dat de filmmaker deze verklaringen van [medeverdachte 1] en de verdachte niet heeft bevestigd, zodat het hof voorbij kon gaan aan de stelling dat de verdachte dacht dat de wapens bestemd waren voor het opnemen van een pilotfilm. Deelklacht (d) faalt dus. 17. Voor zover deelklacht (e) voortbouwt op het slagen van de deelklachten (a) tot en met (d) behoeft deze klacht, gelet op het voorgaande, geen verdere bespreking. 18. Ook overigens is het oordeel dat “de gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ geen andere conclusie toelaten dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden” niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik verwijs daarbij naar de PGP-berichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] , de aanwezigheid van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte op 17 maart 2017 in de omgeving van de in die PGP-berichten besproken [A] en hun kennelijke aandacht voor die vestiging van [A] , en de aanwezigheid in de omgeving van de [A] van voor liquidaties geschikte voorwerpen die aan de verdachten kunnen worden gekoppeld. De vermeende discrepantie tussen de inhoud van de PGP-berichten – dat de uitvoerders ’s middags de bus in zouden gaan en daar de hele dag zouden zijn – en de waargenomen gedragingen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte is niet van dien aard dat dit oordeel niet begrijpelijk is. Deelklachten (e) faalt ook. 19. Het eerste middel faalt. Het tweede middel 20. Het tweede middel komt op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ( [deelonderzoek 1] ). In het bijzonder wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet is af te leiden dat de vermeende voorbereidingshandelingen van 17 maart 2017 strekten tot de moord op [slachtoffer 2] . De bewezenverklaring en bewijsvoering 21. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “ in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten: - vuurwapens en - gestolen auto’s bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad ”. 22. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 2] doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, waarvan in het bijzonder: “6.1. De aangetroffen chats (…) Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] ) Veronderstelde datum : 16 maart 2017 Tijdstip [bijnaam 2] [bijnaam 1] (…) Die 2 16.41 Adres [a-straat 1] Vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje van 2 a 3 jaar Als hij wordt opgehaald door seat zwarte moeten ze allebei of thuis gebracht dan pak je wie je kan of allebei Of een taxi 5 serie nieuwe is een vriend van ze haalt ze ook op soms donker grijze (…) 140 allebei op snelheid 160 (…) Hun kan je ook drive by geven bro (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 1] ) Veronderstelde datum : 16 maart 2017 Tijdstip [bijnaam 2] [bijnaam 1] (…) 20.06 En ze komen ook met z'n 2tjes trainen soms maar dan rijden ze van zijn huis na daar of ze spreken daar af (…) Als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog (…) Zijn echt boezemmatties dus? (…) Sportschool klopt ook maar is niet dat ze elke dag gaan en weet schema ook niet precies snap je (…) Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…) In het kader van opsporingsonderzoek Eris werd [medeverdachte 1] op 21 november 2018 aangehouden in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] . In de omgeving van deze woning stond de BMW met [kenteken 1] geparkeerd. Uit waarnemingen van observatieteams is gebleken dat deze BMW destijds in gebruik was bij [medeverdachte 1] (onder andere OT.004; OT.026; OT.052; OT.056). In de BMW is een harde schijf van het merk LaCie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze harde schijf is voorzien van het unieke beslagnummer AG03.01.009 en het unieke SIN […] . De harde schijf is vervolgens met de daartoe bestemde forensische onderzoeksapparatuur uitgelezen, waarvan een afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt. Op de harde schijf staan meerdere foto's en video’s van een mobiele telefoon waarop chatgesprekken worden gevoerd via Sky. Met Sky kunnen berichten worden verstuurd, voorzien van encryptie. Een aantal van de foto’s en een video zijn vermoedelijk gemaakt op 16 maart 2017 tussen 19:04 uur en 20:23 uur (…). Dit betreffen foto’s en een video van een chatgesprek tussen een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 1] ' en een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 2] ’. In deze chat stuurt ‘ [bijnaam 1] ’ een bericht door van een persoon met de (bij)naam ‘ [bijnaam 3] .’. Bij dit bericht van ‘ [bijnaam 3] .’ staat de datum 16 maart 2017. Op (...) 16 maart 2017 om 19:07:13 uur en 19:08:37 uur zijn vervolgens onderstaande foto’s van een mobiele telefoon gemaakt. Foto 1 Foto 2 De man afgebeeld op foto 1 vertoont wat uiterlijk betreft opvallende overeenkomsten met [slachtoffer 1] (vorm van het linkeroor, vorm van de neus en ontbreken van haartjes in de linker wenkbrauw). De man afgebeeld op foto 2 vertoont wat uiterlijk betreft sterke overeenkomsten met [slachtoffer 2] (vorm en stand van de oren, vorm van de bovenlip en vorm van de neus). 6.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 17 september 2020, (…) O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 1] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 2] met automatische wapens en handvuurwapens. (…) V: Naar welke sportschool gingen jullie? A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis op loopafstand. (…) Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…) Betreft: Gesprek met [slachtoffer 2] Op de vraag of [slachtoffer 2] in 2017 wel eens aan de Sijpenstein kwam verklaarde hij dat hij [betrokkene 3] in 2017 altijd bij deze woning aan de Sijpestein kwam ophalen met een auto. (…) Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 17 september 2020, (…) V: Naar welke sportschool gingen jullie? A: [A] vlak bij [betrokkene 2] haar huis. Ietsje verderop. (…) Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…) Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [c-straat ] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [medeverdachte 3] zich bij [verdachte] en [medeverdachte 2] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [verdachte] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ging staan waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [c-straat ] met de [d-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [d-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen.
Volledig
Vanaf de [c-straat ] waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.” 23. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen: “6.3.4. [deelonderzoek 1] Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 6 3.4.1. De aangetroffen chats Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 1] , en ‘ [bijnaam 1] ’, veredeld als [betrokkene 4] . [betrokkene 4] stuurt een foto en zegt “die 2” en geeft als adres [a-straat 1] . Op een harde schijf die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 1] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden. [slachtoffer 1] herkent zichzelf op een van de door [betrokkene 4] gestuurde foto’s. Zijn vriend [slachtoffer 2] herkent zichzelf van de andere foto. [betrokkene 4] geeft [medeverdachte 1] nog de volgende informatie: “ vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar ”, “ niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is ”, “ rijdt meestal vanaf de [d-straat] de [g-straat] in na [h-straat] , dan verder na [a-straat] , komt vanaf de [c-straat ] meestal! ”, “ hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro ”, “ hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang ”, “ hij traint ook bij die [A] bij [d-straat] is 3 min lopen van z’n huis! ”, “ z’n vrouw werkt tot 3 uur ” en “ weet ook waar ze eten in [stadswijk 1] , tussen 5 en 7 uur ”. [slachtoffer 1] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] geeft aan dat er maar één persoon is die over al deze informatie beschikt. Het gaat om een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [betrokkene 5] ’ noemen. [slachtoffer 1] wijst [betrokkene 4] op een foto aan als de persoon die hij kent als die ‘ [betrokkene 5] ’. [betrokkene 4] laat aan [medeverdachte 1] weten dat de prijs voor de twee mannen “ 140 allebei op snelheid 160 ” is. [medeverdachte 1] mag deze personen ook een “ drive by geven ”. Volgens [betrokkene 4] stapt “ hij uit voor zijn deur ”, dan moet [medeverdachte 1] “ hem pakken ”. Als ze “ met z’n 3tjes zijn ook ”, dan “ Pak je ze alle 3 ”. [medeverdachte 1] mag hem ook pakken “ als hij naar huis loopt van gym ”. [betrokkene 4] tipt nog dat ze “ in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden ”. Het hof stelt op basis hiervan vast dat [betrokkene 4] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitzet, daarover inlichtingen aan [medeverdachte 1] verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet. Later in het chatgesprek laat [betrokkene 4] aan [medeverdachte 1] weten dat het als het “ vandaag niks is dan morgen op scherp ” en dat “ deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn ”. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het “ morgen 200% doet ”, “ als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog ”. Hij “ laat ze morgen hele dag daar zijn ”. Ook noemt [medeverdachte 1] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio. 6 3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de ingang van [e-straat] aan de [c-straat ] tegenover de [A] aan de [d-straat] aangetroffen. Eerst enige tijd [medeverdachte 2] en [verdachte] en daarna ook [medeverdachte 3] hielden zich daar op en waren met elkaar aan het praten. Daarbij keken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geregeld in de richting van de bloemenkiosk, met in het verlengde daarvan zichtbaar de [A] aan de [d-straat] . Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens gecontroleerd en daarna aangehouden. Tijdens de fouillering van [verdachte] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelauto. In deze bestelauto bevonden zich meerdere wapens: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen. Daarnaast bevonden zich in de bestelauto een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Die omstandigheden hebben alle kenmerken van een voorgenomen liquidatie waarbij de vluchtauto in brand wordt gestoken om eventuele sporen te vernietigen en de opsporing van de daders te bemoeilijken. Op een deel van de goederen is het DNA van [verdachte] en [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [medeverdachte 3] . De kroongetuige heeft verklaard dat leden van [motorclub] wapens in tv’s verstopten. Ook [medeverdachte 3] heeft dat verklaard. Hij heeft in dat verband ook verklaard dat hij zelf wapens inbouwde. Tijdens de fouillering van [medeverdachte 2] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGPaccount van [medeverdachte 1] . Er zijn ook vlak voor de aanhouding nog berichten gewisseld met dat account. Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [medeverdachte 1] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen eerder van [betrokkene 4] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn aangetroffen precies de locatie is die [betrokkene 4] in de chat met [medeverdachte 1] noemt als de plek waar hij moet staan. Dat maakt ook andere aangevoerde scenario’s, waaronder de overdracht van wapens na een filmopname, onaannemelijk. (…) 6 3.4.4. De rol van [medeverdachte 1] (…) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangenomen via [betrokkene 4] . Hij heeft met [betrokkene 4] besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden. Hij heeft de opdracht vervolgens uitgezet bij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Daarbij heeft [medeverdachte 1] via een PGP-telefoon contact onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd. (…) 6 3.4.7. De rol van [verdachte] Aan [verdachte] is primair het medeplegen van een poging tot moord ten laste gelegd. Van een strafbare poging is pas sprake als er een begin is gemaakt met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarvoor is vereist dat er een handeling is verricht die direct was gericht op de voltooiing van het delict. Op het moment dat [verdachte] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] werd aangehouden, was van een dergelijke handeling nog geen sprake. Dit betekent dat geen sprake is van een strafbare poging. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [verdachte] bezig was met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij was samen met [medeverdachte 2] en - na enige tijd - ook met [medeverdachte 3] aanwezig op de door [medeverdachte 1] besproken plek.
Volledig
Ze hadden op dat moment de beschikking over gestolen voertuigen met valse kentekenplaten en vuurwapens met bijbehorende munitie. In de Volkswagen Caddy waren ook plastic flessen en een jerrycan met benzine voorhanden, die kunnen worden gebruikt om een vluchtauto in brand te steken. [verdachte] heeft verklaard dat hem is gevraagd of hij de auto waarin later de wapens zijn aangetroffen naar [plaats] wilde rijden en op een parkeerplaats bij [e-straat] [ het hof begrijpt: [f-straat] ] wilde neerzetten. Vervolgens moest hij richting de ingang van het park lopen waar iemand de sleutel zou komen ophalen. [verdachte] wist naar eigen zeggen niet waarom hij de auto daar moest neerzetten en dacht dat dit mogelijk te maken had met opnames voor een pilotfilm. Het hof volgt [verdachte] hierin niet. De gedragingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 in combinatie met de PGP-berichten tussen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ laten geen andere conclusie toe dan dat zij bezig waren om een moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor te bereiden. In de chats tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] over de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gezegd dat het “ 200% ” de bedoeling was dat het 17 maart 2017 zou gebeuren en dat [medeverdachte 1] ze daar de hele dag zou laten staan. Daarnaast waren alle benodigdheden voor een liquidatie die dag aanwezig en stonden in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] via de aangetroffen PGP die dag tot het moment van de aanhouding in contact met [medeverdachte 1] . Het hof betrekt hierbij ook nog dat [verdachte] , zoals is vastgesteld in het zaaksdossier [deelonderzoek 2] , zich kort daarvoor samen met - onder meer - [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden van eveneens een liquidatie. Dat de aangetroffen wapens mogelijk ook voor een ander misdadig doel gebruikt hadden kunnen worden dan een liquidatie is, gelet op al het voorgaande, evenmin aannemelijk geworden. Het hof overweegt in dit licht nog dat op geen enkele wijze is gebleken of aannemelijk geworden om wat voor ander misdadig doel het dan wel zou gaan. Tot slot geldt ook dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] dacht of had kunnen denken dat de inbeslaggenomen wapens mogelijkerwijs bestemd waren voor opnames van een pilotfilm [naar het hof begrijpt die van [medeverdachte 1] ], alleen al vanwege het ontbreken van enige onderbouwing van die verklaring van [verdachte] . Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorbereiden van moord met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , met dien verstande dat hij wordt vrijgesproken van de in de tenlastelegging genoemde PGP-telefoons. Omdat niet is komen vast te staan dat deze PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf - de uitvoering van de voorgenomen liquidatie(s) - is niet voldaan aan het vereiste dat het object waarop een in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht genoemde gedraging betrekking heeft, is bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198) .” De bespreking van het tweede middel 24. Het middel berust op het uitgangspunt dat de bewijsvoering hoogstens grond biedt voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen gericht op de moord op [slachtoffer 1] omdat de locatie waar de verdachte op 17 maart 2017 aanwezig was immers de plek was waar slechts één van de beoogde slachtoffers kon komen en waar de liquidatie (enkelvoud) uitgevoerd kon worden. Voor zover al uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] op 16 maart 2017 ook de moord op [slachtoffer 2] heeft aangenomen en dat hij heeft aangegeven dat hij het “ morgen 200% doet ” zou kunnen worden afgeleid dat het de bedoeling was om ook [slachtoffer 2] op 17 maart 2017 om het leven te laten brengen, kan hieruit niet worden afgeleid dat de opdracht hiertoe bij de verdachte en zijn medeverdachten was uitgezet en dat de voorhanden auto’s en wapens mede bestemd waren voor het plegen van de moord op [slachtoffer 2] . 25. Hoewel het hof ten aanzien van de rol van [medeverdachte 1] heeft overwogen dat “ via een PGP-telefoon contact (heeft) onderhouden met in ieder geval [medeverdachte 2] en/of [verdachte] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd” blijkt uit de weergegeven bewijsvoering dat niet alleen [slachtoffer 1] kon komen op de plek waar de verdachte en zijn medeverdachten op 17 maart 2017 aanwezig zijn geweest, maar dat ook [slachtoffer 2] daar aanwezig kon zijn. Immers gingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (soms) samen naar de sportschool [A] aan de [d-straat] . Dit is ook door [betrokkene 4] aan [medeverdachte 1] doorgegeven. Op grond van deze vaststellingen heeft het hof kennelijk geoordeeld dat het voorhanden hebben van de vuurwapens en auto’s op 16 en 17 maart 2017 door de verdachte en zijn medeverdachten, gezien hun kennelijke focus op die sportschool, ook voorbereidingshandelingen opleverden die strekten tot de moord op [slachtoffer 2] . Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. 26. Het tweede middel faalt. Het derde middel 27. Het derde middel komt met vier deelklachten op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [betrokkene 7] ( [deelonderzoek 2] ). In het bijzonder wordt het volgende aangevochten: (a) de vaststelling dat " [kroongetuige] heeft verklaard dat [verdachte] (veredeld als [verdachte] ), [betrokkene 8] (veredeld als [medeverdachte 2] ) en [betrokkene 9] (veredeld als [medeverdachte 3] ) de beoogde uitvoerders waren" en dat "[d]e liquidatie [...] niet [is] doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [verdachte] ( [verdachte] )" ; (b) het oordeel dat de verklaring van de verdachte de verklaring van de kroongetuige bevestigt; (c) de vaststelling dat een bestelbus voorwerp is geweest van de voorbereiding van de liquidatie van [betrokkene 7] en dat het de verdachte is geweest die de bestelbus als één van de ‘heads’ (uitvoerders) voorhanden heeft gehad met het oog op die liquidatie; (d) het gebrek aan een (toereikende) respons op het alternatieve scenario over het verblijf van de verdachte in [plaats] op 9 maart 2017 en in [plaats] op 10 maart 2017. De bewezenverklaring en bewijsvoering inzake [deelonderzoek 2] 28. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “ in de periode van 7 maart 2017 tot en met 9 maart 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op die man uit [plaats] ( [betrokkene 7] ) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk een vervoermiddel, te weten - een bestelbus bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;” 29. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [betrokkene 7] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, waarvan in het bijzonder de volgende: “ 5.1. De chatberichten en telecomgegevens van 4 maart 2017 tot en met 12 april 2017 (…) Proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2020, (…) Naar aanleiding van de aangetroffen PGP-chatberichten van 9 maart 2017 zijn de historische verkeersgegevens telefonie van de volgende verdachten geanalyseerd en is er een schema van contacten tussen 4 en 10 maart 2017 opgenomen. De PGP-berichten en de andere telefonische contacten worden hieronder chronologisch weergegeven. 9 maart 2017 Tijdstip Afzender Manier Ontvanger Bericht 00.22 [medeverdachte 2] (0852) voicebericht [verdachte] (3742) Hé ben je er al? Gozer zeg me als ie er bent.
Volledig
00.40 [medeverdachte 2] (0852) voicebericht [verdachte] (3742) Hé broer heb ik je die sleutel ook gegeven? Die sleutel? 01.26 [verdachte] (3742) Appt [medeverdachte 2] (0852) G i have the key 01.26 [verdachte] (3742) voicebericht [medeverdachte 2] (0852) Hé broer ik kijk nu pas op mijn telefoon. Ik was al langer dan een uur geleden in [plaats] . ja toch. Die sleutels heb ik... alles... ja toch. Ik ben thuis. Ik spreek je, ja toch. Hood night. (…) 08.50 [medeverdachte 2] (0852) Appt [verdachte] (3742) Als er gevraagd word I got the key (…) 10.38 [medeverdachte 2] (0852) Voicebericht [verdachte] (3742) Hé G, je kan gewoon voor parkeren, weetje. Mij appen als je er bent, gewoon daar bij die eh. .. Nee... gewoon parkeren en naar me toekomen. Even naar me toekomen (…) 20.42 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 32 sec (…) 20.43 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 45 sec (…) 20.49 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 0 sec 20.52 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 2.11 min (…) 20.54 [bijnaam 2] PGP [bijnaam 3] Veel popo 20.55 [bijnaam 2] PGP [bijnaam 3] Broer ze rijden heen en weer (…) 20.55 [bijnaam 2] PGP [bijnaam 3] Reden langzaam bij bus net (…) 21.00 [bijnaam 2] PGP [bijnaam 3] . Ze kunnen niet te lang meer staan broer. Scotoe is a twee x Iangsgereden pfffff (…) 21.00 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 0 sec (…) 21.01 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 0 sec (…) 21.08 [bijnaam 3] . PGP [bijnaam 2] (…) Stuur is foto van ingang van café (…) 21.09 [bijnaam 2] PGP [bijnaam 3] . Ze zitten ervoor in bus bradda (…) 21.10 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 0 sec (…) 21.14 [medeverdachte 2] (8552) [het hof begrijpt: 0852] belt [medeverdachte 1] (1974) WhatsApp call 0 sec (…) 21.17 [medeverdachte 1] (1974) belt [medeverdachte 2] (0852) WhatsApp call 2.02 min (…) 21.18 Vriendin [medeverdachte 2] (5502) belt [medeverdachte 2] (3582) Basisstation: [j-straat 1] [plaats] 6 sec (…) Op 10 maart 2017 te 01.27 uur maakte [verdachte] gebruik van het basisstation [k-straat 1] te [plaats] . Het basisstation [k-straat 1] te [plaats] bevindt zich nabij het verblijfadres van [medeverdachte 1] , [l-straat 1] te [plaats] . (…) 5.4. De bestelbus in bezit van [medeverdachte 2] en [verdachte] op 17 maart 2017 Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 maart 2017, (…) Plaats delict : [plaats] Pleegdatum/tijd : Tussen dinsdag 7 maart 2017 te 23.00 uur en woensdag 8 maart 2017 te 06.45 uur Op 8 maart 2017 (...) deed bij mij, verbalisant, telefonisch aangifte, een persoon die mij opgaf te zijn: Achternaam : [aangever] Voornamen : [aangever] Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...): Ik ben eigenaar van een bedrijfsauto van het merk Volkswagen, type Caddy, (...) zilver van kleur, voorzien van [kenteken 3] . Op dinsdag 7 maart 2017 omstreeks 23:00 uur heb ik de bedrijfsauto geparkeerd (...) te [plaats] op een openbare weg. Toen ik op woensdag 8 maart 2017 omstreeks 06:45 uur de bedrijfsauto weer in gebruik wilde nemen zag ik dat deze door onbekende(n) was weggnomen. Bijlage goederen Voertuig : Bestelauto Merk/type : Volkswagen Caddy Kleur : Zilverkleurig Chassisnummer : […] Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 3017, (…) Op 17 maart 2017 (...) bevonden wij, verbalisanten, ons (...) te [plaats] . Omstreeks 15.45 uur hoorden wij, verbalisanten, dat er drie personen op [f-straat] in een zwarte Renault Clio zijn gestapt en wegreden in de richting van de [c-straat ] . Wij hebben het voertuig (...) een stopteken gegeven. Ik (...) maakte contact met de bestuurder [medeverdachte 3] . Ik (...) trok middels mijn diensttelefoon de persoonsgegeven van [medeverdachte 3] (...) na (…). De bijrijder bleek als volgt te zijn genaamd: [verdachte] . De persoon welke achter de bijrijder zat bleek als volgt te zijn genaamd: [medeverdachte 2] . (…) Tijdens de insluitingsfouillering van [verdachte] trof ik (...) een autosleutel van het merk Volkswagen aan. Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…) Ik, verbalisant, had op 17 maart 2017 (...) een onderzoek ingesteld op een parkeerplaats aan [f-straat] te [plaats] . Wel zag ik een grijze Volkswagen Caddy met [kenteken 4] achteruit ingeparkeerd staan (...). Dit voertuig stond geparkeerd naast het voertuig met [kenteken 2] , waar de drie verdachten eerder in weggereden waren. Op 17 maart 2017 (...) hoorde ik (...) dat er tijdens de veiligheidsfouillering van verdachte [verdachte] een Volkswagen sleutel aangetroffen was. Ik (...) legde meteen de link aan de Volkswagen Caddy met [kenteken 4] , welke geparkeerd stond op het parkeerterrein [f-straat] . Ik ben onmiddellijk (...) naar het parkeerterrein [f-straat] gereden. Ik zag dat het voertuig reageerde op het indrukken van de sleutelknop. Ter plaatse heeft collega (...) het chassisnummer […] van de genoemde Volkswagen Caddy, welke zichtbaar was vanuit de voorruit, gecontroleerd (…). Proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2017, (…) Op 22 maart 2017 heb ik, verbalisant, (...) een onderzoek verricht aan het hierna genoemde inbeslaggenomen voertuig. Merk/type: Volkswagen Caddy Chassisnummer: […] Ik (...) zag dat het voertuig was voorzien van een geïntegreerd multimedia- en navigatiesysteem (...). Ik zag dat in het navigatiesysteem ingevoerde bestemmingen waren opgeslagen en dat het mogelijk was om door deze lijst te scrollen/bladeren. De lijst met ingevoerde bestemmingen is bijgevoegd aan dit proces-verbaal als ‘bijlage 1’. De laatst ingevoerde bestemming staat in deze lijst bovenaan. Bijlage 1 Ingevoerde bestemmingen uit het navigatiesysteem (...) NEDERLAND [plaats] [m-straat] Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 29 maart 2017, (…) Op 29 maart 2017 (...) verscheen voor mij, verbalisant, (...) een persoon die mij opgaf te zijn: Achternaam : [aangever] Voornamen : [aangever] Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...): Mijn bedrijfsauto voorzien van [kenteken 3] was op 8 maart 2017 gestolen en is door u teruggevonden. U laat mij twee lijsten zien met hierop ingevoerde bestemming van het navigatiesysteem van mijn auto. Eigenlijk kan ik mij op de eerste lijst alleen de eerste bestemming [m-straat] in [plaats] niet herinneren. De andere heb ik ingevoerd. Proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2018, (…) Café [B] is gevestigd aan de [m-straat 1] te [plaats] . Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 15 januari 2018, (…) A: Van [betrokkene 10] [het hof begrijpt: [betrokkene 10] ] heb ik gehoord dat hij foto’s moest maken van café [C] of [B] aan de [m-straat] te [plaats] . A: Ik heb er toen lange tijd niets over gehoord. Daarna heb ik [medeverdachte 1] een keer gevraagd waarom [betrokkene 10] foto’s moest maken. [medeverdachte 1] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [medeverdachte 1] waren te laat gekomen. Daarna had [betrokkene 10] foto’s gemaakt en die hadden ze gebruikt om aan te tonen dat het slachtoffer niet was komen opdagen. Later ben ik vast komen te zitten in [plaats] en toen kwam ik [betrokkene 11] tegen. Hij beaamde mij toen dat ze een liquidatie moesten doen (...) en dat ze te laat waren gekomen door zijn schuld. [betrokkene 11] was toen met [betrokkene 8] en [betrokkene 9] . Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 7 mei 2019, (…) V: Wat legde [medeverdachte 1] jou dan uit? A: Ja, toentertijd hadden wij een gesprek, ik weet niet meer precies, toen vertelde hij mij, dat er een liquidatie moest plaatsvinden. V: Moest die nog plaatsvinden? A: Ja, daar zou op dat moment een liquidatie moeten plaatsvinden, alleen die jongens waren laat. Maar eigenlijk is de liquidatie niet doorgegaan, wat ik dan begrepen heb, vanuit meerdere mensen uiteindelijk, is dat ze gewoon te laat waren. V: Want jij zegt, daar heb ik naar gevraagd bij hem? A: Ja, daar heb ik het met hem over gehad. En ik heb het ook van ehh... ja... hoe heet hij nou... van [verdachte] . ..
Volledig
[verdachte] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hém. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had. V: Hoe reageerde [medeverdachte 1] daarop? A: (...) en toen heeft hij mij verteld, van exact... er was een liquidatie bezig, alleen die jongens waren te laat en er waren al wat foutjes gemaakt, zei-die, met vorige acties, waar ze mee bezig waren, dus hij zegt, het kwam niet sterk over, dus we moesten laten zien, dat we er waren en dus heb ik het verhaal gedraaid, dat die persoon zeg maar, niet op is komen dagen, maar eigenlijk waren ze gewoon te laat. V: Wie waren te laat? A: Nou ja, hij heeft mij nooit verteld wie... alleen ik heb zelf van [verdachte] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hém kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 9] en [betrokkene 8] . V: En dat heb je weer van [verdachte] ? A: Dat heb ik van [verdachte] ja. Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2021, waarin is opgenomen als verklaring van verdachte [verdachte] : De oudste rechter bevraagt verdachte [verdachte] (…). Heeft u ooit met de kroongetuige gesproken over dat u te laat was in [plaats] ? Ja, dat was bij het eerste gesprek met [kroongetuige] in de PI. Hoe ging dat gesprek? Hij begon ermee van heb je het gehoord of gezien. Ik weet niet precies hoe hij dat heeft benoemd, maar over die moord op de [bijnaam 4] in het café. Ik zei daar weer terug op, waar heb je het over, welke [bijnaam 4] , wie, wat. Hij zei tegen mij, doe nou niet alsof je het niet weet, ik heb het al gehoord jongen, jij was toch degene die daar te laat was. En ik zei toen tegen hem, ja, [betrokkene 12] ik was degene die te laat was. ” 30. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen: “6.3.3. [deelonderzoek 2] Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. Anders dan de rechtbank laat het hof bij dit deelonderzoek de verklaringen van [kroongetuige] niet volledig buiten beschouwing. Het hof zal echter uitsluitend die onderdelen uit de verklaringen van [kroongetuige] voor het bewijs gebruiken die in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. [kroongetuige] is niet zelf betrokken geweest bij dit misdrijf en heeft zijn wetenschap daarvan alleen van horen zeggen. Ook blijkt [kroongetuige] niet van alles volledig en juist op de hoogte te zijn. Zo geeft hij in zijn verklaringen aan dat het beoogde doelwit “ De [bijnaam 4] ” was, met wie het latere [slachtoffer 3] (onderzoek [deelonderzoek 3] ) wordt bedoeld, terwijl het in deze zaak (zoals hierna wordt besproken) gaat om [betrokkene 7] als het beoogde slachtoffer. Dat [kroongetuige] zich op sommige onderdelen vergist of dingen door elkaar haalt, doet echter zonder meer niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen op andere onderdelen. 6 3.3.1. Het uitlokken van een liquidatie Op 5 maart 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 1] , en het account ‘ [bijnaam 3] ’, veredeld als [betrokkene 13] . [betrokkene 13] vraagt aan [medeverdachte 1] of “ ze die man in [plaats] willen doen ”. [medeverdachte 1] antwoordt hierop bevestigend. [betrokkene 13] geeft [medeverdachte 1] te kennen dat hij het gaat opzetten. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 13] weten dat ze klaarstaan. Het hof stelt op basis van dit chatgesprek vast dat ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 3] ’ bezig zijn geweest met een voorgenomen liquidatie, waarvan het beoogde slachtoffer “ die man in [plaats] ” was. Het hof gaat er, zoals hierna nog wordt overwogen, van uit dat het hierbij gaat om [betrokkene 7] . De liquidatie heeft niet plaatsgevonden. Op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur neemt ‘ [bijnaam 1] ’, veredeld als [betrokkene 4] , [betrokkene 13] aan het PGPchatgesprek, op het moment dat duidelijk is dat de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] is mislukt. Het hof leidt uit de inhoud van deze en daarna gevoerde chats af dat [betrokkene 4] samen met [betrokkene 13] de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie van [betrokkene 7] . Allereerst blijkt uit het chatgesprek dat op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur wordt gevoerd dat [betrokkene 4] op de hoogte is van de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] . [betrokkene 4] zegt tegen [medeverdachte 1] dat het niet mis mag gaan. [medeverdachte 1] antwoordt hierop dat [betrokkene 4] “ [bijnaam 3] ” het moet laten uitleggen. [medeverdachte 1] stuurt vervolgens naar [betrokkene 13] dat hij het “ [bijnaam 1] ” moet uitleggen. [medeverdachte 1] laat nog wel aan [betrokkene 4] weten dat hij vindt dat de “ [bijnaam 5] ” het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl “ jullie ” hem betalen. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan naar de “ heads ” te gaan om ze te bedaren. Een paar uur na de mislukte liquidatie vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 13] wat hij de “ heads ” kan zeggen. [betrokkene 13] antwoordt hierop dat er morgen wat “ pap ” [het hof begrijpt: geld\ wordt gestuurd voor de moeite en dat [medeverdachte 1] dat dan kan delen. [medeverdachte 1] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 4] wat het adres is. [betrokkene 4] antwoordt hierop: “ [n-straat] kruising [o-straat] op de brug ”. [medeverdachte 1] zegt tegen [betrokkene 4] dat hij iemand stuurt en geeft dat adres vervolgens via WhatsApp aan [betrokkene 14] door. [betrokkene 4] vraagt aan [medeverdachte 1] of het klopt dat “ [bijnaam 3] ” “35” heeft afgesproken. [medeverdachte 1] antwoordt hierop: “ Ja ik zei voor jullie 21500. Geef ik heads de rest ”. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 4] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [betrokkene 4] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [betrokkene 14] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [n-straat] in [plaats] gecontroleerd. In hetzelfde gesprek vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 4] of [betrokkene 4] het redelijk vindt. [betrokkene 4] antwoordt dat dit de eerste keer is en “ die man heeft nog niet van je gehoord maar zodra er progres volgt zal je zien heb het je al eens verteld geef me 2 snel en je zal geen geld problemen hebben broer! ”. Vervolgens antwoordt [medeverdachte 1] : “ Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven watje hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer ”. Uit een chatbericht tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4] van 18 februari 2017 blijkt dat er voor een geslaagde liquidatie € 70.000,- aan [medeverdachte 1] wordt betaald door de organisatie waar [betrokkene 4] deel van uitmaakte. Uit het feit dat [medeverdachte 1] in het [deelonderzoek 2] geld krijgt voor de moeite, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] ook voor de moord op het beoogde slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht is gesteld. Het hof leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 13] en [betrokkene 4] gezamenlijk [medeverdachte 1] hebben geprobeerd te bewegen tot het liquideren van het beoogde slachtoffer door [medeverdachte 1] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Uit wat het hof hierna overweegt over de uitvoering van de liquidatie, blijkt dat in het kader van de uitlokking ook aan [medeverdachte 1] is verteld waar het slachtoffer op het moment van de voorgenomen liquidatie zou zijn, dat het over een Marokkaanse man uit [plaats] gaat die [betrokkene 7] heet, dat hij lang en kaal is en dat hij in een Mazda rijdt. 6 3.3.2. Het beoogde slachtoffer In de politiesystemen gaven de zoektermen ‘ […] ’, ‘ [plaats] ’ en ‘Mazda’ een hit op [betrokkene 7] . [betrokkene 7] heeft van 24 januari 2017 tot en met 26 november 2018 een Mazda op naam gehad. In 2017 was hij kaal en hij is 1.80 m lang. [betrokkene 7] heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit en wordt in verband gebracht met de handel in harddrugs. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 7] het doelwit van de beoogde liquidatie op 9 maart 2017 was.
Volledig
Dat [betrokkene 7] niet heeft verklaard of hij op 9 maart 2017 in [plaats] is geweest, doet daaraan niet af. 6 3.3.3. De plaats van de voorgenomen moord Op 4 maart 2017 heeft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 15] gevraagd wat het adres is van café [B] en of dit café nog open is voor publiek. Café [B] was gelegen aan de [m-straat 1] in [plaats] . In dit café werden tot januari 2017 de clubbijeenkomsten van de afdeling [plaats] van [motorclub] gehouden. In de avond van 9 maart 2017 heeft [medeverdachte 1] contact met [betrokkene 10] . Om 19.33 uur laat [betrokkene 10] aan [medeverdachte 1] weten dat hij thuis is op de [p-straat 1] in [plaats] en dat dat vlakbij het café is. [betrokkene 10] vraagt aan [medeverdachte 1] wat ze rijden en of hij thuis of bij het café moet wachten. [medeverdachte 1] antwoordt hierop dat [betrokkene 10] ze vanzelf ziet en dat hij thuis op ze moet wachten. Om 20.42 uur vraagt [betrokkene 10] aan [medeverdachte 1] of hij al wat weet. [medeverdachte 1] antwoordt hierop om 20.45 uur dat [betrokkene 10] moet wachten. Daarna zijn er tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] nog (al dan niet gemiste) telefoonoproepen waarvan de inhoud niet bekend is geworden. Uit de hierna te bespreken chatberichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 13] blijkt dat het beoogde doelwit bij een café zou komen. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het de bedoeling was dat [betrokkene 7] op de avond van 9 maart 2017 in of in de buurt van café [B] in [plaats] zou worden geliquideerd. 6 3.3.4. De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie (…) 6 3.3.4.2. Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 1] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [betrokkene 13] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [medeverdachte 2] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [medeverdachte 2] aan op de mast [j-straat 1] in [plaats] . In het chatgesprek van 9 maart 2017 stuurt [betrokkene 13] om 21.08 uur: “ Stuur is foto van ingang van cafe ”. [medeverdachte 1] antwoordt met “ Ze zitten ervoor in bus ”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] aangehouden. [verdachte] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. Deze auto is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen vóór de mislukte liquidatie van [betrokkene 7] , in [plaats] gestolen. In het geïntegreerde navigatiesysteem van deze Volkswagen Caddy stond het adres [m-straat] in [plaats] als de laatst ingevoerde bestemming. De eigenaar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij dit adres heeft ingevoerd. De andere in het navigatiesysteem aangetroffen bestemmingen heeft hij (wel) ingevoerd. In de nacht van 8 op 9 maart 2017 hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] whatsappcontact met elkaar. Het gaat erover of [medeverdachte 2] een sleutel aan [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] geeft aan de sleutel te hebben. [medeverdachte 2] noemt nog dat als [verdachte] ernaar wordt gevraagd, hij moet zeggen dat [medeverdachte 2] de sleutel heeft. Over de inhoud van deze berichten hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] geen aannemelijke verklaring afgelegd. Gelet op alle overige feiten en omstandigheden in dit dossier, in onderlinge samenhang bezien, gaat het hof er daarom van uit dat het hier gaat om de sleutel van de Volkswagen Caddy. Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] in de ochtend met elkaar hebben afgesproken. [verdachte] appt om 10.09 uur naar [medeverdachte 2] dat hij nu de deur uit is. Om 10.38 uur laat [medeverdachte 2] aan [verdachte] weten dat [verdachte] “ gewoon voor kan parkeren ” en dat hij dan naar [medeverdachte 2] toe moet komen. Om 18.35 uur straalt een toestel van [verdachte] aan op de mast [j-straat 1] in [plaats] . Zoals al gezegd, straalt een telefoon van [medeverdachte 2] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Op 10 maart 2017 om 01.27 uur straalde een telefoon van [verdachte] aan op de mast [k-straat 1] in [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] aan de [l-straat 1] in [plaats] . Nu niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 2] en [verdachte] een ander adres hebben bezocht, gaat het hof ervan uit dat zij toen in [plaats] een ontmoeting met [medeverdachte 1] hebben gehad. Uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [B] hebben bevonden. De raadslieden van [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben gesteld dat dit tot vrijspraak zou moeten [plaats] . In dat verband hebben zij aangevoerd dat [verdachte] en [medeverdachte 2] ook op andere avonden in maart 2017 in [plaats] waren waarbij hun telefoons de zendmast aan de [j-straat 1] aanstraalden. Uit het enkele feit dat zij ook op de avond van 9 maart 2017 in [plaats] waren, kan dus geen betrokkenheid bij het tenlastegelegde worden afgeleid, aldus de verdediging. Het hof acht op basis van de telecomgegevens van (het tijdstip van) de contacten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de Volkswagen Caddy en het gegeven dat [medeverdachte 2] en [verdachte] op 9 maart 2017 na de mislukte liquidatie samen naar [medeverdachte 1] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, wettig en overtuigend bewezen dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [betrokkene 7] van het leven te beroven. Dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren en dat niet blijkt dat hun telefoons zich in de directe nabijheid van café [B] hebben bevonden, staat een bewezenverklaring niet in de weg. Die gegevens sluiten niet uit dat de liquidatie niet is doorgegaan omdat de beoogde schutters niet op tijd ter plaatse – bij café [B] – waren. Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de beoogde schutters voor de liquidatie van [betrokkene 7] waren en dat zij de genoemde bestelbus voorhanden hebben gehad om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 7] . Het hof heeft daarbij gelet op het gegeven dat [medeverdachte 1] op het moment van de beoogde liquidatie veelvuldig chatcontact had met [betrokkene 13] en later ook met [betrokkene 4] over de uitvoering van de liquidatie en dat [medeverdachte 1] op datzelfde moment met zijn normale telefoontoestel continu contact zocht of heeft gehad met [medeverdachte 2] . Het hof gebruikt in dit verband ook de verklaring van [kroongetuige] voor het bewijs. [kroongetuige] heeft op verschillende momenten zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord over een liquidatie die is voorbereid. [kroongetuige] heeft verklaard dat [verdachte] (veredeld als [verdachte] ), [betrokkene 8] (veredeld als [medeverdachte 2] ) en [betrokkene 9] (veredeld als [medeverdachte 3] ) de beoogde uitvoerders waren. De liquidatie is niet doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [verdachte] ( [verdachte] ). Ook [verdachte] zou tegen hem hebben gezegd dat er een liquidatie mislukt was omdat ze te laat waren. Dat gesprek zou hebben plaatsgevonden in de PI. Dat een dergelijk gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [verdachte] . [verdachte] heeft bevestigd dat [kroongetuige] en hij elkaar in de PI ( [plaats] ) hebben gesproken en dat het erover ging dat [verdachte] te laat was. [verdachte] heeft dat tegenover [kroongetuige] bevestigd. Dat hij dat alleen sarcastisch zou hebben bedoeld omdat hij het gesprek wilde afkappen om ervan af te zijn, acht het hof in het licht van de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden.