Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-11-25
ECLI:NL:PHR:2025:1281
Strafrecht
2,778 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.
1Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 27 februari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1 impliciet subsidiair “schuldwitwassen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/00801. In die zaak is reeds arrest gewezen.
1.3
Namens de verdachte heeft C.W.J. Faber, advocaat in Eindhoven, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij is door S.R.A. Drieshen, advocaat in ’s-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.
2Het middel
2.1
Het middel houdt verband met twee oordelen van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, te weten dat sprake is van rechtstreekse schade en dat deze vordering hoofdelijk kan worden toegewezen.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 14 januari 2015 te [plaats] , althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld op een bankrekening van [A] BV voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen door het als bestuurder van [A] BV overdragen van het bestuurderschap van die BV, inclusief de beschikking over die hoeveelheid geld op die bankrekening, aan een ander (te weten [betrokkene 1] ) terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft het hof – voor zover hier van belang – overwogen:
“Materiële schade
Het hof constateert – met de verdediging – dat de schade van de benadeelde partij is ontstaan doordat [B] naar aanleiding van een ontvangen valse/vervalste factuur een geldbedrag van € 433.182,40 heeft overgemaakt op het rekeningnummer van [A] (ik begrijp: [A] BV, D.P.). Handelingen met betrekking tot die valse/vervalste factuur zijn niet aan de verdachte of de medeverdachten ten laste gelegd. Het hof stelt echter vast dat zich de situatie voordoet waarin de verdachte een evident niet voor hem en/of zijn medeverdachten bestemd geldbedrag voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, te weten door de zeggenschap over de onderneming en door deze onderneming inclusief de bankrekening met daarop het onverschuldigd betaalde geldbedrag van de benadeelde partij over te dragen aan een ander. De verdachte heeft (een deel van) het geldbedrag niet naar (het rekeningnummer van) de benadeelde partij teruggestort, maar hij heeft het zeggenschap over dat geldbedrag juist naar een ander doorgesluisd. De witwashandelingen hebben als gevolg gehad dat de benadeelde partij het onverschuldigd betaalde geldbedrag niet met succes kan terugvorderen. Gelet op verdachtes handelen is het hof van oordeel dat sprake is van een zodanig nauw verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partij gevorderde schade, bestaande uit het door het [B] betaalde bedrag (€ 433.182,40) en het naar aanleiding daarvan door [onderzoekscentrum] verrichte onderzoek (€ 13.064,96), dat die schade redelijkerwijs kan worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
[…]
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte het witwassen van het door de benadeelde partij betaalde geldbedrag samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en de mededader allebei een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor dezelfde schade. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen zoals is gevorderd. Hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht leidt niet tot een ander oordeel.”
2.4
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, geen sprake is van een zodanig nauw verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade dat die schade redelijkerwijs kan worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht. Het enkele overdragen van een BV (inclusief een op de bankrekening van die BV staand geldbedrag) aan een derde, is niet de schadeveroorzakende gebeurtenis, aldus de steller van het middel.
2.5
Wat betreft de vraag of sprake is van rechtstreekse schade is van belang dat uit het overzichtsarrest vordering benadeelde partij van de Hoge Raad volgt dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade. Hierbij zijn de regels van het materiële burgerlijk recht van toepassing, zodat alleen voor vergoeding in aanmerking komt de schade die het gevolg is van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Dit betekent dat zowel sprake moet zijn van een condicio sine qua non-verband tussen de gedragingen van de verdachte en de ingetreden schade en de schade ook redelijkerwijs aan hem moet kunnen worden toegerekend.
2.6
In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat de witwashandelingen van de verdachte als gevolg hebben gehad dat de benadeelde partij het onverschuldigd betaalde geldbedrag niet met succes kon terugvorderen en dat derhalve sprake is van een zodanig nauw verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partij gevorderde schade, dat die schade redelijkerwijs kan worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in art. 51 lid 1 Sv.
2.7
Een vergelijking met een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2017 dringt zich op. In die zaak was de verdachte ook veroordeeld voor schuldwitwassen dat bestond uit het door de verdachte door middel van tussenpersonen (zogenaamde katvangers) oprichten van verscheidene BV’s en stichtingen. Bij een van de BV’s is toen een bedrag van € 10.550 binnengekomen, waarvan door de aangever, die zich bij het overmaken van dit bedrag had vergist in het rekeningnummer, om teruggave is verzocht. Dit bedrag is echter doorgesluisd naar een van de door de verdachte opgerichte stichtingen en vervolgens deels overgemaakt naar de rekening van de verdachte en deels contant opgenomen. Het hof wees de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 10.550 toe. Daarbij was het hof er kennelijk van uitgegaan dat het geldbedrag dat door verdachte was witgewassen, hetzelfde geldbedrag betrof als het onverschuldigd betaalde bedrag, dat door een onbekend gebleven persoon was overgemaakt naar de rekening van de stichting. De steller van het middel meende dat de onverschuldigde betaling de schadeveroorzakende gebeurtenis was en dat het oordeel dat het door de verdachte begane witwassen de schade rechtstreeks (in de zin van art. 51f Sv) had veroorzaakt, getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. Mijn voormalig ambtgenoot Harteveld concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, in de kern genomen omdat de steller van het middel uitging van een te beperkte uitleg van het begrip rechtstreekse schade.
Conclusie
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Parketnummer: 20-001826-22. Deze zaak is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2024:626.
Bij arrest van 8 juli 2025 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep in deze zaak niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet binnen de wettelijke termijn middelen van cassatie zijn ingediend.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.3.1 en 2.4.1. Art. 6:98 BW luidt: “Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”
HR 9 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3170, NJ 2004/308 m.nt. W.D.H. Asser, r.o. 3.4.2.
Zie de conclusie van voormalig AG Spier van 20 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:704, randnummer 5.4.1. Zie ook het arrest van de Hoge Raad in deze zaak (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, r.o. 3.5).
HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:651 (HR: art. 81 RO).
Vgl. in verband met rechtstreekse schade als gevolg van witwassen HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216, NJ 2015/359 m.nt. T.M. Schalken waarin de verdachte deel had genomen aan het overboeken van geld door middel van (naar later bleek) gestolen overschrijfkaarten van de rekening van de benadeelde partij naar een Nederlandse rekening en het vervolgens doorsluizen van dit geld naar een rekening in Liechtenstein en het uiteindelijk contant naar Nederland overbrengen van het geld (rechtstreekse schade door opzetwitwassen); HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:827 (HR: art. 81 RO) waarin de verdachte auto’s op zijn naam liet zetten die werden betaald via bankrekeningen van verschillende personen die het slachtoffer waren geworden van door anderen gepleegde phishing (rechtstreekse schade door schuldwitwassen); en HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1020 (HR: art. 81 RO) waarin de verdachte haar pinpas en bankgegevens af had gestaan, terwijl op de betreffende bankrekening geldbedragen terecht waren gekomen die van misdrijf afkomstig waren, namelijk van zogenaamde ‘VIN-fraude’ (rechtstreekse schade door medeplichtigheid aan witwassen). Zie ook inzake rechtstreekse schade en heling HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:779; HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5551; HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3291; HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6993 en HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985, NJ 1998/537.