Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:PHR:2026:269
Strafrecht
19,434 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:269 text/xml public 2026-03-19T11:41:26 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-17 23/04513 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:269 text/html public 2026-03-19T11:40:26 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:269 Parket bij de Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/04513 Conclusie A-G. Medeplegen invoeren van cocaïne en meermalen medeplegen van voorbereidingshandelingen tot het invoeren cocaïne. Middelen onder meer over (i) oordeel hof m.b.t. betrouwbaarheid verklaringen van getuige, (ii) gebruik schakelbewijs bij oordeel hof over aard van de stof die men Nederland trachtte binnen te brengen en (iii) telkens bewezen verklaarde medeplegen. Niet wordt geklaagd over (niet onbegrijpelijke) werkwijze van hof om schakelbewijs-constructie te bezigen bij oordeel over medeplegen. Concl. strekt tot verwerping met art. 81.1 RO. (Samenhang met 23/04272P). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04513 Zitting 17 maart 2026 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte 1 Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 3 november 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001638-16) voor het medeplegen van het invoeren van cocaïne (feit 1 primair) en voor het meermalen medeplegen van voorbereidingshandelingen tot het invoeren van cocaïne (feiten 2, 3, 4 en 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 23/04272 P. In die zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is op 3 november 2023 ingesteld namens de verdachte. M. Goedhart, advocaat in [plaats] , heeft acht middelen van cassatie voorgesteld. 1.4 Het eerste middel bevat een bewijsklacht over de in feit 3, 4 en 5 bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen voor zover deze gericht zijn op de invoer van cocaïne. In het tweede middel wordt geklaagd over de tot het bewijs gebezigde verklaringen van een getuige. In het derde middel wordt geklaagd over het aan het bewezen verklaarde medeplegen ten grondslag gelegde oordeel van het hof dat de verdachte een aansturende rol had. In het vierde tot en met achtste middel wordt geklaagd over het (ten aanzien van alle feiten) bewezen verklaarde medeplegen. 1.5 De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Bewezenverklaringen en bewijsvoering 2.1 Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat: “1. primair hij op 30 juni 2013 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hieronder mede te verstaan invoer als bedoeld, in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), een hoeveelheid van ongeveer 302 kilogram cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I; 2. hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 302 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en - zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of vervoeren van die cocaïne en/of - (een) toegangspas(sen) geregeld en/of verstrekt en - die container opengebroken teneinde de tassen met verdovende middelen eruit te kunnen halen en - zich voorgedaan als werknemer van een op het [C] terrein werkzaam bedrijf en - zich gekleed in zogenaamde (nieuwe) veiligheidskleding (gelijkend op kleding die door medewerkers van bedrijven gevestigd op het [C] terrein wordt/worden gedragen) en - (onbevoegd) het terrein van de [C] betreden (opgereden met een auto Volkswagen Transporter, [kenteken 1] en/of Seat Leon, [kenteken 2] ) en - telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)daders; 3. hij in de periode van 5 juni 2013 tot en met 7 juni 2013 te [plaats] althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en - zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) - contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of vervoeren van die cocaïne en - (een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en - geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en - (een) toegangspas(sen) tot het [C] terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en - (een) container(s) geregeld om de cocaïne van het [C] terrein af te voeren en/of - een bestelbusje (Volkswagen Caddy met [kenteken 3] ) opgehaald en - perso(o)n(en) op en/of nabij het [C] terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en - (onbevoegd) het [C] terrein betreden en - telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s); 4. hij in of omstreeks periode van 22 mei 2013 tot en met 25 mei 2013 te [plaats] althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en - zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) - contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het vervoeren van die cocaïne en - (een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en - geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en - (een) toegangspas(sen) tot het [C] terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en - (een) container(s) geregeld om de cocaïne van het [C] terrein af te voeren en - perso(o)n(en) op en/of nabij het [C] terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en - het [C] terrein (onbevoegd) betreden en - telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s); 5.
Volledig
hij in de periode van 9 juni 2013 tot en met 10 juni 2013 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en - zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) - contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het vervoeren van die cocaïne en - (een) ander(en) benaderd om mee te doen en/of om diensten te verlenen en - geld in het vooruitzicht gesteld en/of verstrekt en/of ontvangen en - (een) toegangspas(sen) tot het [C] terrein geregeld en/of beschikbaar gesteld en - (een) container(s) geregeld om de cocaïne van het [C] terrein af te voeren en - perso(o)n(en) op en/of nabij het [C] terrein afgezet en/of laten afzetten en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of - (onbevoegd) het [C] terrein betreden en - telefonisch en/of per sms contact gehouden met één of meer (mede)dader(s).” 2.2 Deze bewezenverklaringen berusten op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik hier kortheidshalve verwijs. 2.3 Het bestreden arrest bevat de volgende nadere bewijsoverwegingen: “ Medeplegen Door en namens de verdachte wordt betwist dat hij als medepleger betrokken is bij de bewezenverklaarde feiten. Bij de beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de in de bewijsbijlage vervatte bewijsmiddelen. Het hof heeft alleen die bewijsmiddelen aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd die [het] betrouwbaar en bruikbaar acht. De keuze van deze bewijsmiddelen is aan de rechter. Het hof verwerpt het verweer dat de politieverklaringen van [getuige 1] niet betrouwbaar en niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Deze verklaringen vinden steun in andere, van [getuige 1] onafhankelijke, bewijsmiddelen. Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bewezenverklaarde feiten vallen in een periode van ongeveer 6 weken. [medeverdachte] heeft tegenover de politie erkend dat hij de verdachte kent. [verdachte] [A-G: de verdachte, die hierna ook ‘ [verdachte] ’ en ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [betrokkene 1] en [medeverdachte] heeft gekend in de relevante periode. Onderling telefoonverkeer wordt als bewijsmiddel gebruikt. Blijkens het op 11 april 2013 opgenomen OVC-gesprek heeft [betrokkene 1] op dat moment een goede werkwijze om "werk" uit een container op het haventerrein te halen en buiten het haventerrein te brengen. Uit de opmerkingen van [betrokkene 1] over de bedragen die hij betaalt aan die “jongen die vandaag het terrein is opgegaan" en het feit dat hij verklaart dat "wij" normaal de vrachtwagen niet erbij zouden betrekken, maar dat hij dat nu extra erbij geregeld heeft, leidt het hof af dat deze werkwijze ten tijde van genoemd OVC-gesprek op 11 april 2013 al beproefd functioneert en dat er sprake is van meerdere personen die hierbij betrokken zijn. In het op 25 mei 2013 in café [A] opgenomen OVC-gesprek bespreekt [betrokkene 1] gebeurtenissen waarbij een controle plaatsvindt, een busje door een slagboom rijdt en de douane en later een arrestatieteam komen. Het is [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) die "heeft opgehaald", "op de lijst geschreven" en "de overgebleven helft opgehaald". In een ook op 25 mei 2013 op dezelfde locatie vanaf 22:10 uur opgenomen OVC-gesprek zegt [betrokkene 2] tegen de verdachte in een gesprek waaraan ook [betrokkene 1] deelneemt dat het beschamend is dat zij de containers niet leeg hebben kunnen vinden en dat zij beter een ander kunnen sturen. Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 2] jegens de verdachte de professionele kwaliteiten van de betrokken uithalers in twijfel trekt en hem adviseert een andere uithaler te sturen. De verdachte zegt in dit gesprek: 'Broer je kan gewoon gaan hoor ... Wij komen sowieso daarheen. Ook zegt [betrokkene 2] in dit gesprek: "Je moet van tevoren eisen vriend want jij hebt de monopolie. Zij hebben jou toch nodig. Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 1] een vorm van actieve betrokkenheid heeft bij de feiten waarover gesproken wordt. [getuige 1] erkent dat hij betrokken is bij de invoer van verdovende middelen. Hij moest een chauffeur regelen die mensen mee kon nemen op het haventerrein. Hij moest ook een container regelen, zodat ze daar iets konden doen. [getuige 1] herkent de verdachte van een politiefoto en noemt hem [verdachte] . [verdachte] was een van de twee of drie personen die aan hem, [getuige 1] , informatie gaf. [getuige 1] herkent ook [betrokkene 1] en [medeverdachte] van politiefoto's. Op diverse momenten geeft [getuige 1] er blijk van dat naar hem toe [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] , [bijnaam betrokkene 1] ), [medeverdachte] (de [bijnaam medeverdachte] , de [bijnaam medeverdachte] , [bijnaam medeverdachte] ) en de verdachte ( [verdachte] ) inwisselbare rollen hebben: - wat betreft de zaak van 27 juni 2013 wordt [getuige 1] in café [B] aangesproken door "de drie", in de woorden van [getuige 1] : [betrokkene 1] ‘ [bijnaam betrokkene 1] ’, [bijnaam medeverdachte] ' en [verdachte] , met de vraag of hij ze met de koelie ( [betrokkene 3] ) in contact kon brengen. [betrokkene 3] gaat vervolgens met [getuige 1] mee naar [a-straat] , waar zij "die drie" weer spreken. - in de auto van [getuige 1] zijn papieren aangetroffen. Hij had deze papieren van [betrokkene 3] gekregen en moest ze doorgeven aan één van de drie, [betrokkene 1] ' [bijnaam betrokkene 1] ', boxer [bijnaam medeverdachte] en [verdachte] . Wanneer de zaak van 30 juni 2013 op [tv-zender] bekend geworden is, belt [getuige 1] [betrokkene 1] . [getuige 1] verklaart onder meer over dit getapte gesprek dat [betrokkene 1] zegt dat 'mattie' bij hem was. [getuige 1] denkt dat met 'mattie' [verdachte] of die andere bedoeld wordt, want ze zijn altijd met zijn drieën. Het hof leidt hieruit af dat in ieder geval in de periode van 23 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 een beproefde werkwijze functioneerde om 'werk', dat wil zeggen verdovende middelen, uit een container op het haventerrein te halen en dat de personen die dit uitvoerden door [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte aangestuurd werden. Tegen deze achtergrond bezien stelt het hof vast dat de verdachte inzake de tenlastegelegde feiten de volgende categorieën aan handelingen heeft verricht: Doorgeven informatie: [getuige 1] verklaart dat hem gevraagd is een chauffeur te regelen om mensen op het haventerrein te brengen. Deze personen gaan naar de box waar de drugs in zitten en halen deze eruit. De drugs werden in een andere container gezet, die door de chauffeur naar buiten werd gereden.
Volledig
Hij wijst de verdachte aan als een van de drie mannen van wie hij telkens informatie kreeg om door te geven aan de chauffeur. Deze verklaring vindt bevestiging in tap- en OVC-gesprekken. Blijkens het OVC-gesprek van 25 mei 2013 bij teller 35.40 evalueert de verdachte de actie van de dag ervoor met [betrokkene 1] : [verdachte] praat over die van gister. [verdachte] zei: wat is die leeg, misschien zit er een zender in. Het hof begrijpt dat de verdachte hier doelt op een container zonder 'werk', dat wil zeggen zonder verdovende middelen. Op 5 juni 2013 vindt blijkens observatieverslagen omstreeks 21.30-22.00 uur een bijeenkomst plaats in [B] te [plaats] , waarbij aanwezig waren [betrokkene 1] , [getuige 1] , [betrokkene 3] , [medeverdachte] en de verdachte. Min of meer aansluitend, op 6 juni 2013 omstreeks 00.30 uur, vertrekt de verdachte samen met iemand anders naar [plaats] , waarbij een Volkswagen Caddy wordt opgehaald die in de nacht van 6 op 7 juni 2013 gebruikt wordt bij het betreden van het [C] terrein. Na het bezoek aan [plaats] keert de verdachte niet terug naar [plaats] , waar hij woont, maar naar [plaats] , waar hij met [betrokkene 1] in [B] heeft afgesproken blijkens een tapverslag. Het hof leidt uit dit samenstel af dat de bijeenkomst in [B] op 5 juni 2013 omstreeks 21.30 uur en 22.00 uur in het teken heeft gestaan van de activiteiten in de nacht van 6 op 7 juni 2013 van deze aanwezigen in het havengebied. Achtervang buiten het haventerrein tijdens uithalen: Blijkens het op 25 mei 2013 vanaf 21.05 opgenomen OVC-gesprek verklaart [betrokkene 1] dat de verdachte, nadat alles misgaat als gevolg van optreden van de douane, "op de lijst geschreven heeft" en dat hij "de overgebleven helft (heeft) opgehaald." Uit zendmastgegevens blijkt dat de telefoon van de verdachte zich tussen 03.27 uur tot 04.07 uur op 7 juni 2013 in het havengebied bevond. Op 29 juni 2013 wordt de verdachte gebeld met het verzoek de weg uit te leggen aan iemand die er vanavond in gaat voor de andere kant en die de weg niet kent. Ook op 29 juni 2013 is het de verdachte die "ons personeel" gaat "wegbrengen en afzetten." Om 00.45 uur op 30 juni 2013 wordt de verdachte samen met [medeverdachte] gecontroleerd op [b-straat] in een Volkswagen Polo. In dit voertuig liggen 5 doosjes van Nokia telefoons. Op 30 juni 2013 om 7.20 uur meldt [betrokkene 1] aan de verdachte: "volgens mij zijn zij allemaal de klos". De verdachte antwoordt: "Klote zeg! Er gaat weer een auto naar die kant van de groenen. [betrokkene 1] antwoordt: "Nee, echt waar? Ouwe het zal daar wel rumoerig zijn. Rijd jij maar weg." Het hof begrijp dat met 'de groenen' gedoeld wordt op de douane en dat de verwijzing naar rumoerig betekent dat er veel activiteit is van opsporingsdiensten. Voorts leidt het hof af uit de omstandigheden dat de verdachte waarneemt dat een auto van de groenen die kant uit gaat en uit de aanwijzing aan de verdachte: "Rijd jij maar weg" dat de verdachte zich in dan wel zeer nabij de zone van verhoogde opsporingsactiviteit bevindt. Dit gesprek krijgt een vervolg om 7.26 uur wanneer [betrokkene 1] aan de verdachte meldt dat zij allemaal buiten zijn, maar dat iedereen achter hen aan zit. De verdachte antwoordt dat hij hier in de buurt blijft en dan terug gaat. Het hof tekent hierbij aan dat deze op het eerste gezicht omslachtige wijze van communiceren tussen de uithalers en de ondersteunende/aansturende personen samenhangt met het gebruik van 1 op 1 telefoons. Dit vindt bevestiging in het telefoongesprek van 30 juni 2013 te 7.34 uur wanneer de verdachte aan [betrokkene 1] vraagt het adres waar zij aankomen via de andere telefoon aan hem te sturen. [betrokkene 1] antwoordt dat iedereen op dat moment aan het racen is. Om 7.36 uur kan de verdachte aan [betrokkene 1] melden dat 'hun achterkant' 'schoon' is, dat er twee douanes en een politiebusje reden, maar dat geen snelle auto achter hen aanrijdt. Verzorging bedrijfsmiddelen In het OVC-gesprek van 11 april 20.13, vanaf omstreeks 11.25 uur zegt [betrokkene 1] dat je dit werk niet met een normale auto kan doen. Op 5 juni 2013 heeft een bijeenkomst in [B] te [plaats] plaatsgevonden. Vanuit [B] brengt de verdachte in de nacht van 5 op 6 juni 2013 een persoon naar [plaats] om daar een witte Volkswagen Caddy met het [kenteken 3] op te halen. Vervolgens rijdt de verdachte weer terug naar [plaats] in overleg met [betrokkene 1] . In de nacht van 6 op 7 juni wordt deze Caddy gebruikt bij het betreden van het [C] terrein. Op 9 juni 2013 wordt de verdachte door [betrokkene 1] gevraagd naar de telefoons te gaan. Over de telefoons wordt die avond en nacht vaker gebeld tussen [betrokkene 1] en de verdachte [verdachte] . Het hof begrijpt dat het gaat om 1 op 1 telefoons die tijdens het uithalen gebruikt worden. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat het gaat om de aanschaf van nieuwe telefoons, namelijk dure iPhones, is niet aannemelijk geworden. Later in de avond van 9 juni 2013 wordt de verdachte door [betrokkene 1] gevraagd een trekkabel te halen en 2 jerrycans met benzine, zodat "zij’ niet een benzinestation op hoeven te gaan met al die camera's. Op 29 juni 2013 vraagt [betrokkene 1] aan de verdachte oranje hesjes te kopen. Het hof begrijpt dat de kleur van deze hesjes moet overeenstemmen met de kleur van de hesjes die gedragen worden door medewerkers van het haventerrein. Dit wordt ook afgestemd met [medeverdachte] . Oranje hesjes zijn die nacht daadwerkelijk gedragen door uithalers. Om 00.45 uur op 30 juni 2013 wordt de verdachte samen met [medeverdachte] gecontroleerd op [b-straat] in een Volkswagen Polo. In dit voertuig liggen 5 doosjes van Nokia telefoons. Het hof stelt vast dat in de later aangehouden Seat Leon een Nokia telefoon ligt, waarvan het imei-nummer overeenstemt met het imei-nummer vermeld op een telefoondoosje in deze Volkswagen Polo. Het hof legt daarmee een verband tussen deze doosjes en het gebruik van één op één telefoons tijdens het uithalen. Eigen perceptie van de verdachte dat gehandeld wordt in teamverband Op 6 juni 2013 belt de verdachte uit naar [betrokkene 1] . Hij zegt tegen [betrokkene 1] : "Het is tijd, waar ga je naar toe?" [betrokkene 1] vraagt hierop: "Wat voor tijd is het man?" De verdachte antwoordt: "Tijd van de onzen". Vervolgens gaat het gesprek erover dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: de [medeverdachte] , [bijnaam medeverdachte] ) nog niet is gekomen en dat hij de telefoon heeft en niet [betrokkene 1] . De verdachte sluit het gesprek af met: "ok dan". Nadat op 7 juni 2013 een doorzoeking heeft plaatsgevonden waarbij geen verdovende middelen zijn aangetroffen, de verdachte is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet, verhoord en weer in vrijheid gesteld , zegt de verdachte op 8 juni 2013 tegen [betrokkene 1] : "wij zijn er zonder kleerscheuren van af gekomen." Het eerdergenoemde gesprek van 29 juni 2013 tussen de verdachte en [betrokkene 1] , waarin de verdachte meedeelt aan [betrokkene 1] dat hij: "ons personeel" gaat wegbrengen en afzetten getuigt ook van het handelen als team. Op grond van het voorgaande en bezien tegen de achtergrond dat vanaf in ieder geval 11 april 2013 sprake is van een beproefd systeem om 'werk' uit containers in de haven te halen en een bestendige wijze van samenwerken, is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan de bewezenverklaarde feiten is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen ten aanzien van alle feiten bewezen. Opzet en schakelbewijs Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op 30 juni 2013 ongeveer 302 kg cocaïne Nederland is binnengebracht. De aangetroffen stoffen zijn bemonsterd en onderzocht en niet ter discussie staat dat het gaat om cocaïne in de zin van de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het hof acht bewezen dat de verdachte hierbij als mededader betrokken is geweest en dat zijn opzet op het binnen Nederland brengen van cocaïne gericht is geweest.
Volledig
Naar het oordeel van het hof is dit mede redengevend voor de bewezenverklaring van de overige aan de verdachte verweten feiten, die gelegen zijn in de ongeveer 6 weken die voorafgaan aan de datum van 30 juni 2013. Dit betreft zowel de aard van de stof die men binnen Nederland tracht te brengen, te weten cocaïne, als de omstandigheid dat het opzet van de verdachte hierop telkens gericht is geweest. De wijze waarop de onderscheiden feiten zijn begaan komt telkens op essentiële punten overeen, zoals blijkt uit de hieraan voorafgaande overwegingen inzake medeplegen en de gebezigde bewijsmiddelen: het nummer van de container waarin de cocaïne verstopt is, is bekend. Er worden mensen op het haventerrein gebracht die de cocaïne uit de container moeten halen en moeten overbrengen naar een andere auto of een andere (al gecontroleerde) container, opdat de cocaïne aldus het haventerrein verlaat. Hierbij wordt gehandeld in teamverband. Verdachte geeft informatie door, regelt bedrijfsmiddelen en is achtervang nabij het haventerrein tijdens de uithaalactie. Dat beoogd werd iets anders dan cocaïne uit de containers te halen is niet aannemelijk geworden.” 3 Het eerste middel 3.1 In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat in de periode van 5 tot en met 7 juni 2013 (feit 3), 22 mei tot en met 25 mei 2023 (feit 4) en 9 tot en met 10 juni 2013 (feit 5) telkens sprake was van het medeplegen van het voorbereiden van het invoeren van cocaïne onvoldoende is gemotiveerd dan wel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, nu er geen bewijs voorhanden is dat deze voorbereidingshandelingen waren gericht op de invoer van cocaïne. 3.2 De steller van het middel vindt het oordeel van het hof dat het onder 1 bewezen verklaarde feit “voor het bewijs kan dienen dat de voorbereidingshandelingen en het opzet van de verdachte bij de overige feiten (feiten 3, 4 en 5) ook zagen op het invoeren van cocaïne. Dit omdat de modus operandi zou overeenkomen”, onbegrijpelijk en getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Dat de modus operandi bij de invoer van 30 juni 2013 zou overeenkomen met de modus operandi bij de overige feiten bewijst volgens hem niet dat ook bij die overige feiten de voorbereidingshandelingen op het invoeren van cocaïne waren gericht. De modus operandi is volgens de steller van het middel te weinig specifiek om deze uitsluitend te linken aan het invoeren van cocaïne omdat, zoals de verdediging ook bij het hof heeft aangevoerd, deze modus operandi evengoed kan worden gebruikt voor de diefstal van goederen of de smokkel van andere illegale goederen van het haventerrein. Bovendien wordt in de haven van [plaats] daadwerkelijk van alles gestolen en gesmokkeld, aldus de steller van het middel. 3.3 Ik stel het volgende voorop. Met de door het hof gebezigde term ‘schakelbewijs’ wordt in het algemeen bedoeld een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte in strafbare zin betrokken was bij één of meer andere delicten. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het handelen van de verdachte en de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. De feitenrechter kan bij zijn oordeel dat uit de modus operandi kan worden afgeleid dat een verdachte een bepaald feit heeft begaan, betrekken dat niet gebleken is van contra-indicaties. Het gebruik van schakelbewijs is niet beperkt tot situaties waarin de betrokkenheid van de verdachte bij een bepaald feit bewijs behoeft, maar kan ook worden gebruikt in een situatie waarin het gaat om de vraag op welke (verboden) voorwerpen bepaalde gedragingen zijn gericht. 3.4 Het hof heeft onder 1 bewezen verklaard dat op 30 juni 2023 302 kg cocaïne Nederland is binnengebracht, dat de verdachte daarbij als mededader betrokken is geweest en dat zijn opzet ook was gericht op het binnen Nederland brengen van cocaïne. Het hof heeft onder het kopje “Opzet en schakelbewijs” overwogen dat het bewijs dat de verdachte op 30 juni 2013 het opzet had om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen, mede redengevend is voor de bewezenverklaring van de andere ten laste gelegde feiten zowel voor wat betreft de aard van de stof die men binnen Nederland trachtte te brengen als voor het opzet van de verdachte daarop, omdat de wijze waarop de onderscheiden feiten zijn begaan telkens op essentiële punten overeenkomt. Als overeenkomsten op essentiële punten noemt het hof (i) dat het nummer van de container waarin de cocaïne verstopt is, bekend is, (ii) dat er mensen op het haventerrein worden gebracht die de cocaïne uit de container moeten halen en moeten overbrengen naar een andere auto of een andere (al [A-G: ik begrijp: door de douane] gecontroleerde) container, opdat de cocaïne aldus het haventerrein verlaat, (iii) dat hierbij wordt gehandeld in teamverband en (iv) dat de verdachte informatie doorgeeft, bedrijfsmiddelen (waaronder telefoons en hesjes) regelt en achtervang is nabij het haventerrein tijdens de uithaalactie. Het hof heeft daarbij overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat beoogd werd iets anders dan cocaïne uit de containers te halen. 3.5 Het oordeel van het hof dat – en waaruit blijkt dat – de wijze waarop de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten zijn begaan telkens op essentiële punten overeenkomt met het op 30 juni 2023 gepleegde en ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feit 1 primair en zijn daaruit voortvloeiende oordeel dat ook de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten betrekking hadden op cocaïne, acht ik in het geheel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede gelet op de omstandigheid dat het hof daarbij heeft betrokken dat niet aannemelijk is geworden dat beoogd werd iets anders dan cocaïne uit de containers te halen. 3.6 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 In het middel wordt geklaagd (i) dat het oordeel van het hof “dat de politieverklaringen van de [getuige 1] betrouwbaar zijn en voor het bewijs mogen worden gebezigd (…) –gelet op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging – onvoldoende is gemotiveerd” en (ii) dat het hof bovendien “in die verklaringen van [getuige 1] iets anders (leest) dan [getuige 1] daadwerkelijk heeft verklaard en (…) het hof dit voor de bewijsmotivering (heeft) gebezigd” , waardoor het oordeel van het hof ook in die zin onvoldoende is gemotiveerd. 4.2 In de cassatieschriftuur wordt gewezen op gedeelten uit het volgende, door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2023 voorgedragen pleidooi: “ HOOFDSTUK 1: DE ROL VAN CLIËNT 10. Zoals gezegd wordt cliënt een belangrijke rol toegedicht. Hij zou volgens de strafmotivering in het vonnis één van de drie hoofdpersonen zijn die zich samen met twee medeverdachten (kennelijk [betrokkene 1] en [medeverdachte] ) bezig hield met de organisatie van het geheel. Uit het dossier komt echter een heel ander beeld naar voren over de rol van cliënt. Het dossier bestaat voornamelijk uit tapgesprekken. Vele verdachten hebben zich hoofdzakelijk op hun zwijgrecht beroepen, maar de verdachten die hebben willen verklaren, te weten [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , hebben ontlastend over de rol van cliënt verklaard. 11. De advocaat-generaal meent dat de verklaring van [getuige 1] bij de RHC zou afwijken van zijn verklaringen bij de politie, maar dat is absoluut niet het geval. Als je de verklaringen van [getuige 1] goed leest, heeft hij zijn eerdere verklaringen bij de politie enkel genuanceerd bij de RHC. 1.1. Verklaringen [getuige 1] 1.1.1. Politieverhoren 12. [getuige 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard: “Het was altijd één van de drie waar ik mee sprak.
Volledig
Ze noemden elkaar ook altijd ‘ [bijnaam betrokkene 1] ‘.” (1310301555.V05, p. 3). 13. Hiermee heeft [getuige 1] wellicht de indruk gewekt dat er drie hoofdverdachten waren, maar dat is absoluut niet wat hij zegt. [getuige 1] heeft hier enkel verklaard dat cliënt in zijn optiek tot het ' [bijnaam betrokkene 1] -clubje’, zou behoren. Hij zegt echter niet dat hij met cliënt sprak. Hij zegt alleen dat hij altijd met één van die drie sprak. Dat zou cliënt kunnen zijn, maar het kan ook zijn [betrokkene 1] of [medeverdachte] of twee of meer van hen. De politie heeft daarover niet goed doorgevraagd tijdens dat verhoor. Deze verklaring is dan ook niet bruikbaar om cliënt 'aan op te hangen'. Het blijft in het midden of cliënt nou wel of geen opdrachten gaf. Dat is natuurlijk geen bewijs voor de rol van cliënt. 14. In een nader verhoor geeft [getuige 1] wel duidelijkheid daarover. Hij had alleen contact met [betrokkene 1] en [medeverdachte] , zo blijkt. Hij geeft aan dat hij contact had met [medeverdachte] over de telefoon. “Ja, als ik iets door moest geven aan [betrokkene 4] . Met de laatste zaak, die wij besproken hadden, toen had ik met hem (MG: [medeverdachte] ) het meeste contact.” (1310310913.V05, p. 3). 15. Als hem wordt gevraagd wat nu precies de taak van ' [bijnaam betrokkene 1] ' [betrokkene 1] is geweest. “Eigenlijk hetzelfde. Ik kreeg de vraag of ik het kon regelen”. (1310310913.V05, p. 3). 16. En als hem wordt gevraagd wat de taak van [verdachte] (cliënt) was: “ Ja, dat weet ik niet precies . Ik kreeg van hun twee of drie informatie die ik dan moest doorgeven.” (1310310913.V05,p. 3). 17. De rechtbank is hier ongeoorloofd aan het denatureren. Zij heeft de verklaring van [getuige 1] als bewijsmiddel 4 gebruikt, maar laat daarin mijn onderstreping weg, te weten dat [getuige 1] niet precies weet wat de rol is van cliënt. Daarna heeft hij het ook over hun twee of drie. Als het om 'hun twee' gaat, wordt kennelijk [betrokkene 1] en [medeverdachte] bedoeld, althans kan niet worden vastgesteld dat cliënt daartoe behoort. De politie heeft wederom niet doorgevraagd. 18. In de vele politieverhoren legt [getuige 1] slechts één keer een link met cliënt, als hem een tapgesprek wordt voorgehouden waarin hij tegen [betrokkene 3] zegt dat hij niet weet wat hij tegen die […] moet zeggen. Op de vraag wie de […] is: “Hier waren ze gestrest, dus volgens mij liet [betrokkene 1] dit aan een ander over. Volgens mij [verdachte] .” (1310311145.V05, p. 5 en 6). Deze passage is echter niet betrouwbaar en bruikbaar voor bewijs. [getuige 1] heeft immers even daarvoor juist verklaard dat [betrokkene 1] het aan [bijnaam medeverdachte] overliet. “ [betrokkene 1] was volgens mij toen een tijdje weg, dus één van die andere twee. Ik denk [bijnaam medeverdachte] .” (1310311145.V05, p. 5). Bovendien is het niet logisch. [betrokkene 1] werd door iedereen de […] genoemd, niet cliënt, zo blijkt uit het dossier. 19. Kortom, uit de politieverhoren van [getuige 1] is niet af te [plaats] dat cliënt opdrachten gaf aan [getuige 1] of anderszins een organiserende rol had binnen de organisatie van [betrokkene 1] . 1.1.2. RHC-verhoor van 28 maart 2018 20. Bij de RHC is [getuige 1] nog duidelijker over de rol van cliënt. “Ik sprak voornamelijk met [betrokkene 1] , hij was mijn contactpersoon. (...) U vraagt mij wat [verdachte] zei als wij daar met elkaar aan het praten waren over containernummers. Ik heb niet echt gesprekken met [verdachte] gehad. (...) U vraagt mij of, als ik [betrokkene 1] sprak, [verdachte] er dan altijd bij was. Niet altijd, wat is erbij? Ik zat daar met [betrokkene 1] en dan kwam hij misschien net binnen.” (RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 3). 21. “U vraagt mij of ik [verdachte] en [medeverdachte] wel heb gezien, rondom [betrokkene 1] , maar dat zij mij geen opdrachten gaven en dat ik ook niet heb gehoord dat [betrokkene 1] aan hen opdrachten gaf. Nee, niet specifiek dat hij zei: “jij moet dit doen, jij moet dat doen.” Ik heb hen wel eens gezien, dat ze een drankje zaten te doen. Ik had geen contact met hen over werkzaamheden.” (RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 6). 22. Op vragen van mr. [betrokkene 5] over cliënt: “In het café zijn twee of drie stoelen, het was niet één meeting. Hij was wel regelmatig met [betrokkene 1] . U vraagt mij of hij zich bemoeide met het gesprek dat ik met [betrokkene 1] had over containers. Nee, niet direct. Ik had echt alleen met [betrokkene 1] te maken. [medeverdachte] en [verdachte] waren er soms, of regelmatig bij, maar de gesprekspartner of met wie ik te maken had was [betrokkene 1] en [betrokkene 3] .” (RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 8). 23. En: “U vraagt mij of [verdachte] mij ooit opdrachten heeft gegeven in relatie tot containers, in relatie tot verdovende middelen. Nee.” (RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 9). 1.2 [getuige 2] 1.2.1 RHC-verhoor van 29 maart 2018 24. [getuige 1] is niet de enige die ontlastend over cliënt heeft verklaard. Ook [getuige 2] heeft ontlastend verklaard. Zo verklaart hij bij de RHC: “U houdt mij voor dat in dit dossier het hele gebeuren een opdrachtgever kent. U vraagt mij of ik dat ook zo zie. Ja, dat was [betrokkene 1] .” (RHC-verhoor van 29 maart 2018, randnummer 3). 25. En: “Ik heb [verdachte] in café [B] gezien, U vraagt mij hoe dat er uitzag. Hij zat te Playstationen met die jongens daar. Ik was er, [betrokkene 1] was er, [betrokkene 6] was er en [verdachte] was er. Die andere ken ik niet. (...) U vraagt mij of hij dan iedere keer aan het Playstationen, Ja, wat kun je doen in een café. Kaarten, gokken. (...) Ik beschouwde hen als een vriendengroep, U vraagt mij, of als ik daar was, en [betrokkene 1] ook, of [verdachte] daar dan ook was. Af en toe.” (RHC-verhoor 29 maart 2018, randnummer 7). 26. En: U vraagt of ik van [verdachte] ooit een opdracht heb gekregen in het kader van verdovende middelen en pasjes regelen. Nee, dat was [betrokkene 1] . U vraagt mij of, als ik met [betrokkene 1] sprak, [verdachte] zich daar ooit mee heeft bemoeid. Nee, maar soms was hij er wel bij. U vraagt mij of hij inbreng in die gesprekken had. Ik weet het niet meer, maar volgens mij niet (...) U vraagt mij of ik ooit heb bemerkt of [betrokkene 1] opdrachten aan [verdachte] gaf. Geen idee, ik heb het nooit gehoord.” (RHC-verhoor 28 maart 2018, randnummer 8). 1.3 [getuige 3] 1.3.1 RHC-verhoor [getuige 3] van 28 augustus 2018 27. [getuige 3] heeft ook ontlastend over [verdachte] verklaard bij de RHC. “U vraagt mij of ik [verdachte] ken. Ja, wij hebben op een dubbelcel gezeten. Hij kwam ook wel eens in het café. U vraagt mij of ik [betrokkene 1] ken. Ja, die ken ik ook nog wel. Hij kwam ook wel eens in het café. Café [D] . U vraagt mij in welke periode mijn café door [verdachte] werd bezocht. 7 of 6 jaar geleden. Hij bezocht het café af en toe. U vraagt mij met wie hij het café bezocht. Hij kwam alleen of met een paar maatjes. [betrokkene 1] heeft altijd wel wat aanhangels, die met [betrokkene 1] meeliepen.” (RHC-verhoor 28 augustus 2018, randnummer 7). 28. En: “U vraagt mij of [verdachte] vriendschappelijke of zakelijke bijeenkomsten had. Niet zakelijk. [verdachte] had volgens mij niets zakelijks te bespreken.” (RHC-verhoor 28 augustus 2018, randnummer 8). 1.4 Conclusie 29. Op grond van de verklaringen van voornoemde personen moet worden geconcludeerd dat cliënt geen organiserende rol heeft gehad. Hij bemoeide zich niet met besprekingen in café [B] of [D] en gaf geen opdrachten aan medeverdachten. Dit laatste vindt overigens ook steun in het feit dat cliënt blijkens de vele tapgesprekken in dit dossier nooit enige opdracht aan iemand heeft gegeven. 30. Als cliënt al aanwezig was in café [B] of [D] was hij daar om te ontspannen. [verdachte] speelde voetbal op de Playstation of deed een drankje met vrienden, zoals blijkt uit eerdergenoemde verklaringen. [betrokkene 1] maakte onderdeel uit van die vriendenkring. Sterker nog het was zijn jeugdvriend, zoals cliënt ter zitting van 28 september jl. heeft verklaard. Dat maakt het volkomen logisch dat cliënt vaak met hem in een café was. Omgang met een vermeende drugssmokkelaar is echter niet strafbaar.
Volledig
Nu aannemelijk is dat sprake was van een vriendschap, kan elk samenzijn niet worden bestempeld als een overleg over de invoer van verdovende middelen. 31. Dat cliënt wel eens gelijktijdig of samen met [betrokkene 1] in café [B] of [D] was, zegt dan ook niets over de betrokkenheid van cliënt bij strafbare feiten. Gelet op eerdergenoemde verklaringen is het aannemelijk dat hij daar was om te ontspannen met vrienden en niet betrokken was bij enige ‘zakelijke bespreking', althans een zakelijke bespreking over de invoer van verdovende middelen. Cliënt heeft ter zitting van 28 september jl. uitgelegd dat hij wel eens met [betrokkene 1] om de tafel zat, maar dat het dan over andere dingen ging (schulden van [betrokkene 1] ). Dat [betrokkene 1] daar wellicht ook andere 'zakelijke besprekingen' hield, ook als cliënt daar was, doet aan het voorgaande niet af. Het kan heel goed, zoals [getuige 1] heeft verklaard, dat cliënt daarbij niet werd betrokken. Het is aan het openbaar ministerie om het tegendeel te bewijzen. Dat is tot op heden niet gelukt. 32. Cliënt kan dan ook niet zonder meer als hoofdpersoon in dit dossier worden bestempeld. Per feit zal daarom naar zijn rol moeten worden gekeken. Die ten laste gelegde feiten zal ik hierna in chronologische volgorde bespreken.” 4.3 Zoals reeds onder randnummer 2.3 is geciteerd, heeft het hof onder meer als volgt geoordeeld: “Het hof heeft alleen die bewijsmiddelen aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd die [het] betrouwbaar en bruikbaar acht. De keuze van deze bewijsmiddelen is aan de rechter. Het hof verwerpt het verweer dat de politieverklaringen van [getuige 1] niet betrouwbaar en niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Deze verklaringen vinden steun in andere, van [getuige 1] onafhankelijke, bewijsmiddelen.” Eerste klacht: de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt 4.4 In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat het hof de door de verdediging “opgeworpen stelling” “– in het kader van het verweer dat de politieverklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn – dat diens verklaring ten overstaan van de raadsheer-commissaris juist wel wordt ondersteund door ander, onafhankelijk bewijs, zoals de eerdergenoemde verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] ,” ongemotiveerd naast zich heeft neergelegd. Door deze stelling van de verdediging zonder enige motivering terzijde te schuiven en de verklaringen van [getuige 1] , zoals afgelegd bij de politie, voor het bewijs te bezigen, is het oordeel van het hof volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd. Het hof had volgens hem niet alleen moeten motiveren waarom het de politieverklaringen van [getuige 1] betrouwbaar acht, maar ook waarom die politieverklaringen betrouwbaarder zijn dan de door hem bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring. 4.5 Blijkens de hiervoor weergegeven pleitnota heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de betrouwbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaringen van [getuige 1] in feite niet meer aangevoerd dan dat de passage in de politieverhoren van [getuige 1] waarin hij een link legt met de verdachte, te weten: “als hem een tapgesprek wordt voorgehouden waarin hij tegen [betrokkene 3] zegt dat hij niet weet wat hij tegen die […] moet zeggen. Op de vraag wie de […] is: “Hier waren ze gestrest, dus volgens mij liet [betrokkene 1] dit aan een ander over. Volgens mij [verdachte] .” niet betrouwbaar en bruikbaar is voor het bewijs, omdat [getuige 1] even daarvoor juist heeft verklaard: “dat [betrokkene 1] het aan [bijnaam medeverdachte] overliet. “ [betrokkene 1] was volgens mij toen een tijdje weg, dus één van die andere twee. Ik denk [bijnaam medeverdachte] .” en omdat dit bovendien niet logisch is: “ [betrokkene 1] werd door iedereen de […] genoemd, niet cliënt, zo blijkt uit het dossier.” 4.6 Anders dan de steller van het middel, acht ik het oordeel van het hof dat de politieverklaringen van de [getuige 1] betrouwbaar zijn en voor het bewijs mogen worden gebezigd, gelet op dit summiere verweer – dat slechts ziet op een enkele korte verklaring van [getuige 1] – niet ontoereikend gemotiveerd en evenmin onbegrijpelijk. Voor zover wordt geklaagd dat het hof had moeten motiveren waarom het de politieverklaringen betrouwbaarder acht dan de door [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring, merk ik op dat dit het hof zich niet in die zin heeft uitgesproken over de door [getuige 1] afgelegde verklaringen. Het hof heeft immers enkel overwogen dat het alleen die bewijsmiddelen aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd die het betrouwbaar “en bruikbaar” acht. 4.7 Aan het voorgaande kan, gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter en de daarbij aansluitende overweging van het hof dat de keuze van de bewijsmiddelen aan de rechter is, niet afdoen hetgeen de steller van het middel opmerkt over de in hoger beroep door de verdediging “opgeworpen stelling” dat [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring juist wel wordt ondersteund door ander, onafhankelijk bewijs, zoals de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] waaruit blijkt dat de verdachte geen organiserende rol heeft gehad. Het middel faalt in zoverre. 4.8 De steller van het middel klaagt verder dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van [getuige 1] steun vinden in andere bewijsmiddelen onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd, nu daarvan niet blijkt, “zeker niet voor zover [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte één van de personen was die informatie doorgaf aan en/of ontving van [getuige 1] ” . 4.9 De steller van het middel gaat er kennelijk van uit dat het hof met zijn overweging heeft bedoeld te zeggen dat de gehele inhoud van de verklaringen van [getuige 1] steun vindt in andere bewijsmiddelen. Ik meen dat deze lezing geen recht doet aan de overweging van het hof. Het hof heeft met zijn overweging – niet onbegrijpelijk – tot uitdrukking gebracht dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 1] niet onbetrouwbaar zijn, nu deze grotendeels steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het middel kan derhalve ook in zoverre niet slagen. Tweede klacht: onjuiste lezing van de verklaringen van [getuige 1] 4.10 De toelichting op het middel houdt voorts in dat, anders dan het hof kennelijk meent, uit de verklaringen van [getuige 1] niet volgt dat hij “er blijk van zou hebben gegeven dat [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte inwisselbare rollen hebben gehad naar hem ( [getuige 1] ) toe.” “Het hof heeft de verklaringen van [getuige 1] kennelijk zo gelezen dat hieruit volgt dat [getuige 1] met alle drie sprak, maar dan telkens een ander, en dat om die reden sprake is van inwisselbare rollen.” “De verdediging heeft er juist op gewezen dat in de politieverklaringen van [getuige 1] in het midden blijft met wie [getuige 1] sprak, doordat hij aldaar heeft verklaard dat hij telkens met één van de drie sprak.” Het oordeel van het hof is volgens de steller van het middel op dit punt onvoldoende gemotiveerd. De steller van het middel merkt daarbij op dat de verklaringen van [getuige 1] die zijn opgenomen in de bewijsmiddelen, door het hof zijn gedenatureerd. 4.11 Het hof heeft overwogen dat [getuige 1] er op diverse momenten blijk van geeft dat naar hem toe [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] , [bijnaam betrokkene 1] ), [medeverdachte] ( [bijnaam medeverdachte] ) en de verdachte ( [verdachte] ) inwisselbare rollen hebben. De steller van het middel merkt terecht op dat uit de verklaringen van [getuige 1] niet blijkt “dat [getuige 1] met alle drie sprak, maar dan telkens een ander, en dat er om die reden sprake is van inwisselbare rollen”. Anders dan de steller van het middel, begrijp ik dat het hof de inwisselbaarheid van de rollen heeft afgeleid uit (i) de omstandigheid dat [getuige 1] in café [B] wordt aangesproken door “de drie”, met de vraag of hij ze met de koelie ( [betrokkene 3] ) in contact kon brengen.
Volledig
[betrokkene 3] gaat vervolgens met [getuige 1] mee naar [a-straat] , waar zij “die drie” weer spreken, (ii) de omstandigheid dat in de auto van [getuige 1] papieren zijn aangetroffen die hij van [betrokkene 3] had gekregen en moest doorgeven aan één van de drie en (iii) de omstandigheid dat wanneer de zaak van 30 juni 2013 op [tv-zender] bekend is geworden, [getuige 1] [betrokkene 1] belt en later over dit getapte gesprek verklaart dat [betrokkene 1] zegt dat 'mattie' bij hem was en dat [getuige 1] denkt dat met 'mattie' [verdachte] of die andere bedoeld wordt, omdat ze altijd met zijn drieën zijn. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag en faalt daarom ook in zoverre. 4.12 Hoewel daarover niet wordt geklaagd, merk ik ten overvloede op dat het oordeel van het hof dat gelet op de genoemde omstandigheden “de drie” inwisselbare rollen hebben, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. 4.13 De steller van het middel wijst erop dat meerdere verklaringen van [getuige 1] die door het hof als bewijsmiddel zijn gebezigd, door het hof zijn gedenatureerd nu uit de oorspronkelijke verklaringen zoals deze blijken uit het politiedossier, niet kan worden afgeleid dat [getuige 1] met de verdachte heeft gesproken. Wat daar ook van zij, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan wel volgen dat, zoals het hof heeft overwogen, de verdachte “een van de drie mannen” was van wie [getuige 1] telkens informatie kreeg om door te geven aan de chauffeur . Dat [getuige 1] niet zou weten met wie hij sprak en dat hij niet precies wist wat de taak was van de verdachte zoals hij – volgens de steller van het middel – daadwerkelijk heeft verklaard en welke verklaringen het hof – wederom volgens de steller van het middel – ten onrechte zou hebben weggelaten uit de gebezigde bewijsmiddelen, maakt dat niet anders, omdat het hof nergens heeft vastgesteld, noch voor het bewijs van belang heeft geacht dat de verdachte daadwerkelijk met [getuige 1] heeft gesproken, maar slechts heeft overwogen dat en waarom sprake was van inwisselbare rollen van “de drie”. 4.14 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 5 Het derde middel 5.1 Het middel bevat de klacht dat “(h)et hof ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten (heeft) bewezen verklaard dat sprake is van medeplegen door de verdachte en daar onder andere aan ten grondslag gelegd dat het de verdachte zou zijn die samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte] de personen heeft aangestuurd die ‘werk’ uit de containers op het haventerrein haalden. Dit aansturen kan echter niet volgen uit de motivering van het hof. Het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende gemotiveerd.” 5.2 Het hof heeft geoordeeld dat “in ieder geval in de periode van 23 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 een beproefde werkwijze functioneerde om 'werk', dat wil zeggen verdovende middelen, uit een container op het haventerrein te halen en dat de personen die dit uitvoerden door [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte aangestuurd werden”. Het hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd: (i) dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de verdachte kent en dat de verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] en [medeverdachte] heeft gekend in de relevante periode, (ii) dat [betrokkene 1] op 11 april 2013 reeds een goede werkwijze heeft om “werk” uit een container op het haventerrein te halen en buiten het haventerrein te brengen en dat hierbij meerdere personen betrokken zijn, (iii) dat de verdachte betrokken is bij een gebeurtenis waarbij een controle plaatsvindt, een busje door een slagboom rijdt en de douane en later een arrestatieteam komen, (iv) dat [betrokkene 2] jegens de verdachte de professionele kwaliteiten van de betrokken uithalers in twijfel trekt en hem adviseert een andere uithaler te sturen en dat de verdachte zegt dat “wij” sowieso daarheen komen, (v) dat [betrokkene 1] een vorm van actieve betrokkenheid heeft bij de feiten waarover gesproken wordt en (vi) dat – en waaruit blijkt dat – [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte inwisselbare rollen hebben (zie hiervoor onder randnr. 4.11). 5.3 Ik acht het oordeel van het hof dat de personen die verdovende middelen uit een container op het haventerrein haalden door [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte aangestuurd werden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan kan, anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, niet afdoen dat het hof – onder het kopje “Medeplegen” en onder het tussenkopje “Achtervang buiten het haventerrein tijdens uithalen” (zie randnr. 2.3) – niet heeft gemotiveerd welke betekenis dient te worden toegekend aan de door [betrokkene 1] aan de verdachte toegeschreven gedragingen “heeft opgehaald”, “de overgebleven helft opgehaald” en “op de lijst schrijven”. Het hof heeft hiermee – ook zonder nadere motivering – kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat de verdachte betrokken was bij het uithalen van verdovende middelen op het haventerrein. Datzelfde geldt voor de betekenis van de door de verdachte gebezigde woorden “Broer je kan gewoon gaan hoor… Wij komen sowieso daarheen” (onder het kopje “Medeplegen” (zie randnr. 2.3). Aan het oordeel van het hof kan voorts evenmin afdoen dat het hof niet heeft gemotiveerd dat de opmerking van [betrokkene 2] over beweerdelijke uithalers dient te worden opgevat als een advies aan de verdachte om een andere uithaler te sturen. Het advies wordt immers gegeven in een OVC-gesprek waaraan [betrokkene 1] en de verdachte, zijnde twee personen van het driemanschap waarvan volgens het hof de rollen inwisselbaar zijn, deelnemen. Daaraan kan ten slotte evenmin afdoen dat de gedragingen van de verdachte eenmalig zouden hebben plaatsgevonden en dat uit een “eenmalige gedraging (…) niet een aansturende rol in zijn algemeenheid (kan) worden afgeleid” , reeds omdat de steller van het middel wijst op gedragingen die op verschillende momenten hebben plaatsgevonden en er derhalve (ook) in zijn ogen geen sprake is van een eenmalige gedraging. 5.4 Het middel faalt. 6 Het vierde, vijfde, zesde, zevende en het achtste middel 6.1 In het vierde tot en met het achtste middel wordt telkens ten aanzien van één van de vijf bewezen verklaarde feiten geklaagd dat “niet is gebleken van categorieën aan handelingen die kunnen bijdragen aan de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten”, waardoor het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd. In deze middelen wordt daarnaast telkens geklaagd dat, voor zover van voornoemde handelingen wel is gebleken, deze niet van dusdanig gewicht zijn dat van medeplegen kan worden gesproken, ook niet als daarnaast van andere sturende handelingen is gebleken, en dat het oordeel van het hof in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 6.2 Ik stel het volgende voorop. In de (overzichts)arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. N. Rozemond heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft hiervoor geen algemene regels gegeven, maar tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaft door het formuleren van aandachtspunten.
Volledig
De rechter kan bij de vorming van zijn oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal, wil medeplegen van een delict niettemin kunnen worden aangenomen, moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, dan dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling hoeft het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan. Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen. 6.3 Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof bij zijn oordeel dat de verdachte de verschillende feiten telkens heeft medegepleegd, de verschillende gedragingen die de verdachte bij de onderscheiden feiten heeft verricht tezamen heeft beschouwd. Dat blijkt eveneens uit hetgeen het hof onder het kopje “Opzet en schakelbewijs” heeft overwogen, te weten: “De wijze waarop de onderscheiden feiten zijn begaan komt telkens op essentiële punten overeen, zoals blijkt uit de hieraan voorafgaande overwegingen inzake medeplegen en de gebezigde bewijsmiddelen.” Het hof heeft derhalve niet alleen ten aanzien van zijn (reeds bij het eerste cassatiemiddel besproken) oordeel dat de voorbereidingshandelingen telkens waren gericht op de invoer van cocaïne gebruikgemaakt van schakelbewijs, maar eveneens bij zijn oordeel dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft medegepleegd. Voor zover in de (toelichting op de) middelen telkens geklaagd wordt dat de te onderscheiden (resterende) gedragingen van de verdachte per feit ontoereikend zijn om het oordeel dat hij dat feit heeft medegepleegd te kunnen dragen, wordt derhalve uitgegaan van een onjuiste lezing van de bewijsvoering van het hof en falen de daarop gebaseerde klachten. Wel ga ik hieronder in op een aantal deelklachten die in de toelichting op de middelen zijn voorgesteld, nu deze gericht zijn op de onderbouwing van het oordeel van het hof dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft medegepleegd. 6.4 In de cassatiemiddelen wordt niet geklaagd dat de hiervoor besproken werkwijze van het hof waarbij het bij zijn oordeel dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft medegepleegd gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, niet door de cassatiebeugel kan. Ik merk daarom slechts ten overvloede op dat ik deze werkwijze niet onbegrijpelijk vind en dat deze werkwijze evenmin van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. 6.5 In de toelichting op het vierde middel wordt allereerst geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte informatie heeft doorgegeven aan [getuige 1] niet blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, dan wel dat [getuige 1] verklaringen onbetrouwbaar zijn, dan wel dat deze verklaringen geen steun vinden in tap- en OVC-gesprekken zoals door het hof is overwogen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan inderdaad niet volgen dat het de verdachte was die informatie heeft doorgegeven aan [getuige 1] . Maar dát is ook niet wat het hof heeft overwogen. Het hof heeft slechts overwogen (i) dat [getuige 1] de verdachte aanwijst als “een van de drie mannen” van wie hij telkens informatie kreeg om door te geven aan de chauffeur en (ii) dat en waarom sprake was van inwisselbare rollen van “de drie”, waarmee het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte behoorde tot de groep van drie personen die telkens informatie doorgaf aan [getuige 1] . Deze overwegingen vinden wel steun in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het middel faalt in zoverre. 6.6 In de toelichting op het vierde middel wordt voorts geklaagd dat de overweging van het hof dat de verdachte op 29 juni 2013 wordt gebeld “met het verzoek de weg uit te leggen aan iemand die er vanavond in gaat voor de andere kant en die de weg niet kent” niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Daarover wordt terecht geklaagd. Uit het daarop betrekking hebbende telefoongesprek blijkt slechts dat [getuige 2] [betrokkene 6] heeft gebeld met dit verzoek en dat, nadat de verdachte aan de telefoon komt, [getuige 2] aan de verdachte vraagt of de “oudere broer” de weg kan uitleggen. Ik meen dat ik hieraan voorbij kan omdat deze klacht het bewezen verklaarde medeplegen niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd maakt. 6.7 In de toelichting op het vierde middel wordt verder geklaagd dat het hof de alternatieve verklaring van de verdachte voor zijn opmerking tijdens een telefoongesprek op 29 juni 2013 dat hij “ons personeel” gaat wegbrengen, inhoudende dat hij koeriers van de zaak (café [B] ) ging wegbrengen, zonder nadere motivering terzijde heeft geschoven, terwijl die verklaring volgens de steller van het middel op voorhand niet onaannemelijk is, althans niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Eenzelfde klacht betreft de overweging van het hof dat de verdachte op 30 juni 2013 om 00.45u samen met [medeverdachte] wordt gecontroleerd op [b-straat] waarbij in het voertuig vijf doosjes van Nokia telefoons worden aangetroffen, waarover de verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] heeft weggebracht, omdat het rijbewijs van [medeverdachte] was ingevorderd, dat [medeverdachte] deze auto had geleend van een vriend en dat de aangetroffen telefoondoosjes niet van hem waren. In de toelichting op het vierde middel wordt bovendien nog geklaagd dat het hof de alternatieve verklaring van de verdachte over de door hem op verzoek van [betrokkene 1] gekochte oranje hesjes, inhoudende dat hij dacht dat deze bestemd waren voor de koeriers van café [B] en dat hij niet wist waarom het per sé oranje hesjes moesten zijn, zonder nadere motivering terzijde heeft geschoven, terwijl die verklaring op voorhand niet onaannemelijk is, althans niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Het hof heeft al deze ‘alternatieve verklaringen’ kennelijk niet geloofwaardig geacht. Dat oordeel acht ik ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Het middel faalt in zoverre. 6.8 In de toelichting op het vierde middel wordt voort nog geklaagd dat de eigen perceptie van de verdachte dat wordt gehandeld in teamverband nog niet maakt dat daadwerkelijk is gehandeld in teamverband. Op deze stelling valt weinig af te dingen. Punt is alleen dat het hof nergens heeft geoordeeld dat die eigen perceptie van de verdachte maakt dat is gehandeld in teamverband. Het hof heeft de “eigen perceptie van de verdachte dat gehandeld wordt in teamverband” immers aangemerkt als (slechts) één van de door de verdachte verrichte “categorieën aan handelingen” die hebben bijgedragen aan het oordeel dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft medegepleegd.
Volledig
Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag en faalt derhalve ook in zoverre. 6.9 In de toelichting op het zesde middel wordt allereerst geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte op 5 juni 2013 omstreeks 21.30 – 22.00u aanwezig was bij een bijeenkomst in [B] in [plaats] waarbij ook [betrokkene 1] , [getuige 1] , [betrokkene 3] en [medeverdachte] aanwezig waren, ontoereikend is gemotiveerd, omdat de omstandigheid dat de verdachte op dat moment in café [B] was niet wil zeggen dat hij aan de aldaar gehouden bijeenkomst heeft deelgenomen, zoals ook door de verdachte is verklaard, terwijl de verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte vaker naar café [B] kwam om te ontspannen met vrienden en dat dit wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Het kennelijke oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte en het verweer van de verdediging niet geloofwaardig dan wel aannemelijk is, acht ik ook zonder nadere motivering toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre. 6.10 In de toelichting op het zesde middel wordt verder geklaagd dat het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de telefoon van de verdachte zich (op 7 juni 2013) tussen 03.27u en 04.07 in het havengebied bevond, “bijdraagt aan de nauwe en bewuste samenwerking die voor het bewijs van medeplegen is vereist”, niet zonder meer “volgt”, omdat “het rondrijden om de omgeving in de gaten te houden is aan te merken als het klassieke op de uitkijk staan”. In de toelichting op het zesde middel wordt ten slotte geklaagd dat de omstandigheid dat de verdachte vanuit café [B] in de nacht van 5 op 6 juni 2013 een persoon naar [plaats] gebracht om daar een Volkswagen Caddy op te halen – die, naar later bleek – werd gebruikt voor het ten laste gelegde feit, hooguit medeplichtigheid oplevert, maar geen medeplegen. Het middel faalt ook in zoverre, omdat voor beide klachten geldt dat daarbij (kennelijk) wordt uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat als een gedraging op zichzelf is aan te merken als een medeplichtigheidsgedraging, een dergelijke gedraging niet kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van “een nauwe en bewuste samenwerking”. 6.11 Eenzelfde lot treft ook de in de toelichting op het zevende middel geformuleerde klacht dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de opmerking van de verdachte tegen [betrokkene 1] tijdens een telefoongesprek waarbij zij een uithaalactie van de dag daarvoor evalueren inhoudende: “Wat is die leeg, misschien zit er een zender in”, bijdraagt aan het bewijs van medeplegen, nu deze ‘evaluatie’ is gedaan na en mogelijk betrekking heeft op een mislukte uithaalpoging. 6.12 De steller van de middelen meent dat, wat er ook zij van de voorgaande klachten, de door de verdachte verrichte (categorieën aan) handelingen überhaupt niet van voldoende gewicht zijn dat van medeplegen kan worden gesproken. Daartoe stelt hij dat als de gedragingen die de verdachte per feit heeft verricht in samenhang worden bezien met de gedragingen ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten, deze nog geen medeplegen opleveren, omdat niet is gebleken dat de verdachte organiserende of aansturende gedragingen heeft verricht, maar juist telkens door anderen werd opgedragen bepaalde gedragingen te verrichten, waarbij niet blijkt van een vastomlijnde samenwerking, omdat het telkens “ weer andere gedragingen” zijn en het aantal gedragingen per feit ook verschilt. Het hof heeft volgens hem onder deze omstandigheden niet tot het oordeel kunnen komen dat sprake is geweest van een intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan de ten laste gelegde feiten. Daarvoor moet de verdachte volgens de steller van het middel zelf een organiserende of aansturende rol hebben gehad (intellectuele bijdrage) of daadwerkelijk gedragingen hebben verricht waarmee de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht (materiële bijdrage). Bij dit laatste (de materiële bijdrage) valt volgens hem “enkel te denken aan gedragingen die daadwerkelijk maken dat verdovende middelen binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht. Zoals het betreden van het haventerrein met als doel om verdovende middelen uit containers te halen en deze van het haventerrein te vervoeren”. 6.13 Het hof heeft geoordeeld dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan en dat de bijdrage van de verdachte aan alle bewezen verklaarde feiten van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Het hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat in ieder geval in de periode van 23 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 “(…) een beproefde werkwijze (functioneerde)” om verdovende middelen uit een container op het haventerrein te halen. De personen die dit uitvoerden werden door [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte aangestuurd.
Volledig
De verdachte heeft in dit verband de volgende categorieën aan handelingen verricht: (i) doorgeven informatie – de verdachte is één van de drie mannen van wie [getuige 1] telkens informatie kreeg om door te geven aan de chauffeur die de uithalers op het haventerrein bracht en de container met drugs naar buiten reed, de verdachte evalueerde op 25 mei 2013 met [betrokkene 1] de actie van de dag ervoor en zei tegen [betrokkene 1] dat een container leeg is en er wellicht een zender in zit, de verdachte was op 5 juni 2013 omstreeks 21.30 – 22.00u aanwezig bij een bijeenkomst in [B] in [plaats] waarbij ook [betrokkene 1] , [getuige 1] , [betrokkene 3] en [medeverdachte] aanwezig waren en de verdachte reed in de nacht van 6 juni 2013 naar [plaats] om aldaar een Volkswagen Caddy op te halen die in de daaropvolgende nacht gebruikt is bij het betreden van het [C] terrein; (ii) achtervang buiten het haventerrein tijdens het uithalen – de verdachte heeft, nadat alles misging als gevolg van optreden van de douane, “op de lijst geschreven” en “de overgebleven helft opgehaald”, hij bevond zich op 7 juni 2013 tussen 03.27 en 04.07u in het havengebied, op 29 juni 2013 werd de verdachte gebeld met het verzoek de weg uit te leggen aan iemand “die er vanavond in gaat voor de andere kant en die de weg niet kent” en op diezelfde dag verklaarde de verdachte dat hij “ons personeel” gaat “wegbrengen en afzetten”, op 30 juni 2013 om 00.45u werd de verdachte samen met [medeverdachte] gecontroleerd op [b-straat] waarbij in het voertuig vijf doosjes van Nokia telefoons werden aangetroffen, op 30 juni 2013 rond 7.30u bevond de verdachte zich in, dan wel zeer nabij “de zone van verhoogde opsporingsactiviteit” en had hij contact met [betrokkene 1] over onder meer de uithalers die de klos zijn, dat iedereen achter hen aanzit en een auto die de kant van de douane oprijdt, dat er twee douanes en een politiebusje rijden, maar dat geen snelle auto achter hen aanrijdt; (iii) Verzorging bedrijfsmiddelen – de verdachte is in de nacht van 5 op 6 juni 2013 naar [plaats] gereden om aldaar een Volkswagen Caddy op te halen die in de daaropvolgende nacht is gebruikt bij het betreden van het [C] terrein, op 9 juni 2013 vroeg [betrokkene 1] aan de verdachte om naar de telefoons (één op één telefoons die tijdens het uithalen worden gebruikt) te gaan, over de telefoons werd die avond en nacht vaker gebeld tussen [betrokkene 1] en de verdachte, [betrokkene 1] vroeg de verdachte verder een trekkabel te halen en twee jerrycans met benzine, zodat zij niet een benzinestation op hoefden gaan met al die camera’s, op 29 juni 2013 vroeg [betrokkene 1] aan de verdachte oranje hesjes te kopen, welke die nacht daadwerkelijk zijn gedragen door uithalers, op 30 juni 2013 om 00.45u werd de verdachte samen met [medeverdachte] gecontroleerd op [b-straat] waarbij in het voertuig vijf doosjes van Nokia telefoons werden aangetroffen, terwijl in de later aangehouden Seat Leon een Nokia telefoon lag waarvan het imei-nummer overeenstemt met het imei-nummer vermeld op een van die telefoondoosjes; (iv) eigen perceptie van de verdachte dat gehandeld wordt in teamverband – op 6 juni 2013 belde de verdachte [betrokkene 1] en vroeg hem: “Het is tijd, waar ga je naartoe?”, waarop [betrokkene 1] vroeg: “Wat voor tijd is het man?”, waarop de verdachte antwoordde: “Tijd van de onzen”, waarna het gesprek erover ging dat [bijnaam medeverdachte] nog niet is gekomen en de telefoon heeft en niet [betrokkene 1] , waarop de verdachte het gesprek afsloot met “ok dan”, dat de verdachte nadat op 7 juni 2013 een doorzoeking heeft plaatsgevonden waarbij geen verdovende middelen zijn aangetroffen, is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet, verhoord en weer in vrijheid is gesteld, dat hij op 8 juni 2013 tegen [betrokkene 1] zei: “wij zijn er zonder kleerscheuren vanaf gekomen” en dat het gesprek van 29 juni 2013 tussen de verdachte en [betrokkene 1] , waarin de verdachte aan [betrokkene 1] meedeelde dat hij “ons personeel” gaat wegbrengen en afzetten ook getuigt van het handelen als team. 6.14 Het oordeel van het hof dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan en dat de bijdrage van de verdachte aan alle bewezen verklaarde feiten van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen, acht ik gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals onder randnummer 6.6 reeds is besproken, de overweging van het hof dat de verdachte op 29 juni 2013 is gebeld “met het verzoek de weg uit te leggen aan iemand die er vanavond in gaat voor de andere kant en die de weg niet kent” niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Voor zover aan de middelen ten grondslag is gelegd dat niet is gebleken dat de verdachte organiserende of aansturende gedragingen heeft verricht maar juist telkens door anderen wordt opgedragen bepaalde gedragingen te verrichten, merk ik op dat, zoals reeds in het derde cassatiemiddel is besproken, het hof zijn oordeel dat de personen die verdovende middelen uit een container op het haventerrein haalden door [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte aangestuurd werden, niet onbegrijpelijk en toereikend heeft gemotiveerd. Voor zover aan de middelen ten grondslag is gelegd dat niet blijkt van een vastomlijnde samenwerking omdat “het telkens weer andere gedragingen zijn” en het aantal gedragingen per feit verschilt, meen ik dat, zoals ik reeds bij de bespreking van het eerste cassatiemiddel onder randnummer 3.5 heb besproken, deze grondslag eveneens geen kracht heeft, nu het oordeel van het hof dat en waaruit blijkt dat de wijze waarop de feiten zijn begaan telkens op essentiële punten overeenkomt, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. 6.15 De middelen falen. 7 Slotsom 7.1 Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. 7.2 Ambtshalve merk ik op dat de uitspraaktermijn in cassatie van vierentwintig maanden is overschreden op 3 november 2025. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 7.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De formele kwalificatie luidt voor feit 1 primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en voor de feiten 2, 3, 4 en 5 telkens “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen” , Voetnoot hof: “Een geschrift, houdende een transcriptie van een OVC-gesprek van 25 mei 2013 te 22:10 uur blz. 450 en 451.” Voetnoot hof: “Zaaksproces-verbaal 5-7 juni 2013 blz. 2 en 19.” Vgl. onder meer HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.4. en HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303, rov. 3.8. Vgl. HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 6.3.2. Dat leid ik af uit HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1907 (HR: art. 81.1 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Paridaens onder randnr. 32. Dat leid ik af uit HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1907 (HR: art. 81.1 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Paridaens onder de randnrs. 7 en 8, alsmede uit de in de volgende voetnoot vermelde arresten en conclusies. Vgl. HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3249, rov. 3.3 en 3.4 waarin het oordeel van het hof dat aangetroffen pillen amfetamine en/of MDMA en/of N-ethylMDMA bevatten toereikend was gemotiveerd, HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8808 (HR: art.