Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:PHR:2026:149
Strafrecht
36,463 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:149 text/xml public 2026-04-14T12:45:31 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/04597 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:656 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:149 text/html public 2026-03-16T16:16:43 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:149 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/04597 Conclusie AG. Poging moord. M1: falend middel over feitelijke vaststelling door het hof. M2 en M3: falende middelen over bewezenverklaring voorbedachte raad. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04597 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 10 december 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002928-23) wegens “poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W. Römelingh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens poging tot moord op haar ex-partner (hierna: aangever) door hem met mes in het bovenlichaam te steken/te snijden nadat de verdachte met haar en aangevers zoon bij de aangever aan de deur was gekomen. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaarde gedraging met het mes, het tweede middel over de uitleg die het hof heeft gegeven aan een door de verdachte gedane uitlating en het derde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van voorbedachte raad. 2.2 Het tweede en derde middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 2.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel klaagt dat art. 359 lid 2 Sv niet in acht is genomen nu – in de woorden van de steller van de middelen − de oordelen van het hof “te kort zouden schieten”. Het middel richt zich in de kern tegen de feitelijke vaststelling door het hof dat de verdachte met het mes over de medeverdachte heen naar de aangever heeft kunnen reiken. 3.2 De feitenrechter beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behoudens een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Dit heeft tot gevolg dat in cassatie niet wordt beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld c.q. de juiste uitleg heeft gegeven aan het bewijsmateriaal, en dat slechts kan worden getoetst of de rechter bij zijn onderzoek en beslissing de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. 3.3 Het middel en in het bijzonder de toelichting daarop miskent hetgeen onder 3.2 is vooropgesteld nu wordt geklaagd over de feitelijke vaststelling door het hof dat de verdachte met het mes over de medeverdachte heen naar de aangever heeft kunnen reiken. 3.4 Het middel faalt. 4 Het tweede en het derde middel 4.1 Allereerst het derde middel: dit houdt in dat art. 359 lid 2 Sv niet in acht is genomen en dat het oordeel van het hof dat sprake is van voorbedachte raad “onbevredigend” is. Het tweede middel keert zich tegen het feitelijke oordeel van het hof dat de verdachte met het “van de wereld af helpen” van de aangever heeft bedoeld dat zij hem van het leven zou beroven en strekt er daarmee kennelijk toe te betogen dat het oordeel van het hof dat de verdachte toen al het voornemen had om de aangever van het leven te beroven onvoldoende is gemotiveerd. 4.2 Omdat bij een welwillende lezing van de middelen kan worden gezegd dat zij beide samenhangen met de bewezenverklaring van voorbedachte raad bespreek ik deze hier gezamenlijk. Voordat ik echter overga tot de beoordeling van het tweede en derde middel verdient opmerking dat deze middelen – zoals ook geldt voor het eerste middel − in sterke mate het karakter van ‘napleiten’ over de feiten hebben. In zoverre zal hierna – mede gezien de vooropstelling onder 3.2 – niet worden ingegaan op hetgeen in de toelichtingen op de middelen is aangevoerd. Onder meer gezien het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel voorbedachte raad heeft, vraagt de motivering van de bewezenverklaring evenwel wezenlijk aandacht. Om die reden vat ik het tweede en derde middel zo op dat deze klagen dat de bewezenverklaring van de voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd. 4.3 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “zij op 21 januari 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met een mes in het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 4.4 De bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): “1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] […]: Feit: doodslag/moord (poging) Plaats delict: [a-straat 1] [plaats] Pleegdatum/tijd: Tussen zaterdag 21 januari 2023 om 00:42 uur en zaterdag 21 januari 2023 om 02:20 uur Op zaterdag 21 januari 2023 om 02:45 uur, hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn: Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Geboren: [geboortedatum] 1967 Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde feit, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict. Op vrijdagavond 20 januari 2023 was ik op de bank in slaap gevallen in de woonkamer van mijn huis in [plaats] . Ik werd wakker van 1 hele lange bel. Ik heb niet open gedaan. Vervolgens werd er weer aangebeld. Ik keek op mijn telefoon en zag dat het 00:25 uur was. Ik heb vervolgens de voordeur geopend. Ik zag een forse jongen links voor mij staan. De vrouw stond rechts voor. Een paar seconden later herkende ik de jongen als mijn zoon, [medeverdachte] , en de vrouw als mijn ex-vrouw [verdachte] . Ik zag dat mijn zoon direct zijn voet tussen de voordeur deed, zodat ik de deur niet dicht kon doen. Ik hoorde dat mijn zoon gelijk verwijten naar mij maakte. Hij zei dat hij net had gehoord dat ik vrij was. Ik zag dat [medeverdachte] elke keer mijn kant op kwam en dan zei: “Kom dan! Kom dan!”. Ik heb hier niet op gereageerd. Vervolgens hoorde ik [medeverdachte] zeggen: “Jij hebt aan mij gezeten”. Ik was het zat en zei: “Donder op”. Ik maakte een spugende beweging naar mijn ex- vrouw, maar heb niet daadwerkelijk gespuugd. Ik zag dat [medeverdachte] op mij af dook. Ik pakte hem bij zijn capuchon. Ik voelde dat [medeverdachte] mij helemaal naar achteren duwde tegen de spiegel en de wc aan. Ik voelde dat [medeverdachte] op mijn hoofd begon te slaan. Ik heb hem een paar beuken terug gegeven. Mijn ex stond links van mij en ik zag ineens dat zij een groot vleesmes in haar rechterhand had. Dit was een mes met een punt er aan. Mijn ex stond op ongeveer 1 meter afstand, toen zij het mes vast had. Ik zag inmiddels dat mijn vriendin op de trap stond en schreeuwde dat zij de politie had gebeld. Ook de buurvrouw van [a-straat 2] en de buurman van [nummer] waren inmiddels in de gang van mijn woning. Uiteindelijk zijn zij weggegaan. Ik keek naar mijn hand en zag dat deze bebloed was. Mijn buurvrouw zag toen dat ik een steekwond had in mijn linkerzijde. Ik weet alleen dat mijn ex het mes had en ik had mijn zoon vast, dus 1 en 1 is twee. 2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […] met bijlagen.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:149 text/xml public 2026-04-14T12:45:31 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/04597 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:656 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:149 text/html public 2026-03-16T16:16:43 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:149 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/04597 Conclusie AG. Poging moord. M1: falend middel over feitelijke vaststelling door het hof. M2 en M3: falende middelen over bewezenverklaring voorbedachte raad. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04597 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 10 december 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002928-23) wegens “poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W. Römelingh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens poging tot moord op haar ex-partner (hierna: aangever) door hem met mes in het bovenlichaam te steken/te snijden nadat de verdachte met haar en aangevers zoon bij de aangever aan de deur was gekomen. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaarde gedraging met het mes, het tweede middel over de uitleg die het hof heeft gegeven aan een door de verdachte gedane uitlating en het derde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van voorbedachte raad. 2.2 Het tweede en derde middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 2.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel klaagt dat art. 359 lid 2 Sv niet in acht is genomen nu – in de woorden van de steller van de middelen − de oordelen van het hof “te kort zouden schieten”. Het middel richt zich in de kern tegen de feitelijke vaststelling door het hof dat de verdachte met het mes over de medeverdachte heen naar de aangever heeft kunnen reiken. 3.2 De feitenrechter beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behoudens een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Dit heeft tot gevolg dat in cassatie niet wordt beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld c.q. de juiste uitleg heeft gegeven aan het bewijsmateriaal, en dat slechts kan worden getoetst of de rechter bij zijn onderzoek en beslissing de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. 3.3 Het middel en in het bijzonder de toelichting daarop miskent hetgeen onder 3.2 is vooropgesteld nu wordt geklaagd over de feitelijke vaststelling door het hof dat de verdachte met het mes over de medeverdachte heen naar de aangever heeft kunnen reiken. 3.4 Het middel faalt. 4 Het tweede en het derde middel 4.1 Allereerst het derde middel: dit houdt in dat art. 359 lid 2 Sv niet in acht is genomen en dat het oordeel van het hof dat sprake is van voorbedachte raad “onbevredigend” is. Het tweede middel keert zich tegen het feitelijke oordeel van het hof dat de verdachte met het “van de wereld af helpen” van de aangever heeft bedoeld dat zij hem van het leven zou beroven en strekt er daarmee kennelijk toe te betogen dat het oordeel van het hof dat de verdachte toen al het voornemen had om de aangever van het leven te beroven onvoldoende is gemotiveerd. 4.2 Omdat bij een welwillende lezing van de middelen kan worden gezegd dat zij beide samenhangen met de bewezenverklaring van voorbedachte raad bespreek ik deze hier gezamenlijk. Voordat ik echter overga tot de beoordeling van het tweede en derde middel verdient opmerking dat deze middelen – zoals ook geldt voor het eerste middel − in sterke mate het karakter van ‘napleiten’ over de feiten hebben. In zoverre zal hierna – mede gezien de vooropstelling onder 3.2 – niet worden ingegaan op hetgeen in de toelichtingen op de middelen is aangevoerd. Onder meer gezien het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel voorbedachte raad heeft, vraagt de motivering van de bewezenverklaring evenwel wezenlijk aandacht. Om die reden vat ik het tweede en derde middel zo op dat deze klagen dat de bewezenverklaring van de voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd. 4.3 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “zij op 21 januari 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met een mes in het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 4.4 De bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): “1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] […]: Feit: doodslag/moord (poging) Plaats delict: [a-straat 1] [plaats] Pleegdatum/tijd: Tussen zaterdag 21 januari 2023 om 00:42 uur en zaterdag 21 januari 2023 om 02:20 uur Op zaterdag 21 januari 2023 om 02:45 uur, hoorde ik een persoon die mij opgaf te zijn: Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Geboren: [geboortedatum] 1967 Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde feit, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict. Op vrijdagavond 20 januari 2023 was ik op de bank in slaap gevallen in de woonkamer van mijn huis in [plaats] . Ik werd wakker van 1 hele lange bel. Ik heb niet open gedaan. Vervolgens werd er weer aangebeld. Ik keek op mijn telefoon en zag dat het 00:25 uur was. Ik heb vervolgens de voordeur geopend. Ik zag een forse jongen links voor mij staan. De vrouw stond rechts voor. Een paar seconden later herkende ik de jongen als mijn zoon, [medeverdachte] , en de vrouw als mijn ex-vrouw [verdachte] . Ik zag dat mijn zoon direct zijn voet tussen de voordeur deed, zodat ik de deur niet dicht kon doen. Ik hoorde dat mijn zoon gelijk verwijten naar mij maakte. Hij zei dat hij net had gehoord dat ik vrij was. Ik zag dat [medeverdachte] elke keer mijn kant op kwam en dan zei: “Kom dan! Kom dan!”. Ik heb hier niet op gereageerd. Vervolgens hoorde ik [medeverdachte] zeggen: “Jij hebt aan mij gezeten”. Ik was het zat en zei: “Donder op”. Ik maakte een spugende beweging naar mijn ex- vrouw, maar heb niet daadwerkelijk gespuugd. Ik zag dat [medeverdachte] op mij af dook. Ik pakte hem bij zijn capuchon. Ik voelde dat [medeverdachte] mij helemaal naar achteren duwde tegen de spiegel en de wc aan. Ik voelde dat [medeverdachte] op mijn hoofd begon te slaan. Ik heb hem een paar beuken terug gegeven. Mijn ex stond links van mij en ik zag ineens dat zij een groot vleesmes in haar rechterhand had. Dit was een mes met een punt er aan. Mijn ex stond op ongeveer 1 meter afstand, toen zij het mes vast had. Ik zag inmiddels dat mijn vriendin op de trap stond en schreeuwde dat zij de politie had gebeld. Ook de buurvrouw van [a-straat 2] en de buurman van [nummer] waren inmiddels in de gang van mijn woning. Uiteindelijk zijn zij weggegaan. Ik keek naar mijn hand en zag dat deze bebloed was. Mijn buurvrouw zag toen dat ik een steekwond had in mijn linkerzijde. Ik weet alleen dat mijn ex het mes had en ik had mijn zoon vast, dus 1 en 1 is twee. 2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […] met bijlagen.
Volledig
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] […]: Ik ben in mijn linker zij onder mijn oksel gestoken. Toen [medeverdachte] naar binnen stormde, heb ik zijn capuchon over zijn hoofd getrokken. Als [medeverdachte] mij had gestoken, had hij mij in mijn buik gestoken, omdat ik hem naar beneden hield. 3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag van 13 juli 2023. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer] : U vraagt wat mijn ex deed en/of zei. Ik zag dat zij een mes bij zich had. U vraagt of ik het mes daadwerkelijk heb gezien. Ja. U vraagt of ik gezien heb in welke hand mijn ex het mes vast had. In haar rechterhand. U vraagt of ik heb gezien dat zij bij mij in de buurt is geweest. Ze is dicht bij me geweest. Ze stond vlak achter [medeverdachte] , nadat ik met [medeverdachte] naar achteren ben gelopen. Ze wees met het mes naar mijn vriendin en zei: “Weg hier”. Daarna is ze weer met het mes achter [medeverdachte] gaan staan. U zegt dat ik net ook heb verklaard dat ze iets dichterbij mij is gekomen dan van waar zij stond. U vraagt tot waar [verdachte] ongeveer is gekomen. Tot het begin van de wc-deur. Ik hield mijn ex in de gaten van wat zij met het mes deed. U vraagt hoe ik gekleed was op dat moment. In mijn boxershort, met een ontbloot bovenlijf. 4. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2024 verklaard -zakelijk weergegeven-: U, voorzitter vraagt of we hebben aangebeld. Ja, [medeverdachte] heeft dat gedaan. Hij deed na 2 keer bellen open. We hebben hem in de deuropening gesproken. Hij gaf [medeverdachte] gelijk een vuist op zijn neus. Dat heb ik gezien. Het verplaatste zich toen naar de gang. Ik was ook in de gang. Ik heb dat mes gepakt en ermee in mijn handen gestaan. U vraagt mij hoe ik het mes vast had. Ik had het mes vast in mijn vuist met het snijdende deel omhoog. Het klopt dat ik het mes vast had toen ik [medeverdachte] samen met de buurman los trok. Op het moment dat ik het mes pakte, had het slachtoffer [medeverdachte] nog vast en kreeg hij nog klappen. Het kan niet zo zijn dat ik hem per ongeluk heb verwond. 5. Een proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […]: Op 21 januari 2023 lag ik te slapen in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Rond 00.25 uur hoorde ik de bel gaan. Hierop werd niet gereageerd. Om 0:30 uur hoorde ik voor de tweede keer de deurbel. Hierop is mijn vriend, [slachtoffer] , de deur open gaan doen. Ik hoorde veel geschreeuw. Hierop ben ik naar beneden gelopen. Ik zag toen dat mijn vriend samen met zijn zoon tegen de spiegel aan het eind van de hal lag in het hoekje. Daarvoor zag ik zijn ex-vrouw staan met een groot mes in haar hand. Zij schreeuwde naar mij: “Jij moet oprotten”. Zij hield toen het mes boven haar hoofd in haar hand. Ik schreeuwde: “Ik heb de politie gebeld” en daarna kwam de buurvrouw van [a-straat 2] , [getuige 2] en toen riep ik: “Bel de politie!” [getuige 2] zei dat ze dat al had gedaan. 6. Een proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […] : Ik woon op de [a-straat 2] in [plaats] . Over wat er precies gebeurd is bij mijn buren op [a-straat 1] , kan ik het volgende verklaren. Rond 0:20 uur hoorde ik gestommel vanuit de woning naast ons. Het voelde voor mij niet goed, dus ik ben naar buiten gerend. Toen ik de woning van [a-straat 1] inkeek vanaf de voordeur naar binnen, zag ik mijn buurman [slachtoffer] met zijn rug tegen de muur in de gang staan. Ik zag dat hij vast werd gehouden door een jongen. Ik vermoedde dat het zijn zoon was. Ik zag ook dat de moeder van die jongen in de gang stond. Ik zag dat die vrouw ook tegen [slachtoffer] aan het duwen was. Ik zag dat hij geen kant meer op kon. Toen de buurman van [nummer] die twee personen mee naar buiten had genomen, ben ik vervolgens naar binnen gelopen om te kijken hoe het met [slachtoffer] was. Ik zag toen heel veel bloed. Ik zag dat het over zijn rug liep, over zijn onderbroek en benen. Toen ik zijn rug schoonmaakte zag ik onder zijn linker schouderblad een diepe snee. Ik zag dat die wond open stond en nog steeds bloedde. 7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […] : Op 22 januari 2023 werd de data van de inbeslaggenomen telefoon van [verdachte] onderzocht. In deze telefoon werd een WhatsApp gesprek aangetroffen met een contact, genaamd ‘ [betrokkene 1] ’. Hieronder volgt een weergave van het gesprek dat op vrijdagavond 20 januari 2023 en het begin van de daaropvolgende nacht, plaatsvond. “ [betrokkene 1] ” betreft [betrokkene 1] en “ [verdachte] ” betreft [verdachte] . Vrijdag 20 januari 2023 23:44 [verdachte] : Opmerking verbalisant: Verdachte stuurde een spraakbericht. Ik herkende de stem van de verdachte, omdat ik haar op zaterdag 21 januari 2023 hoorde als verdachte. In dit spraakbericht zei de verdachte: “ [medeverdachte] die komt net met een heel verhaal ehhh .. Over zijn oom, blablabla. En daarna kwam ie met 'mijn vader is vrij'. En ik weet waar z'n vader is. En als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help. (…) ik heb al vervoer geregeld. En de rest heb ik ook geregeld. (...) Ik had [betrokkene 2] (fonetisch) gevraagd om voor m'n hond en m'n kind te zorgen, het nummer van mijn moeder en ehh.. De rest zien we dan wel” 23:45 [betrokkene 1] Ohhh nee 23:45 [betrokkene 1] : Heb jou nodig he 23:45 [betrokkene 1] : Neeeeee 23:45 [betrokkene 1] : Kan niet zonder jou he 23:45 [betrokkene 1] : [betrokkene 3] ook 23:46 [betrokkene 1] : Niet Zaterdag 21 januari 2023 00:17 [betrokkene 1] : Mop kom naar huis je bent bezig met je droom uit te 1sten komen met die honden dingens 00:17 [betrokkene 1] : [betrokkene 3] kan niet zonder joi 00:18 [verdachte] : Nee dit moet ff 00:18 [betrokkene 1] : [medeverdachte] is ook goed bezig 00:18 [betrokkene 1] : Laat het dan doen 00:18 [betrokkene 1] : Maak jullie handen niet vuil 00:18 [verdachte] : Ik heb [medeverdachte] beloofd 00:19 [betrokkene 1] : Dit maakt alleen meer kapot schat en dat is het niet waard 8. Een proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 22 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – […]: [betrokkene 1] : Is degene waar het over gaat dood? Ik hoop het wel. Hij heeft aan kinderen gezeten, aan [medeverdachte] . Ik begrijp het wel dat [verdachte] het gedaan heeft. [betrokkene 1] : Wanneer heb je [medeverdachte] en [verdachte] voor het laatst gesproken? [betrokkene 4] : Vrijdagavond. Toen werd ik gebeld door [verdachte] en vroeg of ik wat wilde doen. Ze vroeg of ik wilde zorgen voor haar kind, haar hondjes en voor het huis. Ik vroeg haar waarom. Ze zei dat haar ex vrij was. Ik heb gezegd dat ik het wel zou oplossen. Ik ben toch net vrij en ben nog bezig alles op te zetten. Daarna heeft zij de verbinding verbroken. Ik heb toen [medeverdachte] gebeld en gesmeekt of hij er niet heen wilde gaan. Hij zei dat hij het moest doen en hing op. [betrokkene 1] : Want jij vind het niet erg om te zitten? [betrokkene 4] : Nee, zij hebben meer te verliezen. [betrokkene 1] : Heeft zij jou die avond iets verteld over problemen met haar ex? [betrokkene 4] : Ik weet wel van het verleden. Hij heeft haar 80 duizend keer totaal loss geslagen. [betrokkene 1] : We hebben de telefoon van [verdachte] bekeken en hebben gezien dat jij de laatste persoon was met wie zij telefonisch contact heeft gehad. Dit was om 23:36 uur geweest. Is dat het gesprek waar jij het over had? [betrokkene 4] : Dat is denk ik het gesprek, toen ze ophing. Tijdens het telefoongesprek heeft zij gezegd dat ze onderweg was naar [plaats] . Toen wist ik al genoeg.
Volledig
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] […]: Ik ben in mijn linker zij onder mijn oksel gestoken. Toen [medeverdachte] naar binnen stormde, heb ik zijn capuchon over zijn hoofd getrokken. Als [medeverdachte] mij had gestoken, had hij mij in mijn buik gestoken, omdat ik hem naar beneden hield. 3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag van 13 juli 2023. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer] : U vraagt wat mijn ex deed en/of zei. Ik zag dat zij een mes bij zich had. U vraagt of ik het mes daadwerkelijk heb gezien. Ja. U vraagt of ik gezien heb in welke hand mijn ex het mes vast had. In haar rechterhand. U vraagt of ik heb gezien dat zij bij mij in de buurt is geweest. Ze is dicht bij me geweest. Ze stond vlak achter [medeverdachte] , nadat ik met [medeverdachte] naar achteren ben gelopen. Ze wees met het mes naar mijn vriendin en zei: “Weg hier”. Daarna is ze weer met het mes achter [medeverdachte] gaan staan. U zegt dat ik net ook heb verklaard dat ze iets dichterbij mij is gekomen dan van waar zij stond. U vraagt tot waar [verdachte] ongeveer is gekomen. Tot het begin van de wc-deur. Ik hield mijn ex in de gaten van wat zij met het mes deed. U vraagt hoe ik gekleed was op dat moment. In mijn boxershort, met een ontbloot bovenlijf. 4. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2024 verklaard -zakelijk weergegeven-: U, voorzitter vraagt of we hebben aangebeld. Ja, [medeverdachte] heeft dat gedaan. Hij deed na 2 keer bellen open. We hebben hem in de deuropening gesproken. Hij gaf [medeverdachte] gelijk een vuist op zijn neus. Dat heb ik gezien. Het verplaatste zich toen naar de gang. Ik was ook in de gang. Ik heb dat mes gepakt en ermee in mijn handen gestaan. U vraagt mij hoe ik het mes vast had. Ik had het mes vast in mijn vuist met het snijdende deel omhoog. Het klopt dat ik het mes vast had toen ik [medeverdachte] samen met de buurman los trok. Op het moment dat ik het mes pakte, had het slachtoffer [medeverdachte] nog vast en kreeg hij nog klappen. Het kan niet zo zijn dat ik hem per ongeluk heb verwond. 5. Een proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […]: Op 21 januari 2023 lag ik te slapen in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Rond 00.25 uur hoorde ik de bel gaan. Hierop werd niet gereageerd. Om 0:30 uur hoorde ik voor de tweede keer de deurbel. Hierop is mijn vriend, [slachtoffer] , de deur open gaan doen. Ik hoorde veel geschreeuw. Hierop ben ik naar beneden gelopen. Ik zag toen dat mijn vriend samen met zijn zoon tegen de spiegel aan het eind van de hal lag in het hoekje. Daarvoor zag ik zijn ex-vrouw staan met een groot mes in haar hand. Zij schreeuwde naar mij: “Jij moet oprotten”. Zij hield toen het mes boven haar hoofd in haar hand. Ik schreeuwde: “Ik heb de politie gebeld” en daarna kwam de buurvrouw van [a-straat 2] , [getuige 2] en toen riep ik: “Bel de politie!” [getuige 2] zei dat ze dat al had gedaan. 6. Een proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […] : Ik woon op de [a-straat 2] in [plaats] . Over wat er precies gebeurd is bij mijn buren op [a-straat 1] , kan ik het volgende verklaren. Rond 0:20 uur hoorde ik gestommel vanuit de woning naast ons. Het voelde voor mij niet goed, dus ik ben naar buiten gerend. Toen ik de woning van [a-straat 1] inkeek vanaf de voordeur naar binnen, zag ik mijn buurman [slachtoffer] met zijn rug tegen de muur in de gang staan. Ik zag dat hij vast werd gehouden door een jongen. Ik vermoedde dat het zijn zoon was. Ik zag ook dat de moeder van die jongen in de gang stond. Ik zag dat die vrouw ook tegen [slachtoffer] aan het duwen was. Ik zag dat hij geen kant meer op kon. Toen de buurman van [nummer] die twee personen mee naar buiten had genomen, ben ik vervolgens naar binnen gelopen om te kijken hoe het met [slachtoffer] was. Ik zag toen heel veel bloed. Ik zag dat het over zijn rug liep, over zijn onderbroek en benen. Toen ik zijn rug schoonmaakte zag ik onder zijn linker schouderblad een diepe snee. Ik zag dat die wond open stond en nog steeds bloedde. 7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - […] : Op 22 januari 2023 werd de data van de inbeslaggenomen telefoon van [verdachte] onderzocht. In deze telefoon werd een WhatsApp gesprek aangetroffen met een contact, genaamd ‘ [betrokkene 1] ’. Hieronder volgt een weergave van het gesprek dat op vrijdagavond 20 januari 2023 en het begin van de daaropvolgende nacht, plaatsvond. “ [betrokkene 1] ” betreft [betrokkene 1] en “ [verdachte] ” betreft [verdachte] . Vrijdag 20 januari 2023 23:44 [verdachte] : Opmerking verbalisant: Verdachte stuurde een spraakbericht. Ik herkende de stem van de verdachte, omdat ik haar op zaterdag 21 januari 2023 hoorde als verdachte. In dit spraakbericht zei de verdachte: “ [medeverdachte] die komt net met een heel verhaal ehhh .. Over zijn oom, blablabla. En daarna kwam ie met 'mijn vader is vrij'. En ik weet waar z'n vader is. En als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help. (…) ik heb al vervoer geregeld. En de rest heb ik ook geregeld. (...) Ik had [betrokkene 2] (fonetisch) gevraagd om voor m'n hond en m'n kind te zorgen, het nummer van mijn moeder en ehh.. De rest zien we dan wel” 23:45 [betrokkene 1] Ohhh nee 23:45 [betrokkene 1] : Heb jou nodig he 23:45 [betrokkene 1] : Neeeeee 23:45 [betrokkene 1] : Kan niet zonder jou he 23:45 [betrokkene 1] : [betrokkene 3] ook 23:46 [betrokkene 1] : Niet Zaterdag 21 januari 2023 00:17 [betrokkene 1] : Mop kom naar huis je bent bezig met je droom uit te 1sten komen met die honden dingens 00:17 [betrokkene 1] : [betrokkene 3] kan niet zonder joi 00:18 [verdachte] : Nee dit moet ff 00:18 [betrokkene 1] : [medeverdachte] is ook goed bezig 00:18 [betrokkene 1] : Laat het dan doen 00:18 [betrokkene 1] : Maak jullie handen niet vuil 00:18 [verdachte] : Ik heb [medeverdachte] beloofd 00:19 [betrokkene 1] : Dit maakt alleen meer kapot schat en dat is het niet waard 8. Een proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 22 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – […]: [betrokkene 1] : Is degene waar het over gaat dood? Ik hoop het wel. Hij heeft aan kinderen gezeten, aan [medeverdachte] . Ik begrijp het wel dat [verdachte] het gedaan heeft. [betrokkene 1] : Wanneer heb je [medeverdachte] en [verdachte] voor het laatst gesproken? [betrokkene 4] : Vrijdagavond. Toen werd ik gebeld door [verdachte] en vroeg of ik wat wilde doen. Ze vroeg of ik wilde zorgen voor haar kind, haar hondjes en voor het huis. Ik vroeg haar waarom. Ze zei dat haar ex vrij was. Ik heb gezegd dat ik het wel zou oplossen. Ik ben toch net vrij en ben nog bezig alles op te zetten. Daarna heeft zij de verbinding verbroken. Ik heb toen [medeverdachte] gebeld en gesmeekt of hij er niet heen wilde gaan. Hij zei dat hij het moest doen en hing op. [betrokkene 1] : Want jij vind het niet erg om te zitten? [betrokkene 4] : Nee, zij hebben meer te verliezen. [betrokkene 1] : Heeft zij jou die avond iets verteld over problemen met haar ex? [betrokkene 4] : Ik weet wel van het verleden. Hij heeft haar 80 duizend keer totaal loss geslagen. [betrokkene 1] : We hebben de telefoon van [verdachte] bekeken en hebben gezien dat jij de laatste persoon was met wie zij telefonisch contact heeft gehad. Dit was om 23:36 uur geweest. Is dat het gesprek waar jij het over had? [betrokkene 4] : Dat is denk ik het gesprek, toen ze ophing. Tijdens het telefoongesprek heeft zij gezegd dat ze onderweg was naar [plaats] . Toen wist ik al genoeg.
Volledig
[betrokkene 1] : Wat deed jij toen je het hoorde? [betrokkene 4] : Ik zei dat ze terug moesten gaan en het mij moesten laten regelen. Dat zei ik ook tegen die jongen. [medeverdachte] zei ik moet, ik moet. Ik kon praten als brugman, maar ze luisterde niet. 9. Een proces-verbaal relaas van forensische bevindingen d.d. 30 maart 2023 van de politie Eenheid […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – […]: Onderzoek [verdachte] Op zaterdag 21 januari 2023 werd de op heterdaad aangehouden [verdachte] aan het politiebureau [plaats] forensisch onderzocht. Tijdens dit onderzoek werd (en): - de verdachte fotografisch vastgelegd; - de nagelranden en de handen van de verdachte bemonsterd op de eventuele aanwezigheid van bloed afkomstig van het slachtoffer; - de kledingstukken van de verdachte in beslag genomen op de eventuele aanwezigheid van bloed van het slachtoffer. Op woensdag 1 februari 2023 heb ik het volgende SVO overgedragen aan de afdeling laboratorium biologisch vooronderzoek van TFO. Dit ten behoeve van biologisch vooronderzoek voor het bemonsteren en het veiligstellen van deze bemonsteringen voor nader onderzoek op de eventuele aanwezigheid van bloed afkomstig van het slachtoffer: SIN: AAPQ0656NL Spooromschrijving: Jas van [verdachte] (geboren op [geboortedatum] -1974 te [geboorteplaats] ) Plaats veiligstellen : Vanaf [verdachte] (geboren op [geboortedatum] -1974 te [geboorteplaats] ) De volgende sporen waren veiliggesteld voor een eventueel DNA-onderzoek: SIN : AAQJ2948NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen: Bloedvlek uiteinde van de rechtermouw van de jas SIN: AAQJ2949NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen: Bloedvlek ter hoogte van de rechterborst van een drager SIN: AAQJ2950NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen : Bloedvlek ter hoogte van de linkerzij/heup van een drager SIN: AAQJ2951NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen: Bloedvlek, uiteinde van de linkermouw van de jas 10 .Een geschrift, zijnde een NFI rapport 'DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in [plaats] op 21 januari 2023, opgemaakt en ondertekend op 21 februari 2023 door [deskundige 1] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- […] : Van het referentiemateriaal van [verdachte] en verdachte [medeverdachte] zijn DNA-profielen verkregen. AAQJ2948NL#01 (bloedvlek uiteinde van de rechtermouw van de jas). Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2948NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. AAQJ2949NL#01 (bloedvlek ter hoogte van de rechterborst van een drager). Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2949NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. AAQJ2950NL#01 (bloedvlek ter hoogte van de linkerzij/heup van een drager) Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2950NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. AAQJ2951NL#01 (bloedvlek uiteinde van de linkermouw van de jas). Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2951NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. 11.Een geschrift, zijnde een NFI-rapport genaamd 'Forensisch-medisch onderzoek betreffende [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1967’, opgesteld door [deskundige 2] , deskundige Forensische Geneeskunde, opgemaakt op 30 maart 2023. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- […] In de ‘Aanvraag extern forensisch onderzoek’ is navolgende vraag geformuleerd: “Beschrijf de gevaarzetting van het letsel en van het snijden/steken met een mes in betreffend lichaamsdeel of de nabijheid.” 5 Resultaten Ad A : De ontvangen foto's van het letsel De ontvangen kleurenfoto's zijn van goede kwaliteit qua compositie, scherpte en belichting. Op één foto is een maatreferentie mede afgebeeld. De foto's tonen een schuin voor/achterwaarts georiënteerde scherprandige huidperforatie aan de buitenzijde van de borst, circa 10 cm onder de linker oksel. De scherprandige huidperforatie heeft een lengte van 3,7 cm en de wondranden wijken maximaal circa 0,5 cm uiteen. Ad B: De medische informatie van het LUMC. Bevindingen bij lichamelijk onderzoek: - In de linker flank ter hoogte van de tepel was een horizontaal verlopende wond van 4 cm met wijkende wondranden; hieruit geen bloedverlies of luchtlekkage. 6 Interpretatie Er vindt onderzoek plaats naar de aard en oorzaak van het letsel dat op 21 januari 2023 zou zijn vastgesteld bij [slachtoffer] , ter beoordeling van de gevaarzetting van het letsel en van het snijden/steken met een mes in betreffend lichaamsdeel cq. de nabijheid. De geweldsinwerkingen . Uit de onderzoeksaanvraag en de medische gegevens blijkt dat [slachtoffer] in het kader van een conflict 'klappen' zou hebben gekregen ( a ); er is niet vermeld tegen welke lichaamsdelen hij geslagen zou zijn. Tevens zou hij in de linker zij zijn gestoken (b). De letsels. Ad b: De beschikbare foto’s tonen een scherprandige huidperforatie aan de zijkant van de borst, circa 10 cm onder de linker oksel. De voorwaartse wondhoek is stomp, de achterwaartse wondhoek is scherp, waarbij de huid achterwaarts van de wondhoek een oppervlakkige streepvormige beschadiging toont. Deze bevindingen passen bij een snij/steekverwonding veroorzaakt door een eenzijdig snijdend scherprandig voorwerp (zoals bijvoorbeeld een eenzijdig snijdend mes), waarbij de scherpe rand achterwaarts gericht was. 12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – […]: V: Vannacht is [slachtoffer] gewond geraakt en [medeverdachte] en jij zijn aangehouden door de politie. Wat is er vannacht gebeurd? [betrokkene 4] : Er werd heen en weer geschreeuwd. [medeverdachte] kreeg die klap op zijn neus en die is hem aangevlogen. Hij heeft hem in een hoekje geduwd. Op dat moment zag ik dat hij inderdaad bloedde. Er kwam een vrouw in een badjas naar beneden rennen. Toen heb ik dat mes gepakt en zei ik eerst: “Blijf weg” en daarna: “Ik pak jou ook”. V: Er is door [slachtoffer] en een getuige verklaard dat jij een mes in jouw handen had. Gedurende het gevecht tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] . Jij hebt gezegd dat jij een mes vast had, he? [betrokkene 4] : Ja.” 4.5 De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2024 het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in: “ Vaststaande feiten in rechte De verdediging heeft het gerechtshof verzocht om het onherroepelijke vonnis in de zaak van de medeverdachte te voegen in het dossier van de verdachte. Aan het verzoek is voldaan, althans het vonnis bevindt zich in het dossier van de verdachte. Aan de hand van liet onherroepelijke vonnis in de zaak van de medeverdachte, dienen de onderstaande feilen als vaststaand te worden aangenomen. Weliswaar verschilt de persoon van de verdachte, maar het gaat om hetzelfde feitencomplex. De medeverdachte is met de verdachte naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Toen [slachtoffer] de deur opende, heeft de medeverdachte zijn voet tussen de deur geplaatst. Toen [slachtoffer] sommeerde om te vertrekken, weigerde de medeverdachte om te vertrekken. Vervolgens heeft [slachtoffer] , hetzij een spugende beweging gemaakt in de richting van de verdachte, hetzij de medeverdachte een klap tegen zijn neus gegeven. De medeverdachte is op [slachtoffer] gedoken en heeft hem naar binnen tegen een spiegel geduwd.
Volledig
[betrokkene 1] : Wat deed jij toen je het hoorde? [betrokkene 4] : Ik zei dat ze terug moesten gaan en het mij moesten laten regelen. Dat zei ik ook tegen die jongen. [medeverdachte] zei ik moet, ik moet. Ik kon praten als brugman, maar ze luisterde niet. 9. Een proces-verbaal relaas van forensische bevindingen d.d. 30 maart 2023 van de politie Eenheid […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – […]: Onderzoek [verdachte] Op zaterdag 21 januari 2023 werd de op heterdaad aangehouden [verdachte] aan het politiebureau [plaats] forensisch onderzocht. Tijdens dit onderzoek werd (en): - de verdachte fotografisch vastgelegd; - de nagelranden en de handen van de verdachte bemonsterd op de eventuele aanwezigheid van bloed afkomstig van het slachtoffer; - de kledingstukken van de verdachte in beslag genomen op de eventuele aanwezigheid van bloed van het slachtoffer. Op woensdag 1 februari 2023 heb ik het volgende SVO overgedragen aan de afdeling laboratorium biologisch vooronderzoek van TFO. Dit ten behoeve van biologisch vooronderzoek voor het bemonsteren en het veiligstellen van deze bemonsteringen voor nader onderzoek op de eventuele aanwezigheid van bloed afkomstig van het slachtoffer: SIN: AAPQ0656NL Spooromschrijving: Jas van [verdachte] (geboren op [geboortedatum] -1974 te [geboorteplaats] ) Plaats veiligstellen : Vanaf [verdachte] (geboren op [geboortedatum] -1974 te [geboorteplaats] ) De volgende sporen waren veiliggesteld voor een eventueel DNA-onderzoek: SIN : AAQJ2948NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen: Bloedvlek uiteinde van de rechtermouw van de jas SIN: AAQJ2949NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen: Bloedvlek ter hoogte van de rechterborst van een drager SIN: AAQJ2950NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen : Bloedvlek ter hoogte van de linkerzij/heup van een drager SIN: AAQJ2951NL Spooromschrijving: Bloed Plaats veiligstellen: Bloedvlek, uiteinde van de linkermouw van de jas 10 .Een geschrift, zijnde een NFI rapport 'DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in [plaats] op 21 januari 2023, opgemaakt en ondertekend op 21 februari 2023 door [deskundige 1] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- […] : Van het referentiemateriaal van [verdachte] en verdachte [medeverdachte] zijn DNA-profielen verkregen. AAQJ2948NL#01 (bloedvlek uiteinde van de rechtermouw van de jas). Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2948NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. AAQJ2949NL#01 (bloedvlek ter hoogte van de rechterborst van een drager). Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2949NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. AAQJ2950NL#01 (bloedvlek ter hoogte van de linkerzij/heup van een drager) Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2950NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. AAQJ2951NL#01 (bloedvlek uiteinde van de linkermouw van de jas). Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQJ2951NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. 11.Een geschrift, zijnde een NFI-rapport genaamd 'Forensisch-medisch onderzoek betreffende [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1967’, opgesteld door [deskundige 2] , deskundige Forensische Geneeskunde, opgemaakt op 30 maart 2023. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- […] In de ‘Aanvraag extern forensisch onderzoek’ is navolgende vraag geformuleerd: “Beschrijf de gevaarzetting van het letsel en van het snijden/steken met een mes in betreffend lichaamsdeel of de nabijheid.” 5 Resultaten Ad A : De ontvangen foto's van het letsel De ontvangen kleurenfoto's zijn van goede kwaliteit qua compositie, scherpte en belichting. Op één foto is een maatreferentie mede afgebeeld. De foto's tonen een schuin voor/achterwaarts georiënteerde scherprandige huidperforatie aan de buitenzijde van de borst, circa 10 cm onder de linker oksel. De scherprandige huidperforatie heeft een lengte van 3,7 cm en de wondranden wijken maximaal circa 0,5 cm uiteen. Ad B: De medische informatie van het LUMC. Bevindingen bij lichamelijk onderzoek: - In de linker flank ter hoogte van de tepel was een horizontaal verlopende wond van 4 cm met wijkende wondranden; hieruit geen bloedverlies of luchtlekkage. 6 Interpretatie Er vindt onderzoek plaats naar de aard en oorzaak van het letsel dat op 21 januari 2023 zou zijn vastgesteld bij [slachtoffer] , ter beoordeling van de gevaarzetting van het letsel en van het snijden/steken met een mes in betreffend lichaamsdeel cq. de nabijheid. De geweldsinwerkingen . Uit de onderzoeksaanvraag en de medische gegevens blijkt dat [slachtoffer] in het kader van een conflict 'klappen' zou hebben gekregen ( a ); er is niet vermeld tegen welke lichaamsdelen hij geslagen zou zijn. Tevens zou hij in de linker zij zijn gestoken (b). De letsels. Ad b: De beschikbare foto’s tonen een scherprandige huidperforatie aan de zijkant van de borst, circa 10 cm onder de linker oksel. De voorwaartse wondhoek is stomp, de achterwaartse wondhoek is scherp, waarbij de huid achterwaarts van de wondhoek een oppervlakkige streepvormige beschadiging toont. Deze bevindingen passen bij een snij/steekverwonding veroorzaakt door een eenzijdig snijdend scherprandig voorwerp (zoals bijvoorbeeld een eenzijdig snijdend mes), waarbij de scherpe rand achterwaarts gericht was. 12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 januari 2023 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – […]: V: Vannacht is [slachtoffer] gewond geraakt en [medeverdachte] en jij zijn aangehouden door de politie. Wat is er vannacht gebeurd? [betrokkene 4] : Er werd heen en weer geschreeuwd. [medeverdachte] kreeg die klap op zijn neus en die is hem aangevlogen. Hij heeft hem in een hoekje geduwd. Op dat moment zag ik dat hij inderdaad bloedde. Er kwam een vrouw in een badjas naar beneden rennen. Toen heb ik dat mes gepakt en zei ik eerst: “Blijf weg” en daarna: “Ik pak jou ook”. V: Er is door [slachtoffer] en een getuige verklaard dat jij een mes in jouw handen had. Gedurende het gevecht tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] . Jij hebt gezegd dat jij een mes vast had, he? [betrokkene 4] : Ja.” 4.5 De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2024 het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in: “ Vaststaande feiten in rechte De verdediging heeft het gerechtshof verzocht om het onherroepelijke vonnis in de zaak van de medeverdachte te voegen in het dossier van de verdachte. Aan het verzoek is voldaan, althans het vonnis bevindt zich in het dossier van de verdachte. Aan de hand van liet onherroepelijke vonnis in de zaak van de medeverdachte, dienen de onderstaande feilen als vaststaand te worden aangenomen. Weliswaar verschilt de persoon van de verdachte, maar het gaat om hetzelfde feitencomplex. De medeverdachte is met de verdachte naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Toen [slachtoffer] de deur opende, heeft de medeverdachte zijn voet tussen de deur geplaatst. Toen [slachtoffer] sommeerde om te vertrekken, weigerde de medeverdachte om te vertrekken. Vervolgens heeft [slachtoffer] , hetzij een spugende beweging gemaakt in de richting van de verdachte, hetzij de medeverdachte een klap tegen zijn neus gegeven. De medeverdachte is op [slachtoffer] gedoken en heeft hem naar binnen tegen een spiegel geduwd.
Volledig
De medeverdachte heeft [slachtoffer] vervolgens meerdere keren tegen zijn hoofd geslagen. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat de medeverdachte [slachtoffer] met een mes zou hebben gestoken. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de medeverdachte en de verdachte. De medeverdachte heeft zich schuldig gemaakt aan eenvoudige mishandeling van [slachtoffer] . Van de door [slachtoffer] gevorderde EUR 4.000 wordt EUR 250 toegewezen ten laste van de medeverdachte. Snijwond in plaats van steekwond De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een snijwond (en niet van een steekwond). Vergelijk: PV191 met bevinding van [huisarts] . De wond is 4,5 cm lang. Als er met een brood- of vleesmes was gestoken, dan zou bij een dergelijke lengte de wond ook veel dieper moeten zijn. De forensisch [deskundige 2] van het NFI bevestigt dat er sprake is van “oppervlakkig letsel”. Vergelijk: verhoor rechter commissaris punt 20 op pagina 4. De deskundige erkent dat het letsel ook door een ander voor werp dan een mes kan zijn ontstaan. Vergelijk: verhoor rechter commissaris punt 19 op pagina 4. De deskundige acht het zelfs mogelijk dat het letsel door zelf verminking is ontstaan. Vergelijk: verhoor rechter-commissaris punt 17 op pagina 4. De verdediging verzoekt een deskundige te horen ingeval aan genomen zou worden dat er sprake is van een steekwond. De verdediging denkt dan aan [huisarts] , omdat die de wond in levenden lijve heeft gezien. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze bevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor een veroordeling voor een poging moord dan wel doodslag. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze bevindingen evenmin feitelijke grondslag bieden voor een veroordeling voor een poging zware mishandeling. Sterker, feitelijk is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. De verdediging komt tot dit verweer aan de hand van de gezichtspunten gegeven in ECLI:NL:HR:2018:1051. Aard van het letsel Noodzaak van medisch ingrijpen Uitzicht op (volledig) herstel Een (blijvend) litteken levert niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel op. Dit is (mede) afhankelijk van de omstandigheid of het litteken (blijvend) pijnlijk dan wel ontsierend is. Geen voorbedachte raad De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen voorbedachte raad had, daar er geen sprake is van een doordacht plan met bijbehorende voorbereidingshandelingen. Er is geen sprake van dat er serieus te nemen opvang was geregeld voor de zoons, de honden en de woning ingeval het tot een langdurige gevangenisstraf zou komen. Het lijkt er meer op dat de verdachte later thuis zou komen dan de verwachting was. De WhatsApp-conversatie bevat ook passages die wijzen in een andere richting dan een lange gevangenisstraf: “Spreek je straks mop”, “Hove was gesjelli” en “Spreek je morgen mop”. Vergelijk: PV121. De verdachte heeft nooit geroepen dat zij [slachtoffer] wilde doodmaken. Naar zeggen van [slachtoffer] heeft zij geroepen dat hij zijn excuus moest maken. “Ik hoorde haar zeggen: jij gaat sorry zeggen, je excuus aanbieden.” Vergelijk: PV075 De woorden “als hij vrij is, dan ga ik hem van deze wereld afhelpen”, kan niet het oordeel dragen dat [slachtoffer] wordt gedood. De woorden zijn daarvoor te vaag. Vergelijk: ECLI: NL:HR:2005:AT3659 “Bedankt voor die acht jaar en als ik vrij kom, dan ga ik jou als eerste pakken.” Het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal kent het woord “wereld”, het woord “afhelpen”, maar niet de zegswijze “van de wereld afhelpen”. Met meest in de buurt komt “de wereld verlaten”, wat “in een klooster gaan” betekent. Vergelijk: Van Dale pagina 4923 (zestiende druk). Geen mes bij zich De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen mes bij zich droeg, want de verdachte zat voor de gezelligheid in een café te [plaats] en is vanuit het café rechtstreeks naar [slachtoffer] te [plaats] gegaan. Café [A] is gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats] . De verdachte woont aan de [c-straat 1] te [plaats] . [slachtoffer] woont aan de [a-straat 1] te [plaats] . De verdediging stelt zich op het standpunt dat het niet ondenkbeeldig is dat er een mes op de trap voor het oprapen lag, want er liggen namelijk ook andere voorwerpen op de trap voor het oprapen. Vergelijk: PV243 met grijze toolbox? Geen voorwaardelijk opzet Ingeval wordt betoogd dat sprake is van voorwaardelijk opzet, door een mes te pakken en met dit mes te dreigen, dan meent de verdediging dat aan de vereisten voor het aannemen van voorwaardelijk opzet niet wordt voldaan. Niet de verdachte, maar de medeverdachte stond tegenover [slachtoffer] . Dit is onherroepelijk vastgesteld. De medeverdachte drijft [slachtoffer] van de voordeur naar het einde van de gang. Gedurende de hele gebeurtenis bevond de verdachte zich achter de medeverdachte. De gang is te smal en de medeverdachte is te breed om linksom dan wel rechtsom te kunnen uithalen naar [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft de verdachte wel met een mes in haar rechterhand gezien, maar haar niet met dit mes zien uithalen. Dit terwijl [slachtoffer] zegt op het mes te hebben gelet. “Ik was gefocust op dat mes.” Vergelijk: PV088. Het in de hand hebben van een mes kan gevaarlijk zijn. Echter, in de gegeven omstandigheden gold dit niet tussen de verdachte en [slachtoffer] , maar tussen de verdachte en de medeverdachte, als die naar achteren had bewogen. Dat er bloed van [slachtoffer] op de jas van de verdachte is aangetroffen doet daar niet aan af. Dit daar hei bloed op zowel de voorzijde als de achterzijde van de jas zit en met name daar er bloed op de muren van de gang zit. Aan een betoog over voorwaardelijk opzet worden hoge eisen gesteld, wam voorwaardelijk opzet is geen vangnet voor alles waarbij opzet nauwelijks te bewijzen is. Noot van T.M. Schalken onder ECLI:NL:HR:2008:BD2775 (Tolbert). Overigens, voorbedachte raad is een zodanig zwaar verwijt, dat voorbedachte raad zich niet aan de hand van voorwaardelijk opzet laat construeren. Zoals oogmerk zich evenmin aan de hand van voorwaardelijk opzet laat construeren. Sjonnies en Anita's Het vonnis in de zaak van de verdachte deed de raadsman den ken aan het vonnis in een andere zaak onder parketnummer 09/098276-23, omdat diverse tekstblokken overeenkomen. De zaken lijken ook op elkaar, maar er zit desondanks een groot verschil in uitkomst (acht jaren versus dertig maanden). De verdachte is opgegroeid tussen Sjonnies en Anita's. In de jaren negentig was een Sjonnie een jongen met opgeschoren haar, in een trainingspak op een bromfiets. Een Anita was de vrouwelijke tegenhanger van een Sjonnie. Sjonnies en Anita's hebben een uitgesproken manier van praten: “Pleur uit die stoel!” in plaats van “Zou je uit die stoel willen opstaan?”. De uitgesproken manier van praten kan misverstaan den opleveren bij iemand die daar niet op bedacht is.” 4.6 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 2024 blijkt het volgende: “De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende: Ik sta nog steeds achter mijn verklaringen bij de politie en de rechtbank. U, voorzitter, houdt mij mijn verklaring bij de politie voor, inhoudende dat deze man mij en mijn gezin veel heeft gedaan. Hij is meerdere keren met van alles weggekomen. Ik en mijn kinderen hebben daar veelvuldig onder moeten lijden. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik ongeveer 9 jaar lang een relatie met het slachtoffer heb gehad, vanaf ongeveer 2000, en dat er veel geweld plaatsvond richting mij en mijn kind [medeverdachte] . Er is geweld geweest richting beide kinderen. Mijn oudere zoon heet [betrokkene 3] , hij is hulpbehoevend. Er is sprake geweest van fysiek geweld en seksueel misbruik, van mijzelf en van [medeverdachte] . U, voorzitter, vraagt mij hoe en wanneer ik wist van het misbruik. Er zijn in het verleden wel dingen geweest waarvan je je nu afvraagt wat dat dan was. [medeverdachte] wilde daar nooit over vertellen. [medeverdachte] heeft tot latere leeftijd in zijn broek geplast en er zat dan ook een schrikbarende hoeveelheid bloed bij. Ik kreeg nooit antwoord als ik hem daar naar vroeg.
Volledig
De medeverdachte heeft [slachtoffer] vervolgens meerdere keren tegen zijn hoofd geslagen. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat de medeverdachte [slachtoffer] met een mes zou hebben gestoken. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de medeverdachte en de verdachte. De medeverdachte heeft zich schuldig gemaakt aan eenvoudige mishandeling van [slachtoffer] . Van de door [slachtoffer] gevorderde EUR 4.000 wordt EUR 250 toegewezen ten laste van de medeverdachte. Snijwond in plaats van steekwond De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een snijwond (en niet van een steekwond). Vergelijk: PV191 met bevinding van [huisarts] . De wond is 4,5 cm lang. Als er met een brood- of vleesmes was gestoken, dan zou bij een dergelijke lengte de wond ook veel dieper moeten zijn. De forensisch [deskundige 2] van het NFI bevestigt dat er sprake is van “oppervlakkig letsel”. Vergelijk: verhoor rechter commissaris punt 20 op pagina 4. De deskundige erkent dat het letsel ook door een ander voor werp dan een mes kan zijn ontstaan. Vergelijk: verhoor rechter commissaris punt 19 op pagina 4. De deskundige acht het zelfs mogelijk dat het letsel door zelf verminking is ontstaan. Vergelijk: verhoor rechter-commissaris punt 17 op pagina 4. De verdediging verzoekt een deskundige te horen ingeval aan genomen zou worden dat er sprake is van een steekwond. De verdediging denkt dan aan [huisarts] , omdat die de wond in levenden lijve heeft gezien. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze bevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor een veroordeling voor een poging moord dan wel doodslag. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze bevindingen evenmin feitelijke grondslag bieden voor een veroordeling voor een poging zware mishandeling. Sterker, feitelijk is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. De verdediging komt tot dit verweer aan de hand van de gezichtspunten gegeven in ECLI:NL:HR:2018:1051. Aard van het letsel Noodzaak van medisch ingrijpen Uitzicht op (volledig) herstel Een (blijvend) litteken levert niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel op. Dit is (mede) afhankelijk van de omstandigheid of het litteken (blijvend) pijnlijk dan wel ontsierend is. Geen voorbedachte raad De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen voorbedachte raad had, daar er geen sprake is van een doordacht plan met bijbehorende voorbereidingshandelingen. Er is geen sprake van dat er serieus te nemen opvang was geregeld voor de zoons, de honden en de woning ingeval het tot een langdurige gevangenisstraf zou komen. Het lijkt er meer op dat de verdachte later thuis zou komen dan de verwachting was. De WhatsApp-conversatie bevat ook passages die wijzen in een andere richting dan een lange gevangenisstraf: “Spreek je straks mop”, “Hove was gesjelli” en “Spreek je morgen mop”. Vergelijk: PV121. De verdachte heeft nooit geroepen dat zij [slachtoffer] wilde doodmaken. Naar zeggen van [slachtoffer] heeft zij geroepen dat hij zijn excuus moest maken. “Ik hoorde haar zeggen: jij gaat sorry zeggen, je excuus aanbieden.” Vergelijk: PV075 De woorden “als hij vrij is, dan ga ik hem van deze wereld afhelpen”, kan niet het oordeel dragen dat [slachtoffer] wordt gedood. De woorden zijn daarvoor te vaag. Vergelijk: ECLI: NL:HR:2005:AT3659 “Bedankt voor die acht jaar en als ik vrij kom, dan ga ik jou als eerste pakken.” Het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal kent het woord “wereld”, het woord “afhelpen”, maar niet de zegswijze “van de wereld afhelpen”. Met meest in de buurt komt “de wereld verlaten”, wat “in een klooster gaan” betekent. Vergelijk: Van Dale pagina 4923 (zestiende druk). Geen mes bij zich De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen mes bij zich droeg, want de verdachte zat voor de gezelligheid in een café te [plaats] en is vanuit het café rechtstreeks naar [slachtoffer] te [plaats] gegaan. Café [A] is gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats] . De verdachte woont aan de [c-straat 1] te [plaats] . [slachtoffer] woont aan de [a-straat 1] te [plaats] . De verdediging stelt zich op het standpunt dat het niet ondenkbeeldig is dat er een mes op de trap voor het oprapen lag, want er liggen namelijk ook andere voorwerpen op de trap voor het oprapen. Vergelijk: PV243 met grijze toolbox? Geen voorwaardelijk opzet Ingeval wordt betoogd dat sprake is van voorwaardelijk opzet, door een mes te pakken en met dit mes te dreigen, dan meent de verdediging dat aan de vereisten voor het aannemen van voorwaardelijk opzet niet wordt voldaan. Niet de verdachte, maar de medeverdachte stond tegenover [slachtoffer] . Dit is onherroepelijk vastgesteld. De medeverdachte drijft [slachtoffer] van de voordeur naar het einde van de gang. Gedurende de hele gebeurtenis bevond de verdachte zich achter de medeverdachte. De gang is te smal en de medeverdachte is te breed om linksom dan wel rechtsom te kunnen uithalen naar [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft de verdachte wel met een mes in haar rechterhand gezien, maar haar niet met dit mes zien uithalen. Dit terwijl [slachtoffer] zegt op het mes te hebben gelet. “Ik was gefocust op dat mes.” Vergelijk: PV088. Het in de hand hebben van een mes kan gevaarlijk zijn. Echter, in de gegeven omstandigheden gold dit niet tussen de verdachte en [slachtoffer] , maar tussen de verdachte en de medeverdachte, als die naar achteren had bewogen. Dat er bloed van [slachtoffer] op de jas van de verdachte is aangetroffen doet daar niet aan af. Dit daar hei bloed op zowel de voorzijde als de achterzijde van de jas zit en met name daar er bloed op de muren van de gang zit. Aan een betoog over voorwaardelijk opzet worden hoge eisen gesteld, wam voorwaardelijk opzet is geen vangnet voor alles waarbij opzet nauwelijks te bewijzen is. Noot van T.M. Schalken onder ECLI:NL:HR:2008:BD2775 (Tolbert). Overigens, voorbedachte raad is een zodanig zwaar verwijt, dat voorbedachte raad zich niet aan de hand van voorwaardelijk opzet laat construeren. Zoals oogmerk zich evenmin aan de hand van voorwaardelijk opzet laat construeren. Sjonnies en Anita's Het vonnis in de zaak van de verdachte deed de raadsman den ken aan het vonnis in een andere zaak onder parketnummer 09/098276-23, omdat diverse tekstblokken overeenkomen. De zaken lijken ook op elkaar, maar er zit desondanks een groot verschil in uitkomst (acht jaren versus dertig maanden). De verdachte is opgegroeid tussen Sjonnies en Anita's. In de jaren negentig was een Sjonnie een jongen met opgeschoren haar, in een trainingspak op een bromfiets. Een Anita was de vrouwelijke tegenhanger van een Sjonnie. Sjonnies en Anita's hebben een uitgesproken manier van praten: “Pleur uit die stoel!” in plaats van “Zou je uit die stoel willen opstaan?”. De uitgesproken manier van praten kan misverstaan den opleveren bij iemand die daar niet op bedacht is.” 4.6 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 2024 blijkt het volgende: “De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende: Ik sta nog steeds achter mijn verklaringen bij de politie en de rechtbank. U, voorzitter, houdt mij mijn verklaring bij de politie voor, inhoudende dat deze man mij en mijn gezin veel heeft gedaan. Hij is meerdere keren met van alles weggekomen. Ik en mijn kinderen hebben daar veelvuldig onder moeten lijden. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik ongeveer 9 jaar lang een relatie met het slachtoffer heb gehad, vanaf ongeveer 2000, en dat er veel geweld plaatsvond richting mij en mijn kind [medeverdachte] . Er is geweld geweest richting beide kinderen. Mijn oudere zoon heet [betrokkene 3] , hij is hulpbehoevend. Er is sprake geweest van fysiek geweld en seksueel misbruik, van mijzelf en van [medeverdachte] . U, voorzitter, vraagt mij hoe en wanneer ik wist van het misbruik. Er zijn in het verleden wel dingen geweest waarvan je je nu afvraagt wat dat dan was. [medeverdachte] wilde daar nooit over vertellen. [medeverdachte] heeft tot latere leeftijd in zijn broek geplast en er zat dan ook een schrikbarende hoeveelheid bloed bij. Ik kreeg nooit antwoord als ik hem daar naar vroeg.
Volledig
Twee tot drie jaar geleden kwam het hoge woord eruit dat hij dat heeft moeten meemaken. U vraagt mij of dat rond 2022 is geweest, het feit dateert van januari 2023. Ja, ongeveer een jaar voordat ik werd aangehouden, hoorde ik dat. U vraagt mij wat dat met mij deed. Ik vroeg me af waarom iemand zoiets zou doen. Maar dat was niet de aanleiding om hem te confronteren. Ik wist dat dat zoeken naar problemen zou zijn. Ik zag toen geen aanleiding om [slachtoffer] te confronteren en [medeverdachte] wilde toen geen aangifte doen. U vraagt mij of [medeverdachte] met mij besproken heeft dat hij het er met zijn vader over wilde hebben. Nee. Ik weet ook niet wanneer zijn vader vast is komen te zitten. Ik weet dat ik 2 jaar bezig ben geweest met het regelen van een detentieverklaring. Die had [medeverdachte] nodig voor zijn studiefinanciering. [slachtoffer] wilde daar niet aan meewerken. Ik probeerde dat te regelen via zijn moeder, maar ook zij liet weten daar niet aan mee te werken. Er is in de periode voor januari 2023 niets meer gebeurd. Ik heb niet besproken met anderen wat er zou gebeuren als hij vrij zou komen. Ik heb wel gezegd dat ik ook een afstandsverklaring wilde, zodat hij niets meer met [medeverdachte] te maken zou hebben. U houdt mij de verklaring van [getuige 3] voor. Ik had geen relatie met hem. Hij is een vriend van mij wiens relatie uit was. Hij werd dakloos, ik heb hem mijn bank aangeboden. U houdt mij berichtenverkeer voor tussen mij en een zekere “ [betrokkene 1] ”, waaronder een spraakbericht van kwart voor 12, vlak voor het tenlastegelegde incident, waarin ik zeg dat [medeverdachte] mij heeft laten weten dat zijn vader vrij is en dat ik [medeverdachte] heb beloofd dat ik zijn vader van de wereld af help, en dat ik al vervoer en zorg voor de hond en mijn kind heb geregeld. [betrokkene 1] reageert daarop door te zeggen dat [betrokkene 3] niet zonder mij kan, dat ik mijn handen niet vuil moet maken en dat ‘ [betrokkene 2] ’ het regelt. Ik zou daarop hebben gereageerd dat ik het [medeverdachte] heb beloofd. U vraagt mij waar dit over ging. Zoals ik al eerder heb verklaard, [slachtoffer] was altijd al erg melodramatisch. Op het moment dat ik die verklaringen van hem wilde, zou hij in een auto stappen, zeggen dat hij mij zou doodrijden, dat hij een mes zou pakken en zou steken, of zou hij zichzelf gaan slaan. Met die berichten doelde ik erop dat ik hem met die afstandsverklaring uit het leven van [medeverdachte] wilde halen. Dat bedoelde ik. [betrokkene 1] en [getuige 3] zijn lief maar ze zeggen heel veel. Ik reageer daar vaak niet echt op. Ik heb [getuige 3] gebeld om bij mijn zoon en mijn hond te gaan kijken, puur omdat mijn oudste zoon had geappt dat hij wakker was. Ik was toen even weg om een drankje te doen. Mijn zoon wilde eten bestellen en dat kan hij niet alleen, dus ik heb [getuige 3] gebeld omdat ik niet naar hem toe kon gaan. […] De voorzitter merkt op dat de rechtbank een heel ander beeld destilleert uit deze verklaringen. De voorzitter houdt de verklaring van [getuige 3] voor. Hij vraagt de politie of degene waar het om gaat dood is. Dan zegt hij dat hij hoopt van wel, want “hij zit aan [medeverdachte] ”. Verbalisanten vragen [getuige 3] naar de achtergrond en hij antwoordt dan dat hij “vrijdag door [verdachte] gebeld is, en dat zij hem vroeg of hij op de kinderen, de hondjes en het huis wilde passen. Haar ex was vrij.” [getuige 3] verklaart dat hij toen heeft geantwoord dat “hij het wel zou doen, hij was toch net vrij”. [getuige 3] zou [medeverdachte] gesmeekt hebben het niet zelf te doen. Volgens [getuige 3] zou de verdachte [getuige 3] rond half 12 hebben gebeld en hebben gezegd onderweg te zijn naar [plaats] . Dit gesprek in combinatie met de berichten naar [betrokkene 1] , waaronder het bericht dat de verdachte haar “handen niet vuil moest maken”, en de belofte dat de verdachte hem “van de wereld af zou helpen”, hebben de rechtbank een bepaald beeld gegeven. De verdachte verklaart: Dat klopt totaal niet. Ik ging daar niet heen om hem wat aan te doen. [getuige 3] vertelt wel vaker dat soort wildwest verhalen. U houdt mij voor dat [betrokkene 1] in dezelfde sfeer reageert. Zij zijn ook vrienden. Ik durf niet te zeggen waarom zij dat beeld hadden. U vraagt mij wat dan de bedoeling was om daar midden in de nacht heen te gaan. [medeverdachte] wilde excuses voor wat er was gebeurd. Ik wilde dat ook voor hem. Ik wilde mijn ex aanspreken over het seksueel misbruik van [medeverdachte] . Dan kon zijn vader gelijk die afstandsverklaring doen, en konden we elkaar met rust laten. Het moest midden in de nacht, omdat hij niet meer vast zat. Hij zat wel vaker vast of was opeens spoorloos. Achteraf was het niet slim, maar we wilden niet dat hij weer 2 jaar van de aardbodem zou verdwijnen. U vraagt mij wiens idee het was daar heen te gaan. [medeverdachte] had volgens mij van zijn nichtje gehoord dat zijn vader vrij was en daar was, en hij wilde excuses van hem. [medeverdachte] is mijn zoon. Ik laat hem niet alleen gaan, zeker niet gezien de geschiedenis met zijn vader. Het leek me daarnaast handig voor de afstandsverklaring. U vraagt mij naar mijn verklaring bij de politie over “dat ik dat het liefste wil”. U vraagt mij wat ik daarmee bedoelde. Ik mag niet zomaar iemand van de wereld af trekken, daar ben ik ook niet voor gemaakt, dat mag hij echt zelf doen. Ik wilde dat hij zichzelf van het leven zou beroven. U, voorzitter vraagt of we toen hebben aangebeld. Ja, [medeverdachte] heeft dat gedaan. Hij deed na 2 keer bellen open. We hebben hem in de deuropening gesproken. Hij gaf [medeverdachte] gelijk een vuist op zijn neus. Dat heb ik gezien. Het verplaatste zich toen naar de gang. Ik was ook in de gang. U, voorzitter, houdt mij de verklaring van de getuige voor, die zag dat ik een mes in mijn handen had. Dat klopt. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik dat mes op de trap zag liggen in de woning. Dat klopt ook. Ik heb het mes gepakt omdat vader en zoon elkaar aan het stompen waren. Er kwam een vrouw op me afgestormd, toen zag ik dat mes liggen en heb ik het gepakt. Als het een hamer of een pan was geweest, had ik die ook gepakt. Ik vertrouw die 2 mensen niet. Ik weet niet waarmee zij op me af kwam. Ik heb gezegd van “Moet je ook wat?”. Ik heb toen inderdaad gezegd “Ik pak jou ook”. Je zou het kunnen invullen zoals de rechtbank heeft gedaan, dat ik haar ook met het mes wilde steken. Maar ik zei het, omdat mijn zoon zijn vader al een paar klappen had gegeven, dus ik bedoelde met “ook” dat, als zij dat wilde, zij ook een paar klappen kon krijgen. Ik was in paniek, mijn kind kreeg flinke klappen en ik kreeg hem niet uit dat gangetje. Ik was blij dat die buurman uiteindelijk kwam. Ik heb geen buurvrouw gezien. Het zou wel knap zijn als ik meneer kon duwen, want mijn kind stond voor mij. [medeverdachte] stond steeds tussen ons in, zodat ik niet bij meneer kon komen. Ik heb naast het mes op de trap geen andere messen gezien. U houdt mij voor dat meneer mij met een mes heeft gezien, en dat hij later pas merkte dat hij gewond was. De verwonding is gezien door artsen. De rechtbank heeft overwogen dat ik de enige ben die een mes had, en dat meneer een verwonding in zijn zij heeft, die mogelijk is veroorzaakt door zo'n mes. Dat is een goed verhaal, maar het is niet hoe het in werkelijkheid is gegaan. Ik heb dat mes gepakt en ermee in mijn handen gestaan, maar als ik mijn ex echt had willen steken op dat moment, had ik ook het leven van mijn eigen kind op het spel gezet. Ik moest er dan immers met dat mes onder of bovenlangs tussendoor gaan. Ik heb het mes in de tuin achtergelaten. Ik lees in het vonnis dat er een soortgelijk mes is getoond, maar dat mes is niet onderzocht. Ik heb nog verklaard dat ze voor het mes in de vaatwasser moeten kijken. Als meneer zo gefocust was op het mes, moet hij mij ook hebben zien steken. Dat heeft hij niet gezien, omdat ik dat niet heb gedaan. Ik heb dat mes gepakt en ermee in mijn handen gestaan, maar de tijdlijn in het vonnis en in het dossier klopt niet helemaal. Het mes is ook nooit teruggevonden. Ik weet niet hoe die wond er is gekomen bij hem, maar ik was het in elk geval niet.
Volledig
Twee tot drie jaar geleden kwam het hoge woord eruit dat hij dat heeft moeten meemaken. U vraagt mij of dat rond 2022 is geweest, het feit dateert van januari 2023. Ja, ongeveer een jaar voordat ik werd aangehouden, hoorde ik dat. U vraagt mij wat dat met mij deed. Ik vroeg me af waarom iemand zoiets zou doen. Maar dat was niet de aanleiding om hem te confronteren. Ik wist dat dat zoeken naar problemen zou zijn. Ik zag toen geen aanleiding om [slachtoffer] te confronteren en [medeverdachte] wilde toen geen aangifte doen. U vraagt mij of [medeverdachte] met mij besproken heeft dat hij het er met zijn vader over wilde hebben. Nee. Ik weet ook niet wanneer zijn vader vast is komen te zitten. Ik weet dat ik 2 jaar bezig ben geweest met het regelen van een detentieverklaring. Die had [medeverdachte] nodig voor zijn studiefinanciering. [slachtoffer] wilde daar niet aan meewerken. Ik probeerde dat te regelen via zijn moeder, maar ook zij liet weten daar niet aan mee te werken. Er is in de periode voor januari 2023 niets meer gebeurd. Ik heb niet besproken met anderen wat er zou gebeuren als hij vrij zou komen. Ik heb wel gezegd dat ik ook een afstandsverklaring wilde, zodat hij niets meer met [medeverdachte] te maken zou hebben. U houdt mij de verklaring van [getuige 3] voor. Ik had geen relatie met hem. Hij is een vriend van mij wiens relatie uit was. Hij werd dakloos, ik heb hem mijn bank aangeboden. U houdt mij berichtenverkeer voor tussen mij en een zekere “ [betrokkene 1] ”, waaronder een spraakbericht van kwart voor 12, vlak voor het tenlastegelegde incident, waarin ik zeg dat [medeverdachte] mij heeft laten weten dat zijn vader vrij is en dat ik [medeverdachte] heb beloofd dat ik zijn vader van de wereld af help, en dat ik al vervoer en zorg voor de hond en mijn kind heb geregeld. [betrokkene 1] reageert daarop door te zeggen dat [betrokkene 3] niet zonder mij kan, dat ik mijn handen niet vuil moet maken en dat ‘ [betrokkene 2] ’ het regelt. Ik zou daarop hebben gereageerd dat ik het [medeverdachte] heb beloofd. U vraagt mij waar dit over ging. Zoals ik al eerder heb verklaard, [slachtoffer] was altijd al erg melodramatisch. Op het moment dat ik die verklaringen van hem wilde, zou hij in een auto stappen, zeggen dat hij mij zou doodrijden, dat hij een mes zou pakken en zou steken, of zou hij zichzelf gaan slaan. Met die berichten doelde ik erop dat ik hem met die afstandsverklaring uit het leven van [medeverdachte] wilde halen. Dat bedoelde ik. [betrokkene 1] en [getuige 3] zijn lief maar ze zeggen heel veel. Ik reageer daar vaak niet echt op. Ik heb [getuige 3] gebeld om bij mijn zoon en mijn hond te gaan kijken, puur omdat mijn oudste zoon had geappt dat hij wakker was. Ik was toen even weg om een drankje te doen. Mijn zoon wilde eten bestellen en dat kan hij niet alleen, dus ik heb [getuige 3] gebeld omdat ik niet naar hem toe kon gaan. […] De voorzitter merkt op dat de rechtbank een heel ander beeld destilleert uit deze verklaringen. De voorzitter houdt de verklaring van [getuige 3] voor. Hij vraagt de politie of degene waar het om gaat dood is. Dan zegt hij dat hij hoopt van wel, want “hij zit aan [medeverdachte] ”. Verbalisanten vragen [getuige 3] naar de achtergrond en hij antwoordt dan dat hij “vrijdag door [verdachte] gebeld is, en dat zij hem vroeg of hij op de kinderen, de hondjes en het huis wilde passen. Haar ex was vrij.” [getuige 3] verklaart dat hij toen heeft geantwoord dat “hij het wel zou doen, hij was toch net vrij”. [getuige 3] zou [medeverdachte] gesmeekt hebben het niet zelf te doen. Volgens [getuige 3] zou de verdachte [getuige 3] rond half 12 hebben gebeld en hebben gezegd onderweg te zijn naar [plaats] . Dit gesprek in combinatie met de berichten naar [betrokkene 1] , waaronder het bericht dat de verdachte haar “handen niet vuil moest maken”, en de belofte dat de verdachte hem “van de wereld af zou helpen”, hebben de rechtbank een bepaald beeld gegeven. De verdachte verklaart: Dat klopt totaal niet. Ik ging daar niet heen om hem wat aan te doen. [getuige 3] vertelt wel vaker dat soort wildwest verhalen. U houdt mij voor dat [betrokkene 1] in dezelfde sfeer reageert. Zij zijn ook vrienden. Ik durf niet te zeggen waarom zij dat beeld hadden. U vraagt mij wat dan de bedoeling was om daar midden in de nacht heen te gaan. [medeverdachte] wilde excuses voor wat er was gebeurd. Ik wilde dat ook voor hem. Ik wilde mijn ex aanspreken over het seksueel misbruik van [medeverdachte] . Dan kon zijn vader gelijk die afstandsverklaring doen, en konden we elkaar met rust laten. Het moest midden in de nacht, omdat hij niet meer vast zat. Hij zat wel vaker vast of was opeens spoorloos. Achteraf was het niet slim, maar we wilden niet dat hij weer 2 jaar van de aardbodem zou verdwijnen. U vraagt mij wiens idee het was daar heen te gaan. [medeverdachte] had volgens mij van zijn nichtje gehoord dat zijn vader vrij was en daar was, en hij wilde excuses van hem. [medeverdachte] is mijn zoon. Ik laat hem niet alleen gaan, zeker niet gezien de geschiedenis met zijn vader. Het leek me daarnaast handig voor de afstandsverklaring. U vraagt mij naar mijn verklaring bij de politie over “dat ik dat het liefste wil”. U vraagt mij wat ik daarmee bedoelde. Ik mag niet zomaar iemand van de wereld af trekken, daar ben ik ook niet voor gemaakt, dat mag hij echt zelf doen. Ik wilde dat hij zichzelf van het leven zou beroven. U, voorzitter vraagt of we toen hebben aangebeld. Ja, [medeverdachte] heeft dat gedaan. Hij deed na 2 keer bellen open. We hebben hem in de deuropening gesproken. Hij gaf [medeverdachte] gelijk een vuist op zijn neus. Dat heb ik gezien. Het verplaatste zich toen naar de gang. Ik was ook in de gang. U, voorzitter, houdt mij de verklaring van de getuige voor, die zag dat ik een mes in mijn handen had. Dat klopt. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik dat mes op de trap zag liggen in de woning. Dat klopt ook. Ik heb het mes gepakt omdat vader en zoon elkaar aan het stompen waren. Er kwam een vrouw op me afgestormd, toen zag ik dat mes liggen en heb ik het gepakt. Als het een hamer of een pan was geweest, had ik die ook gepakt. Ik vertrouw die 2 mensen niet. Ik weet niet waarmee zij op me af kwam. Ik heb gezegd van “Moet je ook wat?”. Ik heb toen inderdaad gezegd “Ik pak jou ook”. Je zou het kunnen invullen zoals de rechtbank heeft gedaan, dat ik haar ook met het mes wilde steken. Maar ik zei het, omdat mijn zoon zijn vader al een paar klappen had gegeven, dus ik bedoelde met “ook” dat, als zij dat wilde, zij ook een paar klappen kon krijgen. Ik was in paniek, mijn kind kreeg flinke klappen en ik kreeg hem niet uit dat gangetje. Ik was blij dat die buurman uiteindelijk kwam. Ik heb geen buurvrouw gezien. Het zou wel knap zijn als ik meneer kon duwen, want mijn kind stond voor mij. [medeverdachte] stond steeds tussen ons in, zodat ik niet bij meneer kon komen. Ik heb naast het mes op de trap geen andere messen gezien. U houdt mij voor dat meneer mij met een mes heeft gezien, en dat hij later pas merkte dat hij gewond was. De verwonding is gezien door artsen. De rechtbank heeft overwogen dat ik de enige ben die een mes had, en dat meneer een verwonding in zijn zij heeft, die mogelijk is veroorzaakt door zo'n mes. Dat is een goed verhaal, maar het is niet hoe het in werkelijkheid is gegaan. Ik heb dat mes gepakt en ermee in mijn handen gestaan, maar als ik mijn ex echt had willen steken op dat moment, had ik ook het leven van mijn eigen kind op het spel gezet. Ik moest er dan immers met dat mes onder of bovenlangs tussendoor gaan. Ik heb het mes in de tuin achtergelaten. Ik lees in het vonnis dat er een soortgelijk mes is getoond, maar dat mes is niet onderzocht. Ik heb nog verklaard dat ze voor het mes in de vaatwasser moeten kijken. Als meneer zo gefocust was op het mes, moet hij mij ook hebben zien steken. Dat heeft hij niet gezien, omdat ik dat niet heb gedaan. Ik heb dat mes gepakt en ermee in mijn handen gestaan, maar de tijdlijn in het vonnis en in het dossier klopt niet helemaal. Het mes is ook nooit teruggevonden. Ik weet niet hoe die wond er is gekomen bij hem, maar ik was het in elk geval niet.
Volledig
Ik ben niet zo groot dat ik voorbij mijn zoon kon en het slachtoffer is ook niet klein gebouwd. Het slachtoffer hield [medeverdachte] vast, bij zijn capuchon, en trok hem naar beneden. [medeverdachte] werd in zijn gezicht geslagen terwijl hij hem naar beneden hield. Ik trok aan [medeverdachte] en zei “Laat hem los”. Toen had ik dat mes nog niet vast. Pas toen die vrouw naar beneden kwam, pakte ik het mes. De voorzitter maakt melding van de verschillende verklaringen die de verwondingen beschrijven. Er zitten foto's, rapportages van het NFI en een verhoor van een deskundige bij de rechter-commissaris in het dossier. De voorzitter vraagt of de verdachte verder nog wat wil toevoegen aan haar verklaring bij rechtbank. De verdachte antwoordt: [getuige 3] maakt, zoals ik net al zei, mooie verhalen. Ik heb daarnaast zelf verklaard waar het mes is gebleven. Dat is nooit onderzocht. Er wordt gezegd dat ik over de rug van [medeverdachte] heen heb gestoken, maar dat zou dan ook aantoonbaar moeten zijn door onderzoek aan de jas van [medeverdachte] . Daarnaast werd de zorgbehoefte van mijn andere zoon door de rechtbank gebagatelliseerd. Hij is niet zomaar autistisch. Hij heeft 24 uur per dag zorg nodig. Dat wordt nu door [medeverdachte] gedaan. Daarom heb ik steeds verzocht om schorsing met een enkelband. De voorzitter vraagt naar de bloedvegen op de jas van de verdachte. Verdachte heeft immers verklaard steeds achter [medeverdachte] te hebben gestaan, maar de bloedsporen moeten op enig moment op haar jas zijn beland. De verdachte verklaart: Het enige wat ik me kan bedenken, is dat dat tijdens het bewegen in de gang moet zijn gebeurd. Ik heb gezien dat er in de gang allemaal bloedspetters waren. Het slachtoffer is, toen ik [medeverdachte] met hulp van de buurman eindelijk los had, langs mij heen gelopen. Hij verklaart dat hij naar de woonkamer liep. Ik stond met mijn rug naar hem toe. Hij is toen waarschijnlijk tegen mij aangelopen. Volgens mij was [medeverdachte] als eerste buiten en ging ik achter hem aan. Ik ben wel een beetje platgedrukt toen wij van plaats wisselden in de gang, maar het belangrijkste was dat [medeverdachte] naar buiten kon. Ik ben toen [medeverdachte] naar buiten ging, met mijn rug tegen de trap aan gebotst. Het zou kunnen dat het bloed toen op mijn jas is gekomen. Ik heb het mes weggegooid de tuin in, want het mes was niet van mij. De buurman was toen ook nog in de buurt. Het kan zeker niet dat ik het slachtoffer heb geraakt met het mes toen ik [medeverdachte] los aan het trekken was. Hij bloedde toen namelijk al hevig. Toen die mevrouw naar beneden kwam, had hij al een sneetje. Op vragen van de oudste raadsheer antwoordt de verdachte: U vraagt mij naar het gesprek met [betrokkene 1] , en wat ik aan [medeverdachte] heb beloofd. Ik heb [medeverdachte] beloofd dat zijn vader een einde aan zijn eigen leven zou maken. Als je hem kent, is dat niet zo gek. Ik wilde dat hij afstand deed van zijn zoon, zodat hij geen contact en geen zorgtaken meer zou hebben, en dat zou voor hem genoeg aanleiding zijn geweest om een einde aan zijn leven te maken. Dat heeft hij vroeger gezegd. Het klopt dat [medeverdachte] inmiddels meerderjarig was, maar sommige instanties vragen naar het inkomen van beide ouders. Zo kon de [slachtoffer] niet moeilijk meer doen. Ik wilde het liefst dat hij dat die nacht op papier zou zetten. Ik had een stukje papier mee. Als hij zou tekenen, zou dat genoeg zijn geweest. Dan zou hij zelfmoord plegen. Als [medeverdachte] vroeger wel eens zei dat [slachtoffer] zijn vader niet was, wilde hij al van een viaduct afrijden. U houdt mij voor dat, gezien de geclaimde geschiedenis van geweld en misbruik, het een enge situatie is om daar midden in de nacht samen heen te gaan. Op het moment dat ik daar stond, dacht ik al: “Dit is niet handig”, maar ik had gehoopt dat het niet tot geweld zou komen. U vraagt mij wat [betrokkene 1] bedoelde met “Maak je handen niet vuil”. Dat weet ik niet. Ik was op dat moment met meerdere dingen bezig en heb niet op alle berichten gereageerd. Ik las het gesprek pas in het dossier volledig. Ik had [medeverdachte] beloofd dat zijn vader uit zijn leven zou gaan. Dit was geen reactie op haar tekst. Zij dachten waarschijnlijk dat ik hele gevaarlijke dingen zou gaan doen, maar dat was niet mijn bedoeling. Ik heb zelf geen geweld gebruikt. Ik heb niet geslagen of geschopt. Ik ben niet in zijn buurt geweest. Ik ben wel bespuugd door hem, maar ik heb niets teruggedaan. Ik heb met twee handen aan de jas van [medeverdachte] getrokken tot die vrouw naar beneden kwam. U vraagt mij hoe ik het mes vast had. Ik had het mes vast in mijn linkerhand in mijn vuist, met het snijdende deel omhoog. Ik heb het mes weer omlaag gedaan toen ik [medeverdachte] los trok. Het klopt dat ik het mes vast had toen ik [medeverdachte] samen met de buurman los trok. Op het moment dat ik het mes pakte, had het slachtoffer [medeverdachte] nog vast en kreeg [medeverdachte] nog klappen. Op het moment dat ik het mes vast had, heb ik geen wond gemaakt, maar daarvoor weet ik niet of er iets met dat mes is gebeurd. Het kan niet zo zijn dat ik hem per ongeluk heb verwond. Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte: Het kan kloppen dat ik heb geroepen: “Hij heeft je misbruikt”. Ik had het tegen de buurman, toen hij vroeg wat er aan de hand was. Dat zei ik niet tegen [medeverdachte] , die wist dat wel. De buurman heeft dat in de verwarring misschien verkeerd begrepen. Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt de verdachte: Ik was tijdens het gesprek met [betrokkene 1] in het café. Het klopt dat [betrokkene 3] toen alleen thuis was. Hij kan wel even alleen zijn. [getuige 3] moest naar hem toe, omdat ik niet wist hoe lang het gesprek met mijn ex zou gaan duren. Hij moest de hondjes even laten plassen, want die worden wakker als [betrokkene 3] de lichten aan doet. Ik kon zelf niet naar huis, want ik was al weg met [medeverdachte] . Tijdens het gesprek met [betrokkene 1] was ik, denk ik, ook al onderweg. U vraagt mij naar het mes. Het was een zwart mes met iets zilvers. Ik heb het maar twee minuten vast gehad. Het slachtoffer noemt het een broodmes, maar ik weet niet wat voor soort mes het was. Ik heb het in een vlaag gepakt en weer weggegooid. Ik had het mes de hele tijd in mijn linkerhand. De jongste raadsheer merkt op dat de verdachte op p.31 heeft verklaard dat zij het mes in haar rechterhand had. De verdachte antwoordt: Ik weet het niet, ik denk in mijn herinnering links. Ik ben rechtshandig. Ik graaide het mes zo, toen ik bij de spiegel stond. Ik draaide voorlangs naar links om het mes te pakken. Ik zag het mes pas liggen toen de vrouw naar beneden kwam, ik keek toen pas naar de trap. Ik heb [medeverdachte] de hele tijd weg proberen te trekken. [medeverdachte] stond met zijn gezicht naar het slachtoffer. De vrouw kwam naar beneden toen [medeverdachte] met zijn hoofd naar beneden werd gehouden. Ik heb toen losgelaten om te kijken wat er aan kwam. Toen ben ik met mijn rechterhand aan [medeverdachte] gaan trekken en had ik het mes in mijn andere hand. Toen kwam de buurman. [medeverdachte] was daarna vrij snel los en toen konden we weg. Ik zag toen pas dat hij zo bloedde. U vraagt mij waarom ik niet via een advocaat een contactverbod heb geregeld als wij geen contact meer wilden. Dat had gekund, maar ik ken meneer al lang en dat soort dingen werken niet bij hem. Ik heb geprobeerd alles eerst te laten bezinken, maar [medeverdachte] zat zo hoog in zijn emotie en dan laat ik hem niet alleen gaan.” 4.7 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in: “Nadere overwegingen […] Het hof overweegt als volgt, waarbij eerst zal worden ingegaan op het voornemen van de verdachte en vervolgens op de toedracht van het incident, op grond waarvan zal worden ingegaan op de ten aanzien van het bewijs te beantwoorden vragen. 1. Het voornemen van de verdachte Feitenvaststelling Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het navolgende vast. De verdachte heeft in het verleden een relatie gehad met de aangever, waaruit in 2001 een zoon is geboren met de naam [medeverdachte] .
Volledig
Ik ben niet zo groot dat ik voorbij mijn zoon kon en het slachtoffer is ook niet klein gebouwd. Het slachtoffer hield [medeverdachte] vast, bij zijn capuchon, en trok hem naar beneden. [medeverdachte] werd in zijn gezicht geslagen terwijl hij hem naar beneden hield. Ik trok aan [medeverdachte] en zei “Laat hem los”. Toen had ik dat mes nog niet vast. Pas toen die vrouw naar beneden kwam, pakte ik het mes. De voorzitter maakt melding van de verschillende verklaringen die de verwondingen beschrijven. Er zitten foto's, rapportages van het NFI en een verhoor van een deskundige bij de rechter-commissaris in het dossier. De voorzitter vraagt of de verdachte verder nog wat wil toevoegen aan haar verklaring bij rechtbank. De verdachte antwoordt: [getuige 3] maakt, zoals ik net al zei, mooie verhalen. Ik heb daarnaast zelf verklaard waar het mes is gebleven. Dat is nooit onderzocht. Er wordt gezegd dat ik over de rug van [medeverdachte] heen heb gestoken, maar dat zou dan ook aantoonbaar moeten zijn door onderzoek aan de jas van [medeverdachte] . Daarnaast werd de zorgbehoefte van mijn andere zoon door de rechtbank gebagatelliseerd. Hij is niet zomaar autistisch. Hij heeft 24 uur per dag zorg nodig. Dat wordt nu door [medeverdachte] gedaan. Daarom heb ik steeds verzocht om schorsing met een enkelband. De voorzitter vraagt naar de bloedvegen op de jas van de verdachte. Verdachte heeft immers verklaard steeds achter [medeverdachte] te hebben gestaan, maar de bloedsporen moeten op enig moment op haar jas zijn beland. De verdachte verklaart: Het enige wat ik me kan bedenken, is dat dat tijdens het bewegen in de gang moet zijn gebeurd. Ik heb gezien dat er in de gang allemaal bloedspetters waren. Het slachtoffer is, toen ik [medeverdachte] met hulp van de buurman eindelijk los had, langs mij heen gelopen. Hij verklaart dat hij naar de woonkamer liep. Ik stond met mijn rug naar hem toe. Hij is toen waarschijnlijk tegen mij aangelopen. Volgens mij was [medeverdachte] als eerste buiten en ging ik achter hem aan. Ik ben wel een beetje platgedrukt toen wij van plaats wisselden in de gang, maar het belangrijkste was dat [medeverdachte] naar buiten kon. Ik ben toen [medeverdachte] naar buiten ging, met mijn rug tegen de trap aan gebotst. Het zou kunnen dat het bloed toen op mijn jas is gekomen. Ik heb het mes weggegooid de tuin in, want het mes was niet van mij. De buurman was toen ook nog in de buurt. Het kan zeker niet dat ik het slachtoffer heb geraakt met het mes toen ik [medeverdachte] los aan het trekken was. Hij bloedde toen namelijk al hevig. Toen die mevrouw naar beneden kwam, had hij al een sneetje. Op vragen van de oudste raadsheer antwoordt de verdachte: U vraagt mij naar het gesprek met [betrokkene 1] , en wat ik aan [medeverdachte] heb beloofd. Ik heb [medeverdachte] beloofd dat zijn vader een einde aan zijn eigen leven zou maken. Als je hem kent, is dat niet zo gek. Ik wilde dat hij afstand deed van zijn zoon, zodat hij geen contact en geen zorgtaken meer zou hebben, en dat zou voor hem genoeg aanleiding zijn geweest om een einde aan zijn leven te maken. Dat heeft hij vroeger gezegd. Het klopt dat [medeverdachte] inmiddels meerderjarig was, maar sommige instanties vragen naar het inkomen van beide ouders. Zo kon de [slachtoffer] niet moeilijk meer doen. Ik wilde het liefst dat hij dat die nacht op papier zou zetten. Ik had een stukje papier mee. Als hij zou tekenen, zou dat genoeg zijn geweest. Dan zou hij zelfmoord plegen. Als [medeverdachte] vroeger wel eens zei dat [slachtoffer] zijn vader niet was, wilde hij al van een viaduct afrijden. U houdt mij voor dat, gezien de geclaimde geschiedenis van geweld en misbruik, het een enge situatie is om daar midden in de nacht samen heen te gaan. Op het moment dat ik daar stond, dacht ik al: “Dit is niet handig”, maar ik had gehoopt dat het niet tot geweld zou komen. U vraagt mij wat [betrokkene 1] bedoelde met “Maak je handen niet vuil”. Dat weet ik niet. Ik was op dat moment met meerdere dingen bezig en heb niet op alle berichten gereageerd. Ik las het gesprek pas in het dossier volledig. Ik had [medeverdachte] beloofd dat zijn vader uit zijn leven zou gaan. Dit was geen reactie op haar tekst. Zij dachten waarschijnlijk dat ik hele gevaarlijke dingen zou gaan doen, maar dat was niet mijn bedoeling. Ik heb zelf geen geweld gebruikt. Ik heb niet geslagen of geschopt. Ik ben niet in zijn buurt geweest. Ik ben wel bespuugd door hem, maar ik heb niets teruggedaan. Ik heb met twee handen aan de jas van [medeverdachte] getrokken tot die vrouw naar beneden kwam. U vraagt mij hoe ik het mes vast had. Ik had het mes vast in mijn linkerhand in mijn vuist, met het snijdende deel omhoog. Ik heb het mes weer omlaag gedaan toen ik [medeverdachte] los trok. Het klopt dat ik het mes vast had toen ik [medeverdachte] samen met de buurman los trok. Op het moment dat ik het mes pakte, had het slachtoffer [medeverdachte] nog vast en kreeg [medeverdachte] nog klappen. Op het moment dat ik het mes vast had, heb ik geen wond gemaakt, maar daarvoor weet ik niet of er iets met dat mes is gebeurd. Het kan niet zo zijn dat ik hem per ongeluk heb verwond. Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte: Het kan kloppen dat ik heb geroepen: “Hij heeft je misbruikt”. Ik had het tegen de buurman, toen hij vroeg wat er aan de hand was. Dat zei ik niet tegen [medeverdachte] , die wist dat wel. De buurman heeft dat in de verwarring misschien verkeerd begrepen. Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt de verdachte: Ik was tijdens het gesprek met [betrokkene 1] in het café. Het klopt dat [betrokkene 3] toen alleen thuis was. Hij kan wel even alleen zijn. [getuige 3] moest naar hem toe, omdat ik niet wist hoe lang het gesprek met mijn ex zou gaan duren. Hij moest de hondjes even laten plassen, want die worden wakker als [betrokkene 3] de lichten aan doet. Ik kon zelf niet naar huis, want ik was al weg met [medeverdachte] . Tijdens het gesprek met [betrokkene 1] was ik, denk ik, ook al onderweg. U vraagt mij naar het mes. Het was een zwart mes met iets zilvers. Ik heb het maar twee minuten vast gehad. Het slachtoffer noemt het een broodmes, maar ik weet niet wat voor soort mes het was. Ik heb het in een vlaag gepakt en weer weggegooid. Ik had het mes de hele tijd in mijn linkerhand. De jongste raadsheer merkt op dat de verdachte op p.31 heeft verklaard dat zij het mes in haar rechterhand had. De verdachte antwoordt: Ik weet het niet, ik denk in mijn herinnering links. Ik ben rechtshandig. Ik graaide het mes zo, toen ik bij de spiegel stond. Ik draaide voorlangs naar links om het mes te pakken. Ik zag het mes pas liggen toen de vrouw naar beneden kwam, ik keek toen pas naar de trap. Ik heb [medeverdachte] de hele tijd weg proberen te trekken. [medeverdachte] stond met zijn gezicht naar het slachtoffer. De vrouw kwam naar beneden toen [medeverdachte] met zijn hoofd naar beneden werd gehouden. Ik heb toen losgelaten om te kijken wat er aan kwam. Toen ben ik met mijn rechterhand aan [medeverdachte] gaan trekken en had ik het mes in mijn andere hand. Toen kwam de buurman. [medeverdachte] was daarna vrij snel los en toen konden we weg. Ik zag toen pas dat hij zo bloedde. U vraagt mij waarom ik niet via een advocaat een contactverbod heb geregeld als wij geen contact meer wilden. Dat had gekund, maar ik ken meneer al lang en dat soort dingen werken niet bij hem. Ik heb geprobeerd alles eerst te laten bezinken, maar [medeverdachte] zat zo hoog in zijn emotie en dan laat ik hem niet alleen gaan.” 4.7 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in: “Nadere overwegingen […] Het hof overweegt als volgt, waarbij eerst zal worden ingegaan op het voornemen van de verdachte en vervolgens op de toedracht van het incident, op grond waarvan zal worden ingegaan op de ten aanzien van het bewijs te beantwoorden vragen. 1. Het voornemen van de verdachte Feitenvaststelling Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het navolgende vast. De verdachte heeft in het verleden een relatie gehad met de aangever, waaruit in 2001 een zoon is geboren met de naam [medeverdachte] .
Volledig
De verdachte heeft tevens een andere (oudere) zoon, genaamd [betrokkene 3] , die een autistismespectrum stoornis heeft en dagelijks zorg behoeft. [betrokkene 3] woonde ten tijde van het tenlastegelegde bij de verdachte en werd door haar verzorgd. Volgens de verdachte heeft de aangever haar in het verleden meermalen mishandeld en heeft hij haar en [medeverdachte] in het verleden seksueel misbruikt. De aangever is in de periode voorafgaande aan het ten laste gelegde incident enige tijd gedetineerd geweest. Op 20 januari 2023 om 23.36 uur heeft de verdachte gebeld met een goede vriend van haar, genaamd [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ). In dat gesprek heeft zij aan hem gevraagd of hij wilde zorgen voor haar kind, haar hondjes en haar huis. Gevraagd naar de reden waarom, heeft de verdachte tegen hem gezegd dat haar ex vrij was. Daarop heeft [getuige 3] geantwoord dat hij het wel zou oplossen, hij was toch net vrij. Daarop heeft de verdachte de verbinding verbroken. [getuige 3] heeft daarop [medeverdachte] gebeld en gesmeekt er niet heen te gaan. Ook tegen [medeverdachte] heeft [getuige 3] gezegd dat hij het wel zou oplossen. [medeverdachte] zei dat hij het moest doen en hing op. In zijn verhoor op 22 januari 2023 heeft [getuige 3] hierover verklaard dat hij tegen de verdachte en [medeverdachte] had gezegd dat hij het wel zou oplossen omdat hij het niet erg vond om te zitten en zij meer te verliezen hebben. Hij heeft ook verklaard dat hij het wel begreep dat de verdachte het gedaan heeft en dat hij hoopte dat degene over wie het ging dood was. [getuige 3] heeft verklaard te weten dat diegene in het verleden de verdachte 80 duizend keer total loss had geslagen en aan [medeverdachte] had gezeten. Na het telefoongesprek met [getuige 3] heeft de verdachte op 20 januari vanaf ongeveer kwart voor twaalf ‘s avonds via Whatsapp contact opgenomen met ‘ [betrokkene 1] ’. Dit betreft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), een goede vriendin van de verdachte. In een spraakbericht naar [betrokkene 1] zegt de verdachte het volgende: “ [medeverdachte] die komt net met een heel verhaal ehhh.. Over zijn oom, blablabla. En daarna kwam ie met ‘mijn vader is vrij’. En ik weet waar z’n vader is. En als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help. (...) ik heb al vervoer geregeld. En de rest heb ik ook geregeld. (...) Ik had [betrokkene 2] (fonetisch) gevraagd om voor m’n hond en m’n kind te zorgen, het nummer van mijn moeder en ehh.. De rest zien we dan wel.” [betrokkene 1] heeft daarop in tekstberichten gereageerd als volgt: “Ohhh nee. Heb jou nodig he. Neeeee. (...) Kan niet zonder jou he. [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) ook niet. (...) Mop kom naar huis je bent bezig met je droom uit te laten komen met die honden dingens. [betrokkene 3] kan niet zonder jou. (...) [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) is ook goed bezig. (...) Laat het dan doen. (...) Maak jullie handen niet vuil.” Op deze laatste opmerking heeft de verdachte gereageerd met het tekstbericht: ‘Ik heb [medeverdachte] beloofd’. De verdachte is die nacht samen met [medeverdachte] naar de woning van de aangever gegaan. Ze hebben daar omstreeks 00:30 uur aangebeld. Tussenconclusie: Het hof leidt uit het vorenstaande af dat de verdachte naar de woning van de aangever is gegaan met het voornemen om hem van het leven te beroven. Zij zou hem immers naar eigen zeggen “ van de wereld af helpen” . Zij had dit [medeverdachte] beloofd. Dat de verdachte vooraf heeft geregeld dat er iemand op haar autistische oudste zoon, honden en huis zou passen, ondersteunt dit. Het duidt erop dat de verdachte er rekening mee hield dat zij in de gevangenis terecht zou kunnen komen als gevolg van hetgeen zij voornemens was te doen. Bij deze duiding betrekt het hof dat ook [betrokkene 1] en [getuige 3] , beiden goede vrienden van de verdachte, dit blijkens het vorenstaande op die betreffende avond onafhankelijk van elkaar op dezelfde wijze hebben geduid en om die reden vergeefs hebben geprobeerd haar van dit voornemen te doen afzien, terwijl ook de reactie van de verdachte daarop geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat dit een onjuiste interpretatie was. De verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, kort gezegd inhoudende dat zij wilde dat het slachtoffer zichzelf van het leven zou beroven, dat zij alleen naar de aangever wilde gaan om hem aan te spreken over het (beweerdelijke) seksueel misbruik en dat het vragen om op te passen op haar oudste zoon, haar honden en haar huis alleen betrekking had op de korte tijd dat zij die nacht de aangever zou bezoeken, acht het hof in deze context onaannemelijk. Ook de navolgende vaststellingen met betrekking tot de confrontatie met de aangever leiden niet tot een ander oordeel. 2. De confrontatie met de aangever Met betrekking tot de confrontatie met de aangever stelt het hof het volgende vast. Nadat de aangever, slechts gekleed in boxershort, de voordeur van zijn woning had geopend, ontstond in de deuropening een woordenwisseling tussen [medeverdachte] en de aangever, waarbij [medeverdachte] tegen de aangever heeft gezegd dat hij aan hem had gezeten en de aangever dit heeft ontkend. Op enig moment heeft [medeverdachte] de aangever achterwaarts de gang van zijn woning ingeduwd, totdat deze met zijn rug tegen de spiegel stond aan het einde van deze gang. De verdachte is eveneens de woning in gegaan. In de gang heeft een schermutseling plaatsgevonden. Daarbij hebben [medeverdachte] en de aangever elkaar over en weer geslagen. De aangever heeft op enig moment met zijn linkerhand de capuchon van [medeverdachte] over diens hoofd gedaan en naar beneden geduwd, zodat ook het bovenlichaam van [medeverdachte] naar beneden werd geduwd. De aangever heeft [medeverdachte] in deze (voorovergebogen) positie in bedwang gehouden. Toen de aangever opkeek zag hij dat de verdachte vlak achter [medeverdachte] stond, op ongeveer een meter afstand van de aangever, en dat zij een groot puntig mes in haar rechterhand vasthield. Ook [getuige 1] , de vriendin van de aangever, heeft, toen zij in de woning de trap af liep, de verdachte met een groot mes in haar hand in de gang zien staan. De verdachte heeft zich daarop tot [getuige 1] gewend en gezegd: “Blijf weg” en “Ik pak jou ook”. Op dat moment was bij de aangever bloed te zien als hij zijn arm omhoog deed. Inmiddels waren ook een buurvrouw en een buurman komen kijken. De buurvrouw heeft geroepen dat de politie was gebeld. De verdachte heeft met hulp van de buurman [medeverdachte] naar achteren getrokken en heeft samen met [medeverdachte] en met medeneming van het mes de woning van de aangever verlaten. Vervolgens is gebleken de aangever in zijn linker zijde, circa 10 centimeter onder zijn oksel, een snij- dan wel steekwond had, passend bij een snij-/steekverwonding veroorzaakt door een eenzijdig snijdend scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een eenzijdig snijdend mes. Verdere conclusies: De toedracht Uit het vorenstaande maakt het hof op dat het de verdachte moet zijn geweest die de aangever tijdens de schermutseling in de gang heeft verwond met het mes, dat zij in haar hand hield. Het hof betrekt daarbij tevens dat niemand anders dan de verdachte ten tijde van de confrontatie met een mes is gezien, dat [medeverdachte] heeft verklaard zelf geen mes te hebben gezien en dat de aangever hoeft verklaard dat als [medeverdachte] degene zou zijn geweest die had gestoken, hij dan in zijn buik zou zijn geraakt omdat hij [medeverdachte] naar beneden hield. Tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten acht het hof niet aannemelijk dat de aangever reeds voorafgaande aan de schermutseling in de gang gewond is geraakt of dat de aangever zichzelf op enig moment deze verwonding heeft toegebracht.
Volledig
De verdachte heeft tevens een andere (oudere) zoon, genaamd [betrokkene 3] , die een autistismespectrum stoornis heeft en dagelijks zorg behoeft. [betrokkene 3] woonde ten tijde van het tenlastegelegde bij de verdachte en werd door haar verzorgd. Volgens de verdachte heeft de aangever haar in het verleden meermalen mishandeld en heeft hij haar en [medeverdachte] in het verleden seksueel misbruikt. De aangever is in de periode voorafgaande aan het ten laste gelegde incident enige tijd gedetineerd geweest. Op 20 januari 2023 om 23.36 uur heeft de verdachte gebeld met een goede vriend van haar, genaamd [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ). In dat gesprek heeft zij aan hem gevraagd of hij wilde zorgen voor haar kind, haar hondjes en haar huis. Gevraagd naar de reden waarom, heeft de verdachte tegen hem gezegd dat haar ex vrij was. Daarop heeft [getuige 3] geantwoord dat hij het wel zou oplossen, hij was toch net vrij. Daarop heeft de verdachte de verbinding verbroken. [getuige 3] heeft daarop [medeverdachte] gebeld en gesmeekt er niet heen te gaan. Ook tegen [medeverdachte] heeft [getuige 3] gezegd dat hij het wel zou oplossen. [medeverdachte] zei dat hij het moest doen en hing op. In zijn verhoor op 22 januari 2023 heeft [getuige 3] hierover verklaard dat hij tegen de verdachte en [medeverdachte] had gezegd dat hij het wel zou oplossen omdat hij het niet erg vond om te zitten en zij meer te verliezen hebben. Hij heeft ook verklaard dat hij het wel begreep dat de verdachte het gedaan heeft en dat hij hoopte dat degene over wie het ging dood was. [getuige 3] heeft verklaard te weten dat diegene in het verleden de verdachte 80 duizend keer total loss had geslagen en aan [medeverdachte] had gezeten. Na het telefoongesprek met [getuige 3] heeft de verdachte op 20 januari vanaf ongeveer kwart voor twaalf ‘s avonds via Whatsapp contact opgenomen met ‘ [betrokkene 1] ’. Dit betreft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), een goede vriendin van de verdachte. In een spraakbericht naar [betrokkene 1] zegt de verdachte het volgende: “ [medeverdachte] die komt net met een heel verhaal ehhh.. Over zijn oom, blablabla. En daarna kwam ie met ‘mijn vader is vrij’. En ik weet waar z’n vader is. En als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help. (...) ik heb al vervoer geregeld. En de rest heb ik ook geregeld. (...) Ik had [betrokkene 2] (fonetisch) gevraagd om voor m’n hond en m’n kind te zorgen, het nummer van mijn moeder en ehh.. De rest zien we dan wel.” [betrokkene 1] heeft daarop in tekstberichten gereageerd als volgt: “Ohhh nee. Heb jou nodig he. Neeeee. (...) Kan niet zonder jou he. [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) ook niet. (...) Mop kom naar huis je bent bezig met je droom uit te laten komen met die honden dingens. [betrokkene 3] kan niet zonder jou. (...) [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) is ook goed bezig. (...) Laat het dan doen. (...) Maak jullie handen niet vuil.” Op deze laatste opmerking heeft de verdachte gereageerd met het tekstbericht: ‘Ik heb [medeverdachte] beloofd’. De verdachte is die nacht samen met [medeverdachte] naar de woning van de aangever gegaan. Ze hebben daar omstreeks 00:30 uur aangebeld. Tussenconclusie: Het hof leidt uit het vorenstaande af dat de verdachte naar de woning van de aangever is gegaan met het voornemen om hem van het leven te beroven. Zij zou hem immers naar eigen zeggen “ van de wereld af helpen” . Zij had dit [medeverdachte] beloofd. Dat de verdachte vooraf heeft geregeld dat er iemand op haar autistische oudste zoon, honden en huis zou passen, ondersteunt dit. Het duidt erop dat de verdachte er rekening mee hield dat zij in de gevangenis terecht zou kunnen komen als gevolg van hetgeen zij voornemens was te doen. Bij deze duiding betrekt het hof dat ook [betrokkene 1] en [getuige 3] , beiden goede vrienden van de verdachte, dit blijkens het vorenstaande op die betreffende avond onafhankelijk van elkaar op dezelfde wijze hebben geduid en om die reden vergeefs hebben geprobeerd haar van dit voornemen te doen afzien, terwijl ook de reactie van de verdachte daarop geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat dit een onjuiste interpretatie was. De verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, kort gezegd inhoudende dat zij wilde dat het slachtoffer zichzelf van het leven zou beroven, dat zij alleen naar de aangever wilde gaan om hem aan te spreken over het (beweerdelijke) seksueel misbruik en dat het vragen om op te passen op haar oudste zoon, haar honden en haar huis alleen betrekking had op de korte tijd dat zij die nacht de aangever zou bezoeken, acht het hof in deze context onaannemelijk. Ook de navolgende vaststellingen met betrekking tot de confrontatie met de aangever leiden niet tot een ander oordeel. 2. De confrontatie met de aangever Met betrekking tot de confrontatie met de aangever stelt het hof het volgende vast. Nadat de aangever, slechts gekleed in boxershort, de voordeur van zijn woning had geopend, ontstond in de deuropening een woordenwisseling tussen [medeverdachte] en de aangever, waarbij [medeverdachte] tegen de aangever heeft gezegd dat hij aan hem had gezeten en de aangever dit heeft ontkend. Op enig moment heeft [medeverdachte] de aangever achterwaarts de gang van zijn woning ingeduwd, totdat deze met zijn rug tegen de spiegel stond aan het einde van deze gang. De verdachte is eveneens de woning in gegaan. In de gang heeft een schermutseling plaatsgevonden. Daarbij hebben [medeverdachte] en de aangever elkaar over en weer geslagen. De aangever heeft op enig moment met zijn linkerhand de capuchon van [medeverdachte] over diens hoofd gedaan en naar beneden geduwd, zodat ook het bovenlichaam van [medeverdachte] naar beneden werd geduwd. De aangever heeft [medeverdachte] in deze (voorovergebogen) positie in bedwang gehouden. Toen de aangever opkeek zag hij dat de verdachte vlak achter [medeverdachte] stond, op ongeveer een meter afstand van de aangever, en dat zij een groot puntig mes in haar rechterhand vasthield. Ook [getuige 1] , de vriendin van de aangever, heeft, toen zij in de woning de trap af liep, de verdachte met een groot mes in haar hand in de gang zien staan. De verdachte heeft zich daarop tot [getuige 1] gewend en gezegd: “Blijf weg” en “Ik pak jou ook”. Op dat moment was bij de aangever bloed te zien als hij zijn arm omhoog deed. Inmiddels waren ook een buurvrouw en een buurman komen kijken. De buurvrouw heeft geroepen dat de politie was gebeld. De verdachte heeft met hulp van de buurman [medeverdachte] naar achteren getrokken en heeft samen met [medeverdachte] en met medeneming van het mes de woning van de aangever verlaten. Vervolgens is gebleken de aangever in zijn linker zijde, circa 10 centimeter onder zijn oksel, een snij- dan wel steekwond had, passend bij een snij-/steekverwonding veroorzaakt door een eenzijdig snijdend scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een eenzijdig snijdend mes. Verdere conclusies: De toedracht Uit het vorenstaande maakt het hof op dat het de verdachte moet zijn geweest die de aangever tijdens de schermutseling in de gang heeft verwond met het mes, dat zij in haar hand hield. Het hof betrekt daarbij tevens dat niemand anders dan de verdachte ten tijde van de confrontatie met een mes is gezien, dat [medeverdachte] heeft verklaard zelf geen mes te hebben gezien en dat de aangever hoeft verklaard dat als [medeverdachte] degene zou zijn geweest die had gestoken, hij dan in zijn buik zou zijn geraakt omdat hij [medeverdachte] naar beneden hield. Tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten acht het hof niet aannemelijk dat de aangever reeds voorafgaande aan de schermutseling in de gang gewond is geraakt of dat de aangever zichzelf op enig moment deze verwonding heeft toegebracht.
Volledig
Gezien de positie van de verdachte ten opzichte van de aangever ten tijde van de schermutseling in de gang, zij bevond zich op dat moment vlak achter de voorover gebukt staande [medeverdachte] op ongeveer een meter afstand van de aangever, moet de verdachte de aangever hebben verwond door een reikende beweging met het mes te maken in de richting van de linker zijde van de aangever. Dat de verdachte vanuit die positie vanwege het brede postuur van [medeverdachte] en de smalle gang niet heeft kunnen uithalen naar de aangever, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden. In dit verband overweegt het hof dat de verdachte ook over haar voorover gebukte zoon heeft kunnen reiken met het mes. Dat de aangever deze handeling niet heeft gezien, dwingt evenmin tot een ander oordeel, aangezien de aangever verwikkeld was in een gevecht met [medeverdachte] en de verdachte met het mes pas zag toen hij vervolgens opkeek. Het opzet Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van een dergelijke handeling, bezien in de hiervoor vastgestelde context en bij gebreke van indicaties voor het tegendeel, acht het hof bewezen dat de verdachte deze handeling met opzet heeft verricht, ter uitvoering van haar voornemen om de aangever van het leven te beroven. Een andere reden voor deze handeling is aangevoerd noch aannemelijk geworden en evenmin zijn omstandigheden aangevoerd of aannemelijk geworden die erop wijzen dat de verdachte de aangever per ongeluk heeft verwond. Dit laatste heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zelfs ontkend. Dat het bij één poging is gebleven doet aan het voorgaande evenmin af, aangezien aannemelijk is dat de verschijning van de vriendin van de verdachte, de binnenkomst van buren en de uitroep dat de politie was gebeld de verdere uitvoering van het voornemen van de verdachte hebben verhinderd. Het voorwaardelijke verzoek Of het reiken met het mes in de richting van de zijde van de aangever uiteindelijk een al dan niet oppervlakkige snijwond dan wel steekwond heeft opgeleverd, is voor het voorgaande niet van belang en kan daarom in het midden worden gelaten. De aard van de uiteindelijke verwonding kan mede afhankelijk zijn van bewegingen van de aangever, die op dat moment in een gevecht met [medeverdachte] verwikkeld was. Het opzet op het doden van de aangever wordt in dit geval niet afgeleid uit de aard van de verwonding, maar uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handeling die deze verwonding moet hebben veroorzaakt, bezien in de gegeven context van het voornemen van de verdachte om de aangever om het leven te brengen. Het hof ziet dan ook aanleiding noch noodzaak om ter zake een deskundige te benoemen, zoals door de verdediging voorwaardelijk is verzocht in het geval het hof zou uitgaan van een steekwond. Voorbedachte raad Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om de aangever te doden, en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Het hof concludeert op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden dat de verdachte voorafgaand aan haar handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op haar besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daar rekenschap van heeft kunnen geven. Zij heeft blijkens de chatgesprekken immers minimaal 45 minuten voordat zij bij het huis van de aangever was al het plan opgevat hem om het leven te brengen. Zij heeft daar vervolgens concrete voorbereidingen voor getroffen door vervoer en zorg voor haar kind, honden en woning te regelen. Daaruit blijkt dat zij zich bewust is geweest van de gevolgen van haar voorgenomen handelen en dat zij zelfs maatregelen heeft getroffen om die gevolgen in goede banen te leiden. Meerdere vrienden hebben vervolgens getracht haar ervan te weerhouden naar de woning van de aangever te gaan. Hoewel meerdere mensen op haar hebben ingepraat en haar hebben voorgehouden wat de mogelijke consequenties van haar handelen zouden kunnen zijn, heeft zij haar voorgenomen plannen doorgezet, is zij naar de woning van de aangever gegaan en heeft zij met een mes getracht uitvoering te geven aan haar voornemen de aangever te doden. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar een doordacht plan was. Het hof acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Het hof is alles afwegende dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.” 4.8 In HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld: “3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachten raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518). 3.4. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat - als vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad - het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl.
Volledig
Gezien de positie van de verdachte ten opzichte van de aangever ten tijde van de schermutseling in de gang, zij bevond zich op dat moment vlak achter de voorover gebukt staande [medeverdachte] op ongeveer een meter afstand van de aangever, moet de verdachte de aangever hebben verwond door een reikende beweging met het mes te maken in de richting van de linker zijde van de aangever. Dat de verdachte vanuit die positie vanwege het brede postuur van [medeverdachte] en de smalle gang niet heeft kunnen uithalen naar de aangever, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden. In dit verband overweegt het hof dat de verdachte ook over haar voorover gebukte zoon heeft kunnen reiken met het mes. Dat de aangever deze handeling niet heeft gezien, dwingt evenmin tot een ander oordeel, aangezien de aangever verwikkeld was in een gevecht met [medeverdachte] en de verdachte met het mes pas zag toen hij vervolgens opkeek. Het opzet Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van een dergelijke handeling, bezien in de hiervoor vastgestelde context en bij gebreke van indicaties voor het tegendeel, acht het hof bewezen dat de verdachte deze handeling met opzet heeft verricht, ter uitvoering van haar voornemen om de aangever van het leven te beroven. Een andere reden voor deze handeling is aangevoerd noch aannemelijk geworden en evenmin zijn omstandigheden aangevoerd of aannemelijk geworden die erop wijzen dat de verdachte de aangever per ongeluk heeft verwond. Dit laatste heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zelfs ontkend. Dat het bij één poging is gebleven doet aan het voorgaande evenmin af, aangezien aannemelijk is dat de verschijning van de vriendin van de verdachte, de binnenkomst van buren en de uitroep dat de politie was gebeld de verdere uitvoering van het voornemen van de verdachte hebben verhinderd. Het voorwaardelijke verzoek Of het reiken met het mes in de richting van de zijde van de aangever uiteindelijk een al dan niet oppervlakkige snijwond dan wel steekwond heeft opgeleverd, is voor het voorgaande niet van belang en kan daarom in het midden worden gelaten. De aard van de uiteindelijke verwonding kan mede afhankelijk zijn van bewegingen van de aangever, die op dat moment in een gevecht met [medeverdachte] verwikkeld was. Het opzet op het doden van de aangever wordt in dit geval niet afgeleid uit de aard van de verwonding, maar uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handeling die deze verwonding moet hebben veroorzaakt, bezien in de gegeven context van het voornemen van de verdachte om de aangever om het leven te brengen. Het hof ziet dan ook aanleiding noch noodzaak om ter zake een deskundige te benoemen, zoals door de verdediging voorwaardelijk is verzocht in het geval het hof zou uitgaan van een steekwond. Voorbedachte raad Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om de aangever te doden, en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Het hof concludeert op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden dat de verdachte voorafgaand aan haar handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op haar besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daar rekenschap van heeft kunnen geven. Zij heeft blijkens de chatgesprekken immers minimaal 45 minuten voordat zij bij het huis van de aangever was al het plan opgevat hem om het leven te brengen. Zij heeft daar vervolgens concrete voorbereidingen voor getroffen door vervoer en zorg voor haar kind, honden en woning te regelen. Daaruit blijkt dat zij zich bewust is geweest van de gevolgen van haar voorgenomen handelen en dat zij zelfs maatregelen heeft getroffen om die gevolgen in goede banen te leiden. Meerdere vrienden hebben vervolgens getracht haar ervan te weerhouden naar de woning van de aangever te gaan. Hoewel meerdere mensen op haar hebben ingepraat en haar hebben voorgehouden wat de mogelijke consequenties van haar handelen zouden kunnen zijn, heeft zij haar voorgenomen plannen doorgezet, is zij naar de woning van de aangever gegaan en heeft zij met een mes getracht uitvoering te geven aan haar voornemen de aangever te doden. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar een doordacht plan was. Het hof acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Het hof is alles afwegende dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.” 4.8 In HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld: “3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachten raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518). 3.4. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat - als vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad - het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl.
Volledig
het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat voor en tijdens het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in zo'n geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.” 4.9 Uit de pleitnotities blijkt dat de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd dat geen sprake was van een doordacht plan met voorbereidingshandelingen en daarmee geen sprake van voorbedachte raad. In het bestreden arrest heeft het hof onder “ 2. De confrontatie met de aangever ” een kopje “ Voorbedachte raad ” opgenomen, maar de motivering van de voorbedachte raad is uitgebreider dan hetgeen onder dit kopje staat. Ook onder “ 1. Voornemen van de verdachte ” stelt het hof feiten vast die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de voorbedachte raad. Dit in aanmerking genomen en tegen de achtergrond van wat in 4.8 is vooropgesteld heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte de voorbedachte raad had om de aangever van het leven te brengen toereikend gemotiveerd. Dit licht ik toe. 4.10 Uit de overwegingen onder het kopje “ Voorbedachte raad ” blijkt dat het hof uitgaat van een plan met een concrete voorbereiding en een uiteindelijk begin van uitvoering. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte blijkens de chatgesprekken minimaal 45 minuten voordat zij bij het huis van de aangever was, het plan heeft opgevat om hem van het leven te beroven. Waar het hof onder het kopje “ Voorbedachte raad ” niet specificeert uit welke in die chatgesprekken gedane uitlating(en) blijkt dat de verdachte het plan heeft opgevat om de aangever te doden, stelt het hof onder het kopje “ 1. Voornemen van de verdachte ” over die chatgesprekken wel vast dat de verdachte in een spraakbericht naar getuige [betrokkene 1] op 20 januari om 23.44, dus ongeveer drie kwartier voordat zij bij de aangever aan de deur stond, heeft gezegd: “ [medeverdachte] die komt net met een heel verhaal ehhh.. Over zijn oom, blablabla. En daarna kwam ie met ‘mijn vader is vrij’. En ik weet waar z’n vader is. En als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help. (...) ik heb al vervoer geregeld. En de rest heb ik ook geregeld. (...) Ik had [betrokkene 2] (fonetisch) gevraagd om voor m’n hond en m’n kind te zorgen, het nummer van mijn moeder en ehh.. De rest zien we dan wel.” (bewijsmiddel 7). Het hof concludeert dan dat de verdachte naar de woning van de aangever is gegaan met het voornemen om hem van het leven te beroven, omdat zij hem naar eigen zeggen van de wereld af zou helpen. Dat het hof kennelijk uit deze uitlating heeft afgeleid dat de verdachte in elk geval 45 minuten van tevoren het plan had om de aangever te doden acht ik niet onbegrijpelijk, nu de uitlating – op zichzelf bezien − gericht is op levensberoving. Daartoe telt ook het volgende. 4.11 Er zijn geen aanknopingspunten dat de verdachte de daarnet genoemde uitlating heeft gedaan in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, gelet op het vervolg van het chatgesprek waarin getuige [betrokkene 1] de verdachte probeert te weerhouden door te reageren met “Ohhh nee. Heb jou nodig he. Neeeee. (...) Kan niet zonder jou he. [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) ook niet. (...) Mop kom naar huis je bent bezig met je droom uit te laten komen met die honden dingens. [betrokkene 3] kan niet zonder jou. (...) [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) is ook goed bezig. (...) Laat het dan doen. (...) Maak jullie handen niet vuil.” en de verdachte reageert met het tekstbericht: “Ik heb [medeverdachte] beloofd.” (bewijsmiddel 7). Hierbij komt dat de verdachte op 20 januari 2023 om 23.36 uur – dus vlak voor haar chatcontact met [betrokkene 1] – al had gebeld met [getuige 3] . Het hof heeft (op basis van bewijsmiddel 8) vastgesteld dat de verdachte in dat gesprek aan [getuige 3] heeft gevraagd of hij wilde zorgen voor haar kind, haar hondjes en haar huis en dat zij heeft gezegd dat haar ex vrij was. Op het antwoord daarop van [getuige 3] dat hij het wel zou oplossen, heeft de verdachte de verbinding verbroken. Het hof heeft uit de contacten met [betrokkene 1] en [getuige 3] , welke het hof aanmerkt als goede vrienden van de verdachte, niet onbegrijpelijk afgeleid dat [betrokkene 1] en [getuige 3] de opmerkingen van de verdachte “op die betreffende avond onafhankelijk van elkaar op dezelfde wijze hebben geduid en om die reden vergeefs hebben geprobeerd haar van dit voornemen te doen afzien, terwijl ook de reactie van de verdachte daarop geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat dit een onjuiste interpretatie was.” Uit het voorgaande volgt niet alleen dat de verdachte op meerdere momenten blijk heeft gegeven van het voornemen om de aangever van het leven te beroven, daaruit blijkt ook dat de gebruikte bewijsmiddelen ondersteuning geven aan de uitleg door het hof waarbij de woorden “als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help” als een uiting van het voornemen op levensberoving worden verstaan. Dat de verdachte ondanks het op haar inpraten door haar vrienden, haar voorgenomen plannen heeft doorgezet en naar de woning van de aangever is gegaan, zoals het hof onder het kopje “ Voorbedachte raad ” overweegt, draagt bovendien niet onbegrijpelijk bij aan het beeld dat zij daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad tot beraad. 4.12 Evenmin onbegrijpelijk acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft uitgevoerd en dat die voorbereidingshandelingen indiceren dat de verdachte zich bewust was van de gevolgen van haar voorgenomen daad en dus kennelijk daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad tot beraad en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof heeft immers onder het kopje “ Voorbedachte raad ” vastgesteld dat de verdachte vooraf vervoer en zorg voor haar kind, honden en woning heeft geregeld en dat daaruit blijkt dat de verdachte zich bewust is geweest van de gevolgen van haar voorgenomen handelen en dat zij zelfs maatregelen heeft getroffen om die gevolgen in goede banen te leiden. Deze vaststelling berust op bewijsmiddel 7 (contact met [betrokkene 1] ) en bewijsmiddel 8 (verklaring [getuige 3] ). Het hof overweegt dat het gegeven dat de verdachte vooraf heeft geregeld dat er iemand op haar autistische oudste zoon, honden en huis zou passen, erop duidt dat de verdachte er rekening mee hield dat zij in de gevangenis zou kunnen komen als gevolg van wat zij voornemens was te doen. Hoewel het hof niet ook uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de verdachte het mes waarmee zij de aangever heeft verwond mee naar de woning van de aangever had gebracht, impliceert het voorgaande reeds dat de verdachte voorbereidingen heeft getroffen die voor haar van belang waren om tot de voorgenomen daad te kunnen overgaan. Overigens hoeft voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad geen sprake van voorbereidingshandelingen te zijn, maar wanneer zodanige handelingen wel zijn verricht, kunnen die ondersteuning geven aan het oordeel dat met voorbedachte raad is gehandeld. In de onderhavige zaak is zulks het geval. 4.13 Ten slotte overweegt het hof dat de verdachte naar de woning van de aangever is gegaan en met een mes heeft getracht uitvoering te geven aan haar voornemen de aangever te doden. Het hof sluit af door te overwegen dat geen contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Volledig
het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat voor en tijdens het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in zo'n geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.” 4.9 Uit de pleitnotities blijkt dat de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd dat geen sprake was van een doordacht plan met voorbereidingshandelingen en daarmee geen sprake van voorbedachte raad. In het bestreden arrest heeft het hof onder “ 2. De confrontatie met de aangever ” een kopje “ Voorbedachte raad ” opgenomen, maar de motivering van de voorbedachte raad is uitgebreider dan hetgeen onder dit kopje staat. Ook onder “ 1. Voornemen van de verdachte ” stelt het hof feiten vast die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de voorbedachte raad. Dit in aanmerking genomen en tegen de achtergrond van wat in 4.8 is vooropgesteld heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte de voorbedachte raad had om de aangever van het leven te brengen toereikend gemotiveerd. Dit licht ik toe. 4.10 Uit de overwegingen onder het kopje “ Voorbedachte raad ” blijkt dat het hof uitgaat van een plan met een concrete voorbereiding en een uiteindelijk begin van uitvoering. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte blijkens de chatgesprekken minimaal 45 minuten voordat zij bij het huis van de aangever was, het plan heeft opgevat om hem van het leven te beroven. Waar het hof onder het kopje “ Voorbedachte raad ” niet specificeert uit welke in die chatgesprekken gedane uitlating(en) blijkt dat de verdachte het plan heeft opgevat om de aangever te doden, stelt het hof onder het kopje “ 1. Voornemen van de verdachte ” over die chatgesprekken wel vast dat de verdachte in een spraakbericht naar getuige [betrokkene 1] op 20 januari om 23.44, dus ongeveer drie kwartier voordat zij bij de aangever aan de deur stond, heeft gezegd: “ [medeverdachte] die komt net met een heel verhaal ehhh.. Over zijn oom, blablabla. En daarna kwam ie met ‘mijn vader is vrij’. En ik weet waar z’n vader is. En als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help. (...) ik heb al vervoer geregeld. En de rest heb ik ook geregeld. (...) Ik had [betrokkene 2] (fonetisch) gevraagd om voor m’n hond en m’n kind te zorgen, het nummer van mijn moeder en ehh.. De rest zien we dan wel.” (bewijsmiddel 7). Het hof concludeert dan dat de verdachte naar de woning van de aangever is gegaan met het voornemen om hem van het leven te beroven, omdat zij hem naar eigen zeggen van de wereld af zou helpen. Dat het hof kennelijk uit deze uitlating heeft afgeleid dat de verdachte in elk geval 45 minuten van tevoren het plan had om de aangever te doden acht ik niet onbegrijpelijk, nu de uitlating – op zichzelf bezien − gericht is op levensberoving. Daartoe telt ook het volgende. 4.11 Er zijn geen aanknopingspunten dat de verdachte de daarnet genoemde uitlating heeft gedaan in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, gelet op het vervolg van het chatgesprek waarin getuige [betrokkene 1] de verdachte probeert te weerhouden door te reageren met “Ohhh nee. Heb jou nodig he. Neeeee. (...) Kan niet zonder jou he. [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) ook niet. (...) Mop kom naar huis je bent bezig met je droom uit te laten komen met die honden dingens. [betrokkene 3] kan niet zonder jou. (...) [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) is ook goed bezig. (...) Laat het dan doen. (...) Maak jullie handen niet vuil.” en de verdachte reageert met het tekstbericht: “Ik heb [medeverdachte] beloofd.” (bewijsmiddel 7). Hierbij komt dat de verdachte op 20 januari 2023 om 23.36 uur – dus vlak voor haar chatcontact met [betrokkene 1] – al had gebeld met [getuige 3] . Het hof heeft (op basis van bewijsmiddel 8) vastgesteld dat de verdachte in dat gesprek aan [getuige 3] heeft gevraagd of hij wilde zorgen voor haar kind, haar hondjes en haar huis en dat zij heeft gezegd dat haar ex vrij was. Op het antwoord daarop van [getuige 3] dat hij het wel zou oplossen, heeft de verdachte de verbinding verbroken. Het hof heeft uit de contacten met [betrokkene 1] en [getuige 3] , welke het hof aanmerkt als goede vrienden van de verdachte, niet onbegrijpelijk afgeleid dat [betrokkene 1] en [getuige 3] de opmerkingen van de verdachte “op die betreffende avond onafhankelijk van elkaar op dezelfde wijze hebben geduid en om die reden vergeefs hebben geprobeerd haar van dit voornemen te doen afzien, terwijl ook de reactie van de verdachte daarop geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat dit een onjuiste interpretatie was.” Uit het voorgaande volgt niet alleen dat de verdachte op meerdere momenten blijk heeft gegeven van het voornemen om de aangever van het leven te beroven, daaruit blijkt ook dat de gebruikte bewijsmiddelen ondersteuning geven aan de uitleg door het hof waarbij de woorden “als hij vrij is dan heb ik hem beloofd dat ik hem van deze wereld af help” als een uiting van het voornemen op levensberoving worden verstaan. Dat de verdachte ondanks het op haar inpraten door haar vrienden, haar voorgenomen plannen heeft doorgezet en naar de woning van de aangever is gegaan, zoals het hof onder het kopje “ Voorbedachte raad ” overweegt, draagt bovendien niet onbegrijpelijk bij aan het beeld dat zij daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad tot beraad. 4.12 Evenmin onbegrijpelijk acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft uitgevoerd en dat die voorbereidingshandelingen indiceren dat de verdachte zich bewust was van de gevolgen van haar voorgenomen daad en dus kennelijk daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad tot beraad en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof heeft immers onder het kopje “ Voorbedachte raad ” vastgesteld dat de verdachte vooraf vervoer en zorg voor haar kind, honden en woning heeft geregeld en dat daaruit blijkt dat de verdachte zich bewust is geweest van de gevolgen van haar voorgenomen handelen en dat zij zelfs maatregelen heeft getroffen om die gevolgen in goede banen te leiden. Deze vaststelling berust op bewijsmiddel 7 (contact met [betrokkene 1] ) en bewijsmiddel 8 (verklaring [getuige 3] ). Het hof overweegt dat het gegeven dat de verdachte vooraf heeft geregeld dat er iemand op haar autistische oudste zoon, honden en huis zou passen, erop duidt dat de verdachte er rekening mee hield dat zij in de gevangenis zou kunnen komen als gevolg van wat zij voornemens was te doen. Hoewel het hof niet ook uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de verdachte het mes waarmee zij de aangever heeft verwond mee naar de woning van de aangever had gebracht, impliceert het voorgaande reeds dat de verdachte voorbereidingen heeft getroffen die voor haar van belang waren om tot de voorgenomen daad te kunnen overgaan. Overigens hoeft voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad geen sprake van voorbereidingshandelingen te zijn, maar wanneer zodanige handelingen wel zijn verricht, kunnen die ondersteuning geven aan het oordeel dat met voorbedachte raad is gehandeld. In de onderhavige zaak is zulks het geval. 4.13 Ten slotte overweegt het hof dat de verdachte naar de woning van de aangever is gegaan en met een mes heeft getracht uitvoering te geven aan haar voornemen de aangever te doden. Het hof sluit af door te overwegen dat geen contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.