Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-03
ECLI:NL:PHR:2026:200
Strafrecht
10,948 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:200 text/xml public 2026-03-05T11:55:46 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 24/04397 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:200 text/html public 2026-03-05T11:55:33 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:200 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 24/04397 Conclusie AG. Poging tot zware mishandeling en vernieling. Falend middel over afwijzing van verzoek tot horen van een deskundige. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04397 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 27 november 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens 1 primair "poging tot zware mishandeling" en 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 340 dagen, waarvan 255 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de verdachte tevens ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de duur dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest. 1.2 Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 Het middel keert zich tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van de [deskundige] . 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 primair en 2 bewezenverklaard dat: “1. hij op 7 mei 2021 in [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, - met een door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto het bestelbusje waarin die [slachtoffer] zich als bestuurder bevond, heeft geramd en van de (snel)weg heeft geduwd/gedrukt, en - opzettelijk een aanrijding heeft veroorzaakt tussen de door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto en het bestelbusje waarin die [slachtoffer] zich als bestuurder bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op 7 mei 2021 in [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een bestelbus (merk Fiat Ducato, [kenteken 1] ), die aan [A] toebehoorde, heeft beschadigd.” 2.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2023 vermeldt dat het verzoek van de verdediging tot het doen van nader onderzoek is toegewezen. De overwegingen en de beslissing van het hof houden in: “Het hof heeft zich beraden over de door de verdediging ingediende onderzoekswens. Het hof is tot het oordeel gekomen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden teneinde de raadsheer-commissaris een deskundige te laten benoemen die nader onderzoek zal verrichten aan de hand van de camerabeelden en overige stukken in het procesdossier, en deze bevindingen zal afwegen tegen de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en de feitelijke toedracht. De verdachte heeft heden ter terechtzitting een andere lezing gegeven van de feitelijke toedracht zoals die op basis van de camerabeelden naar voren lijkt te komen en dit moet worden onderzocht. […] Het hof, gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman: […] - stelt de stukken, voor zover van belang, in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof; - beveelt dat de raadsheer-commissaris een onderzoek zal instellen, en daarbij de volgende stappen zal ondernemen: - I) uitgaande van enerzijds het scenario van de verdediging dat er op neerkomt verdachte met zijn vrachtwagen noodzakelijkerwijs tegen de bestelbus is gereden om te voorkomen dat het noodremsysteem in werking zou treden en anderzijds het scenario van het openbaar ministerie dat verdachte zonder enige noodzaak meermalen tegen de achterkant van de bestelbus is gereden; II) uitgaande van enerzijds het scenario van de verdediging dat er op neerkomt dat de bestelbus vanaf de vluchtstrook naar links heeft gestuurd en de vrachtwagen van de verdachte daarbij heeft geraakt, en anderzijds van het scenario van het openbaar ministerie dat de vrachtwagen van de verdachte naar rechts heeft gestuurd en de bestelbus heeft geraakt; een deskundige te benoemen die de scenario's genoemd onder I en II tegen elkaar afweegt in het licht van de camerabeelden (‘202106844 camerabeelden 1' en '202106844 camerabeelden 2') en de overige stukken in het procesdossier waaronder met name de foto's, en daarbij in onderdeel I mede aandacht besteedt aan de werking van het noodremsysteem van de vrachtwagen; [...]." 2.4 Op 29 maart 2024 is door de [deskundige] een ‘rapportage TNO noodremsysteem vrachtwagen’ opgemaakt. Door de raadsman van de verdachte is vervolgens bij brief van 31 oktober 2024 aan de advocaat-generaal het verzoek gedaan om de [deskundige] te doen dagvaarden of oproepen voor de terechtzitting. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd: “De verdediging en cliënt hebben een aantal vragen met betrekking tot het rapport dat [deskundige] heeft opgesteld. Uit het onderzoek is gebleken dat de vrachtwagen waar cliënt in reed, te weten DAF [kenteken 2] uit 2017, uitgerust is met een geavanceerd rijhulpsysteem. Het automatische remsysteem werkt op basis van een sensortechnologie, zoals radar of camera's, waarmee de omgeving rondom de vrachtwagen wordt gescand om potentieel gevaar te detecteren. Het systeem is zo ingericht dat het een dreigende botsing kan detecteren, waardoor het automatische remsysteem ingeschakeld wordt om de snelheid van de vrachtwagen te verminderen. We hebben contact opgenomen met de DAF-fabriek en we hebben ons de werking van het remhulpsysteem laten uitleggen. Naar de mening van de fabrikant wordt het automatische remsysteem altijd automatisch ingeschakeld bij het naderen van een voertuig aan de voorkant van de vrachtwagen. Volgens de fabrikant kan het remsysteem niet uitgeschakeld worden door gas te geven vlak voor een voertuig. In plaats daarvan zal het systeem altijd autonoom blijven werken om de veiligheid te waarborgen. In het TNO-onderzoek is niet specifiek onderzoek gedaan naar de vrachtwagen van cliënt. Het TNO-onderzoek is enkel gebaseerd op de videobeelden die cliënt heeft aangeleverd waardoor uit het onderzoek niet vastgesteld kan worden of het remsysteem van de vrachtwagen van cliënt niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Het is voor de verdediging van belang om een aantal vragen te stellen over deze aspecten. Daarnaast heeft de verdediging een aantal vragen over de conclusie die [deskundige] heeft getrokken over de snelheid waarmee de bus reed die voor de vrachtwagen van cliënt reed. Er is geen onderzoek gedaan naar de snelheid van beide voertuigen. Naar de mening van cliënt, waarbij hij refereert aan beeldopnametijd 02.33 minuten, zou de bestuurder van de bus opzettelijk de snelheid van zijn voertuig hebben verminderd of door het terugschakelen naar een lagere versnelling of door het loslaten van het gaspedaal, waardoor de remlichten niet zijn aangegaan en dus niet te zien zijn op de camerabeelden. Naar de snelheid van de bus is geen afzonderlijk onderzoek gedaan en daar kon [deskundige] geen conclusie over trekken. Cliënt heeft meerdere keren aangegeven bij de politie en bij de rechter dat de bestuurder van de bus geïrriteerd was en bij het inhalen van mijn cliënt zijn middelvinger heeft opgestoken en vervolgens een zogenaamde brake checking deed, dat wil zeggen dat hij voor hem reed en zijn snelheid verminderde om cliënt te dwingen om snelheid te minderen.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:200 text/xml public 2026-05-12T13:01:48 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 24/04397 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:456 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:200 text/html public 2026-03-05T11:55:33 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:200 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 24/04397 Conclusie AG. Poging tot zware mishandeling en vernieling. Falend middel over afwijzing van verzoek tot horen van een deskundige. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04397 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 27 november 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens 1 primair "poging tot zware mishandeling" en 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 340 dagen, waarvan 255 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de verdachte tevens ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de duur dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest. 1.2 Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 Het middel keert zich tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van de [deskundige] . 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 primair en 2 bewezenverklaard dat: “1. hij op 7 mei 2021 in [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, - met een door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto het bestelbusje waarin die [slachtoffer] zich als bestuurder bevond, heeft geramd en van de (snel)weg heeft geduwd/gedrukt, en - opzettelijk een aanrijding heeft veroorzaakt tussen de door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto en het bestelbusje waarin die [slachtoffer] zich als bestuurder bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op 7 mei 2021 in [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een bestelbus (merk Fiat Ducato, [kenteken 1] ), die aan [A] toebehoorde, heeft beschadigd.” 2.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2023 vermeldt dat het verzoek van de verdediging tot het doen van nader onderzoek is toegewezen. De overwegingen en de beslissing van het hof houden in: “Het hof heeft zich beraden over de door de verdediging ingediende onderzoekswens. Het hof is tot het oordeel gekomen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden teneinde de raadsheer-commissaris een deskundige te laten benoemen die nader onderzoek zal verrichten aan de hand van de camerabeelden en overige stukken in het procesdossier, en deze bevindingen zal afwegen tegen de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en de feitelijke toedracht. De verdachte heeft heden ter terechtzitting een andere lezing gegeven van de feitelijke toedracht zoals die op basis van de camerabeelden naar voren lijkt te komen en dit moet worden onderzocht. […] Het hof, gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman: […] - stelt de stukken, voor zover van belang, in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof; - beveelt dat de raadsheer-commissaris een onderzoek zal instellen, en daarbij de volgende stappen zal ondernemen: - I) uitgaande van enerzijds het scenario van de verdediging dat er op neerkomt verdachte met zijn vrachtwagen noodzakelijkerwijs tegen de bestelbus is gereden om te voorkomen dat het noodremsysteem in werking zou treden en anderzijds het scenario van het openbaar ministerie dat verdachte zonder enige noodzaak meermalen tegen de achterkant van de bestelbus is gereden; II) uitgaande van enerzijds het scenario van de verdediging dat er op neerkomt dat de bestelbus vanaf de vluchtstrook naar links heeft gestuurd en de vrachtwagen van de verdachte daarbij heeft geraakt, en anderzijds van het scenario van het openbaar ministerie dat de vrachtwagen van de verdachte naar rechts heeft gestuurd en de bestelbus heeft geraakt; een deskundige te benoemen die de scenario's genoemd onder I en II tegen elkaar afweegt in het licht van de camerabeelden (‘202106844 camerabeelden 1' en '202106844 camerabeelden 2') en de overige stukken in het procesdossier waaronder met name de foto's, en daarbij in onderdeel I mede aandacht besteedt aan de werking van het noodremsysteem van de vrachtwagen; [...]." 2.4 Op 29 maart 2024 is door de [deskundige] een ‘rapportage TNO noodremsysteem vrachtwagen’ opgemaakt. Door de raadsman van de verdachte is vervolgens bij brief van 31 oktober 2024 aan de advocaat-generaal het verzoek gedaan om de [deskundige] te doen dagvaarden of oproepen voor de terechtzitting. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd: “De verdediging en cliënt hebben een aantal vragen met betrekking tot het rapport dat [deskundige] heeft opgesteld. Uit het onderzoek is gebleken dat de vrachtwagen waar cliënt in reed, te weten DAF [kenteken 2] uit 2017, uitgerust is met een geavanceerd rijhulpsysteem. Het automatische remsysteem werkt op basis van een sensortechnologie, zoals radar of camera's, waarmee de omgeving rondom de vrachtwagen wordt gescand om potentieel gevaar te detecteren. Het systeem is zo ingericht dat het een dreigende botsing kan detecteren, waardoor het automatische remsysteem ingeschakeld wordt om de snelheid van de vrachtwagen te verminderen. We hebben contact opgenomen met de DAF-fabriek en we hebben ons de werking van het remhulpsysteem laten uitleggen. Naar de mening van de fabrikant wordt het automatische remsysteem altijd automatisch ingeschakeld bij het naderen van een voertuig aan de voorkant van de vrachtwagen. Volgens de fabrikant kan het remsysteem niet uitgeschakeld worden door gas te geven vlak voor een voertuig. In plaats daarvan zal het systeem altijd autonoom blijven werken om de veiligheid te waarborgen. In het TNO-onderzoek is niet specifiek onderzoek gedaan naar de vrachtwagen van cliënt. Het TNO-onderzoek is enkel gebaseerd op de videobeelden die cliënt heeft aangeleverd waardoor uit het onderzoek niet vastgesteld kan worden of het remsysteem van de vrachtwagen van cliënt niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Het is voor de verdediging van belang om een aantal vragen te stellen over deze aspecten. Daarnaast heeft de verdediging een aantal vragen over de conclusie die [deskundige] heeft getrokken over de snelheid waarmee de bus reed die voor de vrachtwagen van cliënt reed. Er is geen onderzoek gedaan naar de snelheid van beide voertuigen. Naar de mening van cliënt, waarbij hij refereert aan beeldopnametijd 02.33 minuten, zou de bestuurder van de bus opzettelijk de snelheid van zijn voertuig hebben verminderd of door het terugschakelen naar een lagere versnelling of door het loslaten van het gaspedaal, waardoor de remlichten niet zijn aangegaan en dus niet te zien zijn op de camerabeelden. Naar de snelheid van de bus is geen afzonderlijk onderzoek gedaan en daar kon [deskundige] geen conclusie over trekken. Cliënt heeft meerdere keren aangegeven bij de politie en bij de rechter dat de bestuurder van de bus geïrriteerd was en bij het inhalen van mijn cliënt zijn middelvinger heeft opgestoken en vervolgens een zogenaamde brake checking deed, dat wil zeggen dat hij voor hem reed en zijn snelheid verminderde om cliënt te dwingen om snelheid te minderen.
Volledig
De vrachtwagen van cliënt was zodanig volgeladen dat zeer waarschijnlijk de remweg te lang was om een botsing te voorkomen.” 2.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2024 vermeldt het volgende: “De raadsman deelt mede: De verdediging heeft veel vragen niet kunnen stellen aan de [deskundige] . Om die reden heb ik een verzoek ingediend hem als getuige ter terechtzitting te horen, maar dat verzoek is afgewezen. Ik blijf bij het standpunt dat het horen van [deskundige] belangrijk is, omdat de verdediging veel vraagtekens zet bij de rapportage en de verdediging het recht heeft vragen te stellen. Het klopt dat het schriftelijk verzoek was gericht aan de advocaat-generaal. Ik persisteer bij mijn verzoek en verzoek nu uw hof toewijzend te beslissen en de deskundige te laten horen op zitting. […] De voorzitter deelt mede: Het hof heeft uw verzoek gelezen. Volgens de verdediging zou het remsysteem volgens de fabrikant niet uitgeschakeld kunnen worden. De raadsman deelt mede: Dat klopt. Ik heb onderzoek gedaan en volgens mijn gegevens kan het remsysteem niet volledig worden uitgeschakeld bij het geven van gas. De vrachtwagen van cliënt is nooit onderzocht. […] Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de volgende beslissing van het hof mede: Het hof heeft nagedacht over de onderzoekswens van de verdediging om de deskundige nadere informatie te laten verschaffen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak om nader onderzoek te laten doen. Het verzoek van de verdediging wordt afgewezen.” 2.6 Het arrest van het hof bevat onder meer de volgende bewijsoverweging: “De verklaring van de verdachte dat hij gas moest geven en botsingen waren gerechtvaardigd, omdat anders het noodremsysteem werd ingeschakeld en dit een gevaarlijke situatie zou veroorzaken op de weg door de vrachtwagen die zou gaan slingeren en omdat hij geen schade aan de lading van de vrachtwagen wilde veroorzaken, schuift het hof terzijde. Immers, uit de rapportage met betrekking tot het noodremsysteem volgt dat kan worden ontkracht dat het voor de verdachte noodzakelijk was om tegen de bestelbus aan te rijden om een noodremming te voorkomen (pagina 31 van het rapport). Daarnaast volgt uit de rapportage dat het zogenoemde AEBS-noodremsysteem door de verdachte door gebruikmaking van de schakelaar op het dashboard (gemarkeerd als 3 op de afbeelding op pagina 22 van het rapport) kon worden uitgeschakeld. De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat een soortgelijke knop op het dashboard van zijn vrachtwagen aanwezig was. Bij de tweede botsing speelde het noodremsysteem helemaal geen rol. Dit maakt dat het hof ervan uitgaat dat het remsysteem, als dat al een rol heeft gespeeld, simpelweg door de verdachte kon worden uitgeschakeld. De enkele stelling dat de deskundige is uitgegaan van een ander type vrachtwagen en/of een ander type remsysteem dan daadwerkelijk aanwezig was in de door de verdachte bestuurde vrachtwagen geeft het hof geen grond voor twijfel aan de juistheid van het rapport op dit punt.” 2.7 Alvorens het middel, dat ziet op de afwijzing van het verzoek tot het horen van de [deskundige] , te beoordelen, schets ik kort het procesverloop. 2.8 Aan de verdachte wordt onder meer verweten dat hij op de snelweg met zijn vrachtwagen het bestelbusje waarin het slachtoffer zat, opzettelijk heeft aangereden. Het standpunt van de verdachte ter terechtzitting van 5 april 2023 was dat het bestelbusje dat voor hem reed plotseling snelheid verminderde en een zogenaamde ‘brake check’ uitvoerde en de verdachte niet heeft geremd aangezien dat ertoe zou leiden dat het noodremsysteem van de vrachtwagen van de verdachte zou worden ingeschakeld, met alle gevolgen van dien. Naar aanleiding van dit standpunt is door het hof onderzoek gelast naar dat scenario. Door de [deskundige] is geconcludeerd dat het ‘niet noodzakelijk’ was om tegen de achterkant van het bestelbusje aan te rijden om te voorkomen dat het noodremsysteem een remming zou inzetten, nu het noodremsysteem uitgeschakeld kon worden door het geven van gas, door het bedienen van de richtingaanwijzer en middels de schakelaar op het bedieningspaneel. 2.9 Naar aanleiding van het rapport van [deskundige] is door de verdediging verzocht hem ter terechtzitting te horen. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de fabrikant van de vrachtwagen hem heeft verteld dat het remsysteem niet uitgeschakeld kan worden door gas te geven vlak voor een voertuig. Verder is aangevoerd dat geen onderzoek is gedaan naar de snelheid van het bestelbusje dat voor de verdachte reed, terwijl dat busje voor de vrachtwagen van de verdachte snelheid heeft geminderd zonder dat de remlichten in werking traden. Het hof heeft het verzoek van de verdediging om de deskundige ter terechtzitting nadere informatie te laten verschaffen afgewezen, omdat het zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet om nader onderzoek te laten doen. 2.10 Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het aan hem onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en heeft het rapport van de [deskundige] gebruikt ter verwerping van het door de verdachte gepresenteerde alternatieve scenario. Het hof heeft immers de verklaring van de verdachte dat hij gas moest geven en dat botsingen waren gerechtvaardigd, omdat anders het noodremsysteem werd ingeschakeld en dit een gevaarlijke situatie zou veroorzaken op de weg door de vrachtwagen die zou gaan slingeren en omdat hij geen schade aan de lading van de vrachtwagen wilde veroorzaken, in zijn arrest terzijde geschoven. Het hof gaat er op basis van de rapportage van uit dat het voor de verdachte niet noodzakelijk was om tegen de bestelbus aan te rijden om een noodremming te voorkomen. Daarnaast heeft het hof erop gewezen dat het zogenoemde AEBS-noodremsysteem door de verdachte door gebruikmaking van de schakelaar op het dashboard kon worden uitgeschakeld en de verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat een soortgelijke knop op het dashboard van zijn vrachtwagen aanwezig was. De enkele stelling van de verdediging dat de deskundige is uitgegaan van een ander type vrachtwagen en/of een ander type remsysteem dan daadwerkelijk aanwezig was in de door de verdachte bestuurde vrachtwagen geeft het hof geen grond voor twijfel aan de juistheid van het rapport op dit punt. 2.11 Voorafgaand aan de beoordeling van het middel merk ik verder nog het volgende op. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de [deskundige] ter terechtzitting te horen. Het hof heeft die onderzoekswens – die het hof heeft geduid als het verzoek om de deskundige ‘nadere informatie te laten verschaffen’ – afgewezen, nu het hof zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet om ‘nader onderzoek’ te laten doen. Ik begrijp en lees de beslissing van het hof zo dat het heeft beoogd te beslissen op het verzoek van de verdediging tot het horen van de [deskundige] ter terechtzitting alwaar hij nadere informatie zou kunnen geven. Van die lezing lijkt de steller van het middel ook te zijn uitgegaan. 2.12 Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van een deskundige ter terechtzitting is van belang dat daarop de post-Keskin-rechtspraak van de Hoge Raad niet onverkort van toepassing is. In zijn arresten van 13 september 2022 en 18 november 2025 heeft de Hoge Raad hieromtrent aparte regels geformuleerd voor gevallen waarin (i) een deskundige een verklaring heeft afgelegd of (ii) een schriftelijk verslag van een deskundige in het dossier is gevoegd, terwijl die verklaring of dat verslag – bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek – een voor de verdachte belastende strekking heeft. Die regels brengen mee dat de verdediging moet aanduiden welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan een nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast dient de verdediging toe te lichten waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen.
Volledig
De vrachtwagen van cliënt was zodanig volgeladen dat zeer waarschijnlijk de remweg te lang was om een botsing te voorkomen.” 2.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2024 vermeldt het volgende: “De raadsman deelt mede: De verdediging heeft veel vragen niet kunnen stellen aan de [deskundige] . Om die reden heb ik een verzoek ingediend hem als getuige ter terechtzitting te horen, maar dat verzoek is afgewezen. Ik blijf bij het standpunt dat het horen van [deskundige] belangrijk is, omdat de verdediging veel vraagtekens zet bij de rapportage en de verdediging het recht heeft vragen te stellen. Het klopt dat het schriftelijk verzoek was gericht aan de advocaat-generaal. Ik persisteer bij mijn verzoek en verzoek nu uw hof toewijzend te beslissen en de deskundige te laten horen op zitting. […] De voorzitter deelt mede: Het hof heeft uw verzoek gelezen. Volgens de verdediging zou het remsysteem volgens de fabrikant niet uitgeschakeld kunnen worden. De raadsman deelt mede: Dat klopt. Ik heb onderzoek gedaan en volgens mijn gegevens kan het remsysteem niet volledig worden uitgeschakeld bij het geven van gas. De vrachtwagen van cliënt is nooit onderzocht. […] Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de volgende beslissing van het hof mede: Het hof heeft nagedacht over de onderzoekswens van de verdediging om de deskundige nadere informatie te laten verschaffen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak om nader onderzoek te laten doen. Het verzoek van de verdediging wordt afgewezen.” 2.6 Het arrest van het hof bevat onder meer de volgende bewijsoverweging: “De verklaring van de verdachte dat hij gas moest geven en botsingen waren gerechtvaardigd, omdat anders het noodremsysteem werd ingeschakeld en dit een gevaarlijke situatie zou veroorzaken op de weg door de vrachtwagen die zou gaan slingeren en omdat hij geen schade aan de lading van de vrachtwagen wilde veroorzaken, schuift het hof terzijde. Immers, uit de rapportage met betrekking tot het noodremsysteem volgt dat kan worden ontkracht dat het voor de verdachte noodzakelijk was om tegen de bestelbus aan te rijden om een noodremming te voorkomen (pagina 31 van het rapport). Daarnaast volgt uit de rapportage dat het zogenoemde AEBS-noodremsysteem door de verdachte door gebruikmaking van de schakelaar op het dashboard (gemarkeerd als 3 op de afbeelding op pagina 22 van het rapport) kon worden uitgeschakeld. De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat een soortgelijke knop op het dashboard van zijn vrachtwagen aanwezig was. Bij de tweede botsing speelde het noodremsysteem helemaal geen rol. Dit maakt dat het hof ervan uitgaat dat het remsysteem, als dat al een rol heeft gespeeld, simpelweg door de verdachte kon worden uitgeschakeld. De enkele stelling dat de deskundige is uitgegaan van een ander type vrachtwagen en/of een ander type remsysteem dan daadwerkelijk aanwezig was in de door de verdachte bestuurde vrachtwagen geeft het hof geen grond voor twijfel aan de juistheid van het rapport op dit punt.” 2.7 Alvorens het middel, dat ziet op de afwijzing van het verzoek tot het horen van de [deskundige] , te beoordelen, schets ik kort het procesverloop. 2.8 Aan de verdachte wordt onder meer verweten dat hij op de snelweg met zijn vrachtwagen het bestelbusje waarin het slachtoffer zat, opzettelijk heeft aangereden. Het standpunt van de verdachte ter terechtzitting van 5 april 2023 was dat het bestelbusje dat voor hem reed plotseling snelheid verminderde en een zogenaamde ‘brake check’ uitvoerde en de verdachte niet heeft geremd aangezien dat ertoe zou leiden dat het noodremsysteem van de vrachtwagen van de verdachte zou worden ingeschakeld, met alle gevolgen van dien. Naar aanleiding van dit standpunt is door het hof onderzoek gelast naar dat scenario. Door de [deskundige] is geconcludeerd dat het ‘niet noodzakelijk’ was om tegen de achterkant van het bestelbusje aan te rijden om te voorkomen dat het noodremsysteem een remming zou inzetten, nu het noodremsysteem uitgeschakeld kon worden door het geven van gas, door het bedienen van de richtingaanwijzer en middels de schakelaar op het bedieningspaneel. 2.9 Naar aanleiding van het rapport van [deskundige] is door de verdediging verzocht hem ter terechtzitting te horen. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de fabrikant van de vrachtwagen hem heeft verteld dat het remsysteem niet uitgeschakeld kan worden door gas te geven vlak voor een voertuig. Verder is aangevoerd dat geen onderzoek is gedaan naar de snelheid van het bestelbusje dat voor de verdachte reed, terwijl dat busje voor de vrachtwagen van de verdachte snelheid heeft geminderd zonder dat de remlichten in werking traden. Het hof heeft het verzoek van de verdediging om de deskundige ter terechtzitting nadere informatie te laten verschaffen afgewezen, omdat het zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet om nader onderzoek te laten doen. 2.10 Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het aan hem onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en heeft het rapport van de [deskundige] gebruikt ter verwerping van het door de verdachte gepresenteerde alternatieve scenario. Het hof heeft immers de verklaring van de verdachte dat hij gas moest geven en dat botsingen waren gerechtvaardigd, omdat anders het noodremsysteem werd ingeschakeld en dit een gevaarlijke situatie zou veroorzaken op de weg door de vrachtwagen die zou gaan slingeren en omdat hij geen schade aan de lading van de vrachtwagen wilde veroorzaken, in zijn arrest terzijde geschoven. Het hof gaat er op basis van de rapportage van uit dat het voor de verdachte niet noodzakelijk was om tegen de bestelbus aan te rijden om een noodremming te voorkomen. Daarnaast heeft het hof erop gewezen dat het zogenoemde AEBS-noodremsysteem door de verdachte door gebruikmaking van de schakelaar op het dashboard kon worden uitgeschakeld en de verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat een soortgelijke knop op het dashboard van zijn vrachtwagen aanwezig was. De enkele stelling van de verdediging dat de deskundige is uitgegaan van een ander type vrachtwagen en/of een ander type remsysteem dan daadwerkelijk aanwezig was in de door de verdachte bestuurde vrachtwagen geeft het hof geen grond voor twijfel aan de juistheid van het rapport op dit punt. 2.11 Voorafgaand aan de beoordeling van het middel merk ik verder nog het volgende op. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de [deskundige] ter terechtzitting te horen. Het hof heeft die onderzoekswens – die het hof heeft geduid als het verzoek om de deskundige ‘nadere informatie te laten verschaffen’ – afgewezen, nu het hof zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet om ‘nader onderzoek’ te laten doen. Ik begrijp en lees de beslissing van het hof zo dat het heeft beoogd te beslissen op het verzoek van de verdediging tot het horen van de [deskundige] ter terechtzitting alwaar hij nadere informatie zou kunnen geven. Van die lezing lijkt de steller van het middel ook te zijn uitgegaan. 2.12 Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van een deskundige ter terechtzitting is van belang dat daarop de post-Keskin-rechtspraak van de Hoge Raad niet onverkort van toepassing is. In zijn arresten van 13 september 2022 en 18 november 2025 heeft de Hoge Raad hieromtrent aparte regels geformuleerd voor gevallen waarin (i) een deskundige een verklaring heeft afgelegd of (ii) een schriftelijk verslag van een deskundige in het dossier is gevoegd, terwijl die verklaring of dat verslag – bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek – een voor de verdachte belastende strekking heeft. Die regels brengen mee dat de verdediging moet aanduiden welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan een nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast dient de verdediging toe te lichten waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen.
Volledig
Verder geldt dat het verzoek niet mag worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Indien de onderbouwing van het verzoek van de verdediging tot het oproepen en horen van de deskundige niet voldoet aan voormelde eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, kan de rechter dat verzoek met een daarop toegesneden motivering afwijzen. Dat doet er echter niet aan af dat de rechter voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te (doen) onderzoeken. 2.13 Het middel klaagt dat de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging inhoudende het horen van de [deskundige] , onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te meer nu het hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht in hoeverre de verdachte compensatie is geboden voor de belemmering dat bewijsmateriaal wordt toegelaten dat niet op de terechtzitting is geleverd en aldaar door de verdediging is onderzocht. 2.14 Zoals onder randnummer 2.8 is gebleken, heeft het hof op de terechtzitting van 5 april 2023 naar aanleiding van de stelling van de verdachte dat hij niet heeft geremd aangezien dat ertoe zou leiden dat het noodremsysteem van de vrachtwagen van de verdachte zou worden ingeschakeld, met alle gevolgen van dien, een onderzoek gelast. Dit heeft geleid tot het onderzoek van de [deskundige] en het door hem opgestelde rapport. Vervolgens heeft de verdediging ter terechtzitting van 13 november 2024 verzocht om het ter terechtzitting horen van deze deskundige. Daaraan heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat de verdediging ‘veel vragen niet heeft kunnen stellen’ en het verhoor van [deskundige] ‘belangrijk’ is, omdat de verdediging ‘veel vraagtekens zet bij de rapportage’. De voorzitter heeft het (verdere) standpunt van de verdediging zo samengevat dat het erop neerkomt dat het remsysteem niet uitgeschakeld kon worden door het geven van gas en de vrachtwagen van de verdachte niet is onderzocht. Het hof heeft het verzoek van de verdediging vervolgens afgewezen omdat het zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet om nader onderzoek te laten doen. Dat oordeel acht ik in het licht van hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd – namelijk dat het noodremsysteem (anders dan in het rapport wordt beweerd) niet uitgeschakeld kan worden door het geven van gas en de vrachtwagen van de verdachte niet is onderzocht – niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik dat uit het arrest van het hof blijkt dat uit de rapportage van [deskundige] met betrekking tot het noodremsysteem volgt dat het voor de verdachte niet noodzakelijk was om tegen de bestelbus aan te rijden om een noodremming te voorkomen, waarbij het hof erop wijst dat het noodremsysteem door de verdachte middels gebruikmaking van de schakelaar op het dashboard – waarvan de verdachte heeft erkend dat een soortgelijke knop op het dashboard van zijn vrachtwagen aanwezig was – kon worden uitgeschakeld. 2.15 Met betrekking tot de klacht dat het hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht in hoeverre de verdachte compensatie is geboden voor de belemmering dat bewijsmateriaal wordt toegelaten dat niet op de terechtzitting is geleverd en aldaar door de verdediging is onderzocht het volgende. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de procedure, ook zonder dat de gelegenheid is geboden [deskundige] te horen, in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het hof heeft beslist tot nader onderzoek door een deskundige onder meer naar een door de verdachte gepresenteerd scenario. Van belang is verder dat het rapport slechts is gebruikt om de verklaring van de verdachte – dat het noodzakelijk voor hem was om gas te geven – te ‘ontkrachten’. Tevens heeft het hof kenbaar de juistheid van het rapport getoetst naar aanleiding van een daartoe gevoerd verweer, immers heeft het hof overwogen dat de enkele stelling van de verdediging dat de deskundige is uitgegaan van een ander type vrachtwagen en/of een ander type remsysteem dan daadwerkelijk aanwezig was in de door de verdachte bestuurde vrachtwagen geen grond voor twijfel aan ‘de juistheid’ van het rapport op dit punt geeft. 2.16 Het middel is tevergeefs voorgesteld. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 20-002124-22. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2024:3957. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.3. HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, NJ 2023/57 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.4-2.3.5. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.5. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.2-2.3.5. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.6.
Volledig
Verder geldt dat het verzoek niet mag worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Indien de onderbouwing van het verzoek van de verdediging tot het oproepen en horen van de deskundige niet voldoet aan voormelde eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, kan de rechter dat verzoek met een daarop toegesneden motivering afwijzen. Dat doet er echter niet aan af dat de rechter voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te (doen) onderzoeken. 2.13 Het middel klaagt dat de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging inhoudende het horen van de [deskundige] , onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te meer nu het hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht in hoeverre de verdachte compensatie is geboden voor de belemmering dat bewijsmateriaal wordt toegelaten dat niet op de terechtzitting is geleverd en aldaar door de verdediging is onderzocht. 2.14 Zoals onder randnummer 2.8 is gebleken, heeft het hof op de terechtzitting van 5 april 2023 naar aanleiding van de stelling van de verdachte dat hij niet heeft geremd aangezien dat ertoe zou leiden dat het noodremsysteem van de vrachtwagen van de verdachte zou worden ingeschakeld, met alle gevolgen van dien, een onderzoek gelast. Dit heeft geleid tot het onderzoek van de [deskundige] en het door hem opgestelde rapport. Vervolgens heeft de verdediging ter terechtzitting van 13 november 2024 verzocht om het ter terechtzitting horen van deze deskundige. Daaraan heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat de verdediging ‘veel vragen niet heeft kunnen stellen’ en het verhoor van [deskundige] ‘belangrijk’ is, omdat de verdediging ‘veel vraagtekens zet bij de rapportage’. De voorzitter heeft het (verdere) standpunt van de verdediging zo samengevat dat het erop neerkomt dat het remsysteem niet uitgeschakeld kon worden door het geven van gas en de vrachtwagen van de verdachte niet is onderzocht. Het hof heeft het verzoek van de verdediging vervolgens afgewezen omdat het zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet om nader onderzoek te laten doen. Dat oordeel acht ik in het licht van hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd – namelijk dat het noodremsysteem (anders dan in het rapport wordt beweerd) niet uitgeschakeld kan worden door het geven van gas en de vrachtwagen van de verdachte niet is onderzocht – niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik dat uit het arrest van het hof blijkt dat uit de rapportage van [deskundige] met betrekking tot het noodremsysteem volgt dat het voor de verdachte niet noodzakelijk was om tegen de bestelbus aan te rijden om een noodremming te voorkomen, waarbij het hof erop wijst dat het noodremsysteem door de verdachte middels gebruikmaking van de schakelaar op het dashboard – waarvan de verdachte heeft erkend dat een soortgelijke knop op het dashboard van zijn vrachtwagen aanwezig was – kon worden uitgeschakeld. 2.15 Met betrekking tot de klacht dat het hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht in hoeverre de verdachte compensatie is geboden voor de belemmering dat bewijsmateriaal wordt toegelaten dat niet op de terechtzitting is geleverd en aldaar door de verdediging is onderzocht het volgende. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de procedure, ook zonder dat de gelegenheid is geboden [deskundige] te horen, in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het hof heeft beslist tot nader onderzoek door een deskundige onder meer naar een door de verdachte gepresenteerd scenario. Van belang is verder dat het rapport slechts is gebruikt om de verklaring van de verdachte – dat het noodzakelijk voor hem was om gas te geven – te ‘ontkrachten’. Tevens heeft het hof kenbaar de juistheid van het rapport getoetst naar aanleiding van een daartoe gevoerd verweer, immers heeft het hof overwogen dat de enkele stelling van de verdediging dat de deskundige is uitgegaan van een ander type vrachtwagen en/of een ander type remsysteem dan daadwerkelijk aanwezig was in de door de verdachte bestuurde vrachtwagen geen grond voor twijfel aan ‘de juistheid’ van het rapport op dit punt geeft. 2.16 Het middel is tevergeefs voorgesteld. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 3.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 20-002124-22. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2024:3957. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.3. HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, NJ 2023/57 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.4-2.3.5. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.5. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.2-2.3.5. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.6.