Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-11-11
ECLI:NL:PHR:2025:1235
Strafrecht
2,536 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 20 september 2023 door het gerechtshof ’ s-Hertogenbosch wegens "medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 162 uren, subsidiair 81 dagen hechtenis.
1.2
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de [medeverdachte] (23/03792), in welke zaak ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Namens de verdachte heeft A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
2Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst document.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 24 juli 2014, te ’ [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, als het ware het geschrift echt en onvervalst, te weten:
een vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister [plaats] (DOC-019-02),
door genoemd geschrift te overleggen en/of te verstrekken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter verkrijging van een verblijfsvergunning, en bestaande die vervalsing daarin dat op/in het genoemde geschrift is vermeld dat:
- verdachte samen met [betrokkene 1] woonachtig en ingeschreven was in [plaats] , terwijl verdachte nimmer in [plaats] woonachtig en ingeschreven is geweest.”
2.3
Het hof heeft het bewijsverweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister. Het was de partner van de verdachte, [betrokkene 1] , die zich destijds over de voor de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht benodigde bijlagen moet hebben ontfermd. De verdachte ging er in goed vertrouwen van uit dat zijn partner destijds de juiste formulieren zou overleggen en was er derhalve niet van op de hoogte dat de verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister een vervalst geschrift betrof.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het strafdossier, alsmede het verhandelde ter terechtzitting, volgt dat de verdachte op 24 juli 2014 een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht heeft ingevuld en dat hij deze met bijlagen op 21 juli 2015 fysiek heeft ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op grond van deze aanvraag is vereist dat de aanvrager aantoont dat hij een duurzame relatie onderhoudt met een burger van de Europese Unie. Een van de manieren om een duurzame relatie aan te tonen, is door overlegging van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, zodat bewezen kan worden dat de aanvrager met een burger van de Europese Unie in het buitenland heeft samengewoond. Als bijlage bij de Aanvraag Toetsing aan het EU-recht van de verdachte is een verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister gehecht, waarin staat vermeld dat de verdachte sinds 26 januari 2013 ingeschreven stond in [plaats] (Spanje). Uit schriftelijke bescheiden van de Spaanse autoriteiten is echter gebleken dat de verdachte nimmer in Spanje in het bevolkingsregister ingeschreven heeft gestaan, hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend. Naar het oordeel van het hof is er aldus sprake van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Door dit document bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in te dienen, heeft de verdachte gebruik gemaakt van het valse geschrift.
Het hof acht bewezen dat verdachte hierin niet alleen heeft gehandeld en dat hij in ieder geval voor deze constructie medewerking heeft gekregen van een ander, zijn beweerdelijke partner.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - had op het gebruik van voornoemd vervalst geschrift. In dat verband stelt het hof voorop dat van aanvragers van een verblijfsvergunning, mede gelet op het belang dat zij hebben bij de procedure, verwacht mag worden dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij het indienen van een dergelijke aanvraag en zelf de authenticiteit van de bij de aanvraag gevoegde documenten controleren. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de aanvraag heeft ondertekend. Door een Aanvraag Toetsing aan het EU-recht te ondertekenen, waarbij bijlagen zijn gevoegd, waarvan zonneklaar is dat deze doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de aanvraag, en deze aanvraag inclusief bijlagen vervolgens in te dienen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst met het doel een verblijfsdocument voor zichzelf te verkrijgen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aanvraag een vervalst document was gevoegd en hij derhalve een vervalst document, als ware het echt en onvervalst, zou indienen. Daarmee heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van de vervalste verklaring omtrent gezinsinschrijving bevolkingsregister.”
2.4
In de voorliggende zaak is de bewezenverklaring gebaseerd op art. 225 lid 2 Sr, dat – voor zover hier van belang – strafbaar stelt het opzettelijk gebruik maken van een valselijk opgemaakt of vervalst geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst. Dit betekent dat het opzet van de verdachte gericht moet zijn op het vals of vervalst zijn van het stuk. Voor een bewezenverklaring is voorwaardelijk opzet voldoende.
2.5
In een enigszins vergelijkbare zaak die voorlag in HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:544, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de verdachte op het moment dat hij de werkgeversverklaringen bij de hypotheekofferte voegde "niet alleen [had] kunnen maar ook [had] moeten zien" dat de verklaringen onjuist waren ingevuld, de gevolgtrekking dat de verdachte daarvan met opzet gebruik heeft gemaakt, niet kan dragen.
2.6
In die zaak had het hof voor de invulling van het voorwaardelijk opzet een redenering gebruikt die eerder past bij culpa. Voor het onderscheid tussen voorwaardelijk opzet en culpa is van belang dat voorwaardelijk opzet het ‘bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het gevolg intreedt’ behelst, terwijl culpa het ‘verwijtbaar aanmerkelijke onvoorzichtig handelen ten aanzien van een gevolg’ inhoudt. Het verschil komt er vooral op neer dat men bij culpa met betrekking tot het gevolg ‘verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig’ is, terwijl het gevolg bij voorwaardelijk opzet ‘bewust wordt aanvaard’.
2.7
Onder omstandigheden kan het ‘nalaten van onderzoek’ voorwaardelijk opzet opleveren. Dit is het geval indien het bewijs van opzet kan worden gebaseerd op een onderzoeksplicht die samenhangt met de verhoogde alertheid die de mens in een bepaalde context dient te hebben, gezien de min of meer geijkte risico’s die daaraan, naar de ervaringsregels uitwijzen, zijn verbonden. Dit laat onverlet dat op die constructie de ‘bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans’ moet kunnen worden gebaseerd.
2.8
Het nalaten van onderzoek kan dus zowel opzet als culpa opleveren.
Conclusie
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen. Voor de volledigheid merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 2 oktober 2023. Daarmee is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. De schending van de redelijke termijn in de cassatiefase zal evenwel aan de orde kunnen worden gesteld na terugwijzing van de zaak.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’ s-Hertogenbosch , opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Parketnummer 20-000165-23. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2023:3173.
Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:90, onder 7.3.
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 260 (opzet) en p. 288 (culpa).
C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht, achtste druk bewerkt door F. de Jong, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 271. Zie ook punt 2 van de annotatie van B.F. Keulen onder HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2766, NJ 2017/85. Keulen wijst onder meer op HR 5 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB9221, NJ 1992/269.
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 272. Zij wijzen daarbij op HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6140.
HR 17 juni 2008, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.5.3.