Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:PHR:2026:220
Strafrecht
48,334 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:220 text/xml public 2026-03-13T09:19:52 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02516 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:220 text/html public 2026-03-13T09:19:32 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:220 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02516 Conclusie AG. Onderzoek 13Koelruit. Eendaadse samenloop medeplegen opzettelijk drugshandel (art. 2 onder B en C Opiumwet); deelneming aan een criminele (drugs)organisatie (art. 11a (oud) Opiumwet) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). M1 grondslagverlating. M2 klaagt over oordeel dat verdachte wist dat auto cocaïne bevatte. M3 bewijsklachten inzake deelneming criminele organisatie. M4 strafmotivering. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep, art. 81 RO. Samenhang met 24/02518, 24/02580 en 24/02535. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02516 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004360-17) veroordeeld wegens 1. “de eendaadse samenloop van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 38 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof een tweetal voorwerpen verbeurd verklaard en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02518, 24/02580 en 24/02535. In de eerste twee zaken concludeer ik vandaag ook. In de zaak met het nummer 24/02535 is het cassatieberoep ingetrokken op 10 januari 2025. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en S.J. van der Woude, beiden advocaat in Amsterdam , hebben vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek 13Koelruit (ook wel: Koelruit) dat voortvloeit uit het onderzoek Cumana. De verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie die zich bezighield met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en/of gewoontewitwassen. Ook is de verdachte veroordeeld wegens het samen met anderen aanwezig hebben en vervoeren van een hoeveelheid van ongeveer 51 kilo cocaïne in een bedrijfsauto met een verborgen ruimte. Het eerste middel houdt in dat het hof niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging en deze grondslag heeft verlaten. Volgens het tweede middel kan het onder 1 bewezenverklaarde opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Het derde middel bevat een groot aantal (bewijs)klachten over het onder 3 bewezenverklaarde. Het vierde middel klaagt over de strafmotivering, in het bijzonder dat het hof art. 359 lid 6 laatste volzin Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, niet heeft nageleefd. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het eerste middel houdt in dat het hof niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging doordat het hof aan de tenlastelegging van feit 3 eerste onderdeel een uitleg heeft gegeven die niet strookt met de bewoordingen van die tenlastelegging terwijl de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad zich tegen die ruimere (interpretatie van de) tenlastelegging te verdedigen. 3.2 Aan de verdachte was voor zover in hoger beroep nog aan de orde onder 3 ten laste gelegd dat: “hij en/of zijn medeverdachte(n) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, hebben deelgenomen aan een criminele Organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen - veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of - een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden_ heeft/hebben gehad en/of - een of meerdere voertuigen (een (personen)auto (merk Citroen Berlingo, met [kenteken 1] ) en/of een (personen)auto (merk Volkswagen Jetta, met [kenteken 2] ) en/of een auto (merk Mercedes Vito, met [kenteken 3] ) voorhanden heeft/hebben gehad en/of ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of - een of meerdere woningen/panden (de woning(en)/pand(en) gelegen aan de perce(e)l(en) [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] en/of [c-straat 1] te [plaats] en/of [d-straat 1] te [plaats] en/of [e-straat 1] te [plaats] en/of [f-straat 1] te [plaats] ) ter beschikking heeft/hebben gesteld waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en); en/of hij (op een of meer tijdstippen)) in of omstreeks de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en/of te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele Organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededader(s): - [alias medeverdachte 1] en/of - [medeverdachte 2] en/of - [medeverdachte 3] - [medeverdachte 4] en/of - [medeverdachte 5] en/of - [medeverdachte 6] en/of een of meerdere ander perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben (art. 10 lid 3) van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevatten cocaïne, in elk geval van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 ( artikel 2 Opiumwet) en/of - het (gewoonte)witwassen van een of meerdere geldbedrag(en) uit misdrijf afkomstig (artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht).” 3.3 Het bestreden arrest houdt onder het kopje “5. Interpretatie van de tenlastelegging” het volgende in: “Het hof acht het aangewezen om, alvorens verder op de zaak in te gaan, zijn interpretatie van de tenlastelegging onder 3 te expliciteren, aangezien de tenlastelegging op dit punt op meerdere manieren kan worden gelezen. Gelet op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief (deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr met als oogmerk – kort gezegd – de invoer en verkoop van cocaïne), begrijpt het hof dat de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet te verwijten.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:220 text/xml public 2026-05-20T00:01:37 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02516 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:625 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:220 text/html public 2026-03-13T09:19:32 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:220 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02516 Conclusie AG. Onderzoek 13Koelruit. Eendaadse samenloop medeplegen opzettelijk drugshandel (art. 2 onder B en C Opiumwet); deelneming aan een criminele (drugs)organisatie (art. 11a (oud) Opiumwet) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). M1 grondslagverlating. M2 klaagt over oordeel dat verdachte wist dat auto cocaïne bevatte. M3 bewijsklachten inzake deelneming criminele organisatie. M4 strafmotivering. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep, art. 81 RO. Samenhang met 24/02518, 24/02580 en 24/02535. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02516 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004360-17) veroordeeld wegens 1. “de eendaadse samenloop van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 38 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof een tweetal voorwerpen verbeurd verklaard en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02518, 24/02580 en 24/02535. In de eerste twee zaken concludeer ik vandaag ook. In de zaak met het nummer 24/02535 is het cassatieberoep ingetrokken op 10 januari 2025. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en S.J. van der Woude, beiden advocaat in Amsterdam , hebben vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek 13Koelruit (ook wel: Koelruit) dat voortvloeit uit het onderzoek Cumana. De verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie die zich bezighield met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en/of gewoontewitwassen. Ook is de verdachte veroordeeld wegens het samen met anderen aanwezig hebben en vervoeren van een hoeveelheid van ongeveer 51 kilo cocaïne in een bedrijfsauto met een verborgen ruimte. Het eerste middel houdt in dat het hof niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging en deze grondslag heeft verlaten. Volgens het tweede middel kan het onder 1 bewezenverklaarde opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Het derde middel bevat een groot aantal (bewijs)klachten over het onder 3 bewezenverklaarde. Het vierde middel klaagt over de strafmotivering, in het bijzonder dat het hof art. 359 lid 6 laatste volzin Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, niet heeft nageleefd. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het eerste middel houdt in dat het hof niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging doordat het hof aan de tenlastelegging van feit 3 eerste onderdeel een uitleg heeft gegeven die niet strookt met de bewoordingen van die tenlastelegging terwijl de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad zich tegen die ruimere (interpretatie van de) tenlastelegging te verdedigen. 3.2 Aan de verdachte was voor zover in hoger beroep nog aan de orde onder 3 ten laste gelegd dat: “hij en/of zijn medeverdachte(n) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, hebben deelgenomen aan een criminele Organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen - veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of - een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden_ heeft/hebben gehad en/of - een of meerdere voertuigen (een (personen)auto (merk Citroen Berlingo, met [kenteken 1] ) en/of een (personen)auto (merk Volkswagen Jetta, met [kenteken 2] ) en/of een auto (merk Mercedes Vito, met [kenteken 3] ) voorhanden heeft/hebben gehad en/of ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of - een of meerdere woningen/panden (de woning(en)/pand(en) gelegen aan de perce(e)l(en) [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] en/of [c-straat 1] te [plaats] en/of [d-straat 1] te [plaats] en/of [e-straat 1] te [plaats] en/of [f-straat 1] te [plaats] ) ter beschikking heeft/hebben gesteld waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en); en/of hij (op een of meer tijdstippen)) in of omstreeks de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en/of te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele Organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededader(s): - [alias medeverdachte 1] en/of - [medeverdachte 2] en/of - [medeverdachte 3] - [medeverdachte 4] en/of - [medeverdachte 5] en/of - [medeverdachte 6] en/of een of meerdere ander perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben (art. 10 lid 3) van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevatten cocaïne, in elk geval van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 ( artikel 2 Opiumwet) en/of - het (gewoonte)witwassen van een of meerdere geldbedrag(en) uit misdrijf afkomstig (artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht).” 3.3 Het bestreden arrest houdt onder het kopje “5. Interpretatie van de tenlastelegging” het volgende in: “Het hof acht het aangewezen om, alvorens verder op de zaak in te gaan, zijn interpretatie van de tenlastelegging onder 3 te expliciteren, aangezien de tenlastelegging op dit punt op meerdere manieren kan worden gelezen. Gelet op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief (deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr met als oogmerk – kort gezegd – de invoer en verkoop van cocaïne), begrijpt het hof dat de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet te verwijten.
Volledig
Met herstel van kennelijke misslagen en wegstreping van overbodige gedeelten, leest het hof de tenlastelegging onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief daarom aldus dat aan de verdachte wordt verweten dat: hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en)cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; Voor wat betreft het tenlastegelegde onder 3, tweede cumulatief/alternatief, leest het hof de naam ‘ [alias medeverdachte 1] ’ als ‘ [medeverdachte 1] ’, nu [alias medeverdachte 1] de valse naam is van [medeverdachte 1] .” 3.4 Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en hij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 1] en - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 7] en - [medeverdachte 6] en een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig.” 3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter moet op grond van art. 348 en art. 350 Sv beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging. De grondslagleer brengt onder meer mee dat de rechter “bij de bewijsvraag niet buiten de oevers van de tenlastelegging mag treden en aldus niet meer of anders mag bewezen verklaren dan ten laste is gelegd. Doet hij dat wel, dan is sprake van grondslagverlating”. Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, mits de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Zo een verbetering “is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist”. Voorts geldt dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie moet worden geëerbiedigd zolang die uitleg niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Voor de uitleg van de tenlastelegging kunnen de wettelijke bepalingen waarin het feit strafbaar is gesteld alsmede het onderliggende dossier aanknopingspunten bieden. Een feitelijke specificatie van het ten laste gelegde mag worden weggelaten uit een bewezenverklaring als en voor zover die specificatie geen essentieel onderdeel is van de tenlastelegging. Een richtinggevend uitgangspunt bij het voorgaande is “een redelijke uitleg van de tenlastelegging, dat wil zeggen een uitleg die recht doet aan de bedoelingen van een redelijke steller van een tenlastelegging”. In geen geval mag het feit dat bewezen wordt verklaard een ander feit zijn dan hetgeen ten laste is gelegd. 3.6 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de wijze waarop het hof in het bestreden arrest onder het kopje “De interpretatie van de tenlastelegging” het eerste onderdeel van de tenlastelegging onder 3 heeft “geïnterpreteerd en gewijzigd” (onder 3.3), leidt tot een “wezenlijk ander en ruimer verwijt” dan is tenlastegelegd. De stellers van het middel wijzen in het bijzonder op het (achtereenvolgens onder 3.7 t/m 3.14 te bespreken) (i) verlengen van de tenlastegelegde periode; (ii) wijzigen van het oogmerk van de criminele organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet; (iii) het weglaten van de concrete deelnemingshandelingen. 3.7 Ten eerste heeft het hof volgens de stellers van het middel de ten laste gelegde periode verlengd van 5 april 2014 naar 15 juni 2014. 3.8 Hoewel het hof onder het kopje “5. De interpretatie van de tenlastelegging” de ten laste gelegde periode van het onder feit 3 eerste onderdeel heeft verlengd van 5 april 2014 naar 15 juni 2014 faalt deze klacht – wat daar verder ook van zij – bij gebrek aan belang, nu enkel is bewezenverklaard dat de verdachte kort gezegd heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014. 3.9 Ten tweede zou het hof bij zijn uitleg een “essentieel onderdeel” van de tenlastelegging hebben weggelaten, te weten dat de criminele (drugs)organisatie het oogmerk had om de feiten bedoeld in art. 10 lid 4 en 5 Opiumwet “voor te bereiden en/of te bevorderen” (zoals bedoeld in art. 10a Opiumwet) en dus niet om deze feiten te “plegen”. 3.10 Het hof is onder het kopje “5. De interpretatie van de tenlastelegging” tot de daar geformuleerde interpretatie (opgenomen onder 3.3) gekomen “met herstel van kennelijke misslagen en wegstreping van overbodige gedeelten” en gelet “op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief”. Het hof heeft daartoe overwogen dat het de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest “om onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet te verwijten”. 3.11 Niet is vereist dat het oogmerk van de organisatie nader in de tenlastelegging wordt omschreven. Het oogmerk moet wel uit de bewijsvoering blijken. De nadere omschrijving van de tenlastelegging is dus niet, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, een “essentieel onderdeel” dat door het hof is weggelaten. Reeds omwille daarvan faalt de klacht. Daarbij merk ik voorts op dat de omstandigheid dat het hof het oogmerk van de organisatie in lijn met de bedoeling van de steller van de tenlastelegging heeft gebracht op de wijze omschreven onder 3.9 niet met zich brengt dat de verdachte een ander verwijt is gemaakt. In zowel de oorspronkelijke tenlastelegging (onder 3.2) als de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven (onder 3.3) gaat het kort gezegd om deelneming aan een criminele (drugs)organisatie. Overigens zou er mijns inziens geen rechtsregel aan in de weg hebben gestaan om de term bevorderen in de onderhavige tenlastelegging mede feitelijk uit te leggen en deze daarbij dan zo te verstaan dat die ook plegen kan omvatten, waartoe dan van belang is dat een feit ook wordt bevorderd door het te plegen. Ook in dat opzicht brengt de term bevorderen dus niet de beperking mee die de stellers van het middel eraan toekennen. 3.12 Ten derde zou het tenlastegelegde niet langer zijn beperkt “tot die min of meer concrete handelingen, maar in beginsel àlle denkbare handelingen [kunnen omvatten]” doordat het hof de achter de vier gedachtestreepjes concreet vermelde handelingen heeft weggelaten. 3.13 Het hof is onder het kopje “5. De interpretatie van de tenlastelegging” tot de daar geformuleerde interpretatie (opgenomen onder 3.3) gekomen met “wegstreping van overbodige gedeelten”.
Volledig
Met herstel van kennelijke misslagen en wegstreping van overbodige gedeelten, leest het hof de tenlastelegging onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief daarom aldus dat aan de verdachte wordt verweten dat: hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en)cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; Voor wat betreft het tenlastegelegde onder 3, tweede cumulatief/alternatief, leest het hof de naam ‘ [alias medeverdachte 1] ’ als ‘ [medeverdachte 1] ’, nu [alias medeverdachte 1] de valse naam is van [medeverdachte 1] .” 3.4 Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en hij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 1] en - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 7] en - [medeverdachte 6] en een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig.” 3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter moet op grond van art. 348 en art. 350 Sv beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging. De grondslagleer brengt onder meer mee dat de rechter “bij de bewijsvraag niet buiten de oevers van de tenlastelegging mag treden en aldus niet meer of anders mag bewezen verklaren dan ten laste is gelegd. Doet hij dat wel, dan is sprake van grondslagverlating”. Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, mits de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Zo een verbetering “is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist”. Voorts geldt dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie moet worden geëerbiedigd zolang die uitleg niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Voor de uitleg van de tenlastelegging kunnen de wettelijke bepalingen waarin het feit strafbaar is gesteld alsmede het onderliggende dossier aanknopingspunten bieden. Een feitelijke specificatie van het ten laste gelegde mag worden weggelaten uit een bewezenverklaring als en voor zover die specificatie geen essentieel onderdeel is van de tenlastelegging. Een richtinggevend uitgangspunt bij het voorgaande is “een redelijke uitleg van de tenlastelegging, dat wil zeggen een uitleg die recht doet aan de bedoelingen van een redelijke steller van een tenlastelegging”. In geen geval mag het feit dat bewezen wordt verklaard een ander feit zijn dan hetgeen ten laste is gelegd. 3.6 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de wijze waarop het hof in het bestreden arrest onder het kopje “De interpretatie van de tenlastelegging” het eerste onderdeel van de tenlastelegging onder 3 heeft “geïnterpreteerd en gewijzigd” (onder 3.3), leidt tot een “wezenlijk ander en ruimer verwijt” dan is tenlastegelegd. De stellers van het middel wijzen in het bijzonder op het (achtereenvolgens onder 3.7 t/m 3.14 te bespreken) (i) verlengen van de tenlastegelegde periode; (ii) wijzigen van het oogmerk van de criminele organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet; (iii) het weglaten van de concrete deelnemingshandelingen. 3.7 Ten eerste heeft het hof volgens de stellers van het middel de ten laste gelegde periode verlengd van 5 april 2014 naar 15 juni 2014. 3.8 Hoewel het hof onder het kopje “5. De interpretatie van de tenlastelegging” de ten laste gelegde periode van het onder feit 3 eerste onderdeel heeft verlengd van 5 april 2014 naar 15 juni 2014 faalt deze klacht – wat daar verder ook van zij – bij gebrek aan belang, nu enkel is bewezenverklaard dat de verdachte kort gezegd heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014. 3.9 Ten tweede zou het hof bij zijn uitleg een “essentieel onderdeel” van de tenlastelegging hebben weggelaten, te weten dat de criminele (drugs)organisatie het oogmerk had om de feiten bedoeld in art. 10 lid 4 en 5 Opiumwet “voor te bereiden en/of te bevorderen” (zoals bedoeld in art. 10a Opiumwet) en dus niet om deze feiten te “plegen”. 3.10 Het hof is onder het kopje “5. De interpretatie van de tenlastelegging” tot de daar geformuleerde interpretatie (opgenomen onder 3.3) gekomen “met herstel van kennelijke misslagen en wegstreping van overbodige gedeelten” en gelet “op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief”. Het hof heeft daartoe overwogen dat het de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest “om onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet te verwijten”. 3.11 Niet is vereist dat het oogmerk van de organisatie nader in de tenlastelegging wordt omschreven. Het oogmerk moet wel uit de bewijsvoering blijken. De nadere omschrijving van de tenlastelegging is dus niet, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, een “essentieel onderdeel” dat door het hof is weggelaten. Reeds omwille daarvan faalt de klacht. Daarbij merk ik voorts op dat de omstandigheid dat het hof het oogmerk van de organisatie in lijn met de bedoeling van de steller van de tenlastelegging heeft gebracht op de wijze omschreven onder 3.9 niet met zich brengt dat de verdachte een ander verwijt is gemaakt. In zowel de oorspronkelijke tenlastelegging (onder 3.2) als de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven (onder 3.3) gaat het kort gezegd om deelneming aan een criminele (drugs)organisatie. Overigens zou er mijns inziens geen rechtsregel aan in de weg hebben gestaan om de term bevorderen in de onderhavige tenlastelegging mede feitelijk uit te leggen en deze daarbij dan zo te verstaan dat die ook plegen kan omvatten, waartoe dan van belang is dat een feit ook wordt bevorderd door het te plegen. Ook in dat opzicht brengt de term bevorderen dus niet de beperking mee die de stellers van het middel eraan toekennen. 3.12 Ten derde zou het tenlastegelegde niet langer zijn beperkt “tot die min of meer concrete handelingen, maar in beginsel àlle denkbare handelingen [kunnen omvatten]” doordat het hof de achter de vier gedachtestreepjes concreet vermelde handelingen heeft weggelaten. 3.13 Het hof is onder het kopje “5. De interpretatie van de tenlastelegging” tot de daar geformuleerde interpretatie (opgenomen onder 3.3) gekomen met “wegstreping van overbodige gedeelten”.
Volledig
3.14 Uit de omstandigheid dat het hof de achter de vier gedachtestreepjes concreet vermelde handelingen heeft weggestreept, leid ik af dat het hof van oordeel is dat het opnemen daarvan in de tenlastelegging overbodig is. Dat oordeel is – mede gelet op hetgeen onder 3.5 is vooropgesteld – niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad stelt aan een op art. 140 Sr toegesneden tenlastelegging immers niet de eis dat daarin nader geconcretiseerd wordt in welke handelingen die deelneming heeft bestaan. Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn voor een tenlastelegging toegesneden op art. 11a (oud) Opiumwet. Ook de klacht dat de tenlastelegging nietig zou zijn, omdat deze zonder de geconcretiseerde handelingen niet langer duidelijk is faalt, omdat deelnemen niet enkel een kwalificatieve, maar ook een feitelijke inhoud heeft. 3.15 Gelet op het voorgaande is de uitleg die het hof heeft gegeven aan het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De verdachte is door de uitleg die het hof aan het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet in zijn verdediging geschaad. Van grondslagverlating is derhalve geen sprake. 3.16 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd, omdat het opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid nu daaruit niet kan blijken dat de verdachte zich minst genomen bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zich in de door hem bestuurde auto een hoeveelheid cocaïne bevond. 4.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat: “hij op 5 april 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 51 kilogram cocaïne (in de Mercedes Vito met [kenteken 4] ).” 4.3 Het onder 1 bewezenverklaarde berust op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten): “ 16. De verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank [plaats] op 16 oktober 2017. Deze verklaring houdt onder meer in, zakelijk weergegeven: Ik heb 5 april 2014 gereden in het busje. Ik moest dozen ophalen en afleveren. Ik heb [medeverdachte 2] gevraagd of de dozen even konden worden bewaard op een adres in [plaats] . Ik heb gevraagd of de dozen op de [f-straat] konden worden bewaard. [medeverdachte 2] heeft geholpen de dozen uit de auto te halen en naar het appartement te brengen. In de dozen zat cocaïne. Ik heb de dozen naar de [f-straat] gebracht. Ik heb de dozen naar boven gebracht. Ik liep mee naar boven. Ik heb de dozen in de wc achtergelaten. Ik ben in de bus teruggereden naar de [f-straat] . Ik had cocaïne gehaald. Dat waren de kilo’s in de verborgen ruimte. [medeverdachte 2] heeft een tas gehaald uit het appartement. Ik had hem dat gevraagd. In de tas zat cocaïne. Toen ik de parkeergarage in ging heb ik [verdachte] gebeld. [medeverdachte 2] kwam achter mij aan. Op dat moment kwam [verdachte] . [verdachte] bestuurde de Vito toen we uit de parkeergarage reden. Toen kwam de politie. Ik moest afleveren wat in het busje zat. 17. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 1] van 19 november 2014 van de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde getuige, zakelijk weergegeven: U houdt mij voor de foto van [medeverdachte 2] . Die ken ik als [medeverdachte 2] . U houdt mij voor de foto van [medeverdachte 3] . Dat meisje heb ik gezien op de dag van mijn aanhouding. U vraagt mij wat er is gebeurd op 5 april 2014. Ik heb aan [medeverdachte 2] gevraagd die dag om met mij een aantal dozen op te halen en naar [plaats] te brengen. Ik wist wat er in die dozen zat. Die dozen stonden in het busje waarin ik later aangehouden ben. Eerder op die dag was ik met [medeverdachte 2] de dozen gaan ophalen. Deze dozen hebben we vervolgens naar het appartement gebracht. Dat was rond het middaguur. Ik heb die dozen in de badkamer gezet. Dat was de badkamer op de eerste etage waar ook de woonkamer en de keuken zat. Ik ben toen met [medeverdachte 2] weggegaan. Op enig moment kreeg ik de opdracht om terug te gaan naar [plaats] . Ik moest terug naar de plaats waar ik eerder die dag dozen had gehaald die vervolgens naar de [f-straat] zijn gebracht. Ik heb toen [verdachte] gebeld of hij een auto voor mij naar [plaats] wilde brengen. Ik heb [medeverdachte 2] gevraagd een Albert Heijn tas uit het appartement [f-straat 1] te halen. De inhoud van de tas is later teruggevonden in het busje. 18. Een proces-verbaal met nummer PL17D0-2014147681-6 van 5 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , (dossierpagina’s 036 en 037 zaaksdossier 100 kilo cocaïne). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op zaterdag 5 april 2014 omstreeks 17.40 uur werden wij gestuurd naar de [g-straat] te [plaats] . Wij zagen de Mercedes Vito met [kenteken 4] voor de deur van de parkeergarage staan. Wij zagen dat de bestuurder onze kant op kwam lopen. Wij hoorden dat hij vroeg of hij er langs mocht met zijn voertuig. Hierop hebben wij hem aangehouden. Ik zag dat de bijrijder nog in de Vito zat. Ik riep naar hem dat hij was aangehouden en moest uitstappen. De bestuurder gaf op te zijn [verdachte] . De bijrijder gaf op te zijn [alias medeverdachte 1] . 19. Een proces-verbaal met nummer 1998463 van 7 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , (dossierpagina’s 143-147 zaaksdossier 100 kilo cocaïne). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op 7 april 2014 is de Mercedes Vito met [kenteken 4] doorzocht. Dit voertuig werd op zaterdag 5 april 2014 inbeslaggenomen. De Mercedes Vito was op dat moment in gebruik bij [alias medeverdachte 1] (passagier) en [verdachte] (bestuurder). Bij het openen van de achterklep zagen wij een blauw aggregaat, dat was vastgemaakt met spanbanden, met daarachter 2 rode gereedschapskasten. Na verwijdering van het aggregaat en de 2 gereedschapskasten zag ik, verbalisant, op de bodemplaat twee rechthoeken uit de bodem gesneden van ongeveer 25x40 cm. Na het openen van de linker rechthoek zagen wij een aantal pakketten liggen, zeer gelijkend op de pakketten aangetroffen in de [f-straat 1] . Wij hebben alle pakketten uit de rechthoeken gehaald. Na telling ging het om totaal 51 pakketten van ongeveer 1 kg per stuk, de meeste wit van kleur en enkele bruin van kleur. Enkele pakketten waren voorzien van een stervormig stempel, gelijk aan het stempel aangetroffen op de pakketten cocaïne uit de [f-straat 1] . Ook werd een zogenaamde ‘sweeper’ aangetroffen. Dat is een apparaat dat criminelen gebruiken om hun voertuig te sweepen oftewel te controleren op de aanwezigheid van technische hulpmiddelen ingezet door de politie of criminelen van de tegenpartij. 20. Een proces-verbaal met nummer PL135J-2013287624-86 van 20 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , (dossierpagina's 513 – 515 zaaksdossier 100 kilo cocaïne). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: Op 7 april 2014 heb ik met twee collega’s onderzoek verricht aan het voertuig Mercedes Benz Vito [kenteken 4] . Resultaat van onderzoek en bevindingen: De verborgen ruimte is niet fabrieksmatig aangebracht. Het kan worden aangenomen dat de verborgen ruimte tussen de vloeren speciaal is gecreëerd met kennelijk als doel om voorwerpen buiten het oog van politie, douane of andere opsporingsdiensten te houden. 21. Een geschrift, te weten een verslag van 23 mei 2014, rapportnummer 0764N14 van [desskundige] , forensisch expert, opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed (dossierpagina 728 zaaksdossier 100 kilo cocaïne, aanvulling pro forma 25 september 2014).
Volledig
3.14 Uit de omstandigheid dat het hof de achter de vier gedachtestreepjes concreet vermelde handelingen heeft weggestreept, leid ik af dat het hof van oordeel is dat het opnemen daarvan in de tenlastelegging overbodig is. Dat oordeel is – mede gelet op hetgeen onder 3.5 is vooropgesteld – niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad stelt aan een op art. 140 Sr toegesneden tenlastelegging immers niet de eis dat daarin nader geconcretiseerd wordt in welke handelingen die deelneming heeft bestaan. Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn voor een tenlastelegging toegesneden op art. 11a (oud) Opiumwet. Ook de klacht dat de tenlastelegging nietig zou zijn, omdat deze zonder de geconcretiseerde handelingen niet langer duidelijk is faalt, omdat deelnemen niet enkel een kwalificatieve, maar ook een feitelijke inhoud heeft. 3.15 Gelet op het voorgaande is de uitleg die het hof heeft gegeven aan het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De verdachte is door de uitleg die het hof aan het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde niet in zijn verdediging geschaad. Van grondslagverlating is derhalve geen sprake. 3.16 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd, omdat het opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid nu daaruit niet kan blijken dat de verdachte zich minst genomen bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zich in de door hem bestuurde auto een hoeveelheid cocaïne bevond. 4.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat: “hij op 5 april 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 51 kilogram cocaïne (in de Mercedes Vito met [kenteken 4] ).” 4.3 Het onder 1 bewezenverklaarde berust op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten): “ 16. De verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank [plaats] op 16 oktober 2017. Deze verklaring houdt onder meer in, zakelijk weergegeven: Ik heb 5 april 2014 gereden in het busje. Ik moest dozen ophalen en afleveren. Ik heb [medeverdachte 2] gevraagd of de dozen even konden worden bewaard op een adres in [plaats] . Ik heb gevraagd of de dozen op de [f-straat] konden worden bewaard. [medeverdachte 2] heeft geholpen de dozen uit de auto te halen en naar het appartement te brengen. In de dozen zat cocaïne. Ik heb de dozen naar de [f-straat] gebracht. Ik heb de dozen naar boven gebracht. Ik liep mee naar boven. Ik heb de dozen in de wc achtergelaten. Ik ben in de bus teruggereden naar de [f-straat] . Ik had cocaïne gehaald. Dat waren de kilo’s in de verborgen ruimte. [medeverdachte 2] heeft een tas gehaald uit het appartement. Ik had hem dat gevraagd. In de tas zat cocaïne. Toen ik de parkeergarage in ging heb ik [verdachte] gebeld. [medeverdachte 2] kwam achter mij aan. Op dat moment kwam [verdachte] . [verdachte] bestuurde de Vito toen we uit de parkeergarage reden. Toen kwam de politie. Ik moest afleveren wat in het busje zat. 17. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 1] van 19 november 2014 van de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam . Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde getuige, zakelijk weergegeven: U houdt mij voor de foto van [medeverdachte 2] . Die ken ik als [medeverdachte 2] . U houdt mij voor de foto van [medeverdachte 3] . Dat meisje heb ik gezien op de dag van mijn aanhouding. U vraagt mij wat er is gebeurd op 5 april 2014. Ik heb aan [medeverdachte 2] gevraagd die dag om met mij een aantal dozen op te halen en naar [plaats] te brengen. Ik wist wat er in die dozen zat. Die dozen stonden in het busje waarin ik later aangehouden ben. Eerder op die dag was ik met [medeverdachte 2] de dozen gaan ophalen. Deze dozen hebben we vervolgens naar het appartement gebracht. Dat was rond het middaguur. Ik heb die dozen in de badkamer gezet. Dat was de badkamer op de eerste etage waar ook de woonkamer en de keuken zat. Ik ben toen met [medeverdachte 2] weggegaan. Op enig moment kreeg ik de opdracht om terug te gaan naar [plaats] . Ik moest terug naar de plaats waar ik eerder die dag dozen had gehaald die vervolgens naar de [f-straat] zijn gebracht. Ik heb toen [verdachte] gebeld of hij een auto voor mij naar [plaats] wilde brengen. Ik heb [medeverdachte 2] gevraagd een Albert Heijn tas uit het appartement [f-straat 1] te halen. De inhoud van de tas is later teruggevonden in het busje. 18. Een proces-verbaal met nummer PL17D0-2014147681-6 van 5 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , (dossierpagina’s 036 en 037 zaaksdossier 100 kilo cocaïne). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op zaterdag 5 april 2014 omstreeks 17.40 uur werden wij gestuurd naar de [g-straat] te [plaats] . Wij zagen de Mercedes Vito met [kenteken 4] voor de deur van de parkeergarage staan. Wij zagen dat de bestuurder onze kant op kwam lopen. Wij hoorden dat hij vroeg of hij er langs mocht met zijn voertuig. Hierop hebben wij hem aangehouden. Ik zag dat de bijrijder nog in de Vito zat. Ik riep naar hem dat hij was aangehouden en moest uitstappen. De bestuurder gaf op te zijn [verdachte] . De bijrijder gaf op te zijn [alias medeverdachte 1] . 19. Een proces-verbaal met nummer 1998463 van 7 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , (dossierpagina’s 143-147 zaaksdossier 100 kilo cocaïne). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: Op 7 april 2014 is de Mercedes Vito met [kenteken 4] doorzocht. Dit voertuig werd op zaterdag 5 april 2014 inbeslaggenomen. De Mercedes Vito was op dat moment in gebruik bij [alias medeverdachte 1] (passagier) en [verdachte] (bestuurder). Bij het openen van de achterklep zagen wij een blauw aggregaat, dat was vastgemaakt met spanbanden, met daarachter 2 rode gereedschapskasten. Na verwijdering van het aggregaat en de 2 gereedschapskasten zag ik, verbalisant, op de bodemplaat twee rechthoeken uit de bodem gesneden van ongeveer 25x40 cm. Na het openen van de linker rechthoek zagen wij een aantal pakketten liggen, zeer gelijkend op de pakketten aangetroffen in de [f-straat 1] . Wij hebben alle pakketten uit de rechthoeken gehaald. Na telling ging het om totaal 51 pakketten van ongeveer 1 kg per stuk, de meeste wit van kleur en enkele bruin van kleur. Enkele pakketten waren voorzien van een stervormig stempel, gelijk aan het stempel aangetroffen op de pakketten cocaïne uit de [f-straat 1] . Ook werd een zogenaamde ‘sweeper’ aangetroffen. Dat is een apparaat dat criminelen gebruiken om hun voertuig te sweepen oftewel te controleren op de aanwezigheid van technische hulpmiddelen ingezet door de politie of criminelen van de tegenpartij. 20. Een proces-verbaal met nummer PL135J-2013287624-86 van 20 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , (dossierpagina's 513 – 515 zaaksdossier 100 kilo cocaïne). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: Op 7 april 2014 heb ik met twee collega’s onderzoek verricht aan het voertuig Mercedes Benz Vito [kenteken 4] . Resultaat van onderzoek en bevindingen: De verborgen ruimte is niet fabrieksmatig aangebracht. Het kan worden aangenomen dat de verborgen ruimte tussen de vloeren speciaal is gecreëerd met kennelijk als doel om voorwerpen buiten het oog van politie, douane of andere opsporingsdiensten te houden. 21. Een geschrift, te weten een verslag van 23 mei 2014, rapportnummer 0764N14 van [desskundige] , forensisch expert, opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed (dossierpagina 728 zaaksdossier 100 kilo cocaïne, aanvulling pro forma 25 september 2014).
Volledig
Item: 4736204 A Omschrijving: 70 in plastic gesealde blokken samengeperst wit poeder, indruk: ster, totaalgewicht: 35,1 kg Bevat: cocaïne Item: 4736204 B Omschrijving: 26,5 in plastic gesealde blokken samengeperst wit poeder, indruk: “7A”, totaalgewicht: 13,3 kg Bevat: cocaïne 22. Een geschrift, te weten een verslag van 23 april 2014, rapportnummer 0512N14 van [desskundige] , forensisch expert, opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed (dossierpagina 729 zaaksdossier 100 kilo cocaïne, aanvulling pro forma 25 september 2014). Item: 4736737A Omschrijving: 2 in bruine tape gewikkelde pakken, waaromheen plastic folie, met 999 g samengeperst vuilwit poeder, indruk: “7A” Bevat: cocaïne Item: 4736737B Omschrijving: 1 sealbag waarin 2 in transparante tape gewikkelde pakken met 1,01 kg samengeperst vuilwit poeder, indruk: ster Bevat: cocaïne 23. Een Kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina’s 160 en 161 Beslagdossier). Inbeslagneming Datum: 7 april 2014 Omstandigheden: deze twee blokken zijn aangetroffen tijdens doorzoeking in verborgen ruimtes in het voertuig voorzien van [kenteken 4] , Mercedes Vito Volgnummer 1 Goednummer: PL13ZC-2013287624-4736737 Bijzonderheden: 1 blok bruin en 1 wit 24. Een Kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina’s 162 en 163 Beslagdossier). Inbeslagneming Datum: 7 april 2014 Omstandigheden: tijdens doorzoeking aangetroffen in verborgen ruimtes in het voertuig Voorzien van het [kenteken 4] , merk Mercedes Vito Volgnummer 1 Goednummer: PL13ZC-2013287624-4736204 Inhoud: 49 blokken, waarvan 12 met bruin plastic en 37 met wit plastic 25. Een proces-verbaal van verdenkingen [verdachte] met nummer 2013287624 van 18 november 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T035, dossierpagina’s 0415 - 0431, specifiek pagina’s 0429 en 0430 (zaaksdossier criminele organisatie). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven: Kasboek [e-straat] In de woning, [e-straat 1] te [plaats] , werd administratie aangetroffen. Hierin staan voornamelijk geldbedragen en data, zoals: (…) “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estelle (=Ster)" (...) Dit staat bij 5 april 2014 vermeld de dag van de aanhouding van onder andere de [verdachte] en inbeslagname verdovende middelen. Op de aangetroffen pakken verdovende middelen is een afdruk te zien van een ster.” 4.4 Het bestreden arrest houdt verder nog het volgende in: “ b. Feit 1 (zaaksdossier ‘100 kilo’) […] Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] geen wetenschap had van de cocaïne die zich in de verborgen ruimte van de Mercedes Vito bevond. Oordeel van het hof Het hof leidt uit het dossier het volgende af. Op 5 april 2014 hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de Mercedes Vito met [kenteken 4] cocaïne opgehaald en zijn daarmee naar de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] gereden. Na door [medeverdachte 1] te zijn gebeld heeft [verdachte] zich bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de parkeergarage bij de [f-straat] gevoegd. Vervolgens is de in die garage staande Mercedes Vito weggereden met [verdachte] achter het stuur en [medeverdachte 1] als bijrijder. Toen hij met deze auto de garage wilde verlaten, greep de politie in en heeft [verdachte] en [medeverdachte 1] aangehouden. De Mercedes Vito is door de politie doorzocht waarbij in een verborgen ruimte van de Mercedes Vito ongeveer 51 kilo cocaïne is aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft een bekennende verklaring afgelegd voor wat betreft zijn aandeel in dit feit en kan verantwoordelijk worden gehouden voor de in de Mercedes Vito aangetroffen hoeveelheid cocaïne. Het hof is van oordeel dat naast [medeverdachte 1] ook [medeverdachte 2] en [verdachte] als medeplegers moeten worden aangemerkt. De feitelijke betrokkenheid van [verdachte] blijkt uit het voorgaande. [verdachte] heeft op 5 april 2014 de Mercedes Vito bestuurd met daarin (in de verborgen ruimte) ongeveer 51 kilo cocaïne. Dat hij wist dat in de Mercedes Vito cocaïne zat, leidt het hof af uit het volgende. Zoals volgt uit het hierna te bespreken zaaksdossier ‘criminele organisatie’ zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contacten van [verdachte] waarmee hij zich destijds, zo is het hof van oordeel, in georganiseerd verband bezig hield met grootschalige cocaïnehandel. [verdachte] is door één van hen – [medeverdachte 1] – gebeld, waarna hij hen beiden heeft getroffen in een parkeergarage. [verdachte] is met [medeverdachte 1] in de Mercedes Vito weggereden met de zich in de verborgen ruimte bevindende cocaïne. Dit past bij een nauw samenwerkingsverband binnen voornoemde criminele organisatie. In dat verband is ook van belang de notitie in het hierna te bespreken kasboek van deze organisatie dat is aangetroffen op de [e-straat 1] te [plaats] . Daarin staat bij de datum van 5 april 2014 genoteerd “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” Zoals hiervoor besproken wordt [verdachte] ook ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ genoemd. Estrella is het Spaanse woord voor ster. Het merendeel van de in de Mercedes Vito aangetroffen pakketten cocaïne was voorzien van een gestanste ster. Op grond hiervan concludeert het hof dat deze aantekening ziet op die inbeslaggenomen cocaïne. Het wijst er ook op dat voor de cocaïnetransactie een bedrag van € 2.329.330 is betaald door [verdachte] . Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat [verdachte] wist dat de Mercedes Vito cocaïne bevatte. Er volgt verder ook uit dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten aanzien van de ongeveer 51 kilo cocaïne die daarin is aangetroffen. Gelet op zijn rol én wetenschap, waarmee hij mede de beschikkingsmacht had over de cocaïne in de Mercedes Vito, kan [verdachte] dan ook als medepleger worden aangemerkt. […]” 4.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte wist, eventueel in voorwaardelijke vorm, dat zich in de door hem bestuurde auto cocaïne bevond. Door het hof is overwogen dat de aantekening in het kasboek (bij de datum van 5 april, PHvK ) “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” de in beslag genomen cocaïne betreft. Dit zou onbegrijpelijk zijn omdat uit het proces-verbaal van bevindingen kasboek (bewijsmiddel 27) blijkt dat de organisatie voor 1 kilo cocaïne een bedrag van (ongeveer) € 28.000,- placht te ontvangen, wat ook de groothandelprijs van cocaïne is, zodat voor de in beslag genomen 51 kilo cocaïne ongeveer € 1.428.000,- moet zijn betaald hetgeen niet overeenkomt met het bedrag van € 2.329.220,- in het proces-verbaal bevindingen kasboek. Het proces-verbaal van verdenkingen (bewijsmiddel 25) waarin is gerelateerd dat in een aangetroffen kasboeknotitie “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estelle (=Ster)" is vermeld bij 5 april 2014, “de dag van de aanhouding van onder andere de [verdachte] en inbeslagname verdovende middelen”, zou omwille van het voorgaande niet redengevend zijn voor het bewijs, nu voornoemd proces-verbaal er eerder op wijst dat de verdachte “juist niet met de partij cocaïne in de Mercedes Vito te maken had”. 4.6 Volgens het oordeel van het hof wist de verdachte dat de Mercedes Vito cocaïne bevatte. Blijkens de onder 4.4 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof dit oordeel in de volgende omstandigheden verankerd. Ten eerste dat (“zoals volgt uit het […] zaaksdossier ‘criminele organisatie’”; zie hierna onder 4.7) de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contacten van de verdachte zijn waarmee hij zich destijds in georganiseerd verband bezig hield met grootschalige cocaïnehandel. De feitelijke gang van zaken op 5 april 2014 – het door [medeverdachte 1] gebeld worden, waarna de verdachte deze [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een parkeergarage treft en samen met [medeverdachte 1] in de Mercedes Vito met de zich in de verborgen ruimte bevindende cocaïne wegrijdt – past volgens het hof bij een nauw samenwerkingsverband binnen voornoemde criminele organisatie.
Volledig
Item: 4736204 A Omschrijving: 70 in plastic gesealde blokken samengeperst wit poeder, indruk: ster, totaalgewicht: 35,1 kg Bevat: cocaïne Item: 4736204 B Omschrijving: 26,5 in plastic gesealde blokken samengeperst wit poeder, indruk: “7A”, totaalgewicht: 13,3 kg Bevat: cocaïne 22. Een geschrift, te weten een verslag van 23 april 2014, rapportnummer 0512N14 van [desskundige] , forensisch expert, opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed (dossierpagina 729 zaaksdossier 100 kilo cocaïne, aanvulling pro forma 25 september 2014). Item: 4736737A Omschrijving: 2 in bruine tape gewikkelde pakken, waaromheen plastic folie, met 999 g samengeperst vuilwit poeder, indruk: “7A” Bevat: cocaïne Item: 4736737B Omschrijving: 1 sealbag waarin 2 in transparante tape gewikkelde pakken met 1,01 kg samengeperst vuilwit poeder, indruk: ster Bevat: cocaïne 23. Een Kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina’s 160 en 161 Beslagdossier). Inbeslagneming Datum: 7 april 2014 Omstandigheden: deze twee blokken zijn aangetroffen tijdens doorzoeking in verborgen ruimtes in het voertuig voorzien van [kenteken 4] , Mercedes Vito Volgnummer 1 Goednummer: PL13ZC-2013287624-4736737 Bijzonderheden: 1 blok bruin en 1 wit 24. Een Kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina’s 162 en 163 Beslagdossier). Inbeslagneming Datum: 7 april 2014 Omstandigheden: tijdens doorzoeking aangetroffen in verborgen ruimtes in het voertuig Voorzien van het [kenteken 4] , merk Mercedes Vito Volgnummer 1 Goednummer: PL13ZC-2013287624-4736204 Inhoud: 49 blokken, waarvan 12 met bruin plastic en 37 met wit plastic 25. Een proces-verbaal van verdenkingen [verdachte] met nummer 2013287624 van 18 november 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T035, dossierpagina’s 0415 - 0431, specifiek pagina’s 0429 en 0430 (zaaksdossier criminele organisatie). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven: Kasboek [e-straat] In de woning, [e-straat 1] te [plaats] , werd administratie aangetroffen. Hierin staan voornamelijk geldbedragen en data, zoals: (…) “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estelle (=Ster)" (...) Dit staat bij 5 april 2014 vermeld de dag van de aanhouding van onder andere de [verdachte] en inbeslagname verdovende middelen. Op de aangetroffen pakken verdovende middelen is een afdruk te zien van een ster.” 4.4 Het bestreden arrest houdt verder nog het volgende in: “ b. Feit 1 (zaaksdossier ‘100 kilo’) […] Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] geen wetenschap had van de cocaïne die zich in de verborgen ruimte van de Mercedes Vito bevond. Oordeel van het hof Het hof leidt uit het dossier het volgende af. Op 5 april 2014 hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de Mercedes Vito met [kenteken 4] cocaïne opgehaald en zijn daarmee naar de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] gereden. Na door [medeverdachte 1] te zijn gebeld heeft [verdachte] zich bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de parkeergarage bij de [f-straat] gevoegd. Vervolgens is de in die garage staande Mercedes Vito weggereden met [verdachte] achter het stuur en [medeverdachte 1] als bijrijder. Toen hij met deze auto de garage wilde verlaten, greep de politie in en heeft [verdachte] en [medeverdachte 1] aangehouden. De Mercedes Vito is door de politie doorzocht waarbij in een verborgen ruimte van de Mercedes Vito ongeveer 51 kilo cocaïne is aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft een bekennende verklaring afgelegd voor wat betreft zijn aandeel in dit feit en kan verantwoordelijk worden gehouden voor de in de Mercedes Vito aangetroffen hoeveelheid cocaïne. Het hof is van oordeel dat naast [medeverdachte 1] ook [medeverdachte 2] en [verdachte] als medeplegers moeten worden aangemerkt. De feitelijke betrokkenheid van [verdachte] blijkt uit het voorgaande. [verdachte] heeft op 5 april 2014 de Mercedes Vito bestuurd met daarin (in de verborgen ruimte) ongeveer 51 kilo cocaïne. Dat hij wist dat in de Mercedes Vito cocaïne zat, leidt het hof af uit het volgende. Zoals volgt uit het hierna te bespreken zaaksdossier ‘criminele organisatie’ zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contacten van [verdachte] waarmee hij zich destijds, zo is het hof van oordeel, in georganiseerd verband bezig hield met grootschalige cocaïnehandel. [verdachte] is door één van hen – [medeverdachte 1] – gebeld, waarna hij hen beiden heeft getroffen in een parkeergarage. [verdachte] is met [medeverdachte 1] in de Mercedes Vito weggereden met de zich in de verborgen ruimte bevindende cocaïne. Dit past bij een nauw samenwerkingsverband binnen voornoemde criminele organisatie. In dat verband is ook van belang de notitie in het hierna te bespreken kasboek van deze organisatie dat is aangetroffen op de [e-straat 1] te [plaats] . Daarin staat bij de datum van 5 april 2014 genoteerd “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” Zoals hiervoor besproken wordt [verdachte] ook ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ genoemd. Estrella is het Spaanse woord voor ster. Het merendeel van de in de Mercedes Vito aangetroffen pakketten cocaïne was voorzien van een gestanste ster. Op grond hiervan concludeert het hof dat deze aantekening ziet op die inbeslaggenomen cocaïne. Het wijst er ook op dat voor de cocaïnetransactie een bedrag van € 2.329.330 is betaald door [verdachte] . Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat [verdachte] wist dat de Mercedes Vito cocaïne bevatte. Er volgt verder ook uit dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten aanzien van de ongeveer 51 kilo cocaïne die daarin is aangetroffen. Gelet op zijn rol én wetenschap, waarmee hij mede de beschikkingsmacht had over de cocaïne in de Mercedes Vito, kan [verdachte] dan ook als medepleger worden aangemerkt. […]” 4.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte wist, eventueel in voorwaardelijke vorm, dat zich in de door hem bestuurde auto cocaïne bevond. Door het hof is overwogen dat de aantekening in het kasboek (bij de datum van 5 april, PHvK ) “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” de in beslag genomen cocaïne betreft. Dit zou onbegrijpelijk zijn omdat uit het proces-verbaal van bevindingen kasboek (bewijsmiddel 27) blijkt dat de organisatie voor 1 kilo cocaïne een bedrag van (ongeveer) € 28.000,- placht te ontvangen, wat ook de groothandelprijs van cocaïne is, zodat voor de in beslag genomen 51 kilo cocaïne ongeveer € 1.428.000,- moet zijn betaald hetgeen niet overeenkomt met het bedrag van € 2.329.220,- in het proces-verbaal bevindingen kasboek. Het proces-verbaal van verdenkingen (bewijsmiddel 25) waarin is gerelateerd dat in een aangetroffen kasboeknotitie “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estelle (=Ster)" is vermeld bij 5 april 2014, “de dag van de aanhouding van onder andere de [verdachte] en inbeslagname verdovende middelen”, zou omwille van het voorgaande niet redengevend zijn voor het bewijs, nu voornoemd proces-verbaal er eerder op wijst dat de verdachte “juist niet met de partij cocaïne in de Mercedes Vito te maken had”. 4.6 Volgens het oordeel van het hof wist de verdachte dat de Mercedes Vito cocaïne bevatte. Blijkens de onder 4.4 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof dit oordeel in de volgende omstandigheden verankerd. Ten eerste dat (“zoals volgt uit het […] zaaksdossier ‘criminele organisatie’”; zie hierna onder 4.7) de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contacten van de verdachte zijn waarmee hij zich destijds in georganiseerd verband bezig hield met grootschalige cocaïnehandel. De feitelijke gang van zaken op 5 april 2014 – het door [medeverdachte 1] gebeld worden, waarna de verdachte deze [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een parkeergarage treft en samen met [medeverdachte 1] in de Mercedes Vito met de zich in de verborgen ruimte bevindende cocaïne wegrijdt – past volgens het hof bij een nauw samenwerkingsverband binnen voornoemde criminele organisatie.
Volledig
Ten tweede dat een notitie in een kasboek van de criminele organisatie bij 5 april 2014 “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” vermeldt. Deze omstandigheid is van belang omdat de verdachte ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ wordt genoemd, ‘Estrelle’ het Spaanse woord voor ster is en omdat het merendeel van de in de Mercedes Vito aangetroffen pakketten cocaïne was voorzien van een gestanste ster. Op grond hiervan concludeert het hof dat de notitie aangetroffen in het kasboek betrekking heeft op de in de Mercedes Vito aangetroffen, in beslag genomen cocaïne en dat voor de cocaïnetransactie een bedrag van € 2.329.330,- is betaald door de verdachte. 4.7 De onder 4.6 genoemde feiten en omstandigheden en de op basis daarvan door het hof gemaakte gevolgtrekkingen houden verband met het onder 3 bewezenverklaarde feit (“criminele organisatie”). Daarom is het van belang ook hetgeen het hof in dat kader over dit feit (zaaksdossier ‘100 kilo’) heeft overwogen in de beoordeling te betrekken. Het bestreden arrest houdt op dat punt voor zover van belang het volgende in: “ c. Feit 3 (criminele organisatie) […] Zaaksdossier 100 kilo In de ochtend van 5 april 2014 zijn twee dozen met cocaïne vanuit een Mercedes Vito met [kenteken 4] naar een woning aan de [f-straat 1] in [plaats] gebracht. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben de dozen naar binnengebracht. [medeverdachte 1] heeft de dozen in een badkamer/wc van de woning zijn gezet. In de namiddag van 5 april 2014 wordt dezelfde Mercedes Vito, na enkele uren weg te zijn geweest, weer in de nabijheid van dezelfde woning geparkeerd. [medeverdachte 2] haalt vervolgens een tas met cocaïne uit dezelfde woning. De cocaïne uit de tas is vervolgens in een verborgen ruimte in dezelfde Mercedes Vito gelegd. Vervolgens is de Mercedes Vito weggereden met [verdachte] achter het stuur en [medeverdachte 1] als bijrijder, waarna zij zijn aangehouden. In een verborgen ruimte van de Mercedes Vito wordt ongeveer 51 kilo cocaïne aangetroffen. Bij een doorzoeking van de woning is ongeveer 49 kilo cocaïne aangetroffen. De cocaïne in de auto en die in de woning is afkomstig uit één partij. De cocaïne in de pakketten bevatte onder meer merktekens van een ster. In de woning zijn een vacumeermachine en vacüumzakken aangetroffen, alsmede twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen. [medeverdachte 3] was de bewoner van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 2] was een regelmatige bezoeker van het pand. […]” 4.8 De bewezenverklaring onder 3 berust voor zover van belang op onder meer de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): “ Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier criminele organisatie) Aangetroffen administratie 26. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende het in beslag genomen schrijfblok van de [f-straat] te [plaats] van 30 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: Tijdens de doorzoeking bij de [f-straat 1] te [plaats] werden er onder andere 49 vacuümverpakte pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door forensische opsporing bleek dit om cocaïne te gaan. Ook werden er in de woning een ogenschijnlijk professionele vacumeermachine en vacuümzakken aangetroffen. Daarnaast werden twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen aangetroffen. De pakketten bleken cocaïne te bevatten met merktekens van een ster en 7a. Ook werd er een schrijfblokje aangetroffen met berekeningen die wijzen op de handel in verdovende middelen. […] Een groot aantal van de 49 pakketten waren gemerkt met een ster (spaans = estrella). Aangenomen wordt dan ook dat de aanduidingen, genoemd in het notitieblokje, aanduidingen zijn voor verschillende pakketten cocaine. […] Uit documentnummer 2302443 blijkt dat [medeverdachte 3] geboren op [geboortedatum] -1985 gezien kan worden als de bewoonster van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] Uit de camerabeelden blijkt ook dat [medeverdachte 2] een regelmatige bezoeker is van het pand aan de [f-straat] . Hij gaat innig omgaat met de vaste bewoonster van het pand, [medeverdachte 3] . […] Uit bovenstaande bevindingen kan de conclusie worden getrokken dat de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] wordt gebuikt als stash voor cocaïne. Er wordt nauwkeurig opgeschreven wat er binnen komt en wat door wie wordt meegenomen. Mogelijk heeft [medeverdachte 3] de administratie bijgehouden van binnenkomende en uitgaande pakketten Het notitieblokje is aangetroffen in de (enige) slaapkamer van [medeverdachte 3] . Zij was tevens de enige bewoonster van de flat. […] 27. Een proces-verbaal van bevindingen kasboek van 25 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: Op 15 juni 2014 werd bij de doorzoeking in de [e-straat 1] te [plaats] in een verborgen ruimte een zwart tasje aangetroffen. In het tasje wordt onder andere een Bruna Collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok wordt over de periode van 1 februari 2014 tot en met 10 april 2014 een KASBOEK bijgehouden. In dit kasboek worden in die periode alle in en uitgaven bijgehouden. Tevens wordt er bij elke in en uitgaven een bijschrift in de Spaanse taal geschreven. […] […] […] […] Gezien bovenstaande gegevens kan er vanuit worden gegaan dat er per stuk een bedrag € 28.000 wordt bijgeschreven. Het is mij, verbalisant, bekend dat de verkoopprijs in Nederland voor een kilo cocaïne rond de 28.000 euro (groothandel prijs) ligt. […] […] 29. Een proces-verbaal van bevindingen Handy Collegeblok van 18 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: In de verborgen ruimte in de kledingkast van de slaapkamer van de [e-straat] werd aangetroffen een zwart Samsonite tasje met daarin twee notitieblokken, welke onder goednummer 4780247 in beslag werden genomen. Dit betroffen een Bruna collegeblok en een Handy collegeblok. Na onderzoek bleek in het Handy collegeblok in totaal tien zijden van bladzijden beschreven te zijn. Er staan verschillende berekeningen en Spaanse teksten, welke door een beëdigde tolk zijn vertaald. In het Handy collegeblok komen bij de berekeningen een aantal symbolen/merktekens/afkortingen voor, waarbij enkele meerdere malen terugkomen. Onder andere komt het symbool van een stervorm en het merkteken/afkorting fdx meerdere malen terug. Ambtshalve is bekend dat drugs veelal worden voorzien van een symbool/merkteken/afkorting om de partij aan te duiden. In onderzoek 13Koelruit werd tijdens een doorzoeking in het perceel [f-straat 1] te [plaats] 49 pakketten met cocaïne aangetroffen en in een verborgen ruimte van de Mercedes Vito voorzien van het [kenteken 4] werden 51 pakketten met cocaïne aangetroffen. Voornoemde pakketten met cocaïne bleken indrukken te bevatten van een stervorm of 7A. […]” 4.9 Uit de bewijsoverweging onder 4.7 en de bewijsmiddelen onder 4.8 blijkt dat de in de verborgen ruimte van de Mercedes Vito aangetroffen hoeveelheid van ongeveer 51 kg cocaïne afkomstig is uit een tas uit de woning aan de [f-straat 1] in [plaats] , dat deze woning wordt gebruikt als stash voor cocaïne, dat in deze woning bij een doorzoeking ongeveer 49 kg cocaïne is aangetroffen, de cocaïne in de op beide plekken aangetroffen pakketten onder meer merktekens van een ster bevatte, “Estrella” het Spaanse woord voor ster is, dat de totale hoeveelheid van ‘100 kilo’ cocaïne (voorzien van een ster of 7A, PHvK ) afkomstig is van één partij, en dat er nauwkeurig in notitie-/collegeblokjes wordt opgeschreven wat er binnen komt en wat door wie wordt meegenomen en er per stuk cocaïne € 28.000,- wordt bijgeschreven.
Volledig
Ten tweede dat een notitie in een kasboek van de criminele organisatie bij 5 april 2014 “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” vermeldt. Deze omstandigheid is van belang omdat de verdachte ‘ [bijnaam verdachte 1] ’ wordt genoemd, ‘Estrelle’ het Spaanse woord voor ster is en omdat het merendeel van de in de Mercedes Vito aangetroffen pakketten cocaïne was voorzien van een gestanste ster. Op grond hiervan concludeert het hof dat de notitie aangetroffen in het kasboek betrekking heeft op de in de Mercedes Vito aangetroffen, in beslag genomen cocaïne en dat voor de cocaïnetransactie een bedrag van € 2.329.330,- is betaald door de verdachte. 4.7 De onder 4.6 genoemde feiten en omstandigheden en de op basis daarvan door het hof gemaakte gevolgtrekkingen houden verband met het onder 3 bewezenverklaarde feit (“criminele organisatie”). Daarom is het van belang ook hetgeen het hof in dat kader over dit feit (zaaksdossier ‘100 kilo’) heeft overwogen in de beoordeling te betrekken. Het bestreden arrest houdt op dat punt voor zover van belang het volgende in: “ c. Feit 3 (criminele organisatie) […] Zaaksdossier 100 kilo In de ochtend van 5 april 2014 zijn twee dozen met cocaïne vanuit een Mercedes Vito met [kenteken 4] naar een woning aan de [f-straat 1] in [plaats] gebracht. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben de dozen naar binnengebracht. [medeverdachte 1] heeft de dozen in een badkamer/wc van de woning zijn gezet. In de namiddag van 5 april 2014 wordt dezelfde Mercedes Vito, na enkele uren weg te zijn geweest, weer in de nabijheid van dezelfde woning geparkeerd. [medeverdachte 2] haalt vervolgens een tas met cocaïne uit dezelfde woning. De cocaïne uit de tas is vervolgens in een verborgen ruimte in dezelfde Mercedes Vito gelegd. Vervolgens is de Mercedes Vito weggereden met [verdachte] achter het stuur en [medeverdachte 1] als bijrijder, waarna zij zijn aangehouden. In een verborgen ruimte van de Mercedes Vito wordt ongeveer 51 kilo cocaïne aangetroffen. Bij een doorzoeking van de woning is ongeveer 49 kilo cocaïne aangetroffen. De cocaïne in de auto en die in de woning is afkomstig uit één partij. De cocaïne in de pakketten bevatte onder meer merktekens van een ster. In de woning zijn een vacumeermachine en vacüumzakken aangetroffen, alsmede twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen. [medeverdachte 3] was de bewoner van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 2] was een regelmatige bezoeker van het pand. […]” 4.8 De bewezenverklaring onder 3 berust voor zover van belang op onder meer de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): “ Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier criminele organisatie) Aangetroffen administratie 26. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende het in beslag genomen schrijfblok van de [f-straat] te [plaats] van 30 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: Tijdens de doorzoeking bij de [f-straat 1] te [plaats] werden er onder andere 49 vacuümverpakte pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door forensische opsporing bleek dit om cocaïne te gaan. Ook werden er in de woning een ogenschijnlijk professionele vacumeermachine en vacuümzakken aangetroffen. Daarnaast werden twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen aangetroffen. De pakketten bleken cocaïne te bevatten met merktekens van een ster en 7a. Ook werd er een schrijfblokje aangetroffen met berekeningen die wijzen op de handel in verdovende middelen. […] Een groot aantal van de 49 pakketten waren gemerkt met een ster (spaans = estrella). Aangenomen wordt dan ook dat de aanduidingen, genoemd in het notitieblokje, aanduidingen zijn voor verschillende pakketten cocaine. […] Uit documentnummer 2302443 blijkt dat [medeverdachte 3] geboren op [geboortedatum] -1985 gezien kan worden als de bewoonster van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] Uit de camerabeelden blijkt ook dat [medeverdachte 2] een regelmatige bezoeker is van het pand aan de [f-straat] . Hij gaat innig omgaat met de vaste bewoonster van het pand, [medeverdachte 3] . […] Uit bovenstaande bevindingen kan de conclusie worden getrokken dat de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] wordt gebuikt als stash voor cocaïne. Er wordt nauwkeurig opgeschreven wat er binnen komt en wat door wie wordt meegenomen. Mogelijk heeft [medeverdachte 3] de administratie bijgehouden van binnenkomende en uitgaande pakketten Het notitieblokje is aangetroffen in de (enige) slaapkamer van [medeverdachte 3] . Zij was tevens de enige bewoonster van de flat. […] 27. Een proces-verbaal van bevindingen kasboek van 25 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: Op 15 juni 2014 werd bij de doorzoeking in de [e-straat 1] te [plaats] in een verborgen ruimte een zwart tasje aangetroffen. In het tasje wordt onder andere een Bruna Collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok wordt over de periode van 1 februari 2014 tot en met 10 april 2014 een KASBOEK bijgehouden. In dit kasboek worden in die periode alle in en uitgaven bijgehouden. Tevens wordt er bij elke in en uitgaven een bijschrift in de Spaanse taal geschreven. […] […] […] […] Gezien bovenstaande gegevens kan er vanuit worden gegaan dat er per stuk een bedrag € 28.000 wordt bijgeschreven. Het is mij, verbalisant, bekend dat de verkoopprijs in Nederland voor een kilo cocaïne rond de 28.000 euro (groothandel prijs) ligt. […] […] 29. Een proces-verbaal van bevindingen Handy Collegeblok van 18 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven: In de verborgen ruimte in de kledingkast van de slaapkamer van de [e-straat] werd aangetroffen een zwart Samsonite tasje met daarin twee notitieblokken, welke onder goednummer 4780247 in beslag werden genomen. Dit betroffen een Bruna collegeblok en een Handy collegeblok. Na onderzoek bleek in het Handy collegeblok in totaal tien zijden van bladzijden beschreven te zijn. Er staan verschillende berekeningen en Spaanse teksten, welke door een beëdigde tolk zijn vertaald. In het Handy collegeblok komen bij de berekeningen een aantal symbolen/merktekens/afkortingen voor, waarbij enkele meerdere malen terugkomen. Onder andere komt het symbool van een stervorm en het merkteken/afkorting fdx meerdere malen terug. Ambtshalve is bekend dat drugs veelal worden voorzien van een symbool/merkteken/afkorting om de partij aan te duiden. In onderzoek 13Koelruit werd tijdens een doorzoeking in het perceel [f-straat 1] te [plaats] 49 pakketten met cocaïne aangetroffen en in een verborgen ruimte van de Mercedes Vito voorzien van het [kenteken 4] werden 51 pakketten met cocaïne aangetroffen. Voornoemde pakketten met cocaïne bleken indrukken te bevatten van een stervorm of 7A. […]” 4.9 Uit de bewijsoverweging onder 4.7 en de bewijsmiddelen onder 4.8 blijkt dat de in de verborgen ruimte van de Mercedes Vito aangetroffen hoeveelheid van ongeveer 51 kg cocaïne afkomstig is uit een tas uit de woning aan de [f-straat 1] in [plaats] , dat deze woning wordt gebruikt als stash voor cocaïne, dat in deze woning bij een doorzoeking ongeveer 49 kg cocaïne is aangetroffen, de cocaïne in de op beide plekken aangetroffen pakketten onder meer merktekens van een ster bevatte, “Estrella” het Spaanse woord voor ster is, dat de totale hoeveelheid van ‘100 kilo’ cocaïne (voorzien van een ster of 7A, PHvK ) afkomstig is van één partij, en dat er nauwkeurig in notitie-/collegeblokjes wordt opgeschreven wat er binnen komt en wat door wie wordt meegenomen en er per stuk cocaïne € 28.000,- wordt bijgeschreven.
Volledig
4.10 Voor de wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van de ongeveer 51 kg cocaïne in de Mercedes Vito die hij bestuurde is wat betreft het door het hof daarvoor als bewijs gebruikte kasboek van de criminele organisatie mijns inziens primair van belang dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de daarin opgenomen “aantekening ziet op die inbeslaggenomen cocaïne”. Uit de vermelding bij 5 april 2014 van “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” kan immers worden afgeleid dat de verdachte betrokken is bij een financiële transactie omtrent die cocaïne en daarmee dat hij van die cocaïne wist. In die zin is het oordeel van het hof in het verlengde daarvan dat de aantekening “er ook op [wijst] dat voor de cocaïnetransactie een bedrag van € 2.329.330 is betaald door [verdachte] ” niet cruciaal voor het oordeel dat de verdachte van de cocaïne wist, maar is dit tweede oordeel slechts van verdere ondersteunende betekenis. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat de aantekening in het kasboek niet redengevend is. 4.11 Daarbij komt dat ook het daarnet genoemde tweede oordeel niet onbegrijpelijk is. Gelet op het voorgaande in samenhang bezien, heeft de aantekening in het kasboek niet enkel betrekking op de circa 51 kilo cocaïne aangetroffen in de Mercedes Vito, maar op de totale hoeveelheid van 100 kilo cocaïne. Het zou dan gaan om een bedrag van bijna € 23.300,- per kilo. Dit is mijns inziens niet een dusdanig groot verschil met het door de verbalisant genoemde bedrag (“Het is mij, verbalisant, bekend dat de verkoopprijs in Nederland voor een kilo cocaïne rond de 28.000 euro (groothandel prijs) ligt.”) dat moet worden aangenomen dat de aantekening geen betrekking kan hebben op 100 kilo cocaïne. Daarnaast verdient opmerking dat de betaling van € 2.329.330,- ook geringer kan zijn geweest omdat er van de verdachte ( [bijnaam verdachte 1] / [bijnaam verdachte 1] ) nog een bedrag “In kas” was van € 811.612,-. Dat bedrag kan geheel of gedeeltelijk voor de 100 kilo cocaïne zijn aangewend, juist ook omdat het bedrag in kas erop duidt dat de betalingen en de verschuldigde bedragen niet steeds geheel synchroon liepen. 4.12 Hoe het ook zij, aan het oordeel van het hof dat de met 5 april 2014 gedateerde aantekening “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” (mede) betrekking heeft op de in de Mercedes Vito aangetroffen cocaïne doet het voorgaande niet af en dat oordeel is dan ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft om die reden het mede op die omstandigheid gebaseerde oordeel dat de verdachte wist dat de Mercedes Vito cocaïne bevatte uit de bewijsvoering kunnen afleiden en het onder 1 bewezenverklaarde niet ontoereikend gemotiveerd. 4.13 Het middel faalt. 5 Het derde middel 5.1 Het middel richt zich tegen het onder 3 bewezenverklaarde (deelneming aan een criminele organisatie). Het middel bestaat uit drie deelklachten. 5.2 Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en hij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 1] en - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 5] en - [medeverdachte 6] en een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig.” 5.3 Het hof heeft inzake de bewezenverklaring onder 3 het volgende overwogen (met weglating van voetnoten): “ c. Feit 3 (criminele organisatie) De tenlastelegging De steller van de tenlastelegging heeft ervoor gekozen om cumulatief/alternatief ten laste te leggen het deelnemen aan criminele drugsorganisatie in de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 en/of aan een organisatie ex art. 140 Sr met het oogmerk van internationale cocaïnehandel en gewoontewitwassen in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014. Beoordelingskader deelneming aan criminele organisatie […] Zaaksdossier 100 kilo In de ochtend van 5 april 2014 zijn twee dozen met cocaïne vanuit een Mercedes Vito met [kenteken 4] naar een woning aan de [f-straat 1] in [plaats] gebracht. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben de dozen naar binnengebracht. [medeverdachte 1] heeft de dozen in een badkamer/wc van de woning zijn gezet. In de namiddag van 5 april 2014 wordt dezelfde Mercedes Vito, na enkele uren weg te zijn geweest, weer in de nabijheid van dezelfde woning geparkeerd. [medeverdachte 2] haalt vervolgens een tas met cocaïne uit dezelfde woning. De cocaïne uit de tas is vervolgens in een verborgen ruimte in dezelfde Mercedes Vito gelegd. Vervolgens is de Mercedes Vito weggereden met [verdachte] achter het stuur en [medeverdachte 1] als bijrijder, waarna zij zijn aangehouden. In een verborgen ruimte van de Mercedes Vito wordt ongeveer 51 kilo cocaïne aangetroffen. Bij een doorzoeking van de woning is ongeveer 49 kilo cocaïne aangetroffen. De cocaïne in de auto en die in de woning is afkomstig uit één partij. De cocaïne in de pakketten bevatte onder meer merktekens van een ster. In de woning zijn een vacumeermachine en vacüumzakken aangetroffen, alsmede twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen. [medeverdachte 3] was de bewoner van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 2] was een regelmatige bezoeker van het pand. Aangetroffen administratie Notitieblokje [f-straat 2] In de woning aan de [f-straat] is een notitieblokje aangetroffen. Daarin staan aantekeningen die verband houden met onder meer hoeveelheden “estrella” en “flor” die binnenkomen en wat er door wie wordt meegenomen. Bij 22 februari 2014 staat genoteerd: 141-W 34-pak 24-flor (hof: bloem) 1-rojo 3-estrella (hof: ster) Total 203 Bij 27 februari 2014 staat genoteerd: Meegenomen door [bijnaam medeverdachte 1] (hof: [medeverdachte 1] ): W:33 pak:16 flor:14 Total 63 Vervolgens staat er: 203 63 -- 140 Verder staat genoteerd dat ‘ [medeverdachte 2] ’ (hof: [medeverdachte 2] ) 8 met een [letter] meeneemt. Vervolgens staat er: 108 -8 --- 100 Op 7 maart 2014 neemt [medeverdachte 2] 5 stuks met een [letter] mee waarna er 3 overblijven met het symbool van een (david) ster Ook staat genoteerd: adres [f-straat 1] Hieronder staan diverse symbolen waaronder een (david)ster en een [letter] . Bruna collegeblok Op 15 juni 2014 is bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 4] aan de [e-straat 1] te [plaats] in een verborgen ruimte een Bruna collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok wordt over de periode 1 februari 2014 tot en met 10 april 2014 een kasboek bijgehouden. In dit kasboek worden in die periode in- en uitgaven bijgehouden. Tevens wordt er bij elke in- en uitgave een bijschrift in de Spaanse taal geschreven. In het kasboek komen de namen [bijnaam medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ), [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ), [bijnaam medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 2] ) en [bijnaam verdachte 1] ( [verdachte] ) voor. Op 10 februari 2014 zit er € 1.396.672 in kas en ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam medeverdachte 6] ’ een bedrag van € 28.000. Ook ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam medeverdachte 1] ’ een bedrag van € 18.000 alsmede van ene [betrokkene 2] een bedrag van € 28.000, waarna er een bedrag van € 1.470.672 ‘in kas’ is. Uit het kasboek blijkt dat door of door namens [bijnaam verdachte 1] veelvuldig geld wordt gestort.
Volledig
4.10 Voor de wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van de ongeveer 51 kg cocaïne in de Mercedes Vito die hij bestuurde is wat betreft het door het hof daarvoor als bewijs gebruikte kasboek van de criminele organisatie mijns inziens primair van belang dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de daarin opgenomen “aantekening ziet op die inbeslaggenomen cocaïne”. Uit de vermelding bij 5 april 2014 van “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” kan immers worden afgeleid dat de verdachte betrokken is bij een financiële transactie omtrent die cocaïne en daarmee dat hij van die cocaïne wist. In die zin is het oordeel van het hof in het verlengde daarvan dat de aantekening “er ook op [wijst] dat voor de cocaïnetransactie een bedrag van € 2.329.330 is betaald door [verdachte] ” niet cruciaal voor het oordeel dat de verdachte van de cocaïne wist, maar is dit tweede oordeel slechts van verdere ondersteunende betekenis. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat de aantekening in het kasboek niet redengevend is. 4.11 Daarbij komt dat ook het daarnet genoemde tweede oordeel niet onbegrijpelijk is. Gelet op het voorgaande in samenhang bezien, heeft de aantekening in het kasboek niet enkel betrekking op de circa 51 kilo cocaïne aangetroffen in de Mercedes Vito, maar op de totale hoeveelheid van 100 kilo cocaïne. Het zou dan gaan om een bedrag van bijna € 23.300,- per kilo. Dit is mijns inziens niet een dusdanig groot verschil met het door de verbalisant genoemde bedrag (“Het is mij, verbalisant, bekend dat de verkoopprijs in Nederland voor een kilo cocaïne rond de 28.000 euro (groothandel prijs) ligt.”) dat moet worden aangenomen dat de aantekening geen betrekking kan hebben op 100 kilo cocaïne. Daarnaast verdient opmerking dat de betaling van € 2.329.330,- ook geringer kan zijn geweest omdat er van de verdachte ( [bijnaam verdachte 1] / [bijnaam verdachte 1] ) nog een bedrag “In kas” was van € 811.612,-. Dat bedrag kan geheel of gedeeltelijk voor de 100 kilo cocaïne zijn aangewend, juist ook omdat het bedrag in kas erop duidt dat de betalingen en de verschuldigde bedragen niet steeds geheel synchroon liepen. 4.12 Hoe het ook zij, aan het oordeel van het hof dat de met 5 april 2014 gedateerde aantekening “€ 2.329.330 [bijnaam verdachte 1] van Estrelle” (mede) betrekking heeft op de in de Mercedes Vito aangetroffen cocaïne doet het voorgaande niet af en dat oordeel is dan ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft om die reden het mede op die omstandigheid gebaseerde oordeel dat de verdachte wist dat de Mercedes Vito cocaïne bevatte uit de bewijsvoering kunnen afleiden en het onder 1 bewezenverklaarde niet ontoereikend gemotiveerd. 4.13 Het middel faalt. 5 Het derde middel 5.1 Het middel richt zich tegen het onder 3 bewezenverklaarde (deelneming aan een criminele organisatie). Het middel bestaat uit drie deelklachten. 5.2 Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en hij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 1] en - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 5] en - [medeverdachte 6] en een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig.” 5.3 Het hof heeft inzake de bewezenverklaring onder 3 het volgende overwogen (met weglating van voetnoten): “ c. Feit 3 (criminele organisatie) De tenlastelegging De steller van de tenlastelegging heeft ervoor gekozen om cumulatief/alternatief ten laste te leggen het deelnemen aan criminele drugsorganisatie in de periode van 1 november 2013 tot en met 5 april 2014 en/of aan een organisatie ex art. 140 Sr met het oogmerk van internationale cocaïnehandel en gewoontewitwassen in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014. Beoordelingskader deelneming aan criminele organisatie […] Zaaksdossier 100 kilo In de ochtend van 5 april 2014 zijn twee dozen met cocaïne vanuit een Mercedes Vito met [kenteken 4] naar een woning aan de [f-straat 1] in [plaats] gebracht. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben de dozen naar binnengebracht. [medeverdachte 1] heeft de dozen in een badkamer/wc van de woning zijn gezet. In de namiddag van 5 april 2014 wordt dezelfde Mercedes Vito, na enkele uren weg te zijn geweest, weer in de nabijheid van dezelfde woning geparkeerd. [medeverdachte 2] haalt vervolgens een tas met cocaïne uit dezelfde woning. De cocaïne uit de tas is vervolgens in een verborgen ruimte in dezelfde Mercedes Vito gelegd. Vervolgens is de Mercedes Vito weggereden met [verdachte] achter het stuur en [medeverdachte 1] als bijrijder, waarna zij zijn aangehouden. In een verborgen ruimte van de Mercedes Vito wordt ongeveer 51 kilo cocaïne aangetroffen. Bij een doorzoeking van de woning is ongeveer 49 kilo cocaïne aangetroffen. De cocaïne in de auto en die in de woning is afkomstig uit één partij. De cocaïne in de pakketten bevatte onder meer merktekens van een ster. In de woning zijn een vacumeermachine en vacüumzakken aangetroffen, alsmede twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen. [medeverdachte 3] was de bewoner van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 2] was een regelmatige bezoeker van het pand. Aangetroffen administratie Notitieblokje [f-straat 2] In de woning aan de [f-straat] is een notitieblokje aangetroffen. Daarin staan aantekeningen die verband houden met onder meer hoeveelheden “estrella” en “flor” die binnenkomen en wat er door wie wordt meegenomen. Bij 22 februari 2014 staat genoteerd: 141-W 34-pak 24-flor (hof: bloem) 1-rojo 3-estrella (hof: ster) Total 203 Bij 27 februari 2014 staat genoteerd: Meegenomen door [bijnaam medeverdachte 1] (hof: [medeverdachte 1] ): W:33 pak:16 flor:14 Total 63 Vervolgens staat er: 203 63 -- 140 Verder staat genoteerd dat ‘ [medeverdachte 2] ’ (hof: [medeverdachte 2] ) 8 met een [letter] meeneemt. Vervolgens staat er: 108 -8 --- 100 Op 7 maart 2014 neemt [medeverdachte 2] 5 stuks met een [letter] mee waarna er 3 overblijven met het symbool van een (david) ster Ook staat genoteerd: adres [f-straat 1] Hieronder staan diverse symbolen waaronder een (david)ster en een [letter] . Bruna collegeblok Op 15 juni 2014 is bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 4] aan de [e-straat 1] te [plaats] in een verborgen ruimte een Bruna collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok wordt over de periode 1 februari 2014 tot en met 10 april 2014 een kasboek bijgehouden. In dit kasboek worden in die periode in- en uitgaven bijgehouden. Tevens wordt er bij elke in- en uitgave een bijschrift in de Spaanse taal geschreven. In het kasboek komen de namen [bijnaam medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ), [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ), [bijnaam medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 2] ) en [bijnaam verdachte 1] ( [verdachte] ) voor. Op 10 februari 2014 zit er € 1.396.672 in kas en ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam medeverdachte 6] ’ een bedrag van € 28.000. Ook ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam medeverdachte 1] ’ een bedrag van € 18.000 alsmede van ene [betrokkene 2] een bedrag van € 28.000, waarna er een bedrag van € 1.470.672 ‘in kas’ is. Uit het kasboek blijkt dat door of door namens [bijnaam verdachte 1] veelvuldig geld wordt gestort.
Volledig
Zo ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam verdachte 1] ’ op 5 maart 2014 een bedrag van € 224.000, ‘brengt [bijnaam medeverdachte 1] van [bijnaam verdachte 1] ’ op 6 maart 2014 een bedrag van € 1.465.000 en ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam verdachte 1] ’ op 7 maart 2014 bedragen van € 346.000 en € 111.400. Op diezelfde dag brengt ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam medeverdachte 1] ’ ook een bedrag van € 60.000, ‘brengt [bijnaam medeverdachte 1] 120.000 rectificatie 130.000 [bijnaam verdachte 1] [letter] ’ en ‘brengt [betrokkene 1] 66.000 rectificatie 67.000 [bijnaam verdachte 1] Estrella’. Op 5 april 2014 komt een bedrag binnen van € 2.329.330 met de omschrijving ‘ [bijnaam verdachte 1] van Estrelle’. Ook [letter] komt voor in dit kasboek. Op 2 maart 2014 komt er een bedrag binnen van € 224.000 met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam medeverdachte 1] [letter] ’ en op 3 maart 2014 gaat er een bedrag van € 5.000 uit in verband met ‘Transport [letter] ’ Op 20 maart 2014 staat er bij de inkomsten een bedrag van € 50.000 vermeld met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam medeverdachte 4] ’. Er gaan regelmatig bedragen uit naar ‘papa’ of ‘papi’, zoals op 8 maart 2014 een bedrag van € 2.000.000 en op 9 maart 2014 een bedrag van € 1.000.000. Ook gaat er geld uit naar ‘ [betrokkene 6] ’. Bij de omschrijving bij de transacties komen verder termen voor als ‘Pescado’ en ‘Pez’ (hof: vis), alsmede zijn er uitgaven voor koffers, tickets, een scanner, telefoons en Blackberry’s/BB’s. Op 25 februari 2014 staat een uitgaand bedrag van € 1600 vermeld met de omschrijving: ‘uitgaand huur appartement overhandiging [bijnaam medeverdachte 6] ’. Handy collegeblok Bij de doorzoeking van de genoemde woning aan de [e-straat] is in dezelfde verborgen ruimte een Handy collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok zijn in totaal tien zijden van bladzijden beschreven. Er staan verschillende berekeningen en Spaanse teksten in. De maand januari wordt genoemd en 3 data in februari. In het collegeblok staan uitgaven vermeld en ‘verzendingen [letter] ’. Er is ‘100’ aan [bijnaam medeverdachte 1] gegeven ‘alvorens af te reizen’. Ook staat vermeld: ‘5.398 moneytransfers naar het dorp’. Verder komen de termen ‘ [letter] container verdieping 50-72’ en ‘postzakken geregistreerd of niet geregistreerd’ voor. De naam ‘ [betrokkene 3] ’ staat een aantal keer vermeld en verder staat vermeld: ‘deze informatie voor [betrokkene 3] vertrek Braz. (het hof begrijpt: Brazilië’) aankomst hier’. Er komt bij de berekeningen een aantal symbolen/merktekens/afkortingen voor, waarbij het symbool van een stervorm meerdere malen terugkomt. Ook komen de termen ‘Fdx’/’FEDEX’, ‘ [letter] ’ en ‘ Pez’ (vis) voor. Er staan ook telefoonnummers opgenomen. In het collegeblok komen verder voor de namen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , aan wie iets is gegeven. Pinggesprekken Op 21 november 2013 pingt ene [betrokkene 7] aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘hoeveel meisjes heeft hij op reis?’ [medeverdachte 4] vraagt: ‘Hoeveel Peruaanse meisjes heb je bij je?’ en ‘degene die op reis zijn, zijn Colombiaans’. [betrokkene 7] vraagt aan [medeverdachte 4] : ‘heb je met [betrokkene 8] (het hof begrijpt: [betrokkene 8] ) gesproken over hoeveel ik moet betalen voor de meisjes die onderweg zijn?’ [bijnaam medeverdachte 4] antwoordt: ‘hij had het over ongeveer 6000 eu, zoiets, ik weet niet of ik je dat moest geven ofzo, wacht tot de meisjes aankomen en dan laat ik het je weten’. Op 22 november 2013 pingt [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) naar [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) ‘ik was het meisje met de roze jurk aan het laten zien aan een vriend die over is uit Barsa (Barca, het hof begrijpt: Barcelona). Op 25 november 2013 pingt [bijnaam medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘jongen, houd voor mij een filet apart, ik kom die zo ophalen’. [medeverdachte 4] antwoordt: ‘Ok jongen, ik laat dat voor jou in dat doosje, okay’, waarop [medeverdachte 2] pingt: ‘Jongen, is er voor meerderen genoeg, Papi als dat in de smaak valt, dan bestellen zijn nog zo’n 20 maaltijden bij ons’ en ‘de documenten zijn al in orde, ze bestelden er nog een bij mij, kun je dat voor mij apart leggen alsjeblieft’. Op 28 november 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘Jongen, doe mij een lol, kun je een STER aan [bijnaam 2 medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2] ) geven, want die staat buiten’, waarop [medeverdachte 4] antwoordt: ‘Ok’. Op 2 december 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘is er nog wat voor de landgenoten?’ waarop deze antwoordt: ‘El pez (de vis)’. Op 24 november 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘ [betrokkene 9] , wat vind je ervan, [betrokkene 10] is me al aan het pingen vanwege de [betrokkene 11] , of jullie om 11 uur bij jou op kantoor kunnen afspreken’. [medeverdachte 4] antwoordt ‘Doe maar’ en ‘zeg tegen je vrienden dat ik dat meisje heb, die ster, die ene waar zij van houden’. Op 30 november 2013 om 14:07 uur pingt [bijnaam medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) dat zij hem nodig heeft en pingt deze dat hij zo langs komt. Diezelfde dag vanaf 16:46 uur pingt [medeverdachte 4] aan [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ): ‘Ja [bijnaam medeverdachte 6] , ben je thuis, [betrokkene 12] is me een voorstel aan het doen, met wat over is van de katten’. Om 18:27 uur pingt [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 4] : ‘En wat voor voorstel heeft [betrokkene 12] jou gedaan over de katten’. [medeverdachte 4] reageert: ‘Ze zegt tegen me dat zij de katten geeft aan haar, als onderpand, en ze geeft ons eu’. [medeverdachte 6] vraagt: ‘voor hoeveel?’, waarop [medeverdachte 4] reageert met: ‘25’. Op 1 december 2013 pingt [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) aan [bijnaam medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ) of zij geld aan [betrokkene 5] heeft gegeven. [medeverdachte 8] reageert: ‘Meneer, [betrokkene 5] heeft wat hij daar heeft genomen gekregen... Dat van die pgp telefoons heeft hij ook genomen en dat wat jij aan hem hebt gegeven en bij mij hebt afgetrokken... Voor zover ik weet...’. Eveneens op 1 december pingt [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 8] : ‘Heb jij toevallig nog wat saldo. Om 6000 in Barsa (het hof begrijpt: Barcelona) af te geven en dan krijg jij het hier’. Op 13 december 2013 pingt ene [betrokkene 13] aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘de fedex lossen zichzelf op’. [medeverdachte 4] schrijft: ‘probeer het ajb’ waarop [betrokkene 13] antwoordt: je meneer, ik ben er mee bezig, maar de W wordt voor 9 aangeboden vriend.’ Op 13 december 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘we moeten naar de [plaats] (het hof begrijpt: [plaats] ) om hetzelfde toen doen als laatst’ en ‘ouwe, weet jij of er nog bollen daar in de [plaats] zijn’. [medeverdachte 4] antwoordt: ‘ik denk ongeveer 100’ waarop [medeverdachte 1] pingt: ‘als er 100 over zijn, dan is het genoeg.’ Op 14 december 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘Ouwe bij [betrokkene 6] , want zij wilden weer een andere zending voor hem doen’. Op 8 en 9 februari 2014 vindt er een uitgebreide pingconversatie plaats tussen [bijnaam medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ) en ene [betrokkene 14] . Er wordt gesproken over ‘48 units (...) voor 1.3 miljoen’. [medeverdachte 8] pingt: ‘ik kan mij niet heugen dat zij er voor eentje (unit) een prijs van 28 X-X hebben gegeven’. [betrokkene 14] pingt: ‘Je betaalde toen voor 27 dat van die oogst, want het was gedaald tot 26’ en [medeverdachte 8] pingt: ‘Kijk, de prijs was toen tot de bodem gezakt’.
Volledig
Zo ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam verdachte 1] ’ op 5 maart 2014 een bedrag van € 224.000, ‘brengt [bijnaam medeverdachte 1] van [bijnaam verdachte 1] ’ op 6 maart 2014 een bedrag van € 1.465.000 en ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam verdachte 1] ’ op 7 maart 2014 bedragen van € 346.000 en € 111.400. Op diezelfde dag brengt ‘brengt [betrokkene 1] van [bijnaam medeverdachte 1] ’ ook een bedrag van € 60.000, ‘brengt [bijnaam medeverdachte 1] 120.000 rectificatie 130.000 [bijnaam verdachte 1] [letter] ’ en ‘brengt [betrokkene 1] 66.000 rectificatie 67.000 [bijnaam verdachte 1] Estrella’. Op 5 april 2014 komt een bedrag binnen van € 2.329.330 met de omschrijving ‘ [bijnaam verdachte 1] van Estrelle’. Ook [letter] komt voor in dit kasboek. Op 2 maart 2014 komt er een bedrag binnen van € 224.000 met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam medeverdachte 1] [letter] ’ en op 3 maart 2014 gaat er een bedrag van € 5.000 uit in verband met ‘Transport [letter] ’ Op 20 maart 2014 staat er bij de inkomsten een bedrag van € 50.000 vermeld met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam medeverdachte 4] ’. Er gaan regelmatig bedragen uit naar ‘papa’ of ‘papi’, zoals op 8 maart 2014 een bedrag van € 2.000.000 en op 9 maart 2014 een bedrag van € 1.000.000. Ook gaat er geld uit naar ‘ [betrokkene 6] ’. Bij de omschrijving bij de transacties komen verder termen voor als ‘Pescado’ en ‘Pez’ (hof: vis), alsmede zijn er uitgaven voor koffers, tickets, een scanner, telefoons en Blackberry’s/BB’s. Op 25 februari 2014 staat een uitgaand bedrag van € 1600 vermeld met de omschrijving: ‘uitgaand huur appartement overhandiging [bijnaam medeverdachte 6] ’. Handy collegeblok Bij de doorzoeking van de genoemde woning aan de [e-straat] is in dezelfde verborgen ruimte een Handy collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok zijn in totaal tien zijden van bladzijden beschreven. Er staan verschillende berekeningen en Spaanse teksten in. De maand januari wordt genoemd en 3 data in februari. In het collegeblok staan uitgaven vermeld en ‘verzendingen [letter] ’. Er is ‘100’ aan [bijnaam medeverdachte 1] gegeven ‘alvorens af te reizen’. Ook staat vermeld: ‘5.398 moneytransfers naar het dorp’. Verder komen de termen ‘ [letter] container verdieping 50-72’ en ‘postzakken geregistreerd of niet geregistreerd’ voor. De naam ‘ [betrokkene 3] ’ staat een aantal keer vermeld en verder staat vermeld: ‘deze informatie voor [betrokkene 3] vertrek Braz. (het hof begrijpt: Brazilië’) aankomst hier’. Er komt bij de berekeningen een aantal symbolen/merktekens/afkortingen voor, waarbij het symbool van een stervorm meerdere malen terugkomt. Ook komen de termen ‘Fdx’/’FEDEX’, ‘ [letter] ’ en ‘ Pez’ (vis) voor. Er staan ook telefoonnummers opgenomen. In het collegeblok komen verder voor de namen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , aan wie iets is gegeven. Pinggesprekken Op 21 november 2013 pingt ene [betrokkene 7] aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘hoeveel meisjes heeft hij op reis?’ [medeverdachte 4] vraagt: ‘Hoeveel Peruaanse meisjes heb je bij je?’ en ‘degene die op reis zijn, zijn Colombiaans’. [betrokkene 7] vraagt aan [medeverdachte 4] : ‘heb je met [betrokkene 8] (het hof begrijpt: [betrokkene 8] ) gesproken over hoeveel ik moet betalen voor de meisjes die onderweg zijn?’ [bijnaam medeverdachte 4] antwoordt: ‘hij had het over ongeveer 6000 eu, zoiets, ik weet niet of ik je dat moest geven ofzo, wacht tot de meisjes aankomen en dan laat ik het je weten’. Op 22 november 2013 pingt [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) naar [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) ‘ik was het meisje met de roze jurk aan het laten zien aan een vriend die over is uit Barsa (Barca, het hof begrijpt: Barcelona). Op 25 november 2013 pingt [bijnaam medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘jongen, houd voor mij een filet apart, ik kom die zo ophalen’. [medeverdachte 4] antwoordt: ‘Ok jongen, ik laat dat voor jou in dat doosje, okay’, waarop [medeverdachte 2] pingt: ‘Jongen, is er voor meerderen genoeg, Papi als dat in de smaak valt, dan bestellen zijn nog zo’n 20 maaltijden bij ons’ en ‘de documenten zijn al in orde, ze bestelden er nog een bij mij, kun je dat voor mij apart leggen alsjeblieft’. Op 28 november 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘Jongen, doe mij een lol, kun je een STER aan [bijnaam 2 medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2] ) geven, want die staat buiten’, waarop [medeverdachte 4] antwoordt: ‘Ok’. Op 2 december 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘is er nog wat voor de landgenoten?’ waarop deze antwoordt: ‘El pez (de vis)’. Op 24 november 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘ [betrokkene 9] , wat vind je ervan, [betrokkene 10] is me al aan het pingen vanwege de [betrokkene 11] , of jullie om 11 uur bij jou op kantoor kunnen afspreken’. [medeverdachte 4] antwoordt ‘Doe maar’ en ‘zeg tegen je vrienden dat ik dat meisje heb, die ster, die ene waar zij van houden’. Op 30 november 2013 om 14:07 uur pingt [bijnaam medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) dat zij hem nodig heeft en pingt deze dat hij zo langs komt. Diezelfde dag vanaf 16:46 uur pingt [medeverdachte 4] aan [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ): ‘Ja [bijnaam medeverdachte 6] , ben je thuis, [betrokkene 12] is me een voorstel aan het doen, met wat over is van de katten’. Om 18:27 uur pingt [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 4] : ‘En wat voor voorstel heeft [betrokkene 12] jou gedaan over de katten’. [medeverdachte 4] reageert: ‘Ze zegt tegen me dat zij de katten geeft aan haar, als onderpand, en ze geeft ons eu’. [medeverdachte 6] vraagt: ‘voor hoeveel?’, waarop [medeverdachte 4] reageert met: ‘25’. Op 1 december 2013 pingt [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) aan [bijnaam medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ) of zij geld aan [betrokkene 5] heeft gegeven. [medeverdachte 8] reageert: ‘Meneer, [betrokkene 5] heeft wat hij daar heeft genomen gekregen... Dat van die pgp telefoons heeft hij ook genomen en dat wat jij aan hem hebt gegeven en bij mij hebt afgetrokken... Voor zover ik weet...’. Eveneens op 1 december pingt [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 8] : ‘Heb jij toevallig nog wat saldo. Om 6000 in Barsa (het hof begrijpt: Barcelona) af te geven en dan krijg jij het hier’. Op 13 december 2013 pingt ene [betrokkene 13] aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘de fedex lossen zichzelf op’. [medeverdachte 4] schrijft: ‘probeer het ajb’ waarop [betrokkene 13] antwoordt: je meneer, ik ben er mee bezig, maar de W wordt voor 9 aangeboden vriend.’ Op 13 december 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘we moeten naar de [plaats] (het hof begrijpt: [plaats] ) om hetzelfde toen doen als laatst’ en ‘ouwe, weet jij of er nog bollen daar in de [plaats] zijn’. [medeverdachte 4] antwoordt: ‘ik denk ongeveer 100’ waarop [medeverdachte 1] pingt: ‘als er 100 over zijn, dan is het genoeg.’ Op 14 december 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘Ouwe bij [betrokkene 6] , want zij wilden weer een andere zending voor hem doen’. Op 8 en 9 februari 2014 vindt er een uitgebreide pingconversatie plaats tussen [bijnaam medeverdachte 8] ( [medeverdachte 8] ) en ene [betrokkene 14] . Er wordt gesproken over ‘48 units (...) voor 1.3 miljoen’. [medeverdachte 8] pingt: ‘ik kan mij niet heugen dat zij er voor eentje (unit) een prijs van 28 X-X hebben gegeven’. [betrokkene 14] pingt: ‘Je betaalde toen voor 27 dat van die oogst, want het was gedaald tot 26’ en [medeverdachte 8] pingt: ‘Kijk, de prijs was toen tot de bodem gezakt’.
Volledig
Zij pingt verder: ‘het betalen van het verstoppen, het transport en dat alles daarom zeg ik dat het niet eerlijk is dat ik zulke kleine percentages/marges krijg, want ik neem wel de verantwoording en dubbel risico, door het eruit te halen en te verkopen’ en ‘Zeg me de waarheid; horen jullie daar niet wat de straatprijs is?’ Ook pingt zij: ‘Bovendien van wat ik verdien laat ik hen een verstopplek in de auto’s aanbrengen en maak die klaar voor het transport’ en ‘Maar ik moet de chauffeurs daarvan betalen, de kinderoppas, de huur van de verschillende huizen, dat alles moet ik van de verkoop doen’. Voorts pingt [medeverdachte 8] : ‘Daarom houd ik er zo weinig aan over, jij deelt het, fifty fifty met mij, maar daar deel jij met niemand; ik deel het hier in 2-en en daarnaast vraagt de [betrokkene 5] nog commissie aan mij mijn zusje moet ik wat geven.’ [betrokkene 14] pingt dat hij deze week 5 miljoen naar ‘de [betrokkene 5] ’ heeft gestuurd en ‘dat van die verstopplaats, ik heb je/hem nooit die investering berekend van wat ik erin gestopt had, dat neem ik voor mijn rekening’. [medeverdachte 8] pingt: ‘kijk, mijn zus is zo beledigd dat zij zelfs daarheen is gegaan en mij niet eens ingeseind had’. Er wordt verder gesproken over investeringen, percentages, kopen, verzenden/vervoeren en verkopen. Ook wordt er gesproken over ‘een inspecteur’, ‘de/die stier’ (het hof begrijpt: Spanje/een Spanjaard), ‘daaruit halen’, ‘hoeveel passen er in eentje’ en pingt [medeverdachte 8] : ‘Of laden zij daar zo maar gratis de handel in daar bij [plaats] ?? (het hof begrijpt: [plaats] , havenplaats in Colombia’ en ‘zij kwam met dat jurkje aan, met [letter] op de ene kant en [betrokkene 15] op de andere kant.’ Als het op een gegeven moment over ‘geld geven’ gaat laat [medeverdachte 8] zich over de ping ontvallen: ‘Dat ontbreekt er nog maar aan, dat zij mij laten betalen wat ik niet heb opgegeten!’ Op 11 maart 2014 pingt ‘ [betrokkene 5] ’ (blijkens de verklaring van [medeverdachte 6] is dit [betrokkene 5] / [betrokkene 5] , woonachtig in Colombia) aan [bijnaam medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ): ‘het is een goede plek niemand heeft het ooit gedaan het komt binnen via een scheepsluik in de boeg (voorschip)’ waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ok, dat is mogelijk, met hoeveel wil je beginnen’. ‘ [betrokkene 5] ’ reageert: ‘met 50’. [medeverdachte 2] pingt: ‘hier zeggen ze tegen mij dat je ze zelf daar zet Je komt ertussen omdat eruit te halen, hier willen ze 5 zetten bij vertrek’ en ‘voor wanneer wil je werken?’ en ‘zij zeggen dat het aan kan komen waar je wil’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘het kan donderdag bij [locatie] ’. [bijnaam medeverdachte 2] reageert: ‘er is geen probleem, zet het, is het mogelijk, ze zijn klaar’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘ [plaats] - [plaats] - [plaats] – [plaats] ’ waarop [medeverdachte 2] reageert: ‘het moet naar [plaats] , niet naar [plaats] ’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘ja meneer is het mogelijk dat je naar de inspecteur kan gaan voordat hij komt zodat (j)e hem instructie kan geven, wel het kan elke week’. Op 23 mei 2014 pingt [bijnaam medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) aan [bijnaam 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘deze hier wil mij alleen maar stressen en hij heeft mij dat mooie meisje niet gegeven’. Op 27 mei 2014 pingt ‘ [betrokkene 5] ’ aan [bijnaam 3 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ): ‘want die vriend heeft goede dingen om met de “fly” te doen, hij heeft familie daar en die mensen hebben dat geregeld om hier te kunnen werken’ en ‘die familieleden van hem zijn van de douane en zij kunnen het regelen vanuit hier’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘ondertussen moeten wij de buikriem aanhalen, wel dat is er bijna hij is de 17de vertrokken en duurt 25 dagen’. [medeverdachte 6] antwoordt: ‘ik hoop dat dat goed gaat’ en ‘ [betrokkene 5] doe me een plezier wat voor naam die bus heeft’. ‘ [betrokkene 5] ’ reageert: ‘ [scheepsnaam 1] ’ en ‘ [scheepsnaam 2] ’ (hof: dit zijn schepen, dossier criminele organisatie p. 628) en ‘ [scheepsnaam 3] ’. Op 4 juni 2014 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) aan [betrokkene 14] : ‘nu blijkt dat ze niet mooi zijn, niet compleet’. [betrokkene 14] reageert: ‘hoe kan het zijn dat ze incompleet zijn terwijl ze hier een voor een gewogen zijn’. [medeverdachte 6] pingt: ‘ik ben gisteren wezen kijken’. [betrokkene 14] reageert: ‘ze hebben het hier nagelopen en gecontroleerd en hebben de jurk uit laten doen’, waarop [medeverdachte 6] pingt: ‘we hebben er balletjes van gemaakt maar miste wel de jurk’ en ‘schat luister laten we niet vechten toen we er bolletjes van maakten toen miste er een beetje’. [betrokkene 14] reageert: ‘het zal wel een paar zijn die ze nagelopen hebben, of de weegschaal is slecht geeikt’. Op 7 juni 2014 pingt [bijnaam medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] aan [bijnaam 3 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘zoon ik heb je nodig om een gunst voor me te doen, de gegevens geven van een bloem’. De wet van de stilte Op 5 april 2014 worden [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] aangehouden. [medeverdachte 2] schrijft op de muren van de luchtplaats (vertaald): ‘Wet van de stilte jongens, voor Iedereen’. De door [verdachte] verrichte werkzaamheden en het overnemen daarvan door [medeverdachte 4] De pinggesprekken hierna geven een beeld van de rol van [verdachte] vóór zijn aanhouding op 5 april 2014 en ook van hoe het na deze aanhouding verder gaat. Op 11 april 2014 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ): ‘ze gaan me zo spreken’, waarop [medeverdachte 6] antwoordt: ‘ja je weet het ze tegen hem dat hij ons daarmee moet helpen’ en ‘zeg tegen dat je dezelfde mensen hebt als [bijnaam 2 verdachte] (hof: [verdachte] ), maar [betrokkene 16] neem zijn ping ok, vraag het aan hem zodat we direct kunnen handelen’. Hierop stuurt [medeverdachte 4] een uitnodiging naar een PIN-nummer dat in gebruik is bij de hiervoor genoemde [betrokkene 17] . Later die avond vraagt [medeverdachte 6] over de ping aan [medeverdachte 4] : ‘heb je hem gesproken’ waarop [medeverdachte 4] antwoordt: ‘ik heb hem al uitgenodigd ik wacht tot hij mij heeft toegevoegd’. Op 12 april 2014 neemt [betrokkene 17] contact op met [medeverdachte 4] . Deze laatste pingt: ‘meneer, de vriend heeft tegen je gezegd dat wat [bijnaam 2 verdachte] heeft, dat hebben wij hier, natuurlijk met dezelfde mensen’. [betrokkene 17] pingt: ‘met de mensen hier vormen we een hele goede groep. We hebben 4 klussen voor [letter] gedaan en we hebben er 1 in de pijplijn, ja, hij heeft me alles verteld en we kunnen werken, we hebben “ […] ” en “ [A] ” op 100% alles geregeld per “Emp” of “C” door of met de wekelijkse bloem’, (hof: [A] is een luchtvaartmaatschappij in Zuid-Amerika, de ‘C’ heeft betrekking op [A] Cargo (=vracht) en ‘ […] ’ nop [A] Empresas (=bedrijven), dossier criminele organisatie p. R 31-32). [medeverdachte 4] antwoordt ‘oké meneer, oké meneer, wacht even en dan spreek ik met die mensen af waarvan ik je al zei dat het dezelfden zijn en als ik bij hen ben dan spreek ik je en coördineren we het mee eens’. Later die dag pingt [betrokkene 17] aan [medeverdachte 4] : ‘ik heb een vriend in [plaats] die de deur voor [B] heeft, alles kost 9000 u, probeer een koffer van 20 als je daar de deur hebt, deze daarheen is 50 en 50 en jij schiet er één voor me voor de eerste keer’. [medeverdachte 4] reageert: ‘goed meneer, ik spreek met die mannen af en laat ik het je weten, dat zal maandag worden’. [betrokkene 17] reageert: ‘ [bijnaam 2 verdachte] zou het doen’. Op 20 april 2014 pingt [betrokkene 17] aan [medeverdachte 4] : ‘als u wilt kunnen we een poging doen met een doos bloemen (flor) we zetten 8xc/u’. [medeverdachte 4] antwoordt: ‘super doet u het meneer, morgen praat ik met mijn vriendin hier zodat coördineren’. [betrokkene 17] pingt: ik vertel u wat we voor [bijnaam 2 verdachte] waren aan het doen’ en ‘voor [bijnaam 2 verdachte] zijn 4 retours gedaan het was altijd transit/op doorreis naar rusland’.
Volledig
Zij pingt verder: ‘het betalen van het verstoppen, het transport en dat alles daarom zeg ik dat het niet eerlijk is dat ik zulke kleine percentages/marges krijg, want ik neem wel de verantwoording en dubbel risico, door het eruit te halen en te verkopen’ en ‘Zeg me de waarheid; horen jullie daar niet wat de straatprijs is?’ Ook pingt zij: ‘Bovendien van wat ik verdien laat ik hen een verstopplek in de auto’s aanbrengen en maak die klaar voor het transport’ en ‘Maar ik moet de chauffeurs daarvan betalen, de kinderoppas, de huur van de verschillende huizen, dat alles moet ik van de verkoop doen’. Voorts pingt [medeverdachte 8] : ‘Daarom houd ik er zo weinig aan over, jij deelt het, fifty fifty met mij, maar daar deel jij met niemand; ik deel het hier in 2-en en daarnaast vraagt de [betrokkene 5] nog commissie aan mij mijn zusje moet ik wat geven.’ [betrokkene 14] pingt dat hij deze week 5 miljoen naar ‘de [betrokkene 5] ’ heeft gestuurd en ‘dat van die verstopplaats, ik heb je/hem nooit die investering berekend van wat ik erin gestopt had, dat neem ik voor mijn rekening’. [medeverdachte 8] pingt: ‘kijk, mijn zus is zo beledigd dat zij zelfs daarheen is gegaan en mij niet eens ingeseind had’. Er wordt verder gesproken over investeringen, percentages, kopen, verzenden/vervoeren en verkopen. Ook wordt er gesproken over ‘een inspecteur’, ‘de/die stier’ (het hof begrijpt: Spanje/een Spanjaard), ‘daaruit halen’, ‘hoeveel passen er in eentje’ en pingt [medeverdachte 8] : ‘Of laden zij daar zo maar gratis de handel in daar bij [plaats] ?? (het hof begrijpt: [plaats] , havenplaats in Colombia’ en ‘zij kwam met dat jurkje aan, met [letter] op de ene kant en [betrokkene 15] op de andere kant.’ Als het op een gegeven moment over ‘geld geven’ gaat laat [medeverdachte 8] zich over de ping ontvallen: ‘Dat ontbreekt er nog maar aan, dat zij mij laten betalen wat ik niet heb opgegeten!’ Op 11 maart 2014 pingt ‘ [betrokkene 5] ’ (blijkens de verklaring van [medeverdachte 6] is dit [betrokkene 5] / [betrokkene 5] , woonachtig in Colombia) aan [bijnaam medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ): ‘het is een goede plek niemand heeft het ooit gedaan het komt binnen via een scheepsluik in de boeg (voorschip)’ waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ok, dat is mogelijk, met hoeveel wil je beginnen’. ‘ [betrokkene 5] ’ reageert: ‘met 50’. [medeverdachte 2] pingt: ‘hier zeggen ze tegen mij dat je ze zelf daar zet Je komt ertussen omdat eruit te halen, hier willen ze 5 zetten bij vertrek’ en ‘voor wanneer wil je werken?’ en ‘zij zeggen dat het aan kan komen waar je wil’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘het kan donderdag bij [locatie] ’. [bijnaam medeverdachte 2] reageert: ‘er is geen probleem, zet het, is het mogelijk, ze zijn klaar’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘ [plaats] - [plaats] - [plaats] – [plaats] ’ waarop [medeverdachte 2] reageert: ‘het moet naar [plaats] , niet naar [plaats] ’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘ja meneer is het mogelijk dat je naar de inspecteur kan gaan voordat hij komt zodat (j)e hem instructie kan geven, wel het kan elke week’. Op 23 mei 2014 pingt [bijnaam medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) aan [bijnaam 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘deze hier wil mij alleen maar stressen en hij heeft mij dat mooie meisje niet gegeven’. Op 27 mei 2014 pingt ‘ [betrokkene 5] ’ aan [bijnaam 3 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ): ‘want die vriend heeft goede dingen om met de “fly” te doen, hij heeft familie daar en die mensen hebben dat geregeld om hier te kunnen werken’ en ‘die familieleden van hem zijn van de douane en zij kunnen het regelen vanuit hier’. ‘ [betrokkene 5] ’ pingt: ‘ondertussen moeten wij de buikriem aanhalen, wel dat is er bijna hij is de 17de vertrokken en duurt 25 dagen’. [medeverdachte 6] antwoordt: ‘ik hoop dat dat goed gaat’ en ‘ [betrokkene 5] doe me een plezier wat voor naam die bus heeft’. ‘ [betrokkene 5] ’ reageert: ‘ [scheepsnaam 1] ’ en ‘ [scheepsnaam 2] ’ (hof: dit zijn schepen, dossier criminele organisatie p. 628) en ‘ [scheepsnaam 3] ’. Op 4 juni 2014 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) aan [betrokkene 14] : ‘nu blijkt dat ze niet mooi zijn, niet compleet’. [betrokkene 14] reageert: ‘hoe kan het zijn dat ze incompleet zijn terwijl ze hier een voor een gewogen zijn’. [medeverdachte 6] pingt: ‘ik ben gisteren wezen kijken’. [betrokkene 14] reageert: ‘ze hebben het hier nagelopen en gecontroleerd en hebben de jurk uit laten doen’, waarop [medeverdachte 6] pingt: ‘we hebben er balletjes van gemaakt maar miste wel de jurk’ en ‘schat luister laten we niet vechten toen we er bolletjes van maakten toen miste er een beetje’. [betrokkene 14] reageert: ‘het zal wel een paar zijn die ze nagelopen hebben, of de weegschaal is slecht geeikt’. Op 7 juni 2014 pingt [bijnaam medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] aan [bijnaam 3 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ): ‘zoon ik heb je nodig om een gunst voor me te doen, de gegevens geven van een bloem’. De wet van de stilte Op 5 april 2014 worden [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] aangehouden. [medeverdachte 2] schrijft op de muren van de luchtplaats (vertaald): ‘Wet van de stilte jongens, voor Iedereen’. De door [verdachte] verrichte werkzaamheden en het overnemen daarvan door [medeverdachte 4] De pinggesprekken hierna geven een beeld van de rol van [verdachte] vóór zijn aanhouding op 5 april 2014 en ook van hoe het na deze aanhouding verder gaat. Op 11 april 2014 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ): ‘ze gaan me zo spreken’, waarop [medeverdachte 6] antwoordt: ‘ja je weet het ze tegen hem dat hij ons daarmee moet helpen’ en ‘zeg tegen dat je dezelfde mensen hebt als [bijnaam 2 verdachte] (hof: [verdachte] ), maar [betrokkene 16] neem zijn ping ok, vraag het aan hem zodat we direct kunnen handelen’. Hierop stuurt [medeverdachte 4] een uitnodiging naar een PIN-nummer dat in gebruik is bij de hiervoor genoemde [betrokkene 17] . Later die avond vraagt [medeverdachte 6] over de ping aan [medeverdachte 4] : ‘heb je hem gesproken’ waarop [medeverdachte 4] antwoordt: ‘ik heb hem al uitgenodigd ik wacht tot hij mij heeft toegevoegd’. Op 12 april 2014 neemt [betrokkene 17] contact op met [medeverdachte 4] . Deze laatste pingt: ‘meneer, de vriend heeft tegen je gezegd dat wat [bijnaam 2 verdachte] heeft, dat hebben wij hier, natuurlijk met dezelfde mensen’. [betrokkene 17] pingt: ‘met de mensen hier vormen we een hele goede groep. We hebben 4 klussen voor [letter] gedaan en we hebben er 1 in de pijplijn, ja, hij heeft me alles verteld en we kunnen werken, we hebben “ […] ” en “ [A] ” op 100% alles geregeld per “Emp” of “C” door of met de wekelijkse bloem’, (hof: [A] is een luchtvaartmaatschappij in Zuid-Amerika, de ‘C’ heeft betrekking op [A] Cargo (=vracht) en ‘ […] ’ nop [A] Empresas (=bedrijven), dossier criminele organisatie p. R 31-32). [medeverdachte 4] antwoordt ‘oké meneer, oké meneer, wacht even en dan spreek ik met die mensen af waarvan ik je al zei dat het dezelfden zijn en als ik bij hen ben dan spreek ik je en coördineren we het mee eens’. Later die dag pingt [betrokkene 17] aan [medeverdachte 4] : ‘ik heb een vriend in [plaats] die de deur voor [B] heeft, alles kost 9000 u, probeer een koffer van 20 als je daar de deur hebt, deze daarheen is 50 en 50 en jij schiet er één voor me voor de eerste keer’. [medeverdachte 4] reageert: ‘goed meneer, ik spreek met die mannen af en laat ik het je weten, dat zal maandag worden’. [betrokkene 17] reageert: ‘ [bijnaam 2 verdachte] zou het doen’. Op 20 april 2014 pingt [betrokkene 17] aan [medeverdachte 4] : ‘als u wilt kunnen we een poging doen met een doos bloemen (flor) we zetten 8xc/u’. [medeverdachte 4] antwoordt: ‘super doet u het meneer, morgen praat ik met mijn vriendin hier zodat coördineren’. [betrokkene 17] pingt: ik vertel u wat we voor [bijnaam 2 verdachte] waren aan het doen’ en ‘voor [bijnaam 2 verdachte] zijn 4 retours gedaan het was altijd transit/op doorreis naar rusland’.
Volledig
Verklaringen van [getuige] Het hof verwijst in de tekst van deze overwegingen met voetnoten naar de betreffende bewijsmiddelen betrekking hebbend op de [getuige] . [getuige] is een Italiaanse getuige die in Italië in ruil voor bescherming en een korting op zijn straf terzake van een aantal ‘klussen’ (het hof begrijpt: drugsdelicten) verklaringen heeft afgelegd over misdaden waarvan hij op de hoogte was en over die personen die daarbij betrokken waren. Hij heeft – samengevat – het volgende verklaard. De gebroeders [betrokkene 18] en [betrokkene 19] zaten in de drugshandel en verbleven in [plaats] . Zij hebben geprobeerd rechtstreeks vanuit Argentinië en Uruguay klussen te doen en zij deden ook Nederland aan. Ze hebben een ontmoeting gehad met ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ (het hof begrijpt dat het hier om ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ gaat), een Colombiaan die in Nederland zat. In Nederland was een groepering die bestond uit [bijnaam medeverdachte 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 8] de Albanees, [bijnaam medeverdachte 6] en de zus van [bijnaam medeverdachte 6] . [bijnaam medeverdachte 6] en haar zus zijn Colombianen maar wonen in Nederland, [bijnaam medeverdachte 6] in [plaats] . [bijnaam medeverdachte 4] , [betrokkene 8] , [bijnaam medeverdachte 6] en haar zus zijn in 2014 gearresteerd in verband met drugs. [bijnaam medeverdachte 6] handelde samen met haar zus en zwager in drugs en stond een beetje onder haar zus. Zij heeft meegedaan met [getuige] in een partij drugs die rechtstreeks vanuit Colombia naar de haven in [plaats] (Italië) ging. [bijnaam medeverdachte 6] heeft hem in [plaats] een code gebracht van de container. [bijnaam medeverdachte 6] is vanuit Spanje naar [plaats] gekomen, want zij had de code in Spanje opgehaald. Deze partij drugs is in april 2014 beslag genomen. Zijn groep had voor de helft in de partij drugs geïnvesteerd en de andere helft was geïnvesteerd door [bijnaam medeverdachte 6] , [bijnaam medeverdachte 4] en de mensen in Colombia die [getuige] niet heeft leren kennen. De zus van [bijnaam medeverdachte 6] was de baas. Hij heeft een ontmoeting gehad met ‘de [bijnaam 3 verdachte] ’ in 2013, begin 2014, voordat [bijnaam medeverdachte 6] werd aangehouden (hof: op 15 juni 2014). ‘Ze’ kwamen met de [bijnaam 3 verdachte] naar [getuige] toe en zeiden: “hij is de man die de mogelijkheden op de luchthaven heeft.” De [bijnaam 3 verdachte] was ‘loaded qua geld’, hij liet elke week ‘200’ cocaïne komen. Er ging 20 kilo (het hof begrijpt: cocaïne) in een postzak. [bijnaam medeverdachte 6] , haar zus en de partner van de zus, [betrokkene 8] de Albanees, namen het ‘spul’ (het hof begrijpt: de cocaïne) in Nederland in ontvangst en verkochten het. Ze stuurden het naar Engeland, naar Italië, op krediet naar mensen in wie ze het vertrouwen hadden dat ze zouden betalen. [betrokkene 6] , een van de bazen uit Colombia, kwam geld ophalen bij de zus van [bijnaam medeverdachte 6] . [bijnaam medeverdachte 4] heeft [betrokkene 6] aan de zus van [bijnaam medeverdachte 6] voorgesteld. De bijnaam van [bijnaam medeverdachte 4] was [bijnaam medeverdachte 4] . [bijnaam medeverdachte 6] maakte gebruik van Blackberry’s en versleutelde telefoons. In zijn verklaring ten overstaan van het Nederlandse onderzoeksteam 13Koelruit op 21 april 2018 verklaart [getuige] als volgt. [getuige] handelde in cocaïne met zijn neef vanuit Zuid-Amerika naar Europa. Soms kregen ze cocaïne van de Colombianen uit [plaats] . Soms direct van de Colombianen in Colombia en soms werd het getransporteerd naar Italië, met containerschepen of vliegtuig. Hij heeft sinds 2013 met de Colombianen in Nederland contact gekregen. [getuige] herkent [medeverdachte 6] van een foto als ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’. Zij was een zakenpartner van [bijnaam medeverdachte 4] en deed met hem zaken waar [betrokkene 8] en [betrokkene 20] niks van wisten. Zij en haar zus lagen elkaar niet en zij heeft daarom samen met [bijnaam medeverdachte 4] een lijn opgezet van Colombia naar Spanje en door naar Italië. [getuige] herkent [medeverdachte 4] van een foto als ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’. Over [medeverdachte 2] verklaart hij: ‘de chemicus’. Hij werd zo genoemd omdat hij wist hoe je cocaïne moest versnijden, aldus [getuige] . [betrokkene 5] heeft hem aan [getuige] voorgesteld en deze heeft [betrokkene 5] betaald zodat de chemicus het heeft versneden. Over [medeverdachte 1] verklaart [getuige] : ‘dit is een Colombiaan uit hun groep die ik daar heb gezien’. [medeverdachte 1] was met [betrokkene 6] toen [getuige] hem zag in 2013 in een appartement waar [bijnaam medeverdachte 4] en [betrokkene 5] verbleven. Over [verdachte] verklaart [getuige] dat dit ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ is. [getuige] heeft hem ontmoet in 2014. Ze hadden iemand nodig om ladingen cocaïne op het vliegveld uit te halen. [betrokkene 20] was verantwoordelijk voor het steunpunt in Nederland. Zij hadden de contacten, de appartementen, de garages, etc. De appartementen waren om het geld en cocaïne op te bergen en om er te kunnen verblijven. Er stond een stempel op de cocaïne in de vorm van een vis of een ster. De groep van [bijnaam medeverdachte 4] en [betrokkene 20] was een van de groepen die cocaïne ontvingen van [betrokkene 6] . De prijs per kilo was 28.000 (het hof begrijpt: euro). [getuige] onderhandelde met [bijnaam medeverdachte 4] over de prijs omdat hij goed contact met hem had. De cocaïne werd opgeslagen in de appartementen van de Colombiaanse groep in [plaats] . In de huizen waar [getuige] kwam hield 1 persoon steeds de wacht en lagen de kilo's opgestapeld. Hier haalden mensen ladingen van 20 kilogram en kwamen terug met tassen vol geld. Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige] verklaard dat ‘de zussen’ (hof: [medeverdachte 8] en [medeverdachte 6] ) weliswaar niet zo goed met elkaar omgingen, maar dat ze elkaar hielpen. Als één van de twee cocaïne nodig had kon ze bij de andere zus terecht. Verklaring [getuige] over Bruna Collegeblok [getuige] heeft verklaard dat in het Bruna Collegeblok de gebruikelijke aantekeningen staan die worden gemaakt. Hieruit blijkt hoeveel iemand heeft gekocht, hoeveel geld hij heeft gegeven en wat er nog ontbreekt. In de aantekeningen staat uitgaven van telefoons die zijn gekocht, dit zijn onkosten. Er moest geld aan ‘papa’ worden gegeven. [getuige] vermoedt dat ‘Papi’ [betrokkene 6] was. Hij kwam naar [plaats] om geld op te halen, Elke keer als er geld binnenkwam dan kwam [betrokkene 6] om de paar dagen geld ophalen om de rekening in Zuid-Amerika te betalen van de partij die was gearriveerd. ‘28’ (het hof begrijpt: € 28.000) is het geldbedrag voor één pakket (het hof begrijpt: cocaïne). Over het bedrag van € 1.600 dat op 25 februari 2014 staat vermeld als ‘uitgaand huur appartement overhandiging [bijnaam medeverdachte 6] ’ verklaart [getuige] dat dit een bedrag voor tickets is, die € 1.600 hebben gekost. [bijnaam medeverdachte 6] was naar Colombia en Argentinië gegaan om klussen in te plannen. ‘Estrelle’ is een kwaliteit van cocaïne die ze hadden. Op de cocaïne zat een ster, het was een merkteken in de vorm van een ster. De PGP Blackberry’s werden alleen gebruikt voor het uitwisselen van berichten via Messenger. Elke Blackberry had zijn eigen mailadres. De telefoons liepen elke zes maanden af en dan kon er verlengd worden of nam je een hele nieuwe. Als er telefoons werden gekocht dan werden ze allemaal tegelijk gekocht in bulk (bijvoorbeeld per 20). Verklaring [getuige] over Handy Collegeblok Over het Handy Collegeblok heeft [getuige] verklaard dat zijn bijnaam ‘ [bijnaam getuige] ’ daarin is opgenomen. Hij heeft deze aantekeningen al gezien via de zus van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , die het dossier had. Het gaat in deze aantekeningen over partijen cocaïne. Deze werden rechtstreeks naar hem naar Italië gestuurd. De aantekeningen slaan op eind 2013, begin 2014. Er staan ook cijfers in de aantekeningen, dit waren telefoonnummers die werden gegeven aan de koerier die het geld kwam ophalen. In de aantekeningen staat ook de container van [B] opgenomen. Via gewone postzakken in containers werden in het vliegtuig drugs opgestuurd.
Volledig
Verklaringen van [getuige] Het hof verwijst in de tekst van deze overwegingen met voetnoten naar de betreffende bewijsmiddelen betrekking hebbend op de [getuige] . [getuige] is een Italiaanse getuige die in Italië in ruil voor bescherming en een korting op zijn straf terzake van een aantal ‘klussen’ (het hof begrijpt: drugsdelicten) verklaringen heeft afgelegd over misdaden waarvan hij op de hoogte was en over die personen die daarbij betrokken waren. Hij heeft – samengevat – het volgende verklaard. De gebroeders [betrokkene 18] en [betrokkene 19] zaten in de drugshandel en verbleven in [plaats] . Zij hebben geprobeerd rechtstreeks vanuit Argentinië en Uruguay klussen te doen en zij deden ook Nederland aan. Ze hebben een ontmoeting gehad met ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ (het hof begrijpt dat het hier om ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ gaat), een Colombiaan die in Nederland zat. In Nederland was een groepering die bestond uit [bijnaam medeverdachte 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 8] de Albanees, [bijnaam medeverdachte 6] en de zus van [bijnaam medeverdachte 6] . [bijnaam medeverdachte 6] en haar zus zijn Colombianen maar wonen in Nederland, [bijnaam medeverdachte 6] in [plaats] . [bijnaam medeverdachte 4] , [betrokkene 8] , [bijnaam medeverdachte 6] en haar zus zijn in 2014 gearresteerd in verband met drugs. [bijnaam medeverdachte 6] handelde samen met haar zus en zwager in drugs en stond een beetje onder haar zus. Zij heeft meegedaan met [getuige] in een partij drugs die rechtstreeks vanuit Colombia naar de haven in [plaats] (Italië) ging. [bijnaam medeverdachte 6] heeft hem in [plaats] een code gebracht van de container. [bijnaam medeverdachte 6] is vanuit Spanje naar [plaats] gekomen, want zij had de code in Spanje opgehaald. Deze partij drugs is in april 2014 beslag genomen. Zijn groep had voor de helft in de partij drugs geïnvesteerd en de andere helft was geïnvesteerd door [bijnaam medeverdachte 6] , [bijnaam medeverdachte 4] en de mensen in Colombia die [getuige] niet heeft leren kennen. De zus van [bijnaam medeverdachte 6] was de baas. Hij heeft een ontmoeting gehad met ‘de [bijnaam 3 verdachte] ’ in 2013, begin 2014, voordat [bijnaam medeverdachte 6] werd aangehouden (hof: op 15 juni 2014). ‘Ze’ kwamen met de [bijnaam 3 verdachte] naar [getuige] toe en zeiden: “hij is de man die de mogelijkheden op de luchthaven heeft.” De [bijnaam 3 verdachte] was ‘loaded qua geld’, hij liet elke week ‘200’ cocaïne komen. Er ging 20 kilo (het hof begrijpt: cocaïne) in een postzak. [bijnaam medeverdachte 6] , haar zus en de partner van de zus, [betrokkene 8] de Albanees, namen het ‘spul’ (het hof begrijpt: de cocaïne) in Nederland in ontvangst en verkochten het. Ze stuurden het naar Engeland, naar Italië, op krediet naar mensen in wie ze het vertrouwen hadden dat ze zouden betalen. [betrokkene 6] , een van de bazen uit Colombia, kwam geld ophalen bij de zus van [bijnaam medeverdachte 6] . [bijnaam medeverdachte 4] heeft [betrokkene 6] aan de zus van [bijnaam medeverdachte 6] voorgesteld. De bijnaam van [bijnaam medeverdachte 4] was [bijnaam medeverdachte 4] . [bijnaam medeverdachte 6] maakte gebruik van Blackberry’s en versleutelde telefoons. In zijn verklaring ten overstaan van het Nederlandse onderzoeksteam 13Koelruit op 21 april 2018 verklaart [getuige] als volgt. [getuige] handelde in cocaïne met zijn neef vanuit Zuid-Amerika naar Europa. Soms kregen ze cocaïne van de Colombianen uit [plaats] . Soms direct van de Colombianen in Colombia en soms werd het getransporteerd naar Italië, met containerschepen of vliegtuig. Hij heeft sinds 2013 met de Colombianen in Nederland contact gekregen. [getuige] herkent [medeverdachte 6] van een foto als ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’. Zij was een zakenpartner van [bijnaam medeverdachte 4] en deed met hem zaken waar [betrokkene 8] en [betrokkene 20] niks van wisten. Zij en haar zus lagen elkaar niet en zij heeft daarom samen met [bijnaam medeverdachte 4] een lijn opgezet van Colombia naar Spanje en door naar Italië. [getuige] herkent [medeverdachte 4] van een foto als ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’. Over [medeverdachte 2] verklaart hij: ‘de chemicus’. Hij werd zo genoemd omdat hij wist hoe je cocaïne moest versnijden, aldus [getuige] . [betrokkene 5] heeft hem aan [getuige] voorgesteld en deze heeft [betrokkene 5] betaald zodat de chemicus het heeft versneden. Over [medeverdachte 1] verklaart [getuige] : ‘dit is een Colombiaan uit hun groep die ik daar heb gezien’. [medeverdachte 1] was met [betrokkene 6] toen [getuige] hem zag in 2013 in een appartement waar [bijnaam medeverdachte 4] en [betrokkene 5] verbleven. Over [verdachte] verklaart [getuige] dat dit ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ is. [getuige] heeft hem ontmoet in 2014. Ze hadden iemand nodig om ladingen cocaïne op het vliegveld uit te halen. [betrokkene 20] was verantwoordelijk voor het steunpunt in Nederland. Zij hadden de contacten, de appartementen, de garages, etc. De appartementen waren om het geld en cocaïne op te bergen en om er te kunnen verblijven. Er stond een stempel op de cocaïne in de vorm van een vis of een ster. De groep van [bijnaam medeverdachte 4] en [betrokkene 20] was een van de groepen die cocaïne ontvingen van [betrokkene 6] . De prijs per kilo was 28.000 (het hof begrijpt: euro). [getuige] onderhandelde met [bijnaam medeverdachte 4] over de prijs omdat hij goed contact met hem had. De cocaïne werd opgeslagen in de appartementen van de Colombiaanse groep in [plaats] . In de huizen waar [getuige] kwam hield 1 persoon steeds de wacht en lagen de kilo's opgestapeld. Hier haalden mensen ladingen van 20 kilogram en kwamen terug met tassen vol geld. Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige] verklaard dat ‘de zussen’ (hof: [medeverdachte 8] en [medeverdachte 6] ) weliswaar niet zo goed met elkaar omgingen, maar dat ze elkaar hielpen. Als één van de twee cocaïne nodig had kon ze bij de andere zus terecht. Verklaring [getuige] over Bruna Collegeblok [getuige] heeft verklaard dat in het Bruna Collegeblok de gebruikelijke aantekeningen staan die worden gemaakt. Hieruit blijkt hoeveel iemand heeft gekocht, hoeveel geld hij heeft gegeven en wat er nog ontbreekt. In de aantekeningen staat uitgaven van telefoons die zijn gekocht, dit zijn onkosten. Er moest geld aan ‘papa’ worden gegeven. [getuige] vermoedt dat ‘Papi’ [betrokkene 6] was. Hij kwam naar [plaats] om geld op te halen, Elke keer als er geld binnenkwam dan kwam [betrokkene 6] om de paar dagen geld ophalen om de rekening in Zuid-Amerika te betalen van de partij die was gearriveerd. ‘28’ (het hof begrijpt: € 28.000) is het geldbedrag voor één pakket (het hof begrijpt: cocaïne). Over het bedrag van € 1.600 dat op 25 februari 2014 staat vermeld als ‘uitgaand huur appartement overhandiging [bijnaam medeverdachte 6] ’ verklaart [getuige] dat dit een bedrag voor tickets is, die € 1.600 hebben gekost. [bijnaam medeverdachte 6] was naar Colombia en Argentinië gegaan om klussen in te plannen. ‘Estrelle’ is een kwaliteit van cocaïne die ze hadden. Op de cocaïne zat een ster, het was een merkteken in de vorm van een ster. De PGP Blackberry’s werden alleen gebruikt voor het uitwisselen van berichten via Messenger. Elke Blackberry had zijn eigen mailadres. De telefoons liepen elke zes maanden af en dan kon er verlengd worden of nam je een hele nieuwe. Als er telefoons werden gekocht dan werden ze allemaal tegelijk gekocht in bulk (bijvoorbeeld per 20). Verklaring [getuige] over Handy Collegeblok Over het Handy Collegeblok heeft [getuige] verklaard dat zijn bijnaam ‘ [bijnaam getuige] ’ daarin is opgenomen. Hij heeft deze aantekeningen al gezien via de zus van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , die het dossier had. Het gaat in deze aantekeningen over partijen cocaïne. Deze werden rechtstreeks naar hem naar Italië gestuurd. De aantekeningen slaan op eind 2013, begin 2014. Er staan ook cijfers in de aantekeningen, dit waren telefoonnummers die werden gegeven aan de koerier die het geld kwam ophalen. In de aantekeningen staat ook de container van [B] opgenomen. Via gewone postzakken in containers werden in het vliegtuig drugs opgestuurd.
Volledig
Er staat ‘ [letter] ’ in de aantekeningen maar dat moet ‘ [B] ’ zijn. De drugs werden in Brazilië in het geheim in containers gedaan, die meevlogen met [B] . Conclusie De aangetroffen notities/het kasboek en de gevoerde pinggesprekken zien naar het oordeel van het hof evident (in versluierde bewoordingen) op de georganiseerde (internationale) handel in cocaïne en op de inkomsten en de uitgaven terzake, terwijl er in het perceel [f-straat 1] te [plaats] alsmede in de door [verdachte] bestuurde Mercedes Vito ook daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen. Het hof betrekt hierbij nog dat uit het kasboek blijkt dat per eenheid steeds € 28.000 wordt betaald, dat [medeverdachte 8] en [betrokkene 14] het over een vrijwel gelijke prijs hebben (‘27’, het hof begrijpt: € 27.000) en dat € 28.000 ongeveer de prijs van 1 kilo cocaïne is (zaakdossier criminele organisatie, p. R 65). Voorts heeft de [getuige] verklaringen afgelegd over het bestaan en het oogmerk van de organisatie in de tenlastegelegde periode, alsmede over de betrokkenheid van een aantal verdachten. Uit al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat er in de tenlastegelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen meerdere personen, die (deels) ook afzonderlijk met elkaar (en anderen) samenwerkten. De organisatie had tot oogmerk onder meer de invoer, verkoop en het vervoer van cocaïne alsmede gewoontewitwassen. Leden van de organisatie beschikten over vaste (internationale) lijnen en contacten terzake van de invoer/verkoop/vervoer van cocaïne, stashplekken voor cocaïne, waarvan de Wijnbrugstraat er een was, een auto met een verborgen ruimte (de Mercedes Vito) en men had via Blackberry’s pingcontact met elkaar in verband met de invoer van/handel in cocaïne en in verband met de financiële afwikkeling van deze handel. Er was een administratie van de inkomende en uitgaande partijen cocaïne, waarbij werd genoteerd hoeveel cocaïne en van welke soort er binnenkwam, alsmede welk lid van de organisatie hoeveel van de betreffende soort cocaïne meenam. Er werd verder een kasboek bijgehouden met de inkomsten en uitgaven van de organisatie, waarbij werd genoteerd hoeveel geld de leden in de kas brachten en hoeveel er weer werd uitgehaald en door wie. In het kasboek werden ook onkosten, zoals voor de aanschaf van Blackberry’s en tickets, genoteerd. Na de aanhouding op 5 april 2014 van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wijst [medeverdachte 2] de anderen die zijn aangehouden op ‘de wet van de stilte’. De organisatie gaat door met de internationale handel in cocaïne. [medeverdachte 4] neemt op verzoek van [medeverdachte 6] het contact [betrokkene 17] van [verdachte] over en zegt tegen deze [betrokkene 17] dat hij hetzelfde heeft als [verdachte] . Met betrekking tot het oogmerk van gewoontewitwassen overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de georganiseerde (internationale) handel in cocaïne grote geldbedragen zijn gemoeid. Verder wijst het hof op de grote hoeveelheden geld die blijkens het kasboek in worden gebracht en ook weer uit de kas worden gehaald. De [getuige] heeft voorts verklaard over de grote hoeveelheden geld die hij in appartementen van de organisatie heeft zien liggen. De deelneming van [verdachte] Naar het oordeel van het hof blijkt uit de hiervoor beschreven door of namens [verdachte] verrichte gedragingen dat hij in de tenlastegelegde periode een aandeel in gedragingen heeft gehad dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het hof verwijst naar zijn betrokkenheid in het zaaksdossier ‘100 kilo’. Voorts blijkt uit de pingconversaties tussen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en ‘ [betrokkene 17] ’ dat [verdachte] vóór zijn aanhouding op 5 april 2014 in verband met een internationale cocaïnelijn pingcontact onderhield met deze [betrokkene 17] , die ‘klussen’ (het hof begrijpt: cocaïnetransporten) voor [verdachte] deed. Verder heeft [getuige] verklaard dat [verdachte] degene was die de mogelijkheden op de luchthaven had en daar cocaïne in postzakken liet komen. Blijkens het op de [e-straat 1] te [plaats] aangetroffen kasboek van de organisatie wordt er regelmatig door of namens [verdachte] geld ingebracht, onder meer in verband met ‘Estrelle’, zijnde cocaïne. [verdachte] heeft, kort samengevat, een actieve rol gehad in de (internationale) handel in cocaïne. Met zijn handelen heeft hij ook bijgedragen aan het oogmerk van gewoontewitwassen van de organisatie. Naar algemene ervaringsregels en blijkens de feiten en omstandigheden in deze zaak gaan gewoontewitwassen en de grootschalige internationale handel in cocaïne hand in hand. Conclusie Gelet op het voorgaande heeft [verdachte] deelgenomen aan de tenlastegelegde drugsorganisatie alsmede aan de tenlastegelegde organisatie ex artikel 140 Sr. Het onder 3 eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde kan bewezen worden verklaard.” Eerste deelklacht 5.4 Als eerste behandel ik de klacht die inhoudt dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken van enige concrete betrokkenheid van de verdachte vóór 4 maart 2014. 5.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering het volgende blijkt: (a) dat de verdachte in januari en februari 2014 bij de woning van [medeverdachte 8] op het adres [a-straat 1] te [plaats] is gezien en door haar in een pingbericht lijkt te worden aangeduid met de naam “ [bijnaam verdachte 1] ”; (b) dat op 28 februari 2014 voor de eerste maal berichten op een telefoon voorkomen met de naam “ [bijnaam 2 verdachte] ”; (c) dat op 21 maart 2014 op de telefoon van een medeverdachte een contactverzoek voorkomt met de naam “ [bijnaam 2 verdachte] ”, welk verzoek verzonden is met de telefoon die de verdachte (verzoeker in cassatie) bij zijn aanhouding in bezit had; (d) dat in het kasboek op 4 maart 2024 voor de eerste maal een aantekening voorkomt met vermelding van de naam [bijnaam verdachte 1] (“brengt [bijnaam medeverdachte 1] 28 [bijnaam verdachte 1] (…)”); (e) dat er na 4 maart voor “ [bijnaam verdachte 1] ” aantekeningen op 5, 7, 8, 10, 12 en 18 maart 2014 en op 5 april 2014 in het kasboek zijn genoteerd; (f) dat [getuige] heeft verklaard dat hij een ontmoeting heeft gehad “met ‘de [bijnaam 3 verdachte] ’ in 2013, begin 2014, voordat [bijnaam medeverdachte 6] werd aangehouden” dat “ze” met de [bijnaam 3 verdachte] naar [getuige] toekwamen en zeiden dat “hij […] de man [is] die de mogelijkheden op de luchthaven heeft”, dat de [bijnaam 3 verdachte] “loaded [was] qua geld”, dat hij “elke week ‘200’ cocaïne” liet komen, en dat er 20 kilo in een postzak ging. 5.6 De stellers van het middel wijzen erop dat uit de aantekeningen bedoeld onder 5.5 (e) slechts volgt dat de verdachte “een aantal malen betalingen aan de (organisatie van) de houder van het kasboek zou hebben gedaan (dat dit daadwerkelijk zo is gebeurd, is niet vastgesteld)” en dat van enige andere betrokkenheid van de verdachte niet blijkt, “met name niet van het verlenen van de zodanige diensten aan de kasboek-organisatie”. Ook wijzen de stellers van het middel erop dat uit de verklaring van [getuige] onder 5.5 (f) niet blijkt dat de verdachte “ook daadwerkelijk een of meer ladingen cocaïne heeft opgehaald” of heeft laten binnenkomen. 5.7 In HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361 m.nt. Jörg stelde de Hoge Raad het volgende voorop: “2.3.1 De tenlastelegging is toegesneden op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrippen ‘deelneming’, ‘organisatie’ en ‘oogmerk’ zijn gebruikt in de betekenis die deze begrippen hebben in die bepaling. 2.3.2 Artikel 140 lid 1 Sr luidt: “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.” 2.4.1 De rechtspraak van de Hoge Raad over de hiervoor genoemde bestanddelen van artikel 140 lid 1 Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven. (Vgl.
Volledig
Er staat ‘ [letter] ’ in de aantekeningen maar dat moet ‘ [B] ’ zijn. De drugs werden in Brazilië in het geheim in containers gedaan, die meevlogen met [B] . Conclusie De aangetroffen notities/het kasboek en de gevoerde pinggesprekken zien naar het oordeel van het hof evident (in versluierde bewoordingen) op de georganiseerde (internationale) handel in cocaïne en op de inkomsten en de uitgaven terzake, terwijl er in het perceel [f-straat 1] te [plaats] alsmede in de door [verdachte] bestuurde Mercedes Vito ook daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen. Het hof betrekt hierbij nog dat uit het kasboek blijkt dat per eenheid steeds € 28.000 wordt betaald, dat [medeverdachte 8] en [betrokkene 14] het over een vrijwel gelijke prijs hebben (‘27’, het hof begrijpt: € 27.000) en dat € 28.000 ongeveer de prijs van 1 kilo cocaïne is (zaakdossier criminele organisatie, p. R 65). Voorts heeft de [getuige] verklaringen afgelegd over het bestaan en het oogmerk van de organisatie in de tenlastegelegde periode, alsmede over de betrokkenheid van een aantal verdachten. Uit al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat er in de tenlastegelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen meerdere personen, die (deels) ook afzonderlijk met elkaar (en anderen) samenwerkten. De organisatie had tot oogmerk onder meer de invoer, verkoop en het vervoer van cocaïne alsmede gewoontewitwassen. Leden van de organisatie beschikten over vaste (internationale) lijnen en contacten terzake van de invoer/verkoop/vervoer van cocaïne, stashplekken voor cocaïne, waarvan de Wijnbrugstraat er een was, een auto met een verborgen ruimte (de Mercedes Vito) en men had via Blackberry’s pingcontact met elkaar in verband met de invoer van/handel in cocaïne en in verband met de financiële afwikkeling van deze handel. Er was een administratie van de inkomende en uitgaande partijen cocaïne, waarbij werd genoteerd hoeveel cocaïne en van welke soort er binnenkwam, alsmede welk lid van de organisatie hoeveel van de betreffende soort cocaïne meenam. Er werd verder een kasboek bijgehouden met de inkomsten en uitgaven van de organisatie, waarbij werd genoteerd hoeveel geld de leden in de kas brachten en hoeveel er weer werd uitgehaald en door wie. In het kasboek werden ook onkosten, zoals voor de aanschaf van Blackberry’s en tickets, genoteerd. Na de aanhouding op 5 april 2014 van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wijst [medeverdachte 2] de anderen die zijn aangehouden op ‘de wet van de stilte’. De organisatie gaat door met de internationale handel in cocaïne. [medeverdachte 4] neemt op verzoek van [medeverdachte 6] het contact [betrokkene 17] van [verdachte] over en zegt tegen deze [betrokkene 17] dat hij hetzelfde heeft als [verdachte] . Met betrekking tot het oogmerk van gewoontewitwassen overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de georganiseerde (internationale) handel in cocaïne grote geldbedragen zijn gemoeid. Verder wijst het hof op de grote hoeveelheden geld die blijkens het kasboek in worden gebracht en ook weer uit de kas worden gehaald. De [getuige] heeft voorts verklaard over de grote hoeveelheden geld die hij in appartementen van de organisatie heeft zien liggen. De deelneming van [verdachte] Naar het oordeel van het hof blijkt uit de hiervoor beschreven door of namens [verdachte] verrichte gedragingen dat hij in de tenlastegelegde periode een aandeel in gedragingen heeft gehad dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het hof verwijst naar zijn betrokkenheid in het zaaksdossier ‘100 kilo’. Voorts blijkt uit de pingconversaties tussen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en ‘ [betrokkene 17] ’ dat [verdachte] vóór zijn aanhouding op 5 april 2014 in verband met een internationale cocaïnelijn pingcontact onderhield met deze [betrokkene 17] , die ‘klussen’ (het hof begrijpt: cocaïnetransporten) voor [verdachte] deed. Verder heeft [getuige] verklaard dat [verdachte] degene was die de mogelijkheden op de luchthaven had en daar cocaïne in postzakken liet komen. Blijkens het op de [e-straat 1] te [plaats] aangetroffen kasboek van de organisatie wordt er regelmatig door of namens [verdachte] geld ingebracht, onder meer in verband met ‘Estrelle’, zijnde cocaïne. [verdachte] heeft, kort samengevat, een actieve rol gehad in de (internationale) handel in cocaïne. Met zijn handelen heeft hij ook bijgedragen aan het oogmerk van gewoontewitwassen van de organisatie. Naar algemene ervaringsregels en blijkens de feiten en omstandigheden in deze zaak gaan gewoontewitwassen en de grootschalige internationale handel in cocaïne hand in hand. Conclusie Gelet op het voorgaande heeft [verdachte] deelgenomen aan de tenlastegelegde drugsorganisatie alsmede aan de tenlastegelegde organisatie ex artikel 140 Sr. Het onder 3 eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde kan bewezen worden verklaard.” Eerste deelklacht 5.4 Als eerste behandel ik de klacht die inhoudt dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken van enige concrete betrokkenheid van de verdachte vóór 4 maart 2014. 5.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering het volgende blijkt: (a) dat de verdachte in januari en februari 2014 bij de woning van [medeverdachte 8] op het adres [a-straat 1] te [plaats] is gezien en door haar in een pingbericht lijkt te worden aangeduid met de naam “ [bijnaam verdachte 1] ”; (b) dat op 28 februari 2014 voor de eerste maal berichten op een telefoon voorkomen met de naam “ [bijnaam 2 verdachte] ”; (c) dat op 21 maart 2014 op de telefoon van een medeverdachte een contactverzoek voorkomt met de naam “ [bijnaam 2 verdachte] ”, welk verzoek verzonden is met de telefoon die de verdachte (verzoeker in cassatie) bij zijn aanhouding in bezit had; (d) dat in het kasboek op 4 maart 2024 voor de eerste maal een aantekening voorkomt met vermelding van de naam [bijnaam verdachte 1] (“brengt [bijnaam medeverdachte 1] 28 [bijnaam verdachte 1] (…)”); (e) dat er na 4 maart voor “ [bijnaam verdachte 1] ” aantekeningen op 5, 7, 8, 10, 12 en 18 maart 2014 en op 5 april 2014 in het kasboek zijn genoteerd; (f) dat [getuige] heeft verklaard dat hij een ontmoeting heeft gehad “met ‘de [bijnaam 3 verdachte] ’ in 2013, begin 2014, voordat [bijnaam medeverdachte 6] werd aangehouden” dat “ze” met de [bijnaam 3 verdachte] naar [getuige] toekwamen en zeiden dat “hij […] de man [is] die de mogelijkheden op de luchthaven heeft”, dat de [bijnaam 3 verdachte] “loaded [was] qua geld”, dat hij “elke week ‘200’ cocaïne” liet komen, en dat er 20 kilo in een postzak ging. 5.6 De stellers van het middel wijzen erop dat uit de aantekeningen bedoeld onder 5.5 (e) slechts volgt dat de verdachte “een aantal malen betalingen aan de (organisatie van) de houder van het kasboek zou hebben gedaan (dat dit daadwerkelijk zo is gebeurd, is niet vastgesteld)” en dat van enige andere betrokkenheid van de verdachte niet blijkt, “met name niet van het verlenen van de zodanige diensten aan de kasboek-organisatie”. Ook wijzen de stellers van het middel erop dat uit de verklaring van [getuige] onder 5.5 (f) niet blijkt dat de verdachte “ook daadwerkelijk een of meer ladingen cocaïne heeft opgehaald” of heeft laten binnenkomen. 5.7 In HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361 m.nt. Jörg stelde de Hoge Raad het volgende voorop: “2.3.1 De tenlastelegging is toegesneden op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrippen ‘deelneming’, ‘organisatie’ en ‘oogmerk’ zijn gebruikt in de betekenis die deze begrippen hebben in die bepaling. 2.3.2 Artikel 140 lid 1 Sr luidt: “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.” 2.4.1 De rechtspraak van de Hoge Raad over de hiervoor genoemde bestanddelen van artikel 140 lid 1 Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven. (Vgl.
Volledig
onder meer HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378.) 2.4.2 Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. 2.4.3 Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. 2.4.4 Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.” 5.8 Het hof heeft onder het kopje “De deelneming van [verdachte] ” geoordeeld dat de verdachte in de tenlastegelegde periode een aandeel in gedragingen heeft gehad dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie en dat de verdachte “een actieve rol” heeft gehad in de “(internationale) handel in cocaïne”. Dit oordeel heeft het hof gestoeld op de volgende omstandigheden: (i) verdachtes betrokkenheid in het zaakdossier ‘100 kilo’; (ii) de pingconversaties tussen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en ‘ [betrokkene 17] ’ waaruit blijkt dat [verdachte] vóór zijn aanhouding op 5 april 2014 in verband met een internationale cocaïnelijn pingcontact onderhield met deze [betrokkene 17] , die ‘klussen’ (volgens het hof cocaïnetransporten) voor [verdachte] deed; (iii) [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] degene was die de mogelijkheden op de luchthaven had en daar cocaïne in postzakken liet komen; en (iv) blijkens het aangetroffen kasboek van de organisatie is er regelmatig door of namens de verdachte geld ingebracht, onder meer in verband met ‘Estrelle’, zijnde cocaïne. 5.9 Uit hetgeen onder 5.6 is opgemerkt volgt dat het middel zijn pijlen richt op de onder 5.8 (iii) en (iv) genoemde omstandigheden. Over de onder (ii) genoemde omstandigheid wordt niet geklaagd, terwijl hieruit blijkt dat dat de verdachte “vóór zijn aanhouding op 5 april 2014” contact onderhield met “ [betrokkene 17] ” die volgens het hof cocaïnetransporten voor [verdachte] deed. Uit de verklaring van [getuige] (de onder 5.8 (iii) genoemde omstandigheid) heeft het hof eveneens kunnen afleiden dat de verdachte voor 4 maart 2014 betrokken was bij de onder 3 tweede cumulatief bewezenverklaarde organisatie. [getuige] heeft immers verklaard dat hij een ontmoeting heeft gehad “met ‘de [bijnaam 3 verdachte] ’ in 2013, begin 2014, voordat [bijnaam medeverdachte 6] werd aangehouden”, dat “ze” met de [bijnaam 3 verdachte] naar [getuige] toekwamen en zeiden dat “hij […] de man [is] die de mogelijkheden op de luchthaven heeft”, dat de [bijnaam 3 verdachte] “loaded [was] qua geld”, dat hij “elke week ‘200’ cocaïne” liet komen, en dat er 20 kilo in een postzak ging. Dat niet zou blijken dat de verdachte “ook daadwerkelijk een of meer ladingen cocaïne heeft opgehaald” of heeft laten binnenkomen doet daaraan niet af, nu het voor het misdrijf van art. 140 Sr niet is vereist dat daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. 5.10 De klacht is tevergeefs voorgesteld. Tweede deelklacht 5.11 Volgens deze klacht blijkt uit de bewijsvoering ten eerste niet of, en zo ja op welke wijze, de winsten van de organisatie zijn witgewassen. Ten tweede voeren de stellers van het middel aan dat niet uit de bewijsvoering blijkt dat de organisatie het doel had om haar criminele winsten wit te wassen en zo ja op welke wijze. Ten derde blijkt huns inziens uit de bewijsvoering evenmin dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die rechtstreeks verband hielden of strekten tot het verwezenlijken van het witwasdoel van de organisatie, nu enkel blijkt dat de verdachte geldbedragen aan de organisatie heeft betaald maar niet dat hij zich op enigerlei wijze heeft bezig gehouden met het vervolgens besteden van deze gelden en in het bijzonder niet met het verhullen van de herkomst van de winsten van deze organisatie of het faciliteren ervan. 5.12 Voor zover de tweede deelklacht berust op de opvatting dat uit de bewijsvoering moet blijken dat of, en zo ja op welke wijze, de winsten van de organisatie zijn witgewassen, vindt die opvatting geen steun in het recht. Voor een veroordeling op grond van art. 140 Sr is immers niet vereist dat reeds daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd, aangezien het bij deze strafbaarstelling gaat om het “oogmerk” tot het plegen van misdrijven. 5.13 Voornoemd “oogmerk” moet wel uit de bewijsvoering volgen. Het hof heeft daartoe overwogen “dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de georganiseerde (internationale) handel in cocaïne grote geldbedragen zijn gemoeid” en het hof heeft gewezen “op de grote hoeveelheden geld die blijkens het kasboek in worden gebracht en ook weer uit de kas worden gehaald, en dat [getuige] heeft verklaard over de grote hoeveelheden geld die hij in appartementen van de organisatie heeft zien liggen. Voorts heeft het hof overwogen dat naar “algemene ervaringsregels en blijkens de feiten en omstandigheden in deze zaak gewoontewitwassen en grootschalige internationale handel in cocaïne hand in hand” gaan. 5.14 Voor zover de tweede deelklacht inhoudt dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de organisatie het oogmerk had om “haar criminele winsten wit te wassen” kan deze niet tot cassatie leiden. Uit het voorgaande blijkt dat het hof betekenis heeft doen toekomen aan de in het kader van de organisatie bedreven (internationale) handel in cocaïne, de omstandigheid dat daarmee grote geldbedragen zijn gemoeid zoals ook blijkt uit de kasboeken van de organisatie, dat geldbedragen blijkens het kasboek niet alleen in de kas worden gebracht maar ook weer uit de kas worden gehaald, dat grote hoeveelheden geldbedragen ook zijn aangetroffen en, zo valt daaruit af te leiden, dat die geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Volledig
onder meer HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378.) 2.4.2 Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. 2.4.3 Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. 2.4.4 Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.” 5.8 Het hof heeft onder het kopje “De deelneming van [verdachte] ” geoordeeld dat de verdachte in de tenlastegelegde periode een aandeel in gedragingen heeft gehad dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie en dat de verdachte “een actieve rol” heeft gehad in de “(internationale) handel in cocaïne”. Dit oordeel heeft het hof gestoeld op de volgende omstandigheden: (i) verdachtes betrokkenheid in het zaakdossier ‘100 kilo’; (ii) de pingconversaties tussen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en ‘ [betrokkene 17] ’ waaruit blijkt dat [verdachte] vóór zijn aanhouding op 5 april 2014 in verband met een internationale cocaïnelijn pingcontact onderhield met deze [betrokkene 17] , die ‘klussen’ (volgens het hof cocaïnetransporten) voor [verdachte] deed; (iii) [getuige] heeft verklaard dat [verdachte] degene was die de mogelijkheden op de luchthaven had en daar cocaïne in postzakken liet komen; en (iv) blijkens het aangetroffen kasboek van de organisatie is er regelmatig door of namens de verdachte geld ingebracht, onder meer in verband met ‘Estrelle’, zijnde cocaïne. 5.9 Uit hetgeen onder 5.6 is opgemerkt volgt dat het middel zijn pijlen richt op de onder 5.8 (iii) en (iv) genoemde omstandigheden. Over de onder (ii) genoemde omstandigheid wordt niet geklaagd, terwijl hieruit blijkt dat dat de verdachte “vóór zijn aanhouding op 5 april 2014” contact onderhield met “ [betrokkene 17] ” die volgens het hof cocaïnetransporten voor [verdachte] deed. Uit de verklaring van [getuige] (de onder 5.8 (iii) genoemde omstandigheid) heeft het hof eveneens kunnen afleiden dat de verdachte voor 4 maart 2014 betrokken was bij de onder 3 tweede cumulatief bewezenverklaarde organisatie. [getuige] heeft immers verklaard dat hij een ontmoeting heeft gehad “met ‘de [bijnaam 3 verdachte] ’ in 2013, begin 2014, voordat [bijnaam medeverdachte 6] werd aangehouden”, dat “ze” met de [bijnaam 3 verdachte] naar [getuige] toekwamen en zeiden dat “hij […] de man [is] die de mogelijkheden op de luchthaven heeft”, dat de [bijnaam 3 verdachte] “loaded [was] qua geld”, dat hij “elke week ‘200’ cocaïne” liet komen, en dat er 20 kilo in een postzak ging. Dat niet zou blijken dat de verdachte “ook daadwerkelijk een of meer ladingen cocaïne heeft opgehaald” of heeft laten binnenkomen doet daaraan niet af, nu het voor het misdrijf van art. 140 Sr niet is vereist dat daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. 5.10 De klacht is tevergeefs voorgesteld. Tweede deelklacht 5.11 Volgens deze klacht blijkt uit de bewijsvoering ten eerste niet of, en zo ja op welke wijze, de winsten van de organisatie zijn witgewassen. Ten tweede voeren de stellers van het middel aan dat niet uit de bewijsvoering blijkt dat de organisatie het doel had om haar criminele winsten wit te wassen en zo ja op welke wijze. Ten derde blijkt huns inziens uit de bewijsvoering evenmin dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die rechtstreeks verband hielden of strekten tot het verwezenlijken van het witwasdoel van de organisatie, nu enkel blijkt dat de verdachte geldbedragen aan de organisatie heeft betaald maar niet dat hij zich op enigerlei wijze heeft bezig gehouden met het vervolgens besteden van deze gelden en in het bijzonder niet met het verhullen van de herkomst van de winsten van deze organisatie of het faciliteren ervan. 5.12 Voor zover de tweede deelklacht berust op de opvatting dat uit de bewijsvoering moet blijken dat of, en zo ja op welke wijze, de winsten van de organisatie zijn witgewassen, vindt die opvatting geen steun in het recht. Voor een veroordeling op grond van art. 140 Sr is immers niet vereist dat reeds daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd, aangezien het bij deze strafbaarstelling gaat om het “oogmerk” tot het plegen van misdrijven. 5.13 Voornoemd “oogmerk” moet wel uit de bewijsvoering volgen. Het hof heeft daartoe overwogen “dat het een feit van algemene bekendheid is dat met de georganiseerde (internationale) handel in cocaïne grote geldbedragen zijn gemoeid” en het hof heeft gewezen “op de grote hoeveelheden geld die blijkens het kasboek in worden gebracht en ook weer uit de kas worden gehaald, en dat [getuige] heeft verklaard over de grote hoeveelheden geld die hij in appartementen van de organisatie heeft zien liggen. Voorts heeft het hof overwogen dat naar “algemene ervaringsregels en blijkens de feiten en omstandigheden in deze zaak gewoontewitwassen en grootschalige internationale handel in cocaïne hand in hand” gaan. 5.14 Voor zover de tweede deelklacht inhoudt dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de organisatie het oogmerk had om “haar criminele winsten wit te wassen” kan deze niet tot cassatie leiden. Uit het voorgaande blijkt dat het hof betekenis heeft doen toekomen aan de in het kader van de organisatie bedreven (internationale) handel in cocaïne, de omstandigheid dat daarmee grote geldbedragen zijn gemoeid zoals ook blijkt uit de kasboeken van de organisatie, dat geldbedragen blijkens het kasboek niet alleen in de kas worden gebracht maar ook weer uit de kas worden gehaald, dat grote hoeveelheden geldbedragen ook zijn aangetroffen en, zo valt daaruit af te leiden, dat die geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Volledig
Dat met drugshandel grote bedragen worden verdiend blijkt bovendien ook uit de door het hof gebruikte verklaring van [getuige] over de verdachte (die volgens [getuige] ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ is): “De [bijnaam 3 verdachte] was ‘loaded qua geld’, hij liet elke week ‘200’ cocaïne komen. Er ging 20 kilo (het hof begrijpt: cocaïne) in een postzak.” Verder blijkt uit de bewijsvoering (het kasboek en de verklaring van [getuige] ) dat ingekomen geld ook werd aangewend bij het maken van onkosten. Zo werd geld omgezet in onder meer Blackberry’s en tickets. Gelet op een en ander kan het niet anders zijn dan dat de organisatie mede witwassen tot doel had. Het kennelijk mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de organisatie een witwasdoel had, is niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd. Niettemin merk ik nog het volgende op: de tot de organisatie behorende [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn betrokken bij het witwassen van € 230.000 (zie hierover de zaak 24/02518 waarin ik vandaag ook concludeer) en de tot de organisatie behorende [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bij het witwassen van € 89.230 (zie daarover de zaak 24/02580 waarin ik vandaag eveneens concludeer). Gelet daarop heeft de verdachte in elk geval geen belang bij de klacht. 5.15 Voor zover de tweede deelklacht berust op de opvatting dat uit de bewijsvoering moet blijken “op welke wijze” geld is witgewassen, vindt de klacht geen steun in het recht. 5.16 Ook de klacht dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die rechtstreeks verband hielden of strekten tot het verwezenlijken van het witwas-doel van de organisatie faalt, omdat niet is vereist dat de verdachte een aandeel dient te hebben in gedragingen of gedragingen dient te ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van alle misdrijven – in het onderhavige geval kort gezegd de (internationale) handel in cocaïne en (gewoonte)witwassen – waarop het oogmerk van de organisatie gericht is. Derde deelklacht 5.17 De derde deelklacht houdt in dat het hof onder 3 eerste cumulatief en onder 3 tweede cumulatief hetzelfde feit heeft bewezenverklaard. 5.18 De deelklacht faalt. Daartoe merk ik allereerst op dat de strekking van deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr en de strekking van deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 11a (oud) Opiumwet (zie thans art. 11b Opiumwet) niet geheel identiek zijn. De bewezenverklaarde gedragingen leveren ook niet een in die mate samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op zodat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het hof heeft immers onder 3 eerste en tweede cumulatief ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat kort gezegd de verdachte in verschillende tijdvakken deel heeft genomen aan niet één, maar twee organisaties, elk van een andersoortige criminele aard en waarbij de bewezenverklaarde organisatie onder 3 tweede cumulatief, anders dan de organisatie bedoeld onder 3 eerste cumulatief, niet enkel het oogmerk had op kort gezegd de (internationale) handel in cocaïne maar ook gewoontewitwassen. 5.19 Nu ook de derde deelklacht faalt, strandt eveneens het middel. 6 Het vierde middel 6.1 Het middel richt zich tegen de strafmotivering en bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is – niet in het bijzonder heeft vermeld welk deel van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in elk geval (in een penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd. 6.2 Het bestreden arrest houdt het volgende in: “Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.” 6.3 In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat de in art. 359 lid 6 Sv opgenomen zinsnede dat “[h]et vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd” voor de rechter de verplichting meebrengt om in concreto duidelijk te maken welk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf – in casu: gelet op de regeling van de voorwaardelijke vrijheidsstelling – in elk geval ten uitvoer wordt gelegd. Het in de onderhavige zaak door het hof (en andere hoven) gebezigde standaard sjabloon, waarin gelet op de opgelegde straf van 38 maanden ten onrechte ook de mogelijkheid van een penitentiair programma wordt genoemd, zou niet aan dit vereiste voldoen. De verdachte heeft volgens de stellers van het middel ook belang bij dit middel, gelet op de verplichting dat het hof ten aanzien van hem de wet naleeft en ook zou het wijdere publiek – waaronder de slachtoffers en benadeelde partijen – recht hebben op een dergelijke ondubbelzinnige mededeling. Opgemerkt wordt dat de Hoge Raad in de situatie dat de eerste drie middelen worden verworpen dit verzuim zelf zal kunnen herstellen. 6.4 Over dit middel kan ik kort zijn omdat de Hoge Raad op 11 november 2025 – dat is na binnenkomst van de onderhavige schriftuur – een naar de kern genomen gelijkluidend middel van de hand van één van de indieners van de onderhavige schriftuur, heeft verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Ik zie geen reden waarom de Hoge Raad daar nu anders over zou denken en daar inhoudelijke overwegingen aan zou wijden. 6.5 Het middel faalt. 7 Afronding 7.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 7.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 7.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG A-G Bleichrodt, conclusie voor HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:381, randnr. 12. HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:308, r.o. 2.4. Zie van eerdere datum HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/393 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.3. HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126, r.o. 6.2.2. Zie ook HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2526, HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187, NJ 2016/436, HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1015. Vgl. D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1981, p. 17: “Het OM stelt de telastelegging op en heeft het daarmee in zijn macht te bepalen, wat de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting is. De vroegere bevoegdheid van de strafrechter om te beoordelen of de door de steller van de telastelegging uit de feiten gemaakte selectie acceptabel was, is in 1933 tot een einde gekomen. Toch blijft de rechter een rol spelen bij het bepalen van de grondslag van zijn onderzoek: hij moet de inhoud van de telastelegging vaststellen, hij moet deze interpreteren . Dit is een belangrijke en zelfstandige werkzaamheid van de rechter, waarvan de betekenis niet moet worden onderschat. Hoe gewichtig deze rechterlijke bezigheid is, blijkt onder meer uit de rechtspraak van de cassatierechter, die iedere uitleg van de telastelegging die niet onverenigbaar is met haar bewoordingen , aanvaardt.” HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6569, HR 26 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9304, NJ 1996/93. HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:779, NJ 2019/220. G.J.M. Corstens, M.J. Corstens en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht , Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 930. Zie bijv. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9182, NJ 2011/22. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361 m.nt. Jörg, r.o. 2.4.3. Vgl. G.J.M. Corstens, M.J. Corstens en T.
Volledig
Dat met drugshandel grote bedragen worden verdiend blijkt bovendien ook uit de door het hof gebruikte verklaring van [getuige] over de verdachte (die volgens [getuige] ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ is): “De [bijnaam 3 verdachte] was ‘loaded qua geld’, hij liet elke week ‘200’ cocaïne komen. Er ging 20 kilo (het hof begrijpt: cocaïne) in een postzak.” Verder blijkt uit de bewijsvoering (het kasboek en de verklaring van [getuige] ) dat ingekomen geld ook werd aangewend bij het maken van onkosten. Zo werd geld omgezet in onder meer Blackberry’s en tickets. Gelet op een en ander kan het niet anders zijn dan dat de organisatie mede witwassen tot doel had. Het kennelijk mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de organisatie een witwasdoel had, is niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd. Niettemin merk ik nog het volgende op: de tot de organisatie behorende [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn betrokken bij het witwassen van € 230.000 (zie hierover de zaak 24/02518 waarin ik vandaag ook concludeer) en de tot de organisatie behorende [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bij het witwassen van € 89.230 (zie daarover de zaak 24/02580 waarin ik vandaag eveneens concludeer). Gelet daarop heeft de verdachte in elk geval geen belang bij de klacht. 5.15 Voor zover de tweede deelklacht berust op de opvatting dat uit de bewijsvoering moet blijken “op welke wijze” geld is witgewassen, vindt de klacht geen steun in het recht. 5.16 Ook de klacht dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die rechtstreeks verband hielden of strekten tot het verwezenlijken van het witwas-doel van de organisatie faalt, omdat niet is vereist dat de verdachte een aandeel dient te hebben in gedragingen of gedragingen dient te ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van alle misdrijven – in het onderhavige geval kort gezegd de (internationale) handel in cocaïne en (gewoonte)witwassen – waarop het oogmerk van de organisatie gericht is. Derde deelklacht 5.17 De derde deelklacht houdt in dat het hof onder 3 eerste cumulatief en onder 3 tweede cumulatief hetzelfde feit heeft bewezenverklaard. 5.18 De deelklacht faalt. Daartoe merk ik allereerst op dat de strekking van deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr en de strekking van deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 11a (oud) Opiumwet (zie thans art. 11b Opiumwet) niet geheel identiek zijn. De bewezenverklaarde gedragingen leveren ook niet een in die mate samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op zodat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het hof heeft immers onder 3 eerste en tweede cumulatief ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat kort gezegd de verdachte in verschillende tijdvakken deel heeft genomen aan niet één, maar twee organisaties, elk van een andersoortige criminele aard en waarbij de bewezenverklaarde organisatie onder 3 tweede cumulatief, anders dan de organisatie bedoeld onder 3 eerste cumulatief, niet enkel het oogmerk had op kort gezegd de (internationale) handel in cocaïne maar ook gewoontewitwassen. 5.19 Nu ook de derde deelklacht faalt, strandt eveneens het middel. 6 Het vierde middel 6.1 Het middel richt zich tegen de strafmotivering en bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is – niet in het bijzonder heeft vermeld welk deel van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in elk geval (in een penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd. 6.2 Het bestreden arrest houdt het volgende in: “Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.” 6.3 In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat de in art. 359 lid 6 Sv opgenomen zinsnede dat “[h]et vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd” voor de rechter de verplichting meebrengt om in concreto duidelijk te maken welk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf – in casu: gelet op de regeling van de voorwaardelijke vrijheidsstelling – in elk geval ten uitvoer wordt gelegd. Het in de onderhavige zaak door het hof (en andere hoven) gebezigde standaard sjabloon, waarin gelet op de opgelegde straf van 38 maanden ten onrechte ook de mogelijkheid van een penitentiair programma wordt genoemd, zou niet aan dit vereiste voldoen. De verdachte heeft volgens de stellers van het middel ook belang bij dit middel, gelet op de verplichting dat het hof ten aanzien van hem de wet naleeft en ook zou het wijdere publiek – waaronder de slachtoffers en benadeelde partijen – recht hebben op een dergelijke ondubbelzinnige mededeling. Opgemerkt wordt dat de Hoge Raad in de situatie dat de eerste drie middelen worden verworpen dit verzuim zelf zal kunnen herstellen. 6.4 Over dit middel kan ik kort zijn omdat de Hoge Raad op 11 november 2025 – dat is na binnenkomst van de onderhavige schriftuur – een naar de kern genomen gelijkluidend middel van de hand van één van de indieners van de onderhavige schriftuur, heeft verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Ik zie geen reden waarom de Hoge Raad daar nu anders over zou denken en daar inhoudelijke overwegingen aan zou wijden. 6.5 Het middel faalt. 7 Afronding 7.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 7.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 7.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG A-G Bleichrodt, conclusie voor HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:381, randnr. 12. HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:308, r.o. 2.4. Zie van eerdere datum HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/393 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.3. HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126, r.o. 6.2.2. Zie ook HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2526, HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187, NJ 2016/436, HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1015. Vgl. D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1981, p. 17: “Het OM stelt de telastelegging op en heeft het daarmee in zijn macht te bepalen, wat de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting is. De vroegere bevoegdheid van de strafrechter om te beoordelen of de door de steller van de telastelegging uit de feiten gemaakte selectie acceptabel was, is in 1933 tot een einde gekomen. Toch blijft de rechter een rol spelen bij het bepalen van de grondslag van zijn onderzoek: hij moet de inhoud van de telastelegging vaststellen, hij moet deze interpreteren . Dit is een belangrijke en zelfstandige werkzaamheid van de rechter, waarvan de betekenis niet moet worden onderschat. Hoe gewichtig deze rechterlijke bezigheid is, blijkt onder meer uit de rechtspraak van de cassatierechter, die iedere uitleg van de telastelegging die niet onverenigbaar is met haar bewoordingen , aanvaardt.” HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6569, HR 26 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9304, NJ 1996/93. HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:779, NJ 2019/220. G.J.M. Corstens, M.J. Corstens en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht , Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 930. Zie bijv. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9182, NJ 2011/22. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361 m.nt. Jörg, r.o. 2.4.3. Vgl. G.J.M. Corstens, M.J. Corstens en T.