Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:276
Strafrecht
4,024 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:276 text/xml public 2026-03-25T15:39:22 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 24/01048 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:276 text/html public 2026-03-25T15:24:59 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:276 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/01048 - PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01048 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 6 maart 2024 (parketnr. 21-001537-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens " opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd " en “ opzettelijk niet voldoen aan en bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast ”, veroordeeld tot een (geheel voorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr) en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is aan de verdachte een taakstraf voor de duur van honderd uren (te vervangen door vijftig dagen hechtenis) opgelegd. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C. Crince Le Roy, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en klaagt in essentie dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, nu deze zijn aangetroffen onder de bijrijdersstoel en niet kan worden uitgesloten dat een ander deze onopgemerkt heeft geplaatst. Bovendien wordt geklaagd dat het hof de ontkennende verklaring van de verdachte ten onrechte als onaannemelijk heeft verworpen. 4. Het oordeel van het hof luidt blijkens het bestreden arrest van 6 maart 2024 als volgt: “ Ten aanzien van feit 1 Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte op 16 maart 2020 samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de A12 reed. Verdachte bestuurde de auto. Naast softdrugs is in de auto van verdachte onder de bijrijdersstoel een juten zak van ongeveer twintig bij twintig centimeter aangetroffen. In deze zak zat een grote hoeveelheid harddrugs (MDMA, amfetamine, cocaïne en heroïne), ponypacks, een precisieweegschaal met resten wit poeder erop en meerdere gripzakken. Daarnaast zijn bij verdachte tijdens zijn insluitingsfouillering twee mobiele telefoons en briefgeld in coupures van twintig en vijftig euro aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er harddrugs onder de bijrijdersstoel in zijn auto lag. Het hof acht de verklaring van verdachte in het licht van de hierboven weergegeven omstandigheden echter niet aannemelijk. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] een (juten) zak bij zich hadden voordat zij bij hem in de auto stapten. Ook heeft verdachte niet verklaard dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] op enig moment zonder verdachte in zijn auto hebben gezeten, zodat zij niet de mogelijkheid, hadden om de drugs buiten het zicht van verdachte onder de bijrijdersstoel te leggen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 63,8 gram MDMA, 4,18 gram amfetamine, 2,62 gram cocaïne en 4,46 gram heroïne aanwezig heeft gehad. Het verweer van de raadsman wordt verworpen .” 5. Het middel vangt allereerst aan met de klacht dat het hof niet, dan wel onvoldoende, stil heeft gestaan bij het gegeven dat het tasje met de drugs niet onder de stoel van de verdachte lag maar onder de stoel van de bijrijder en dat het om een kleine tas ging van 15 – 20 cm. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof overweegt immers expliciet dat: “ Naast softdrugs is in de auto van verdachte onder de bijrijdersstoel een juten zak van ongeveer twintig bij twintig centimeter aangetroffen .” 6. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof in zijn bewijsoverweging niet heeft stilgestaan bij het feit dat een andere persoon op de bijrijdersstoel zat en dat deze persoon op enig moment het tasje onder de bijrijdersstoel heeft kunnen leggen zonder dat de verdachte dit heeft gezien. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag nu het hof de bijrijder(s) wel degelijk noemt en diens/hun aanwezigheid betrekt bij de bewijsredenering: “ Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] een (juten) zak bij zich hadden voordat zij bij hem in de auto stapten. Ook heeft verdachte niet verklaard dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] op enig moment zonder verdachte in zijn auto hebben gezeten, zodat zij niet de mogelijkheid hadden om de drugs buiten het zicht van de verdachte onder de bijrijdersstoel te leggen .” 7. Tevens wordt geklaagd dat ’s hofs oordeel – dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is – onbegrijpelijk is omdat het mogelijk is dat een ander het tasje onopgemerkt onder de bijrijdersstoel heeft gelegd en de verdachte daarvan geen wetenschap hoefde te hebben. Deze klacht faalt eveneens naar mijn mening. Het hof heeft de verklaring van de verdachte – dat hij niet wist dat er een tasje met drugs onder de bijrijdersstoel lag – afgezet tegen de overige bewijsmiddelen, te weten: (1) de grote hoeveelheid verschillende soorten drugs, (2) de aanwezigheid van ponypacks, een precisieweegschaal met resten wit poeder erop en gripzakken en (3) het aantreffen van twee telefoons en contant geld bij de verdachte. De bewijswaardering van het hof en daaropvolgend ’s hofs oordeel over de onaannemelijkheid van de verklaring van de verdachte acht ik, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk. 8. Tot slot stipt de steller van het middel nog een aantal andere punten aan, namelijk dat (1) het hof ten onrechte overweegt dat anderen geen gelegenheid hadden om de drugs onder de bijrijdersstoel te leggen, (2) het hof niets heeft vastgesteld over wie het tasje met de drugs onder de stoel plaatste en (3) het hof er ten onrechte van uitgaat dat de verdachte de inhoud van het tasje kende. Ook in dit kader schiet de motivering van het hof tekort, aldus de steller van het middel. 9. Voor zover met de klacht wordt betoogd dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad, omdat niet is vastgesteld wie het tasje onder de bijrijdersstoel heeft geplaatst en niet kan worden afgeleid dat de verdachte de inhoud daarvan kende, miskent het de vaste rechtspraak van de Hoge Raad inzake het ‘ aanwezig hebben ’. Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of door hem zijn geplaatst, noch dat zij zich in zijn directe nabijheid bevonden. Evenmin is vereist dat de verdachte de harddrugs daadwerkelijk heeft waargenomen, voldoende is dat hij wetenschap had van hun aanwezigheid, waaronder mede begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans daarop. Het hof heeft die wetenschap kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen verdovende middelen en de daarbij behorende goederen (zoals de ponypacks, een precisieweegschaal en de aangetroffen twee telefoons en coupures bij de verdachte). Daar woog de ongeloofwaardig geachte ontkennende verklaring van de verdachte kennelijk niet tegenop. Het oordeel van het hof is m.i. toereikend gemotiveerd. 10. Het middel faalt in alle onderdelen. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie 11. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf. Slotsom 12.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:276 text/xml public 2026-04-14T12:45:17 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 24/01048 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:654 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:276 text/html public 2026-03-25T15:24:59 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:276 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/01048 - PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01048 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte. Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 6 maart 2024 (parketnr. 21-001537-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens " opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd " en “ opzettelijk niet voldoen aan en bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast ”, veroordeeld tot een (geheel voorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr) en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is aan de verdachte een taakstraf voor de duur van honderd uren (te vervangen door vijftig dagen hechtenis) opgelegd. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C. Crince Le Roy, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en klaagt in essentie dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, nu deze zijn aangetroffen onder de bijrijdersstoel en niet kan worden uitgesloten dat een ander deze onopgemerkt heeft geplaatst. Bovendien wordt geklaagd dat het hof de ontkennende verklaring van de verdachte ten onrechte als onaannemelijk heeft verworpen. 4. Het oordeel van het hof luidt blijkens het bestreden arrest van 6 maart 2024 als volgt: “ Ten aanzien van feit 1 Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte op 16 maart 2020 samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de A12 reed. Verdachte bestuurde de auto. Naast softdrugs is in de auto van verdachte onder de bijrijdersstoel een juten zak van ongeveer twintig bij twintig centimeter aangetroffen. In deze zak zat een grote hoeveelheid harddrugs (MDMA, amfetamine, cocaïne en heroïne), ponypacks, een precisieweegschaal met resten wit poeder erop en meerdere gripzakken. Daarnaast zijn bij verdachte tijdens zijn insluitingsfouillering twee mobiele telefoons en briefgeld in coupures van twintig en vijftig euro aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er harddrugs onder de bijrijdersstoel in zijn auto lag. Het hof acht de verklaring van verdachte in het licht van de hierboven weergegeven omstandigheden echter niet aannemelijk. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] een (juten) zak bij zich hadden voordat zij bij hem in de auto stapten. Ook heeft verdachte niet verklaard dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] op enig moment zonder verdachte in zijn auto hebben gezeten, zodat zij niet de mogelijkheid, hadden om de drugs buiten het zicht van verdachte onder de bijrijdersstoel te leggen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 63,8 gram MDMA, 4,18 gram amfetamine, 2,62 gram cocaïne en 4,46 gram heroïne aanwezig heeft gehad. Het verweer van de raadsman wordt verworpen .” 5. Het middel vangt allereerst aan met de klacht dat het hof niet, dan wel onvoldoende, stil heeft gestaan bij het gegeven dat het tasje met de drugs niet onder de stoel van de verdachte lag maar onder de stoel van de bijrijder en dat het om een kleine tas ging van 15 – 20 cm. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof overweegt immers expliciet dat: “ Naast softdrugs is in de auto van verdachte onder de bijrijdersstoel een juten zak van ongeveer twintig bij twintig centimeter aangetroffen .” 6. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof in zijn bewijsoverweging niet heeft stilgestaan bij het feit dat een andere persoon op de bijrijdersstoel zat en dat deze persoon op enig moment het tasje onder de bijrijdersstoel heeft kunnen leggen zonder dat de verdachte dit heeft gezien. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag nu het hof de bijrijder(s) wel degelijk noemt en diens/hun aanwezigheid betrekt bij de bewijsredenering: “ Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] een (juten) zak bij zich hadden voordat zij bij hem in de auto stapten. Ook heeft verdachte niet verklaard dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] op enig moment zonder verdachte in zijn auto hebben gezeten, zodat zij niet de mogelijkheid hadden om de drugs buiten het zicht van de verdachte onder de bijrijdersstoel te leggen .” 7. Tevens wordt geklaagd dat ’s hofs oordeel – dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is – onbegrijpelijk is omdat het mogelijk is dat een ander het tasje onopgemerkt onder de bijrijdersstoel heeft gelegd en de verdachte daarvan geen wetenschap hoefde te hebben. Deze klacht faalt eveneens naar mijn mening. Het hof heeft de verklaring van de verdachte – dat hij niet wist dat er een tasje met drugs onder de bijrijdersstoel lag – afgezet tegen de overige bewijsmiddelen, te weten: (1) de grote hoeveelheid verschillende soorten drugs, (2) de aanwezigheid van ponypacks, een precisieweegschaal met resten wit poeder erop en gripzakken en (3) het aantreffen van twee telefoons en contant geld bij de verdachte. De bewijswaardering van het hof en daaropvolgend ’s hofs oordeel over de onaannemelijkheid van de verklaring van de verdachte acht ik, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk. 8. Tot slot stipt de steller van het middel nog een aantal andere punten aan, namelijk dat (1) het hof ten onrechte overweegt dat anderen geen gelegenheid hadden om de drugs onder de bijrijdersstoel te leggen, (2) het hof niets heeft vastgesteld over wie het tasje met de drugs onder de stoel plaatste en (3) het hof er ten onrechte van uitgaat dat de verdachte de inhoud van het tasje kende. Ook in dit kader schiet de motivering van het hof tekort, aldus de steller van het middel. 9. Voor zover met de klacht wordt betoogd dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad, omdat niet is vastgesteld wie het tasje onder de bijrijdersstoel heeft geplaatst en niet kan worden afgeleid dat de verdachte de inhoud daarvan kende, miskent het de vaste rechtspraak van de Hoge Raad inzake het ‘ aanwezig hebben ’. Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of door hem zijn geplaatst, noch dat zij zich in zijn directe nabijheid bevonden. Evenmin is vereist dat de verdachte de harddrugs daadwerkelijk heeft waargenomen, voldoende is dat hij wetenschap had van hun aanwezigheid, waaronder mede begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans daarop. Het hof heeft die wetenschap kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen verdovende middelen en de daarbij behorende goederen (zoals de ponypacks, een precisieweegschaal en de aangetroffen twee telefoons en coupures bij de verdachte). Daar woog de ongeloofwaardig geachte ontkennende verklaring van de verdachte kennelijk niet tegenop. Het oordeel van het hof is m.i. toereikend gemotiveerd. 10. Het middel faalt in alle onderdelen. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie 11. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf. Slotsom 12.