Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:PHR:2026:249
Strafrecht
7,547 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:249 text/xml public 2026-03-19T16:24:26 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-17 24/01619 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:249 text/html public 2026-03-19T16:24:06 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:249 Parket bij de Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/01619 Conclusie AG. (Poging) gekwalificeerde diefstal, vernieling, mishandeling en belediging. M1 klaagt tevergeefs over bewijsvoering van vernieling van raam in PI. M2 klaagt over motivering oplegging schadevergoedingsmaatregel. Middel faalt nu in motivering van hof ligt besloten dat hof immateriële schade heeft gebaseerd op omstandigheid dat slo. als gevolg van de mishandeling lichamelijk letsel heeft opgelopen, waarvan het herstel drie dagen heeft geduurd. M3 Overschrijding inzendtermijn in cassatie slaagt. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en tot vermindering GS naar gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01619 Zitting 17 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 23 april 2024 door het gerechtshof Den Haag , in de zaak met parketnummer 09-320876-20, wegens onder 1 en 4 telkens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, onder 2 en 3 telkens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, onder 5 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, onder 7 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, onder 8 “mishandeling” en, in de zaak met parketnummer 09-210369-20, wegens onder 2 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven goederen, over de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd. 1.2 Namens de verdachte hebben N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het eerste middel komt op tegen de in de zaak met parketnummer 09-320876-20 onder 7 bewezenverklaarde vernieling van een raam. Uit de bewijsvoering zou niet (begrijpelijk) volgen dat het mechanisme van het raam in de cel opzettelijk door de verdachte is vernield, noch dat dit mechanisme onderdeel was van het raam. Dit maakt de bewezenverklaring onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel. 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 7 met parketnummer 09-320876-20 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 21 december 2020 tot en met 30 december 2020 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een raam in een detentiecel dat aan [PI] (gevestigd [a-straat 1] ) toebehoorde, heeft vernield”. 2.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “ 1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2021 met nr. PL1500-2021007623-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 8 e.v.): als verklaring van [medewerker] , namens [PI] : [verdachte] zit sinds 21 december 2020 gedetineerd in cel […] van de [PI] aan de [a-straat 1] in [plaats] . [verdachte] was sinds die tijd de enige persoon op deze cel. Op 29 december 2020 werd zijn cel gecontroleerd. Bij deze controle bleek alles in orde in cel […] van [verdachte] . Op 30 december 2020 is [verdachte] vroeg in de avond uit zijn cel gehaald en in een strafcel geplaatst. Nadat hij uit zijn cel was geplaatst, bleek het raam in zijn cel te zijn vernield. Het raam in de cel is een kantelraam. Aan de onderzijde van het raam zitten twee scharnieren. Aan de bovenzijde is het raam door de gedetineerde te openen, echter zit er een mechanisme aan beide kanten waardoor het raam slechts op de kierstand open kan. Nadat [verdachte] uit zijn cel was geplaatst, bleken beide mechanismen vernield te zijn, waardoor het raam in zijn geheel open kon. In de cel werd ook bestek aangetroffen wat beschadigd was. 2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 20.21 met nr. 120, documentcode JM204. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 18 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Ik heb de telefoongesprekken van cel […] beluisterd in de periode dat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) in deze cel gedetineerd zat. Deze telefoongesprekken hadden plaatsgevonden op 28 december 2020, 29 december 2020 en 30 december 2020. Ik zag dat alle gesprekken afkomstig waren van [verdachte] en uitgaande gesprekken waren naar [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). 29-12-2020 16:09:39 uur [verdachte] vraagt of [betrokkene 1] iemand kent met een drone. [betrokkene 1] zegt er wel 1 te kunnen regelen. Het gesprek gaat vervolgens over de drone. Hier zegt [verdachte] het volgende: [verdachte] : Ja ik weet niet broer. Kijk broer ik zit nu te kijken broer. Ik heb mijn raam open broer. Als ik een drone heb, kan ik alles binnenbrengen nu op dit moment, maar ik heb vandaag die drone nodig. Kijk voor mij voor drone he mattie. Ik heb net eentje in [plaats] gevonden voor 3 barkies maar die ding stijgt niet op. Noot: Hier is kennelijk het vernielde raam al open. 29-12-2020 16:29:42 uur [betrokkene 1] vraagt of het vandaag moet. [verdachte] zegt dat het vandaag moet omdat hij morgen naar een andere afdeling gaat. [betrokkene 1] zegt dat de drone leeg is en het een dag duurt voor hij opgeladen is. [verdachte] zegt in de PI in [plaats] te zitten. Hij zegt dat het raam open is en morgen naar een andere cel te moeten en dat raam dan niet meer heeft. [verdachte] zegt dat het dan niet meer kan. 29-12-2020 17:12:25 uur [verdachte] zegt net naar zijn raam te hebben gekeken en dat hij helemaal open kan.” 2.4 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat i) uit geen van de bewijsmiddelen rechtstreeks volgt dat de verdachte het raam (opzettelijk) heeft vernield, ii) dat het niet zonder meer begrijpelijk is dat het hof redengevende betekenis heeft toegekend aan het proces-verbaal van bevindingen inzake het tapgesprek dat is gebezigd als het tweede bewijsmiddel en iii) dat uit de bewijsmiddelen slechts volgt dat een bepaald mechanisme is vernield, maar niet het raam zelf. 2.5 Ten aanzien van het eerste aangevoerde argument het volgende. De veronderstelling dat de bewezenverklaring rechtstreeks moet volgen uit de bewijsmiddelen is onjuist. Het recht kent deze eis niet. Ook het argument dat “in het arrest ten node [wordt] gemist een nadere motivering waarin vaststellingen worden [gedaan] over het tijdstip van de celcontrole op 29 december 2020, wat die controle precies inhield en dat en waarom daaruit in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat requirant het raam (opzettelijk) vernield heeft” volg ik niet. Wat mij betreft, kon het hof uit de bewijsmiddelen afleiden dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die het raam opzettelijk heeft vernield. Ik wijs erop dat blijkens het proces-verbaal van het tapgesprek de verdachte jegens [betrokkene 1] heeft verklaard: “Ik heb mijn raam open broer”, hetgeen, in combinatie met het in de cel aangetroffen beschadigde bestek, op een opzettelijke handeling duidt. 2.6 Het voorgaande brengt mee dat ook het tweede argument geen doel treft. In de toelichting op het middel wordt voornamelijk geklaagd over de waardering en de redengevendheid van het tweede bewijsmiddel. De Hoge Raad toetst de redengevendheid van het bewijs slechts op marginale wijze.
Volledig
Die marginale toets houdt in cassatie in dat bezien wordt of de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring. Dat is in de onderhavige zaak het geval. Uit het tot het bewijs gebezigde tapgesprek volgt dat de verdachte met [betrokkene 1] spreekt over de inzet van een drone om dingen binnen te brengen, kennelijk in zijn cel. Dit geeft zicht in het motief van de verdachte voor het opzettelijk vernielen van het raam. Het hof kon dus, mede gezien hetgeen ik in het vorige randnummer heb overwogen, oordelen dat het gesprek redengevend is voor de bewezenverklaarde vernieling. 2.7 Ten aanzien van het derde argument het volgende. Vooropgesteld moet worden dat het niet ter discussie staat dat de verdachte het mechanisme heeft vernield. Het is de vraag of dat mechanisme onderdeel is geweest van het raam en of het hof de verdachte heeft kunnen veroordelen voor de vernieling van dat raam. In zoverre betreft deze kwestie dus de uitleg van de in de tenlastelegging gebezigde term “een raam”. De uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter. Ik acht het niet onverenigbaar met de bewoording van de tenlastelegging dat het hof het mechanisme kennelijk als onderdeel van het raam heeft gezien. 2.8 Het eerste middel faalt. 3 Het tweede middel 3.1 Het tweede middel klaagt dat het hof de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van “het slachtoffer met personeelsnummer […] ” ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat uit de motivering niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke omstandigheden het hof baseert dat het personeelslid immateriële schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling. Daardoor kan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven, aldus de steller van het middel. 3.2 Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-320876-20 onder 8 bewezenverklaard dat: “hij op 31 december 2020 te [plaats] een medewerker van de [PI] ( [medewerker PI 1] ) heeft mishandeld door hem met kracht een trap in de rug te geven.” 3.3 Deze bewezenverklaring steunt op onder meer op het volgende bewijsmiddel: “2. Een proces-verbaal van aangifte van 12 januari 2021, inhoudende als verklaring van [medewerker] : Ik ben teamleider beveiliging bij [PI] en in die hoedanigheid bevoegd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van mishandeling van een van mijn medewerkers, deze mishandeling is gepleegd door een bij ons geplaatste gedetineerde. Op donderdag 31 december 2020 was betreffende [medewerker PI 1] met personeelsnummer […] ingepland als medewerker observatie in de PI te [plaats] . […] Op het moment dat [medewerker PI 1] de cel verliet, draaide [medewerker PI 1] een kwartslag naar de celdeur in verband met de afstap naar de gang toe. Daarop zag betrokkene kans om met een sprong een trappende beweging te maken tegen de rug van [medewerker PI 1] ofwel een springende trapstoot in de rug van [medewerker PI 1] . Dit is gezien door PiW’ers: [medewerker PI 2] en [medewerker PI 3] . Hierdoor viel [medewerker PI 1] op de grond. […] [medewerker PI 1] met personeelsnummer: […] , heeft drie dagen wegtrekkende rugpijn gehad. Er was verder niets te zien, geen bloeduitstortingen. [medewerker PI 1] is niet bij een arts geweest. Hierdoor heeft hij weinig van de jaarwisseling meegemaakt. […]” 3.4 Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder meer overwogen: “Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan […] de mishandeling van een medewerker in de penitentiaire inrichting. Zodoende […] heeft hij met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer van de mishandeling.” 3.5 Bij de stukken bevindt zich een “Verzoek tot schadevergoeding” van [PI] . Dit verzoek houdt onder meer in: “Immateriële schade (smartengeld) […] Slachtoffer was in functie als penitentiair medewerker en als dagtaak de observatie. Slachtoffer was op dat moment een justitieel ambtenaar in functie. Slachtoffer heeft 3 dagen last gehad van hevige rugpijn. Psychisch ben ik terughoudende geworden in de uitvoering van mijn werk. […] Totaal immateriële schade € 250,-” 3.6 Als bijlage bij dit verzoek tot schadevergoeding is een op 31 december 2020 op ambtseed opgemaakte verklaring van de medewerker met personeelsnummer […] gevoegd, onder meer inhoudende: “Zelf heb ik 3 dagen wegtrekkende rugpijn gehad. Er was verder niets te zien, geen bloeduitstortingen. Van de jaarwisseling heb ik weinig van meegemaakt.” 3.7 Met betrekking tot dit verzoek tot schadevergoeding heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2024 aangegeven: “De vordering van de [PI] verzoek ik u te matigen.” 3.8 Het hof heeft in zijn arrest – voor zover hier van belang – verder het volgende overwogen en beslist: “ Vordering tot schadevergoeding - Dienst Justitiële Inrichtingen ( [PI] ) In het onderhavige strafproces heeft Dienst Justitiële Inrichtingen ( [PI] , hierna: de [PI] ) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-320876-20 onder 8 tenlastegelegde (de mishandeling), tot een bedrag van € 250,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 250,00. Het hof stelt vast dat deze vordering is ingediend door de [PI] , maar dat de vordering ziet op immateriële schade die zou zijn geleden door een medewerker van de [PI] . Uit de vordering blijkt niet zonder meer dat de betreffende medewerker de [PI] heeft gemachtigd om de vordering namens hem te in te dienen, terwijl evenmin is gebleken dat de PT [plaats] zelf (immateriële) schade heeft geleden als gevolg van de bewezen verklaarde mishandeling. Het hof zal om die reden de vordering van de [PI] niet-ontvankelijk verklaren. Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [medewerker PI 1] (personeelsnummer […] ) Het hof overweegt dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht te allen tijde kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens een slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is (vgl. HR 13 juli 2010, NJ 2010/459). Dit kan dus ook als het slachtoffer geen vordering heeft ingediend. Uit de bij de vordering benadeelde partij van de [PI] overgelegde verklaring die, blijkens het daarop aangegeven personeelsnummer, is opgesteld door het personeelslid van de [PI] dat de trap in zijn rug heeft gekregen van de verdachte, leidt het hof af dat het personeelslid immateriële schade heeft geleden als gevolg van de bewezen verklaarde mishandeling door de verdachte. Het betreffende personeelslid is in hoger beroep ook ter zitting verschenen. Het hof ziet daarin aanleiding om aan de verdachte ambtshalve de verplichting op te leggen een naar billijkheid vastgesteld bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2020, aan de Staat, te betalen ten behoeve van de medewerker van de [PI] , het slachtoffer [medewerker PI 1] (personeelsnummer […] ) . […] Verklaart de benadeelde partij Dienst Justitiële Inrichtingen ( [PI] ) niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij Dienst Justitiële Inrichtingen ( [PI] ) in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Volledig
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met personeelsnummer […] Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [medewerker PI 1] (personeelsnummer […] ), ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-320876-20 onder 8 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen . Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 december 2020 .” 3.9 Art. 36f Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde: "1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. 2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. […]” 3.10 Voorop moet worden gesteld dat uit het overzichtsarrest vordering benadeelde partij volgt dat de schadevergoedingsmaatregel ook door de rechter kan worden opgelegd in het geval het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Verder geldt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 januari 2026 heeft overwogen: “6.4.1 Artikel 36f Sr bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f lid 2 Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en, voor zover de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij kunnen naast elkaar plaatsvinden. (Vgl. HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408.) 6.4.2 De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 lid 2 en 5 Sv motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. 6.4.3 Als de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, de rechter deze vordering toewijst en ook de schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal de begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit de motivering van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. 6.4.4 Voor zover de rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook een vordering van de benadeelde partij toewijst, omdat de benadeelde partij zich niet met een vordering in het strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op de materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit de beslissing van de rechter moeten volgen waarom de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daarbij is ook voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, aan het slachtoffer is de feiten en omstandigheden te stellen en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen waaruit de schade kan worden afgeleid. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.1). Hierbij kan ook het openbaar ministerie een rol spelen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat de verdachte jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor door het slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor de aard en omvang van de geleden schade (vgl. artikel 149 Rv). Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. De begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van de manier waarop het debat over die schade is gevoerd en de stukken die in dat verband in het geding zijn gebracht.” 3.11 Uit de motivering van de rechter moet dus volgen in hoeverre de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daarbij is van belang dat ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel wordt uitgegaan van de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Het is aldus voor de motivering mede van belang welke feiten en omstandigheden het slachtoffer stelt waaruit de schade kan worden afgeleid en het is mede van belang of deze feiten en omstandigheden door de verdediging worden betwist. 3.12 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de motivering van het hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke vastgestelde omstandigheden het hof het oordeel heeft gestoeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de benadeelde geleden immateriële schade. 3.13 Art. 6:106 BW luidt (voor zover hier van belang): “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […] b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; […]” 3.14 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen van de verdachte. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de enkele omstandigheid, dat het hof – zoals in de onderhavige zaak het geval is – niet expliciet heeft benoemd op welke in art. 6:106 BW vermelde grond het de toewijzing van de vordering ten aanzien van de immateriële schade heeft gebaseerd, niet tot cassatie hoeft te leiden. Voldoende is dat uit de vaststellingen en overwegingen van het hof volgt op welke grondslag het hof de toekenning heeft gebaseerd. 3.15 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een medewerker van de [PI] heeft mishandeld door hem met kracht een trap in de rug te geven. Uit de motivering van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel volgt dat het hof uit de onder randnummer 3.6 van deze conclusie weergegeven verklaring van de betreffende medewerker heeft afgeleid dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling door de verdachte. Die verklaring houdt in dat hij drie dagen wegtrekkende rugpijn heeft gehad, dat er verder niets was te zien, ook geen bloeduitstortingen en dat hij van de jaarwisseling weinig heeft meegemaakt.
Volledig
Aangezien de vordering tot schadevergoeding niet (gemotiveerd) is betwist – het enkele verzoek tot matiging van het schadebedrag kan immers, anders dan de stellers van het middel menen, niet worden aangemerkt als betwisting van de vordering – kon het hof uitgaan van de juistheid van deze feiten. De vraag in cassatie is nu of hieruit volgt dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling die voor vergoeding in aanmerking komt. 3.16 Ik beantwoord deze vraag bevestigend. In de motivering van het hof ligt immers besloten dat het hof de vaststelling van immateriële schade heeft gebaseerd op de omstandigheid dat het slachtoffer als gevolg van de mishandeling lichamelijk letsel in de vorm van een kwetsuur van de rug heeft opgelopen, waarvan het herstel drie dagen heeft geduurd. De pijn als gevolg van deze kwetsuur was de eerste dag kennelijk zo hevig dat het slachtoffer de jaarwisseling heeft gemist. Ik wijs er in dit verband op dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in beginsel geen ondergrens bestaat voor de ernst van het letsel die is vereist voor het aannemen van aansprakelijkheid op grond van art. 6:106 aanhef en onder b BW. Zo is bijvoorbeeld het hebben van een blauw oog al voldoende voor het aannemen van lichamelijk letsel. Die ernst speelt uiteraard wel een rol bij het bepalen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding. 3.17 Ten overvloede merk ik op dat het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2026 mij niet op andere gedachten brengt. De verdachte in die zaak had zich verborgen in een kast in het huis van zijn ex-partner en op het moment dat de benadeelde (een vriend van de ex-partner) het zoontje van verdachte en de ex-partner in de desbetreffende kamer naar bed bracht, kwam hij tevoorschijn en heeft de verdachte de benadeelde meerdere malen in zijn gezicht gestompt. Het hof wees de vordering van de benadeelde partij toe, omdat de aard en de ernst van de normschending dusdanig waren dat een aantasting in de persoon kon worden aangenomen. De Hoge Raad casseerde de uitspraak van het hof voor wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel en overwoog in dat verband dat het oordeel van het hof dat de aard en ernst van de normschending zo ingrijpend zijn dat een onderbouwing met concrete gegevens van de aantasting in de persoon achterwege kan blijven, niet zonder meer begrijpelijk is. 3.18 Het cruciale verschil met de onderhavige zaak is dat in het voornoemde arrest het hof expliciet had overwogen dat het scheurtje in de kaak van de aangever in combinatie met de ervaren pijn onvoldoende was voor het aannemen van lichamelijk letsel (hetgeen mij gelet op de lage drempel voor lichamelijk letsel als onjuist voorkomt) en de toekenning van de vordering van de benadeelde had gebaseerd op de aard en de ernst van de normschending, terwijl het hof in de onderhavige zaak de toewijzing van de vordering juist wel heeft gestoeld op grond van lichamelijk letsel. 4 Het derde middel 4.1 Het derde middel bevat de klacht dat het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden, omdat het hof de stukken van het geding niet binnen de voorgeschreven inzendtermijn aan de Hoge Raad heeft toegezonden. 4.2 Dit middel slaagt. Op 24 april 2024 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. De stukken van de zaak zijn op 28 januari 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendingstermijn van acht maanden met ruim één maand overschreden, terwijl deze overschrijding niet is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. 5 Slotsom 5.1 Het eerste en het tweede middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motvering. Het derde middel slaagt. 5.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 09-320876-20. Vaak zal de bewezenverklaring in zijn geheel of in grote mate steunen op indirect bewijs en is het aan de feitenrechter om een ‘sprong’ te maken van de tenlastelegging naar de bewezenverklaring. Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Spronken van 16 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:62, r.o. 3.6.3. W.H.B.D. Dreissen, Bewijsmotivering in strafzaken (diss. Maastricht UM), Den Haag: Boom Juridisch 2007, p. 192. Zie HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1015, r.o. 2.3. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.9.2. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73. Zie hiervoor een conclusie van mijn ambtgenoot Keulen van 9 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:198, randnummer 28 waar hij verwijst naar HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956, NJ 2021/66 m.nt. S.D. Lindenbergh, waarin het hof uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer had afgeleid “dat het slachtoffer psychisch heeft geleden naar aanleiding van het onder 1 en 2 ten laste gelegde”. De Hoge Raad oordeelde dat in de overwegingen van het hof besloten lag dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de hier bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is (zie r.o. 2.4.2). Vgl. HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:97, r.o. 2.4. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, r.o. 3.4.Vgl. ook S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 86-87 en N.A. Schipper & L.A.J. Kock, Het slachtoffer. De positie van het slachtoffer en zijn rechten in het strafproces (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 19) , Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 129-130. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48, r.o. 2.7. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.3 en 3.6.2.