Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-02-18
ECLI:NL:PHR:2025:235
Strafrecht
959 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. Bij arrest van 14 april 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15/870964-14 en 15/258114-14 bevestigd, behoudens ten aanzien van de strafoplegging en met correcties in het vonnis. Het hof heeft het vonnis ten aanzien van de strafoplegging vernietigd en opnieuw rechtdoende de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr.
2. Bij het genoemde vonnis had de rechtbank Noord-Holland de verdachte in de zaak met parketnummer 15/870964-14 veroordeeld voor (1) “medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen” en (2) “het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet” en in de zaak met parketnummer 15/258114-14 voor “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”.
3. Er bestaat – met inbegrip van de voorliggende zaak – samenhang tussen de zaken [betrokkene 1] (23/01465), [betrokkene 2] (23/01510 P), [betrokkene 3] (23/01511), [betrokkene 3] (23/01513 P), [betrokkene 4] (23/01593), [verdachte] (23/01604), [betrokkene 5] (23/01614), [betrokkene 5] (23/01616 P). In al deze zaken zal ik vandaag concluderen. In de zaak tegen [betrokkene 6] (23/01582), waarin geen middelen zijn ingediend, heeft de Hoge Raad op 14 november 2023 reeds arrest gewezen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H. Polat, advocaat in Haarlem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
5. De ingediende schriftuur geeft aanleiding tot het plaatsen van enkele kanttekeningen over de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
6. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan als een cassatiemiddel in de zin van artikel 437 lid 2 Sv slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het cassatiemiddel dient derhalve aan te geven waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn.
7. Ik meen dat het middel dat in deze zaak in de schriftuur wordt gepresenteerd niet is aan te merken als een cassatiemiddel in de zin van de wet. In het middel wordt namelijk enkel naar voren gebracht dat het hof heeft nagelaten te responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten, terwijl niet wordt aangegeven op welk standpunt in dit verband wordt gedoeld.
8. Nu de schriftuur geen cassatiemiddel bevat, kan het middel onbesproken blijven.
Conclusie
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270.