Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-06-17
ECLI:NL:PHR:2025:649
Strafrecht
4,933 tokens
Conclusie
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 22 september 2023 (parketnummer 20-002918-19) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 4.200,- en heeft aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/03706. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2Het eerste middel
2.1
Het middel behelst de klacht dat het hof niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging, aangezien het hof in de strafoplegging in strafverzwarende zin heeft betrokken de omstandigheid dat de diefstal is gepleegd in een woning, terwijl deze omstandigheid niet is tenlastegelegd en bewezenverklaard en het feit aldus ook niet als zodanig is gekwalificeerd.
2.2
Van gekwalificeerde diefstal is sprake indien diefstal als bedoeld in art. 310 Sr is gepleegd onder een van de in art. 311 Sr genoemde strafverzwarende omstandigheden. Art. 311 Sr luidde ten tijde van de tenlastegelegde feiten:
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:
(…)
3° diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
4° diefstal door twee of meer verenigde personen;
5°diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum;
(…)”
2.3
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 9 september 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid geld en/of een handtas en/of sieraden, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan de verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.”
2.4
Het hof heeft bewezenverklaard dat:
“hij op 9 september 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een hoeveelheid geld en een handtas en sieraden, die aan een ander dan aan de verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.”
2.5
Het hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd:
“diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.”
2.6
Het hof heeft aldus de in art. 311 lid 1 (oud) Sr onder 4° en 5° genoemde vormen van gekwalificeerde diefstal bewezenverklaard en gekwalificeerd.
2.7
Overwegingen
“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met twee andere personen schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Tijdens deze woninginbraak zijn de verdachte en zijn mededaders overlopen door de bewoonster van de woning. Het kan niet anders zijn dan dat de bewoonster zich rot is geschrokken toen zij haar woning binnenkwam en er achter kwam dat er onbekende personen in haar woning aanwezig waren. Dit is overigens ook duidelijk zichtbaar op de camerabeelden, immers hierop is te zien dat zij binnen komt, blijft staan en vervolgens verschrikt haar woning weer uitrent, kort daarop gevolgd door de inbrekers. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken bij de bewoners vaak heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg kunnen brengen. Immers, een woning is bij uitstek de plaats waar ben zich veilig moet kunnen voelen en door de inbraak is dit gevoel geweld aan gedaan.
Het hof neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zich enkel heeft laten leiden door zijn honger naar financieel gewin en op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de belangen van de bewoner of bewoners.
Daarnaast neemt het hof bij de straftoemeting ten bezware van de verdachte in aanmerking dat hij, blijkens zijn strafblad d.d. 7 juli 2023, voorafgaand het begaan van het thans bewezenverklaarde reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten (vermogensdelicten). Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte kennelijk niet het laakbare van zijn handelen doen inzien en hem er evenmin van kunnen weerhouden zich opnieuw aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig te maken.
Het hof is van oordeel dat in het algemeen bij de straftoemeting aansluiting kan worden gezocht bij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Volgens deze oriëntatiepunten zou voor een woninginbraak, wanneer sprake is van eerdere veroordelingen ter zake van soortgelijke strafbare feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden als passend kunnen worden beschouwd. Nu er tevens sprake is van een strafverzwarende omstandigheid, is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend is bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, zij het dat het hof hierbij de aftrek van het reeds ondergane voorarrest door de verdachte zal bevelen.
(…)”
2.8
Op grond van 350 Sv beraadslaagt de feitenrechter op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting over (onder meer) de oplegging van een straf of maatregel. Van een strikte gebondenheid aan de woorden van de tenlastelegging is bij de straftoemetingsbeslissing geen sprake. De feitenrechter mag bij de straftoemeting feiten en omstandigheden betrekken die niet ten laste zijn gelegd. Zo kan de feitenrechter rekening houden met feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan, voor zover deze feiten en omstandigheden aan bod zijn gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Er mag zelfs rekening worden gehouden met een omstandigheid die mogelijk een zelfstandig strafbaar feit zou kunnen opleveren.
2.9
Blijkens voormelde strafmaatoverwegingen heeft het hof in de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan inbraak in een woning. Het middel klaagt dat het hof hiermee niet heeft beslist op de grondslag van de tenlastelegging, nu niet is tenlastegelegd, noch bewezenverklaard of gekwalificeerd dat de diefstal is gepleegd in een woning, terwijl dit een wettelijke strafverzwarende omstandigheid betreft (insluiping in een woning als bedoeld in art. 311 onder 3° Sr).
2.10
Vooropgesteld zij dat diefstal in een woning ten tijde van de tenlastegelegde feiten op grond van art. 311 Sr slechts als een strafverzwarende omstandigheid had te gelden wanneer deze had plaatsgevonden “gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd”. Daarvan was in dit geval geen sprake. Dat was ook niet tenlastegelegd en dat heeft het hof evenmin bewezenverklaard, gekwalificeerd, of als omstandigheid in de straftoemeting betrokken. Voor zover het middel op het standpunt stoelt dat het hof ten onrechte in de strafoplegging de strafverzwarende omstandigheid van art. 311 onder 3° (oud) Sr heeft meegewogen, mist het aldus feitelijke grondslag.
2.11
Bovendien vormt het in het middel aangevallen onderdeel van de strafmotivering van het hof dat de verdachte en de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan inbraak in een woning naar mijn inzicht onmiskenbaar een nadere uitwerking van de door het hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken omstandigheden waaronder de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde inbraak in vereniging (art. 311 lid 1 onder 4° en 5° Sr).
2.12
Het middel faalt.
3Het tweede middel
3.1
Het tweede middel komt – in samenhang bezien met de toelichting – op tegen de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Geklaagd wordt dat het hof vergoeding heeft toegewezen voor een schadepost die niet door of uit het bewezenverklaarde feit kan zijn ontstaan.
3.2
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ die ten aanzien van de omschrijving materiële schade het volgende inhoudt:
“diefstal kassageld € 1.950,-
diverse sierraden € 6.650,-
diverse merktassen € 800,-
braakschade ?
bewakingscamera € 100,-
Totaal materiële schade € 9.700,-”
3.3
Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2021 heeft de raadsvrouw van de verdachte gepleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, die aan het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht. Deze pleitnota houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
“Benadeelde partij
46. Ik handhaaf het standpunt in eerste aanleg.
47. Primair niet-ontvankelijkheid.
48. Subsidiair onvoldoende onderbouwd.
49. Overigens hoofdelijk.”
3.4
In aanvulling daarop heeft de raadsvrouw onder meer het volgende voorgedragen:
“Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat veel onduidelijkheid bestond over de posten in de vordering van de benadeelde partij.
Om die reden komt het de verdediging logisch voor dat het Openbaar Minister met betrekking tot deze vordering destijds niet verder kwam dan toewijzing van een bedrag van € 250,00.
3.5
Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2023 heeft het hof – in een andere samenstelling dan op de terechtzitting van 9 augustus 2021 – met instemming van de procesdeelnemers het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich op die datum op het tijdstip van de sluiting bevond.
Conclusie
4.1
Beide middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg integraal vrijgesproken.
J. Boksem, Op den grondslag der telastlegging. Beschouwingen naar aanleiding van het Nederlandse grondslagstelsel, Nijmegen: Ars Aequi 1996, p. 231.
Zie L.G.M. Stevens, B.A. de Wilde, M. Cupido, E. Fry en S. Meijer, De tenlastelegging als grondslag voor de rechterlijke beslissing. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de inrichting van de tenlastelegging en de gebondenheid eraan bij het bewijs, de kwalificatie en de straftoemeting in Nederland, België, Frankrijk, Italië en Duitsland, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 52-53 en de in voetnoten 161 en 162 genoemde rechtspraak HR 1 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1325, NJ 1999/222; HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286; HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5668, NJ 2009/465; HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4421; HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6553.
Voor de volledigheid merk ik op dat toepassing van art. 311 onder 3° (oud) Sr in combinatie met art. 311 lid 1 onder 4° en 5° Sr zou leiden tot een hoger strafmaximum, namelijk een maximale gevangenisstraf van negen in plaats van zes jaren, vgl. art. 311 lid 2 Sr. De door het hof opgelegde taakstraf van tweehonderd uren komt daarbij niet in de buurt.
Ten overvloede merk ik op dat woninginbraak in de LOVS-oriëntatiepunten wordt aangemerkt als overtreding van art. 311 lid 1 onder 5° Sr (p. 22).
Hier lijkt sprake van een rekenfout. Het totaal moet € 9.500,- zijn. Daar is het hof ook vanuit gegaan (zie de hierna onder randnummer 3.6 weergegeven overwegingen van het hof).
Overwegingen
De raadsvrouw heeft ook toen gepleit overeenkomstig de inhoud van een door haar aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht. Deze pleitnota houdt niets in over de vordering van de benadeelde partij. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om de pleitnota die op 9 augustus 2021 is overgelegd als herhaald en ingelast te beschouwen, waarmee het hof heeft ingestemd.
3.6
Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding toegewezen en daartoe – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“De [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van (hof: na correct de bedragen bij elkaar op te hebben geteld) € 4.200,00 te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering is opgebouwd uit de volgende posten:
1. Diefstal kassageld €1.950,00
2. Diverse sieraden € 6.650,00
3. Diverse merktassen € 800,00
4. Bewakingscamera € 100,00
Totaal schade €9.500,00
Minus reeds vergoedde schade
1. Kassageld – 200 euro € 1.750,00
2. Juwelen etc. € 3.550,00
(40% van de waarde)
Totaal vergoedde schade € 5.300,00
Totale vordering € 4.200,00
(…)
De verdediging heeft bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaart, primair op grond van de betoogde vrijspraak en subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt allereerst vast dat het hof het tenlastegelegde waardoor de gestelde schade is veroorzaakt, bewezen heeft verklaard, waardoor de benadeelde partij in zoverre kan worden ontvangen in de vordering.
Voorts is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks de gevorderde schade is toegebracht. Ook is het hof van oordeel dat de schadeposten voldoende aannemelijk zijn geworden, met name gelet op het feit dat deze schade ook door de verzekering is vastgesteld en deze tot uitkering is overgegaan. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot het bedrag van €4.200,00 toewijsbaar is.
(…)”
3.7
Het middel voert aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte gehouden is tot het vergoeden van schade voor “diverse merktassen”, nu het hof heeft bewezenverklaard dat slechts één handtas is gestolen.
3.8
De stellers van het middel merken terecht op dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard de diefstal van onder meer “een handtas” (zie hiervoor onder randnummer 2.4). Dit vindt bevestiging in het door het hof gebezigde bewijsmiddel 2:
“Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 januari 2019, dossierpagina’s 22-23, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde]:
Enkele dagen na de inbraak ontdekte mijn vrouw dat er een Gucci tas vanuit onze woning was weggenomen bij de inbraak.
Ik heb toen de bewakingsbeelden nog eens goed bekeken, omdat ik in eerste instantie niet had gezien dat er een tas was meegenomen door één van de drie verdachten. Ik heb toen beeldje voor beeldje nog eens gekeken en toen zag ik dat de 3 mannen twee keer in mijn woning waren geweest. De eerste keer slechts een minuut of 2. Toen de mannen naar buiten liepen zag ik op de beelden dat de voorste 1 man een handtas van mijn vrouw in zijn handen had. Nadat de mannen waren vertrokken zag ik op de beelden dat dezelfde mannen iets later wederom mijn woning betraden. In de handtas zaten enkele sieraden.”
3.9
Een blik achter de papieren muur leert mij dat de aangever en [benadeelde] in datzelfde getuigenverhoor heeft verklaard:
“De weggenomen Gucci handtas, met een waarde van ongeveer 900 euro, (zie foto) stond op de strijkplank in een kamer, waar de mannen gelijk naar toe liepen, nadat ze waren binnen gekomen.”
3.10
Mede gelet op het gevorderde schadebedrag van € 800,- en de hiervoor genoemde getuigenverklaring dat de gestolen handtas een waarde had van ongeveer € 900,- is het hof kennelijk – en niet onbegrijpelijk – uitgegaan van een kennelijke verschrijving in de vordering en heeft het die vordering aldus begrepen dat een vergoeding wordt verzocht voor de gestolen Gucci handtas ter waarde van € 800,-. In dat licht bezien treft het middel mijns inziens geen doel.
3.11
Daarbij weeg ik mee dat de verdediging de vordering in hoger beroep op dit punt niet heeft betwist en aldus kennelijk van eenzelfde lezing van de vordering is uitgegaan als het hof. De verdediging heeft in meer algemene zin verweer gevoerd over de mate van onderbouwing van de verschillende schadeposten, maar daarover klaagt het middel niet, zodat ik daar verder niet op inga.