Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-13
ECLI:NL:PHR:2026:254
Civiel recht; Personen- en familierecht
11,656 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:254 text/xml public 2026-05-30T00:01:17 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-13 25/02207 Conclusie NL Civiel recht; Personen- en familierecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:807 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:254 text/html public 2026-03-19T10:00:55 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:254 Parket bij de Hoge Raad , 13-03-2026 / 25/02207 Wvggz. Zorgmachtiging (art. 6:4 Wvggz). Weigering bijstand advocaat. Voorwaarden voor aannemen van afstand van recht op rechtsbijstand volgens vaste rechtspraak Hoge Raad. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02207 Zitting 13 maart 2026 CONCLUSIE L.M. Coenraad In de zaak [betrokkene] , hierna: betrokkene, advocaat: mr. R.P. Streng, tegen de officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland, hierna: de officier van justitie. 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene tijdens de zitting te kennen heeft gegeven niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan en zelf zijn verdediging te willen voeren. De rechtbank heeft daarbij, kort gezegd, geoordeeld dat betrokkene zijn wil tot afstand “van de advocaat” in vrijheid heeft kunnen bepalen. De rechtbank heeft de verzochte zorgmachtiging verleend. 1.2 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter, indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de aan hem toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst en dient hij in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken. Mijns inziens klaagt het middel met succes, kort gezegd, dat de rechtbank niet (afdoende) uitvoering heeft gegeven aan haar uit deze rechtspraak voortvloeiende onderzoeks- en motiveringsplicht. 2 Feiten en procesverloop 2.1 Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen (hierna: de rechtbank) ingekomen op 7 maart 2025, heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. 2.2 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 maart 2025. Daarbij zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, de verpleegkundig specialist/zorgverantwoordelijke en de mentor van betrokkene. 2.3 In het proces-verbaal dat van de mondelinge behandeling is opgemaakt, is, voor zover in cassatie relevant, het volgende vermeld: “ Betrokkene: U vraagt mijn advocaat of zij nog vragen heeft. Ik wil zelf mijn verdediging voeren. U geeft mij aan dat mijn advocaat kennis van zaken heeft en de wet kent. (…) U wijst mij erop dat deze advocaat mij eerder bijstond en verstand van zaken heeft. U geeft aan dat het verstandig zou zijn dat de advocaat vragen kan stellen en een standpunt kan innemen. (…) U vraagt mij of ik afstand doe van mijn advocaat. Ik zou mijn adviseur moeten raadplegen, die is er niet. U vraagt mij nogmaals of mijn advocaat niets hoeft te zeggen. U geeft aan dat wij het vandaag moeten doen met de mensen die hier zijn en dat u met de informatie uit het dossier een beslissing moet nemen. (…) U vraagt mij mr. De Groot de kans te geven toe te lichten wat zij wil zeggen. Dat wil ik niet. Advocaat mr. De Groot Dit gebeurt voor het eerst. Betrokkene: Waarom wordt het altijd doorgedrukt, leg mij dat eens uit. U geeft aan dat u denkt dat het in mijn belang is, maar dat u mijn advocaat niet kan verplichten wat te zeggen als ik zeg dat ik dat per se niet wil. U geeft aan dat u wel een beslissing gaat nemen. U zegt dat u de advocaat toch nog even aankijkt. Dit is net als de deur inbeuken thuis.” 2.4 Bij mondelinge uitspraak van 17 maart 2025, schriftelijk uitgewerkt op 24 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend tot en met 17 maart 2026. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: “4.1. Betrokkene wordt op de zitting bijgestaan door zijn (stam)advocaat mr. A.M.G. de Groot. Betrokkene geeft tijdens de zitting te kennen niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan en zelf zijn verdediging te willen voeren. De advocaat is verrast en is hiervan niet op de hoogte, terwijl de advocaat het verzoek wel heeft voorbesproken met betrokkene. De rechtbank wijst betrokkene tijdens de mondelinge behandeling erop dat mr. De Groot betrokkene eerder heeft bijgestaan en kennis van zaken heeft. De rechtbank heeft betrokkene meermaals gevraagd of hij toch niet bijgestaan wil worden door mr. De Groot. Betrokkene gaf hierop duidelijk aan dit niet te willen. De rechtbank oordeelt dat de betrokkene zijn wil tot afstand van de advocaat in vrijheid heeft kunnen bepalen en dat hij zich realiseert dat het gevolg is dat hij geen juridische bijstand krijgt tijdens de zitting. De rechtbank heeft deze wil ondubbelzinnig vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in dit geval in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.” 2.5 Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het middel is, naar ik begrijp, in het bijzonder gericht tegen r.o. 4.1. van de bestreden beschikking (hiervoor onder 2.4 geciteerd). Het voert in de kern aan dat de rechtbank niet (kenbaar) heeft onderzocht of betrokkene rechtsbijstand van een andere advocaat wenste. Dat betrokkene heeft verklaard zelf zijn verdediging te willen voeren, kan het oordeel dat hij in vrijheid en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand niet dragen, omdat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling geen blijk geeft van enig besef bij betrokkene dat toevoeging van een andere advocaat tot de mogelijkheden behoort, aldus het middel. Het middel werkt dat betoog in twee onderdelen uit. Onderdeel 1 bestaat uit vier subonderdelen. Onderdeel 1 3.2 Subonderdeel 1.a klaagt kort gezegd dat de bestreden beschikking getuigt van een onjuiste rechtstoepassing, nu daaruit op geen enkele wijze blijkt of de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de vraag of betrokkene een andere advocaat wenste. 3.3 Subonderdeel 1.b is voorgesteld voor zover de rechtbank met de door haar in r.o. 4.1. samengevatte verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wilde voeren, tot uitdrukking heeft willen brengen dat die verklaring als resultaat van het onder subonderdeel 1.a bedoelde onderzoek kan worden opgevat. Het subonderdeel klaagt dat dan uit de mondelinge behandeling en uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Zonder nadere motivering is dan ook onbegrijpelijk hoe de rechtbank tot dit oordeel (naar ik begrijp: tot het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand) is gekomen, aldus het subonderdeel. Het voert daarbij aan dat de rechtbank het aannemen van een ondubbelzinnige en in vrijheid bepaalde wil uitvoeriger diende te motiveren, met name door er in de beschikking blijk van te geven dat tevens toevoeging van een andere advocaat als mogelijkheid is voorgesteld en te vermelden of, en zo ja, wat betrokkene daarop heeft geantwoord. 3.4 Subonderdeel 1.c gaat uit van de lezing dat de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat hij elke bijstand van een advocaat weigerde. In dat geval blijkt volgens het subonderdeel uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat is voldaan aan de voorwaarden om afstand van het recht op rechtsbijstand te kunnen aannemen, zoals bepaald door de Hoge Raad. Het verklaarde ter zitting geeft aanleiding tot de conclusie dat de wil om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand niet ondubbelzinnig kon worden aangenomen en er in dat kader reden was tot rechterlijke terughoudendheid. Het subonderdeel wijst er daarbij op dat betrokkene op de vraag van de rechtbank of hij afstand deed van “zijn” advocaat heeft aangegeven dat hij zijn adviseur daarover moest (lees: wilde) raadplegen maar dat deze niet op de hoorzitting aanwezig was.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:254 text/xml public 2026-05-30T00:01:17 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-13 25/02207 Conclusie NL Civiel recht; Personen- en familierecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:807 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:254 text/html public 2026-03-19T10:00:55 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:254 Parket bij de Hoge Raad , 13-03-2026 / 25/02207 Wvggz. Zorgmachtiging (art. 6:4 Wvggz). Weigering bijstand advocaat. Voorwaarden voor aannemen van afstand van recht op rechtsbijstand volgens vaste rechtspraak Hoge Raad. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02207 Zitting 13 maart 2026 CONCLUSIE L.M. Coenraad In de zaak [betrokkene] , hierna: betrokkene, advocaat: mr. R.P. Streng, tegen de officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland, hierna: de officier van justitie. 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene tijdens de zitting te kennen heeft gegeven niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan en zelf zijn verdediging te willen voeren. De rechtbank heeft daarbij, kort gezegd, geoordeeld dat betrokkene zijn wil tot afstand “van de advocaat” in vrijheid heeft kunnen bepalen. De rechtbank heeft de verzochte zorgmachtiging verleend. 1.2 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter, indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de aan hem toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst en dient hij in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken. Mijns inziens klaagt het middel met succes, kort gezegd, dat de rechtbank niet (afdoende) uitvoering heeft gegeven aan haar uit deze rechtspraak voortvloeiende onderzoeks- en motiveringsplicht. 2 Feiten en procesverloop 2.1 Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen (hierna: de rechtbank) ingekomen op 7 maart 2025, heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. 2.2 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 maart 2025. Daarbij zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, de verpleegkundig specialist/zorgverantwoordelijke en de mentor van betrokkene. 2.3 In het proces-verbaal dat van de mondelinge behandeling is opgemaakt, is, voor zover in cassatie relevant, het volgende vermeld: “ Betrokkene: U vraagt mijn advocaat of zij nog vragen heeft. Ik wil zelf mijn verdediging voeren. U geeft mij aan dat mijn advocaat kennis van zaken heeft en de wet kent. (…) U wijst mij erop dat deze advocaat mij eerder bijstond en verstand van zaken heeft. U geeft aan dat het verstandig zou zijn dat de advocaat vragen kan stellen en een standpunt kan innemen. (…) U vraagt mij of ik afstand doe van mijn advocaat. Ik zou mijn adviseur moeten raadplegen, die is er niet. U vraagt mij nogmaals of mijn advocaat niets hoeft te zeggen. U geeft aan dat wij het vandaag moeten doen met de mensen die hier zijn en dat u met de informatie uit het dossier een beslissing moet nemen. (…) U vraagt mij mr. De Groot de kans te geven toe te lichten wat zij wil zeggen. Dat wil ik niet. Advocaat mr. De Groot Dit gebeurt voor het eerst. Betrokkene: Waarom wordt het altijd doorgedrukt, leg mij dat eens uit. U geeft aan dat u denkt dat het in mijn belang is, maar dat u mijn advocaat niet kan verplichten wat te zeggen als ik zeg dat ik dat per se niet wil. U geeft aan dat u wel een beslissing gaat nemen. U zegt dat u de advocaat toch nog even aankijkt. Dit is net als de deur inbeuken thuis.” 2.4 Bij mondelinge uitspraak van 17 maart 2025, schriftelijk uitgewerkt op 24 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend tot en met 17 maart 2026. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen: “4.1. Betrokkene wordt op de zitting bijgestaan door zijn (stam)advocaat mr. A.M.G. de Groot. Betrokkene geeft tijdens de zitting te kennen niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan en zelf zijn verdediging te willen voeren. De advocaat is verrast en is hiervan niet op de hoogte, terwijl de advocaat het verzoek wel heeft voorbesproken met betrokkene. De rechtbank wijst betrokkene tijdens de mondelinge behandeling erop dat mr. De Groot betrokkene eerder heeft bijgestaan en kennis van zaken heeft. De rechtbank heeft betrokkene meermaals gevraagd of hij toch niet bijgestaan wil worden door mr. De Groot. Betrokkene gaf hierop duidelijk aan dit niet te willen. De rechtbank oordeelt dat de betrokkene zijn wil tot afstand van de advocaat in vrijheid heeft kunnen bepalen en dat hij zich realiseert dat het gevolg is dat hij geen juridische bijstand krijgt tijdens de zitting. De rechtbank heeft deze wil ondubbelzinnig vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in dit geval in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.” 2.5 Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het middel is, naar ik begrijp, in het bijzonder gericht tegen r.o. 4.1. van de bestreden beschikking (hiervoor onder 2.4 geciteerd). Het voert in de kern aan dat de rechtbank niet (kenbaar) heeft onderzocht of betrokkene rechtsbijstand van een andere advocaat wenste. Dat betrokkene heeft verklaard zelf zijn verdediging te willen voeren, kan het oordeel dat hij in vrijheid en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand niet dragen, omdat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling geen blijk geeft van enig besef bij betrokkene dat toevoeging van een andere advocaat tot de mogelijkheden behoort, aldus het middel. Het middel werkt dat betoog in twee onderdelen uit. Onderdeel 1 bestaat uit vier subonderdelen. Onderdeel 1 3.2 Subonderdeel 1.a klaagt kort gezegd dat de bestreden beschikking getuigt van een onjuiste rechtstoepassing, nu daaruit op geen enkele wijze blijkt of de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de vraag of betrokkene een andere advocaat wenste. 3.3 Subonderdeel 1.b is voorgesteld voor zover de rechtbank met de door haar in r.o. 4.1. samengevatte verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wilde voeren, tot uitdrukking heeft willen brengen dat die verklaring als resultaat van het onder subonderdeel 1.a bedoelde onderzoek kan worden opgevat. Het subonderdeel klaagt dat dan uit de mondelinge behandeling en uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Zonder nadere motivering is dan ook onbegrijpelijk hoe de rechtbank tot dit oordeel (naar ik begrijp: tot het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand) is gekomen, aldus het subonderdeel. Het voert daarbij aan dat de rechtbank het aannemen van een ondubbelzinnige en in vrijheid bepaalde wil uitvoeriger diende te motiveren, met name door er in de beschikking blijk van te geven dat tevens toevoeging van een andere advocaat als mogelijkheid is voorgesteld en te vermelden of, en zo ja, wat betrokkene daarop heeft geantwoord. 3.4 Subonderdeel 1.c gaat uit van de lezing dat de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat hij elke bijstand van een advocaat weigerde. In dat geval blijkt volgens het subonderdeel uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet dat is voldaan aan de voorwaarden om afstand van het recht op rechtsbijstand te kunnen aannemen, zoals bepaald door de Hoge Raad. Het verklaarde ter zitting geeft aanleiding tot de conclusie dat de wil om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand niet ondubbelzinnig kon worden aangenomen en er in dat kader reden was tot rechterlijke terughoudendheid. Het subonderdeel wijst er daarbij op dat betrokkene op de vraag van de rechtbank of hij afstand deed van “zijn” advocaat heeft aangegeven dat hij zijn adviseur daarover moest (lees: wilde) raadplegen maar dat deze niet op de hoorzitting aanwezig was.
Volledig
Geklaagd wordt dat de rechtbank de maatstaf uit de rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM onjuist heeft toegepast door onvoldoende terughoudendheid te betrachten bij het bepalen van de (ondubbelzinnige) wil van betrokkene tot het doen van afstand van rechtsbijstand. 3.5 Subonderdeel 1.d bevat tot slot een motiveringsklacht die is gericht tegen de vermelding in r.o. 4.1. dat de rechtbank betrokkene meermaals heeft gevraagd of hij toch niet bijgestaan wil worden door mr. De Groot en de vermelding aldaar dat betrokkene “duidelijk” heeft aangegeven dat hij haar rechtsbijstand niet wilde. Volgens het subonderdeel getuigt het oordeel van de rechtbank van een ontoereikende motivering, omdat genoemde vermeldingen niet te rijmen zijn met de verklaringen van betrokkene ter zitting met betrekking tot het moeten of willen raadplegen van zijn, niet ter zitting aanwezige, adviseur. 3.6 Bij de bespreking van de subonderdelen stel ik het volgende voorop. 3.7 In de situatie dat de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door een op grond van artikel 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het volgende kader: “3.2 Ingevolge art. 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling, in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz en art. 44 lid 2 Sv, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken. 3.3 Het doen van afstand van recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met art. 1:7 Wvggz, noch met art. 5 EVRM. In zaken als de onderhavige, waarin het onder meer gaat om de onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.” 3.8 In deze zaak werd betrokkene bijgestaan door een zogeheten stamadvocaat. Onder een stamadvocaat wordt in de praktijk wel verstaan een advocaat “die een vaste cliëntenkring van psychiatrisch cliënten heeft en (telkens) opnieuw wordt ingeschakeld wanneer zich bij een van deze cliënten weer een opnamesituatie voordoet” , dan wel een – bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeschreven – “psychiatrisch patiëntenrechtadvocaat die een bepaalde cliënt eerder in het kader van het psychiatrisch patiëntenrecht heeft bijgestaan”. Een stamadvocaat kan de betrokkene op basis van een last tot toevoeging bijstaan , en dat zal naar ik aanneem in de praktijk in de regel ook wel het geval zijn. 3.9 Zo’n vaste advocaat, die in beginsel steeds opnieuw wordt ingeschakeld voor een betrokkene, heeft evident voordelen. In de toelichting op de regeling van de Raad voor Rechtsbijstand over de voorwaarden tot inschrijving van advocaten 2025 zijn die voordelen als volgt omschreven: “Het principe van de stamadvocaat heeft veel voordelen. Zo bouwt de advocaat een vertrouwensrelatie op met zijn of haar cliënt en kent deze het medisch en juridisch dossier van cliënt goed. En dit is bij uitstek waardevol op dit rechtsterrein, waar het gaat om kwetsbare cliënten, die bij herhaling worden geconfronteerd met juridische procedures die hun bewegingsvrijheid aantasten. Juist op het moment dat deze cliënten worden geconfronteerd met procedures, zijn zij het meest kwetsbaar en niet bij machte zelf zorg te dragen voor inschakeling van een advocaat of van niet inschakeling de gevolgen te overzien.” 3.10 Een mogelijk nadeel van het steeds opnieuw optreden van dezelfde advocaat is evenwel dat bij de betrokkene de indruk zou kunnen ontstaan dat hij aan deze specifieke advocaat is gebonden. Dat onderstreept mijns inziens nog eens te meer het belang van het in de hiervoor bedoelde vaste rechtspraak bedoelde onderzoek door de rechter of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. 3.11 Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 1 . 3.12 De subonderdelen 1.a en 1.b lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 3.13 Betrokkene heeft, zo is door de rechtbank – in cassatie onbestreden – tot uitgangspunt genomen in r.o. 4.1., tijdens de zitting te kennen gegeven niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan. Volgens de hiervoor aangehaalde rechtspraak diende de rechtbank daarom te onderzoeken of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Uit het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal en de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank dit heeft onderzocht. 3.14 Uit het proces-verbaal lijkt, integendeel, veeleer te volgen dat de rechtbank betrokkene de keuze heeft gelaten tussen hetzij bijstand door zijn huidige advocaat, mr. De Groot, hetzij voortzetting van de zitting zonder rechtsbijstand. In het proces-verbaal is immers opgetekend dat de rechtbank betrokkene heeft voorgehouden “dat wij het vandaag moeten doen met de mensen die hier zijn”, alsmede dat de rechtbank de advocaat niet kan verplichten iets te zeggen als betrokkene zegt dat hij dat per se niet wil, maar “wel een beslissing gaat nemen” (zie het citaat hiervoor onder 2.3). De rechtbank heeft, nadat betrokkene te kennen had gegeven zelf zijn verdediging te willen voeren, betrokkene erover bevraagd of hij zich niet toch door zijn huidige advocaat wil laten bijstaan. De rechtbank lijkt zich aldus te hebben gericht op de vraag of betrokkene al dan niet wil worden bijgestaan door mr. De Groot, en aan het ontkennende antwoord op die vraag de consequentie te hebben verbonden dat betrokkene afstand heeft gedaan en dat de behandeling dus kan worden voortgezet (en uitspraak kan worden gedaan) zonder bijstand van een advocaat voor betrokkene. Veelzeggend is ook dat de rechtbank in dit verband spreekt van “afstand van de advocaat” in plaats van afstand van het recht op rechtsbijstand. 3.15 In ieder geval blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de bestreden beschikking niet dat de mogelijkheid van toevoeging van een andere advocaat ter zitting aan bod is gekomen, laat staan dat is onderzocht of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Daarbij merk ik ten overvloede op dat, nu de mondelinge behandeling elf dagen voor het einde van de beslistermijn heeft plaatsgevonden, er ook voldoende gelegenheid moet zijn geweest om nog binnen de beslistermijn een voortgezette mondelinge behandeling te organiseren. 3.16 Mijns inziens slaagt dan ook de klacht van subonderdeel 1.a dat de bestreden beschikking getuigt van een onjuiste rechtstoepassing, omdat, kort gezegd, uit die beschikking, en ook uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, niet blijkt of de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de vraag of betrokkene een andere advocaat wenste. 3.17 Uit het voorgaande volgt verder dat ook subonderdeel 1.b slaagt. Als de rechtbank uit de verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wil voeren, heeft afgeleid dat, naar ik het subonderdeel begrijp, betrokkene niet de toevoeging van een andere advocaat wenste en dus afstand van het recht op rechtsbijstand heeft gedaan, is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Niet blijkt immers dat de mogelijkheid van toevoeging van een andere advocaat aan bod is gekomen, hetzij doordat de rechtbank de betrokkene die mogelijkheid uitdrukkelijk heeft voorgehouden, hetzij doordat de betrokkene ervan blijk heeft gegeven van die mogelijkheid op de hoogte te zijn.
Volledig
Geklaagd wordt dat de rechtbank de maatstaf uit de rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM onjuist heeft toegepast door onvoldoende terughoudendheid te betrachten bij het bepalen van de (ondubbelzinnige) wil van betrokkene tot het doen van afstand van rechtsbijstand. 3.5 Subonderdeel 1.d bevat tot slot een motiveringsklacht die is gericht tegen de vermelding in r.o. 4.1. dat de rechtbank betrokkene meermaals heeft gevraagd of hij toch niet bijgestaan wil worden door mr. De Groot en de vermelding aldaar dat betrokkene “duidelijk” heeft aangegeven dat hij haar rechtsbijstand niet wilde. Volgens het subonderdeel getuigt het oordeel van de rechtbank van een ontoereikende motivering, omdat genoemde vermeldingen niet te rijmen zijn met de verklaringen van betrokkene ter zitting met betrekking tot het moeten of willen raadplegen van zijn, niet ter zitting aanwezige, adviseur. 3.6 Bij de bespreking van de subonderdelen stel ik het volgende voorop. 3.7 In de situatie dat de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door een op grond van artikel 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het volgende kader: “3.2 Ingevolge art. 1:7 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling, in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz en art. 44 lid 2 Sv, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken. 3.3 Het doen van afstand van recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met art. 1:7 Wvggz, noch met art. 5 EVRM. In zaken als de onderhavige, waarin het onder meer gaat om de onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.” 3.8 In deze zaak werd betrokkene bijgestaan door een zogeheten stamadvocaat. Onder een stamadvocaat wordt in de praktijk wel verstaan een advocaat “die een vaste cliëntenkring van psychiatrisch cliënten heeft en (telkens) opnieuw wordt ingeschakeld wanneer zich bij een van deze cliënten weer een opnamesituatie voordoet” , dan wel een – bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeschreven – “psychiatrisch patiëntenrechtadvocaat die een bepaalde cliënt eerder in het kader van het psychiatrisch patiëntenrecht heeft bijgestaan”. Een stamadvocaat kan de betrokkene op basis van een last tot toevoeging bijstaan , en dat zal naar ik aanneem in de praktijk in de regel ook wel het geval zijn. 3.9 Zo’n vaste advocaat, die in beginsel steeds opnieuw wordt ingeschakeld voor een betrokkene, heeft evident voordelen. In de toelichting op de regeling van de Raad voor Rechtsbijstand over de voorwaarden tot inschrijving van advocaten 2025 zijn die voordelen als volgt omschreven: “Het principe van de stamadvocaat heeft veel voordelen. Zo bouwt de advocaat een vertrouwensrelatie op met zijn of haar cliënt en kent deze het medisch en juridisch dossier van cliënt goed. En dit is bij uitstek waardevol op dit rechtsterrein, waar het gaat om kwetsbare cliënten, die bij herhaling worden geconfronteerd met juridische procedures die hun bewegingsvrijheid aantasten. Juist op het moment dat deze cliënten worden geconfronteerd met procedures, zijn zij het meest kwetsbaar en niet bij machte zelf zorg te dragen voor inschakeling van een advocaat of van niet inschakeling de gevolgen te overzien.” 3.10 Een mogelijk nadeel van het steeds opnieuw optreden van dezelfde advocaat is evenwel dat bij de betrokkene de indruk zou kunnen ontstaan dat hij aan deze specifieke advocaat is gebonden. Dat onderstreept mijns inziens nog eens te meer het belang van het in de hiervoor bedoelde vaste rechtspraak bedoelde onderzoek door de rechter of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. 3.11 Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 1 . 3.12 De subonderdelen 1.a en 1.b lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 3.13 Betrokkene heeft, zo is door de rechtbank – in cassatie onbestreden – tot uitgangspunt genomen in r.o. 4.1., tijdens de zitting te kennen gegeven niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan. Volgens de hiervoor aangehaalde rechtspraak diende de rechtbank daarom te onderzoeken of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Uit het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal en de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank dit heeft onderzocht. 3.14 Uit het proces-verbaal lijkt, integendeel, veeleer te volgen dat de rechtbank betrokkene de keuze heeft gelaten tussen hetzij bijstand door zijn huidige advocaat, mr. De Groot, hetzij voortzetting van de zitting zonder rechtsbijstand. In het proces-verbaal is immers opgetekend dat de rechtbank betrokkene heeft voorgehouden “dat wij het vandaag moeten doen met de mensen die hier zijn”, alsmede dat de rechtbank de advocaat niet kan verplichten iets te zeggen als betrokkene zegt dat hij dat per se niet wil, maar “wel een beslissing gaat nemen” (zie het citaat hiervoor onder 2.3). De rechtbank heeft, nadat betrokkene te kennen had gegeven zelf zijn verdediging te willen voeren, betrokkene erover bevraagd of hij zich niet toch door zijn huidige advocaat wil laten bijstaan. De rechtbank lijkt zich aldus te hebben gericht op de vraag of betrokkene al dan niet wil worden bijgestaan door mr. De Groot, en aan het ontkennende antwoord op die vraag de consequentie te hebben verbonden dat betrokkene afstand heeft gedaan en dat de behandeling dus kan worden voortgezet (en uitspraak kan worden gedaan) zonder bijstand van een advocaat voor betrokkene. Veelzeggend is ook dat de rechtbank in dit verband spreekt van “afstand van de advocaat” in plaats van afstand van het recht op rechtsbijstand. 3.15 In ieder geval blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de bestreden beschikking niet dat de mogelijkheid van toevoeging van een andere advocaat ter zitting aan bod is gekomen, laat staan dat is onderzocht of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste. Daarbij merk ik ten overvloede op dat, nu de mondelinge behandeling elf dagen voor het einde van de beslistermijn heeft plaatsgevonden, er ook voldoende gelegenheid moet zijn geweest om nog binnen de beslistermijn een voortgezette mondelinge behandeling te organiseren. 3.16 Mijns inziens slaagt dan ook de klacht van subonderdeel 1.a dat de bestreden beschikking getuigt van een onjuiste rechtstoepassing, omdat, kort gezegd, uit die beschikking, en ook uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, niet blijkt of de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de vraag of betrokkene een andere advocaat wenste. 3.17 Uit het voorgaande volgt verder dat ook subonderdeel 1.b slaagt. Als de rechtbank uit de verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wil voeren, heeft afgeleid dat, naar ik het subonderdeel begrijp, betrokkene niet de toevoeging van een andere advocaat wenste en dus afstand van het recht op rechtsbijstand heeft gedaan, is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Niet blijkt immers dat de mogelijkheid van toevoeging van een andere advocaat aan bod is gekomen, hetzij doordat de rechtbank de betrokkene die mogelijkheid uitdrukkelijk heeft voorgehouden, hetzij doordat de betrokkene ervan blijk heeft gegeven van die mogelijkheid op de hoogte te zijn.
Volledig
Nu hiervan niet blijkt, kan uit genoemde verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wil voeren in dit geval niet zonder meer worden afgeleid dat betrokkene toevoeging van een andere advocaat niet wenste en dus afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. 3.18 Bij deze stand van zaken behoeven de subonderdelen 1.c en 1.d eigenlijk geen bespreking meer. Volledigheidshalve zal ik deze toch bespreken. 3.19 Ook subonderdeel 1.c slaagt mijns inziens. Dit subonderdeel gaat ervan uit dat de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat hij elke bijstand van een advocaat weigert. Met het subonderdeel hiervan uitgaand, wordt terecht geklaagd dat de rechtbank de wil van betrokkene om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand niet ondubbelzinnig heeft kunnen vaststellen. Blijkens het proces-verbaal heeft betrokkene immers verklaard dat hij zijn adviseur zou moeten raadplegen over de vraag of hij afstand doet van zijn advocaat. In het licht van deze verklaring wordt terecht geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat zij de wil van betrokkene tot het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand (in het algemeen, dus niet alleen door mr. De Groot) ondubbelzinnig heeft vastgesteld. 3.20 Subonderdeel 1.d betreft de vermelding in overweging 4.1. dat de rechtbank betrokkene meermaals heeft gevraagd of hij toch niet bijgestaan wil worden door mr. De Groot, en de vermelding aldaar dat hij “duidelijk” heeft aangegeven dit niet te willen. Deze vermeldingen zouden niet te rijmen zijn met de uit het proces-verbaal blijkende verklaringen van betrokkene tot het moeten of willen raadplegen van zijn (niet ter zitting aanwezige) adviseur, aldus de klacht. 3.21 Subonderdeel 1.d faalt mijns inziens bij gebrek aan belang, nu niet bestreden is de vaststelling (in de tweede volzin van r.o. 4.1.) dat betrokkene tijdens de zitting te kennen heeft gegeven niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan en die weigering van de rechtsbijstand door mr. De Groot ook van het cassatiemiddel zelf het uitgangspunt vormt (zie bijvoorbeeld in de procesinleiding onder Essentie en subonderdeel 1.a). In dit verband wijs ik ook op de volgende passage uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die over de wil van betrokkene ten aanzien van rechtsbijstand door mr. De Groot niets aan duidelijkheid te wensen overlaat: “U vraagt mij mr. De Groot de kans te geven toe te lichten wat zij wil zeggen. Dat wil ik niet.” Onderdeel 2 3.22 Onderdeel 2 klaagt, kort gezegd, dat de rechtbank, door er in de gegeven omstandigheden op aan te dringen de mondelinge behandeling “vandaag” voort te zetten “met de mensen die hier zijn”, niet heeft geoordeeld en beslist “ in accordance with a procedure prescribed by law ” in de zin van artikel 5 lid 1 EVRM. Deze klacht slaagt in het voetspoor van de subonderdelen 1.a, 1.b en 1.c. 4 Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 17 maart 2025 en tot terugwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie aldus de beschikking van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5006, r.o. 1.2 en r.o. 4.1. Betrokkene heeft evenwel, zoals hierna zal blijken, ter zitting de bijstand van zijn advocaat geweigerd. ECLI:NL:RBGEL:2025:5006. De bestreden beschikking wordt genoemd door Keurentjes in zijn noot onder JGz 2025/42. Het middel spreekt van ‘bestreden beschikking(en)’. Er is echter slechts één uitspraak, die mondeling is gedaan en nadien schriftelijk is uitgewerkt; vgl. de ‘bestaande praktijk’ zoals bedoeld in HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, en nadien nogmaals genoemd in (o.m.) HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:58, r.o. 3.4. Ik spreek daarom in het navolgende van de bestreden beschikking, in enkelvoud. Het subonderdeel verwijst daarbij naar HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7, m.nt. red., r.o. 3.2 en HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, RvdW 2023/1132, r.o. 3.2. Het subonderdeel verwijst daarbij naar de in de vorige voetnoot vermelde HR-uitspraken (ditmaal r.o. 3.3) en daarnaast naar EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05 ( Damir Sibgatullin/Rusland ). Naar ik begrijp: de rechtspraak, zoals genoemd in de beide vorige voetnoten. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1138, NJ 2025/207, m.nt. red. en JGz 2025/45, m.nt. R.B.M. Keurentjes onder JGz 2025/42. Zie met betrekking tot de in r.o. 3.2 omschreven onderzoeks- en motiveringsplicht voorts o.m. HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1273, NJ 2021/305, m.nt. red. en JGz 2021/78, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1214, NJ 2022/307, m.nt. red. en JGz 2023/2, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7, m.nt. red. en JGz 2023/5, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, JGz 2024/22, m.nt. R.P. de Roode, r.o. 3.2. Deze rechtspraak gaat terug op vaste rechtspraak onder de Wet Bopz: zie o.m. HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471, m.nt. red., r.o. 3.8 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35, m.nt. red. en JVggz 2015/1, m.nt. W.J.A.M Dijkers, r.o. 3.5-3.6. Zie met betrekking tot de in r.o. 3.3 omschreven voorwaarden voor afstand van het recht op rechtsbijstand voorts o.m. HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:818, JGz 2025/42, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.2; HR 24 november 2023, hiervoor aangehaald, r.o. 3.3; HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, NJ 2023/191, m.nt. red. en JGz 2023/27, m.nt. red., r.o. 3.3; HR 9 december 2022, hiervoor aangehaald, r.o. 3.3; HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, NJ 2018/99 en JGz 2018/7, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.5 en HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2087, NJ 2019/161, m.nt. J. Legemaate en JGz 2019/4, m.nt. T.P. Widdershoven. Zie aldus L. Bos, ‘De stamadvocaat’, JGGZR 2015/89 en met verwijzing naar deze publicatie ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gezondheidsrecht (Archief), art. 8 Wet Bopz (publicatiedatum: 24 oktober 2017), onder 3.2.3. Onder de Wvggz gaat het overigens, anders dan voorheen onder de Wet Bopz, niet steeds om een ‘opnamesituatie’. Zie aldus het Reglement Piket Raad voor Rechtsbijstand. Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand op grond van artikel 37 eerste lid aanhef en onder b van de Wet op de rechtsbijstand, Stcrt. 2017, 22380, artikel 8.3. Vgl. ook de Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand over de voorwaarden tot inschrijving van advocaten 2025 (Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2025), Stcrt. 2024, 39923, artikel 6.15 lid 2. Zie Stcrt. 2024, 39923, artikelsgewijze toelichting, onder artikel 6.15. Zie hierover ook de in de voetnoot 8 aangehaalde bronnen. Zie het proces-verbaal, p. 3, derde tekstblok en r.o. 4.1. van de bestreden beschikking. Het verzoekschrift is bij de rechtbank binnengekomen op 7 maart 2025 en de beslistermijn liep daarom tot en met 28 maart 2025 (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). De mondelinge behandeling vond plaats op 17 maart 2025.
Volledig
Nu hiervan niet blijkt, kan uit genoemde verklaring van betrokkene dat hij zelf zijn verdediging wil voeren in dit geval niet zonder meer worden afgeleid dat betrokkene toevoeging van een andere advocaat niet wenste en dus afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. 3.18 Bij deze stand van zaken behoeven de subonderdelen 1.c en 1.d eigenlijk geen bespreking meer. Volledigheidshalve zal ik deze toch bespreken. 3.19 Ook subonderdeel 1.c slaagt mijns inziens. Dit subonderdeel gaat ervan uit dat de rechtbank betrokkene aldus heeft verstaan dat hij elke bijstand van een advocaat weigert. Met het subonderdeel hiervan uitgaand, wordt terecht geklaagd dat de rechtbank de wil van betrokkene om afstand te doen van het recht op rechtsbijstand niet ondubbelzinnig heeft kunnen vaststellen. Blijkens het proces-verbaal heeft betrokkene immers verklaard dat hij zijn adviseur zou moeten raadplegen over de vraag of hij afstand doet van zijn advocaat. In het licht van deze verklaring wordt terecht geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat zij de wil van betrokkene tot het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand (in het algemeen, dus niet alleen door mr. De Groot) ondubbelzinnig heeft vastgesteld. 3.20 Subonderdeel 1.d betreft de vermelding in overweging 4.1. dat de rechtbank betrokkene meermaals heeft gevraagd of hij toch niet bijgestaan wil worden door mr. De Groot, en de vermelding aldaar dat hij “duidelijk” heeft aangegeven dit niet te willen. Deze vermeldingen zouden niet te rijmen zijn met de uit het proces-verbaal blijkende verklaringen van betrokkene tot het moeten of willen raadplegen van zijn (niet ter zitting aanwezige) adviseur, aldus de klacht. 3.21 Subonderdeel 1.d faalt mijns inziens bij gebrek aan belang, nu niet bestreden is de vaststelling (in de tweede volzin van r.o. 4.1.) dat betrokkene tijdens de zitting te kennen heeft gegeven niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan en die weigering van de rechtsbijstand door mr. De Groot ook van het cassatiemiddel zelf het uitgangspunt vormt (zie bijvoorbeeld in de procesinleiding onder Essentie en subonderdeel 1.a). In dit verband wijs ik ook op de volgende passage uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die over de wil van betrokkene ten aanzien van rechtsbijstand door mr. De Groot niets aan duidelijkheid te wensen overlaat: “U vraagt mij mr. De Groot de kans te geven toe te lichten wat zij wil zeggen. Dat wil ik niet.” Onderdeel 2 3.22 Onderdeel 2 klaagt, kort gezegd, dat de rechtbank, door er in de gegeven omstandigheden op aan te dringen de mondelinge behandeling “vandaag” voort te zetten “met de mensen die hier zijn”, niet heeft geoordeeld en beslist “ in accordance with a procedure prescribed by law ” in de zin van artikel 5 lid 1 EVRM. Deze klacht slaagt in het voetspoor van de subonderdelen 1.a, 1.b en 1.c. 4 Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 17 maart 2025 en tot terugwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie aldus de beschikking van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5006, r.o. 1.2 en r.o. 4.1. Betrokkene heeft evenwel, zoals hierna zal blijken, ter zitting de bijstand van zijn advocaat geweigerd. ECLI:NL:RBGEL:2025:5006. De bestreden beschikking wordt genoemd door Keurentjes in zijn noot onder JGz 2025/42. Het middel spreekt van ‘bestreden beschikking(en)’. Er is echter slechts één uitspraak, die mondeling is gedaan en nadien schriftelijk is uitgewerkt; vgl. de ‘bestaande praktijk’ zoals bedoeld in HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, en nadien nogmaals genoemd in (o.m.) HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:58, r.o. 3.4. Ik spreek daarom in het navolgende van de bestreden beschikking, in enkelvoud. Het subonderdeel verwijst daarbij naar HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7, m.nt. red., r.o. 3.2 en HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, RvdW 2023/1132, r.o. 3.2. Het subonderdeel verwijst daarbij naar de in de vorige voetnoot vermelde HR-uitspraken (ditmaal r.o. 3.3) en daarnaast naar EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05 ( Damir Sibgatullin/Rusland ). Naar ik begrijp: de rechtspraak, zoals genoemd in de beide vorige voetnoten. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1138, NJ 2025/207, m.nt. red. en JGz 2025/45, m.nt. R.B.M. Keurentjes onder JGz 2025/42. Zie met betrekking tot de in r.o. 3.2 omschreven onderzoeks- en motiveringsplicht voorts o.m. HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1273, NJ 2021/305, m.nt. red. en JGz 2021/78, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1214, NJ 2022/307, m.nt. red. en JGz 2023/2, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1837, NJ 2023/7, m.nt. red. en JGz 2023/5, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1628, JGz 2024/22, m.nt. R.P. de Roode, r.o. 3.2. Deze rechtspraak gaat terug op vaste rechtspraak onder de Wet Bopz: zie o.m. HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471, m.nt. red., r.o. 3.8 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3663, NJ 2015/35, m.nt. red. en JVggz 2015/1, m.nt. W.J.A.M Dijkers, r.o. 3.5-3.6. Zie met betrekking tot de in r.o. 3.3 omschreven voorwaarden voor afstand van het recht op rechtsbijstand voorts o.m. HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:818, JGz 2025/42, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.2; HR 24 november 2023, hiervoor aangehaald, r.o. 3.3; HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:848, NJ 2023/191, m.nt. red. en JGz 2023/27, m.nt. red., r.o. 3.3; HR 9 december 2022, hiervoor aangehaald, r.o. 3.3; HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:146, NJ 2018/99 en JGz 2018/7, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.5 en HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2087, NJ 2019/161, m.nt. J. Legemaate en JGz 2019/4, m.nt. T.P. Widdershoven. Zie aldus L. Bos, ‘De stamadvocaat’, JGGZR 2015/89 en met verwijzing naar deze publicatie ook W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gezondheidsrecht (Archief), art. 8 Wet Bopz (publicatiedatum: 24 oktober 2017), onder 3.2.3. Onder de Wvggz gaat het overigens, anders dan voorheen onder de Wet Bopz, niet steeds om een ‘opnamesituatie’. Zie aldus het Reglement Piket Raad voor Rechtsbijstand. Besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand op grond van artikel 37 eerste lid aanhef en onder b van de Wet op de rechtsbijstand, Stcrt. 2017, 22380, artikel 8.3. Vgl. ook de Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand over de voorwaarden tot inschrijving van advocaten 2025 (Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2025), Stcrt. 2024, 39923, artikel 6.15 lid 2. Zie Stcrt. 2024, 39923, artikelsgewijze toelichting, onder artikel 6.15. Zie hierover ook de in de voetnoot 8 aangehaalde bronnen. Zie het proces-verbaal, p. 3, derde tekstblok en r.o. 4.1. van de bestreden beschikking. Het verzoekschrift is bij de rechtbank binnengekomen op 7 maart 2025 en de beslistermijn liep daarom tot en met 28 maart 2025 (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). De mondelinge behandeling vond plaats op 17 maart 2025.