Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-03
ECLI:NL:PHR:2026:180
Strafrecht
10,152 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:180 text/xml public 2026-03-05T14:54:46 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 25/00977 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:180 text/html public 2026-03-05T14:54:35 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:180 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 25/00977 Conclusie AG. Als hulpverlener/begeleider ontuchtige handelingen verrichten met minderjarig en aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd slachtoffer (art. 245 (oud) jo. 248 (oud) en art. 249 (oud) Sr). Falende klacht over opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van beroep. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00977 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 maart 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-000146-24) wegens de eendaadse samenloop van “werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd” en “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest omschreven, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de verdachte voor de duur van 5 jaar ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van begeleider, hulpverlener, consulent of een vergelijkbare functie binnen de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg ten aanzien van minderjarigen en jongeren. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade toegewezen en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 In het middel wordt geklaagd dat de oplegging van de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep voor de duur van 5 jaar onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. 2.2 Het arrest van het hof houdt ten aanzien van de strafoplegging het volgende in: “ Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in eerste aanleg opgelegde straf wordt overgenomen, te weten: - een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest; - met hieraan de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht, een behandelverplichting en een contactverbod met het slachtoffer; - ontzetting uit het recht tot uitoefening van zorg gerelateerde beroepen ten aanzien van minderjarigen en jongeren voor de duur van vijf jaren. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde bepleit, en hiermee ook vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid van het onder feit 2 tenlastegelegde. In het kader van de strafoplegging heeft de raadsvrouw gewezen op de detentieschade die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met zich meebrengt, de door de verdachte genomen verantwoordelijkheid voor zijn handelen, de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte van haar geen hoge straf hoeft te krijgen en de Omstandigheid dat de zaak in de media is geweest. Onder verwijzing naar de strafoplegging in, naar het oordeel van de raadsvrouw, soortgelijke zaken is de volgende combinatie als passende straf bepleit: - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur gelijk aan het voorarrest; - een voorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur; - een taakstraf. Oordeel van het hof De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit De verdachte, een destijds 40-jarige volwassen man, heeft zich als hulpverlener schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een zeer kwetsbaar en destijds 15-jarig meisje. De verdachte was volledig op de hoogte van haar bijzonder traumatische voorgeschiedenis waarin zij slachtoffer is geweest van seksueel misbruik. Hij wist dat het slachtoffer (mede als) gevolg van het seksuele misbruik suïcidaal was en dat zij moeite had om haar grenzen te bewaken. Dat het moment waarop het slachtoffer haar traumatische verhaal met de verdachte deelde, door hem wordt aangewezen als het moment dat hij gevoelens voor haar kreeg, is zeker gelet op de zorgrelatie opmerkelijk te noemen. De verdachte, die verschillende opleidingen heeft gevolgd binnen de maatschappelijke zorg, en al ruim elf jaar als zodanig werkzaam was, had zich als professioneel hulpverlener op dat moment moeten terugtrekken uit de zorgrelatie. Dit heeft hij niet gedaan. Integendeel, hij is een seksuele relatie met het slachtoffer begonnen. Als professioneel hulpverlener had hij zich ervan bewust moeten zijn dat hij door een seksuele relatie aan te gaan met een kwetsbaar minderjarig meisje niet alleen zijn zorgplicht in vergaande mate zou schenden, maar haar mogelijk ook verder zou beschadigen. Daarbij heeft het misbruik op meerdere momenten plaatsgevonden en bestond het uit een verscheidenheid aan handelingen, waarbij de grenzen van het slachtoffer steeds zijn overschreden. Als haar begeleider had hij de taak gekregen om haar te beschermen, maar in plaats daarvan heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Zo heeft de verdachte orale seks gehad met het slachtoffer, nadat zij net uit het ziekenhuis was ontslagen na een overdosis pijnstillers en heeft de verdachte het slachtoffer getongzoend, terwijl zij aan het rouwen was om haar vriendin op de plek waar deze vriendin zichzelf van het leven had beroofd. Met zijn handelwijze heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer en haar zo mogelijk nog verder beschadigd. De ter terechtzitting door de moeder van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring hebben indringend duidelijk gemaakt welke impact het ontucht heeft gehad op het leven van het slachtoffer en haar familie. Het hof rekent dit alles verdachte zwaar aan. Persoon van de verdachte Zowel in het advies van de reclassering d.d. 25 februari 2025 als in zijn verklaring ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, dat hij spijt heeft, zijn gedrag afkeurt en de gevolgen voor het slachtoffer betreurt. Tegelijkertijd benoemt de verdachte dat het slachtoffer degene was die toenadering zocht en plaats hij zichzelf in de slachtofferrol door te benadrukken dat hij zichzelf altijd op de tweede plaats zet, waardoor hij de situatie niet goed heeft ingeschat en hij te ver is gegaan. De verdachte heeft in, een vrijwillig kader hulp gezocht bij forensische polikliniek Kairos. Hier volgt hij sinds juni 2024 een behandeling. Over een eventuele onvoorwaardelijke: gevangenisstraf stelt de reclassering dat dit de inmiddels ingezette behandeling zal doorkruisen. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. De reclassering adviseert om die reden een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verder heeft het hof kennisgenomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte van 27 januari 2025. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:180 text/xml public 2026-05-13T00:01:49 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 25/00977 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:458 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:180 text/html public 2026-03-05T14:54:35 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:180 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 25/00977 Conclusie AG. Als hulpverlener/begeleider ontuchtige handelingen verrichten met minderjarig en aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd slachtoffer (art. 245 (oud) jo. 248 (oud) en art. 249 (oud) Sr). Falende klacht over opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van beroep. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00977 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 12 maart 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-000146-24) wegens de eendaadse samenloop van “werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd” en “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest omschreven, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de verdachte voor de duur van 5 jaar ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van begeleider, hulpverlener, consulent of een vergelijkbare functie binnen de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg ten aanzien van minderjarigen en jongeren. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade toegewezen en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 In het middel wordt geklaagd dat de oplegging van de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep voor de duur van 5 jaar onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. 2.2 Het arrest van het hof houdt ten aanzien van de strafoplegging het volgende in: “ Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in eerste aanleg opgelegde straf wordt overgenomen, te weten: - een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest; - met hieraan de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht, een behandelverplichting en een contactverbod met het slachtoffer; - ontzetting uit het recht tot uitoefening van zorg gerelateerde beroepen ten aanzien van minderjarigen en jongeren voor de duur van vijf jaren. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde bepleit, en hiermee ook vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid van het onder feit 2 tenlastegelegde. In het kader van de strafoplegging heeft de raadsvrouw gewezen op de detentieschade die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met zich meebrengt, de door de verdachte genomen verantwoordelijkheid voor zijn handelen, de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte van haar geen hoge straf hoeft te krijgen en de Omstandigheid dat de zaak in de media is geweest. Onder verwijzing naar de strafoplegging in, naar het oordeel van de raadsvrouw, soortgelijke zaken is de volgende combinatie als passende straf bepleit: - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur gelijk aan het voorarrest; - een voorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur; - een taakstraf. Oordeel van het hof De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ernst van het feit De verdachte, een destijds 40-jarige volwassen man, heeft zich als hulpverlener schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een zeer kwetsbaar en destijds 15-jarig meisje. De verdachte was volledig op de hoogte van haar bijzonder traumatische voorgeschiedenis waarin zij slachtoffer is geweest van seksueel misbruik. Hij wist dat het slachtoffer (mede als) gevolg van het seksuele misbruik suïcidaal was en dat zij moeite had om haar grenzen te bewaken. Dat het moment waarop het slachtoffer haar traumatische verhaal met de verdachte deelde, door hem wordt aangewezen als het moment dat hij gevoelens voor haar kreeg, is zeker gelet op de zorgrelatie opmerkelijk te noemen. De verdachte, die verschillende opleidingen heeft gevolgd binnen de maatschappelijke zorg, en al ruim elf jaar als zodanig werkzaam was, had zich als professioneel hulpverlener op dat moment moeten terugtrekken uit de zorgrelatie. Dit heeft hij niet gedaan. Integendeel, hij is een seksuele relatie met het slachtoffer begonnen. Als professioneel hulpverlener had hij zich ervan bewust moeten zijn dat hij door een seksuele relatie aan te gaan met een kwetsbaar minderjarig meisje niet alleen zijn zorgplicht in vergaande mate zou schenden, maar haar mogelijk ook verder zou beschadigen. Daarbij heeft het misbruik op meerdere momenten plaatsgevonden en bestond het uit een verscheidenheid aan handelingen, waarbij de grenzen van het slachtoffer steeds zijn overschreden. Als haar begeleider had hij de taak gekregen om haar te beschermen, maar in plaats daarvan heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Zo heeft de verdachte orale seks gehad met het slachtoffer, nadat zij net uit het ziekenhuis was ontslagen na een overdosis pijnstillers en heeft de verdachte het slachtoffer getongzoend, terwijl zij aan het rouwen was om haar vriendin op de plek waar deze vriendin zichzelf van het leven had beroofd. Met zijn handelwijze heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer en haar zo mogelijk nog verder beschadigd. De ter terechtzitting door de moeder van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring hebben indringend duidelijk gemaakt welke impact het ontucht heeft gehad op het leven van het slachtoffer en haar familie. Het hof rekent dit alles verdachte zwaar aan. Persoon van de verdachte Zowel in het advies van de reclassering d.d. 25 februari 2025 als in zijn verklaring ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, dat hij spijt heeft, zijn gedrag afkeurt en de gevolgen voor het slachtoffer betreurt. Tegelijkertijd benoemt de verdachte dat het slachtoffer degene was die toenadering zocht en plaats hij zichzelf in de slachtofferrol door te benadrukken dat hij zichzelf altijd op de tweede plaats zet, waardoor hij de situatie niet goed heeft ingeschat en hij te ver is gegaan. De verdachte heeft in, een vrijwillig kader hulp gezocht bij forensische polikliniek Kairos. Hier volgt hij sinds juni 2024 een behandeling. Over een eventuele onvoorwaardelijke: gevangenisstraf stelt de reclassering dat dit de inmiddels ingezette behandeling zal doorkruisen. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. De reclassering adviseert om die reden een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verder heeft het hof kennisgenomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte van 27 januari 2025. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
Volledig
Straf Gelet op de ernst van de feiten ziet het hof geen mogelijkheid tot een andere strafmodaliteit dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naast de hierboven genoemde factoren neemt het hof daarbij in overweging dat de door de raadsvrouw aangedragen vonnissen niet goed vergelijkbaar zijn met deze zaak. Daar komt bij dat de rechtbank bij het bepalen van haar straf al rekening heeft gehouden met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Om die reden is de rechtbank ook tot een fors lagere straf gekomen dan in eerste aanleg door de officier van justitie was gevorderd. Een straf die naar het oordeel van het hof recht doet aan de ernst van deze zaak, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Alles overwegend acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, dan ook passend en geboden. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de eendaadse samenloop. Aan het voorwaardelijk deel zal het hof een proeftijd verbinden van 3 jaar. Daarnaast overweegt het hof dat, ondanks dat er in vrijwillig kader een behandeling is gestart, uit het laatste reclasseringsadvies naar voren komt dat deze behandeling nog in een beginstadium zit. Er is nog geen delictanalyse vastgesteld en ook is de diagnostiek nog niet afgerond. Uit het onderzoek ter terechtzitting volgt dat het voor de verdachte momenteel nog beperkt inzichtelijk is wat heeft gemaakt dat hij zich zo heeft gedragen. Momenteel is de behandeling volledig afhankelijk van de eigen inbreng van de verdachte. Het hof ziet, net als de advocaat-generaal, maar anders dan de reclassering en de verdediging, reden om bijzondere voorwaarden op te leggen zodat de behandeling in een verplicht kader kan worden voortgezet. Het is noodzakelijk dat de behandeling bij Kairos wordt afgerond. Dus naast de algemene voorwaarden zal het hof de bijzondere voorwaarden zoals in eerste aanleg geadviseerd opleggen. Het hof zal verder, net als de rechtbank, het beroepsverbod, niet als bijzondere voorwaarde opleggen, maar zal deze als bijkomende straf opleggen.” 2.3 Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof volgt dat de verdachte onder meer het volgende heeft verklaard: “Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden antwoordt verdachte op vragen van de oudste raadsheer. Voor mijn huidige functie bij de [plaats] heb ik geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) nodig, anders had ik er ook niet kunnen werken. Werknemers worden jeugdconsulenten genoemd, maar het bestaat enkel uit het organiseren van projecten. Ik heb mijn werkgever niet verteld over deze strafzaak om mezelf te beschermen, niet om te voorkomen dat ik word ontslagen. Ik vind het moeilijk als mensen in mijn omgeving weten over de zaak. Een beroepsverbod van vijf jaar betekent voor mij dat ik mij moet omscholen. Ik moet sowieso ander werk zoeken.” 2.4 De bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep vindt haar grondslag in art. 28 lid 1 sub 5 Sr. Art. 251 lid 2 (oud) Sr bepaalt dat deze straf kan worden opgelegd aan degene die een van de misdrijven uit art. 240b (oud) t/m 247 (oud) Sr of 248a (oud) t/m 250 (oud) Sr pleegt in de uitoefening van zijn beroep. Beide (als eendaadse samenloop gekwalificeerde) bewezen verklaarde feiten vallen hieronder, hetgeen de steller van het middel ook erkent. Het middel is toegespitst op de klacht dat uit het arrest niet kan volgen dat en waarom het gerechtshof in casu de bijkomende straf [heeft opgelegd] en meer in het bijzonder niet waarom het dat heeft gedaan voor de duur van 5 jaar. 2.5 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Binnen de grenzen die de wet stelt, is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing met betrekking tot de straftoemeting toereikend is. 2.6 Voor de oplegging van ontzetting van het recht een beroep uit te oefenen is geen specifieke motiveringsplicht in de wet opgenomen. Ook is in de onderhavige zaak geen sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt; door de raadsvrouw is slechts verzocht om de oplegging van andere straffen. Op de door de rechtbank opgelegde en het openbaar ministerie in hoger beroep gevorderde bijkomende straf is de raadsvrouw niet ingegaan. Dat betekent dat enkel de (algemene) motiveringsvoorschriften voor straffen en maatregelen uit art. 359 lid 5 Sv van toepassing zijn. Die motiveringsplicht brengt mee dat uit het vonnis of arrest dient te blijken dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de bijkomende straf is voldaan. Anders dan de steller van het middel verbind ik aan de wetsgeschiedenis van art. 359 Sv (zie noot 1) niet de conclusie dat het algemene voorschrift uit lid 5 ten aanzien van de oplegging van de ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep een bijzondere motiveringsplicht in het leven roept. Daarbij merk ik op dat de wetgever er in 1981 uitdrukkelijk voor koos de Hoge Raad – in mijn woorden – de ruimte te geven bij de ontwikkeling van zijn jurisprudentie op dit punt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn mij geen bijzondere motiveringsplichten bekend. De steller van het middel draagt deze ook niet aan. De wetgever heeft in ieder geval geen aanleiding gezien om de motiveringsvoorschriften ten aanzien van de ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep aan te scherpen. 2.7 In de onderhavige zaak heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft onder meer overwogen dat de verdachte zich als hulpverlener, en aldus in zijn beroep, schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met een zeer kwetsbaar en destijds 15-jarig meisje. De verdachte was volledig op de hoogte van de (zeer traumatische) voorgeschiedenis van het slachtoffer en de gevolgen daarvan voor haar. Toen hij gevoelens kreeg voor het slachtoffer heeft hij zich niet teruggetrokken uit de zorgrelatie, maar is hij een seksuele relatie met haar begonnen. Het hof overweegt daarbij dat het moment waarop het slachtoffer haar traumatische verhaal met de verdachte deelde, door hem wordt aangewezen als het moment dat hij gevoelens voor haar kreeg, zeker gelet op de zorgrelatie opmerkelijk is te noemen. Het misbruik heeft op meerdere momenten plaatsgevonden en heeft het slachtoffer ernstig geschaad.
Volledig
Straf Gelet op de ernst van de feiten ziet het hof geen mogelijkheid tot een andere strafmodaliteit dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naast de hierboven genoemde factoren neemt het hof daarbij in overweging dat de door de raadsvrouw aangedragen vonnissen niet goed vergelijkbaar zijn met deze zaak. Daar komt bij dat de rechtbank bij het bepalen van haar straf al rekening heeft gehouden met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Om die reden is de rechtbank ook tot een fors lagere straf gekomen dan in eerste aanleg door de officier van justitie was gevorderd. Een straf die naar het oordeel van het hof recht doet aan de ernst van deze zaak, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Alles overwegend acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, dan ook passend en geboden. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de eendaadse samenloop. Aan het voorwaardelijk deel zal het hof een proeftijd verbinden van 3 jaar. Daarnaast overweegt het hof dat, ondanks dat er in vrijwillig kader een behandeling is gestart, uit het laatste reclasseringsadvies naar voren komt dat deze behandeling nog in een beginstadium zit. Er is nog geen delictanalyse vastgesteld en ook is de diagnostiek nog niet afgerond. Uit het onderzoek ter terechtzitting volgt dat het voor de verdachte momenteel nog beperkt inzichtelijk is wat heeft gemaakt dat hij zich zo heeft gedragen. Momenteel is de behandeling volledig afhankelijk van de eigen inbreng van de verdachte. Het hof ziet, net als de advocaat-generaal, maar anders dan de reclassering en de verdediging, reden om bijzondere voorwaarden op te leggen zodat de behandeling in een verplicht kader kan worden voortgezet. Het is noodzakelijk dat de behandeling bij Kairos wordt afgerond. Dus naast de algemene voorwaarden zal het hof de bijzondere voorwaarden zoals in eerste aanleg geadviseerd opleggen. Het hof zal verder, net als de rechtbank, het beroepsverbod, niet als bijzondere voorwaarde opleggen, maar zal deze als bijkomende straf opleggen.” 2.3 Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof volgt dat de verdachte onder meer het volgende heeft verklaard: “Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden antwoordt verdachte op vragen van de oudste raadsheer. Voor mijn huidige functie bij de [plaats] heb ik geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) nodig, anders had ik er ook niet kunnen werken. Werknemers worden jeugdconsulenten genoemd, maar het bestaat enkel uit het organiseren van projecten. Ik heb mijn werkgever niet verteld over deze strafzaak om mezelf te beschermen, niet om te voorkomen dat ik word ontslagen. Ik vind het moeilijk als mensen in mijn omgeving weten over de zaak. Een beroepsverbod van vijf jaar betekent voor mij dat ik mij moet omscholen. Ik moet sowieso ander werk zoeken.” 2.4 De bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep vindt haar grondslag in art. 28 lid 1 sub 5 Sr. Art. 251 lid 2 (oud) Sr bepaalt dat deze straf kan worden opgelegd aan degene die een van de misdrijven uit art. 240b (oud) t/m 247 (oud) Sr of 248a (oud) t/m 250 (oud) Sr pleegt in de uitoefening van zijn beroep. Beide (als eendaadse samenloop gekwalificeerde) bewezen verklaarde feiten vallen hieronder, hetgeen de steller van het middel ook erkent. Het middel is toegespitst op de klacht dat uit het arrest niet kan volgen dat en waarom het gerechtshof in casu de bijkomende straf [heeft opgelegd] en meer in het bijzonder niet waarom het dat heeft gedaan voor de duur van 5 jaar. 2.5 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Binnen de grenzen die de wet stelt, is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing met betrekking tot de straftoemeting toereikend is. 2.6 Voor de oplegging van ontzetting van het recht een beroep uit te oefenen is geen specifieke motiveringsplicht in de wet opgenomen. Ook is in de onderhavige zaak geen sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt; door de raadsvrouw is slechts verzocht om de oplegging van andere straffen. Op de door de rechtbank opgelegde en het openbaar ministerie in hoger beroep gevorderde bijkomende straf is de raadsvrouw niet ingegaan. Dat betekent dat enkel de (algemene) motiveringsvoorschriften voor straffen en maatregelen uit art. 359 lid 5 Sv van toepassing zijn. Die motiveringsplicht brengt mee dat uit het vonnis of arrest dient te blijken dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de bijkomende straf is voldaan. Anders dan de steller van het middel verbind ik aan de wetsgeschiedenis van art. 359 Sv (zie noot 1) niet de conclusie dat het algemene voorschrift uit lid 5 ten aanzien van de oplegging van de ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep een bijzondere motiveringsplicht in het leven roept. Daarbij merk ik op dat de wetgever er in 1981 uitdrukkelijk voor koos de Hoge Raad – in mijn woorden – de ruimte te geven bij de ontwikkeling van zijn jurisprudentie op dit punt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn mij geen bijzondere motiveringsplichten bekend. De steller van het middel draagt deze ook niet aan. De wetgever heeft in ieder geval geen aanleiding gezien om de motiveringsvoorschriften ten aanzien van de ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep aan te scherpen. 2.7 In de onderhavige zaak heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft onder meer overwogen dat de verdachte zich als hulpverlener, en aldus in zijn beroep, schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met een zeer kwetsbaar en destijds 15-jarig meisje. De verdachte was volledig op de hoogte van de (zeer traumatische) voorgeschiedenis van het slachtoffer en de gevolgen daarvan voor haar. Toen hij gevoelens kreeg voor het slachtoffer heeft hij zich niet teruggetrokken uit de zorgrelatie, maar is hij een seksuele relatie met haar begonnen. Het hof overweegt daarbij dat het moment waarop het slachtoffer haar traumatische verhaal met de verdachte deelde, door hem wordt aangewezen als het moment dat hij gevoelens voor haar kreeg, zeker gelet op de zorgrelatie opmerkelijk is te noemen. Het misbruik heeft op meerdere momenten plaatsgevonden en heeft het slachtoffer ernstig geschaad.
Volledig
Het hof merkt op dat de verdachte als haar begeleider de taak had het slachtoffer te beschermen, maar in plaats daarvan ernstig misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbaarheid ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof overwogen dat hij op diverse momenten verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en zijn spijt betuigt, maar dat tegelijkertijd zichzelf in de slachtofferrol plaatst. In onder meer deze feiten en omstandigheden heeft het hof aanleiding gezien om naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met onder meer een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde, tevens de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep gedurende vijf jaar op te leggen. Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste kader, acht ik de oplegging van de bijkomende straf niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. 3.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie thans art. 254a lid 2 Sr. Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. J.M. ten Voorde. In 1978 heeft de wetgever dit wel overwogen. In het wetsvoorstel voor de Wet vermogenssancties werd in het zesde lid van art. 359 Sv een bijzondere motiveringsplicht voorgesteld bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming met zich brengt en de oplegging van een bijkomende straf waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzegging van bepaalde bevoegdheden wordt uitgesproken (Kamerstukken II, 1977-78, 15 012, nrs. 1-3, p. 11). Blijkens de Memorie van Toelichting vormde (onder meer) deze motiveringsverplichting “een uitwerking van de gedachte dat juist vrijheidsstraffen en enkele voor de veroordeelde als zeer belastend te beschouwen bijkomende straffen aan hoge eisen van motivering moeten voldoen” alsmede “een signaal van de wetgever dat de nadruk op vermogensstraffen behoort te vallen” ( Kamerstukken II, 1977-78, 15 012, nrs. 1-3, p. 54-55). In het uiteindelijke wetsvoorstel (gewijzigd in 1981) werd de bijzondere motiveringsplicht voor vrijheidsbenemende straffen en maatregelen gehandhaafd, maar voor de bijkomende straffen niet langer opportuun geacht ( Kamerstukken II , 1981/82, 15012 nr. 6, p. 3). De wetgever wees daarbij op (toen) recente jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin “het streven valt te proeven om voor de toetsing van de redelijkheid van de strafoplegging vaste aanknopingspunten te vinden” doordat in bepaalde categorieën gevallen meer werd geëist dan een standaardmotivering. De Minister meende dat voor de categorieën gevallen waarin de Hoge Raad thans reeds op grond van het bestaande motiverinqsvoorschrift (artikel 359, vijfde lid - nieuw) een bijzondere redengeving vergt, de wetgever niet met nadere voorschriften moet komen. In plaats daarvan werd het voorschrift uit (het huidige) lid 5 nader geobjectiveerd ( Kamerstukken II, 1981/82, 15012, nr. 5, p. 25-26). Zie ook de conclusie van A-G Keulen van 9 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:570, randnr. 73 (voorafgaand aan HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378), die een vergelijking maakt met de bijkomende straf van verbeurdverklaring. En zie – eveneens in het kader van verbeurdverklaring – HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, rov. 3.3. Ik merk nog op dat de ambtshalve motiveringsplicht uit het huidige art. 359 lid 6 Sv (oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming met zich brengt) in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering, vooralsnog, niet terugkeert (zie het voorgestelde art. 4.3.25). De ministers achten de motivering op dit punt voldoende geborgd door de responsieplicht naar aanleiding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (art. 4.3.22 lid 3) en de algemene regel dat een beslissing wordt gemotiveerd “voor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen nodig is” (art. 4.3.22 lid 1). Kamerstukken II , 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 1062-1063.
Volledig
Het hof merkt op dat de verdachte als haar begeleider de taak had het slachtoffer te beschermen, maar in plaats daarvan ernstig misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbaarheid ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof overwogen dat hij op diverse momenten verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en zijn spijt betuigt, maar dat tegelijkertijd zichzelf in de slachtofferrol plaatst. In onder meer deze feiten en omstandigheden heeft het hof aanleiding gezien om naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met onder meer een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde, tevens de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep gedurende vijf jaar op te leggen. Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste kader, acht ik de oplegging van de bijkomende straf niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. 3 Slotsom 3.1 Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. 3.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie thans art. 254a lid 2 Sr. Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. J.M. ten Voorde. In 1978 heeft de wetgever dit wel overwogen. In het wetsvoorstel voor de Wet vermogenssancties werd in het zesde lid van art. 359 Sv een bijzondere motiveringsplicht voorgesteld bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming met zich brengt en de oplegging van een bijkomende straf waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzegging van bepaalde bevoegdheden wordt uitgesproken (Kamerstukken II, 1977-78, 15 012, nrs. 1-3, p. 11). Blijkens de Memorie van Toelichting vormde (onder meer) deze motiveringsverplichting “een uitwerking van de gedachte dat juist vrijheidsstraffen en enkele voor de veroordeelde als zeer belastend te beschouwen bijkomende straffen aan hoge eisen van motivering moeten voldoen” alsmede “een signaal van de wetgever dat de nadruk op vermogensstraffen behoort te vallen” ( Kamerstukken II, 1977-78, 15 012, nrs. 1-3, p. 54-55). In het uiteindelijke wetsvoorstel (gewijzigd in 1981) werd de bijzondere motiveringsplicht voor vrijheidsbenemende straffen en maatregelen gehandhaafd, maar voor de bijkomende straffen niet langer opportuun geacht ( Kamerstukken II , 1981/82, 15012 nr. 6, p. 3). De wetgever wees daarbij op (toen) recente jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin “het streven valt te proeven om voor de toetsing van de redelijkheid van de strafoplegging vaste aanknopingspunten te vinden” doordat in bepaalde categorieën gevallen meer werd geëist dan een standaardmotivering. De Minister meende dat voor de categorieën gevallen waarin de Hoge Raad thans reeds op grond van het bestaande motiverinqsvoorschrift (artikel 359, vijfde lid - nieuw) een bijzondere redengeving vergt, de wetgever niet met nadere voorschriften moet komen. In plaats daarvan werd het voorschrift uit (het huidige) lid 5 nader geobjectiveerd ( Kamerstukken II, 1981/82, 15012, nr. 5, p. 25-26). Zie ook de conclusie van A-G Keulen van 9 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:570, randnr. 73 (voorafgaand aan HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378), die een vergelijking maakt met de bijkomende straf van verbeurdverklaring. En zie – eveneens in het kader van verbeurdverklaring – HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, rov. 3.3. Ik merk nog op dat de ambtshalve motiveringsplicht uit het huidige art. 359 lid 6 Sv (oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming met zich brengt) in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering, vooralsnog, niet terugkeert (zie het voorgestelde art. 4.3.25). De ministers achten de motivering op dit punt voldoende geborgd door de responsieplicht naar aanleiding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (art. 4.3.22 lid 3) en de algemene regel dat een beslissing wordt gemotiveerd “voor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen nodig is” (art. 4.3.22 lid 1). Kamerstukken II , 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 1062-1063.