Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-01-28
ECLI:NL:PHR:2025:104
Strafrecht
2,661 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1Inleiding
1.1
Bij arrest van 13 april 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 november 2021 gedeeltelijk bevestigd met overname en aanvulling van gronden. De verdachte is wegens “werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Aan deze voorwaardelijk opgelegde straf heeft het hof als bijzondere voorwaarde een contactverbod verbonden. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2Het middel
2.1
Het middel ziet op de bewijsmotivering en bevat twee deelklachten. Het middel komt ten eerste op tegen de manier waarop het hof de (aanvullende) bewijsmiddelen heeft weergegeven in het arrest. Ten tweede klagen de stellers van het middel dat uit het bewijs niet kan volgen dat de aangeefster “zich als cliënt aan verdachtes zorg had toevertrouwd” en dat ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen sprake is geweest van enige vorm van uit een hulpverleningsrelatie voortvloeiende afhankelijkheid.
De eerste deelklacht
2.2
De eerste deelklacht houdt in dat het hof, bij bevestiging van het vonnis met aanvulling van de bewijsmiddelen, in het arrest heeft volstaan met het geven van een zeer korte samenvatting van de inhoud van de bewijsmiddelen zonder de bewijsmiddelen uit te werken, terwijl dit niet is toegestaan.
2.3
In het bestreden arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen over het bevestigen en vernietigen van het vonnis:
“Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof:
- de bewijsmiddelen en de kwalificatie zal aanvullen;
[…]”.
2.4
De aanvullende bewijsmiddelen heeft het hof als volgt weergegeven:
“Bewijsmiddelen
Het hof vult het door de rechtbank gebezigde bewijs aan met de volgende twee bewijsmiddelen:
1. Een proces-verbaal van 3 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 48-49]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 juni 2019 tegenover verbalisant [verbalisant] afgelegde verklaring van [getuige] dat de verdachte betrokken was bij de aangeefster wegens haar zorgvraag en dat hij - als haar [A] - bekend was met haar hulpvraag en problematiek.
2. Een proces-verbaal van 15 juni 2021, opgemaakt door mr. C.E. Voskens, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland [los bijgevoegd]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 juni 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [aangeefster] dat de verdachte haar ging masseren, haar broek wat naar beneden deed en haar vlak bij haar billen, net erboven, heeft aangeraakt.”
2.5
Art. 359 lid 3 Sv luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
2.6
Art. 359 lid 3 Sv verlangt van de feitenrechter dat hij de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen opneemt in het vonnis. De wet bevat geen nadere regels over de manier waarop de rechter aan deze eis moet voldoen. Bij de zogeheten ‘Promis’-werkwijze worden de redengevende delen van de bewijsmiddelen samengevat in een lopend verhaal met verwijzingen naar de onderliggende processtukken in de voetnoten. In een arrest van 15 mei 2007 is de Hoge Raad ingegaan op deze vormgeving van de bewijsmotivering. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer uitgemaakt dat het samenvatten van de redengevende inhoud van een bewijsmiddel op zichzelf niet onverenigbaar is met art. 359 lid 3 Sv. Daarbij merkte de Hoge Raad wel op dat (i) de redengevend geachte inhoud van het bewijsmiddel geen geweld mag worden aangedaan en (ii) de redengevende feiten en omstandigheden moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen, waarbij niet mag worden volstaan met een gevolgtrekking zonder dat de onderliggende redengevende feiten worden opgenomen. Daarnaast blijkt uit het arrest dat (iii) de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend, zo nauwkeurig moet zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd.
2.7
In deze zaak heeft het hof gekozen voor een opsomming van de bewijsmiddelen, waarbij de omschrijving van het bewijsmiddel wordt gevolgd door een zakelijke weergave van de redengevende inhoud van het bewijsmiddel. Zoals hierboven is opgemerkt is zo’n samenvatting op zichzelf niet in strijd met art. 359 lid 3 Sv. Door de stellers van het middel is niet aangevoerd dat met deze beschrijving sprake zou zijn van denaturering van de redengevende feiten uit het bewijsmiddel of dat een gevolgtrekking is weergeven zonder de onderliggende redengevende feiten op te nemen. Ook is niet aangevoerd dat het hof onvoldoende nauwkeurig heeft beschreven aan welke wettig bewijsmiddel de (samengevatte) redengevende feiten zijn ontleend.
2.8
Bij die stand van zaken faalt de eerste deelklacht.
De tweede deelklacht
2.9
De tweede deelklacht luidt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat in de bewezenverklaarde periode de aangeefster zich als cliënt aan verdachtes zorg had toevertrouwd en/of ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen sprake is geweest van enige vorm van uit een hulpverleningsrelatie voortvloeiende afhankelijkheid.
2.10
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 21 augustus 2018 tot en met 23 oktober 2018 te [plaats] en [plaats] en [plaats] , terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [aangeefster] , die zich als cliënt aan verdachtes zorg had toevertrouwd,
door (telkens)
- die voornoemde [aangeefster] te masseren en
- over de kleding heen de billen van voornoemde [aangeefster] te betasten en/of te strelen en
- over de kleding heen de borsten en/of de ontblote borst(en) van voornoemde [aangeefster] te betasten en/of te strelen en/of te likken en/of te zoenen en
- voornoemde [aangeefster] op haar mond te kussen en vervolgens die [aangeefster] te tongzoenen.”
2.11
De aanvulling op het verkorte vonnis van de rechtbank bevat onder meer het volgende bewijsmiddel:
“1. Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina’s 8 t/m 15).
Conclusie
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 331-332. In het kader van Promis (Project Motiveringsverbetering in Strafvonnissen) werd met de Promis-werkwijze aanvankelijk meer in het algemeen gedoeld op een volledige en begrijpelijke motivering van beslissingen, waarbij de werkwijze van het samenvatten van de bewijsmiddelen onder verwijzing in de voetnoten een van de opties is voor de motivering van de bewezenverklaring. Inmiddels wordt met de ‘Promis-werkwijze’ vooral op deze variant van de bewijsmotivering gedoeld. Zie Promis Best Practice 3.0, September 2011, h. 5.3.
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388 m.nt. Y. Buruma.
Zie hierover ook de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 30 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK5616, onder 6.7.
Zie voor de toetsing in cassatie bijvoorbeeld HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4443 en HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4762.
Vervallen met de inwerkingtreding van de wet van 20 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag (Wet seksuele misdrijven) op 1 juli 2024 (Stb. 2024, 61).
HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1505, r.o. 2.4.
Zie de conclusie van mijn ambtgenote Spronken van 12 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1308, onder 7-9.
Zie punt 27 van de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en voorgedragen pleitnotities van de raadsman.
Vgl. Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 8, p. 8: “De leden van D66 menen dat er ook sprake kan zijn van gewenst seksueel contact tussen hulpverlener en patiënt/cliënt. Uiteraard zal het wel voorkomen dat tussen hulpverlener en patiënt/cliënt een relatie groeit, doch zolang de verhouding hulpverlener en patiënt/cliënt blijft bestaan, zal er toch altijd een vorm van afhankelijkheid bestaan die gevolgen kan hebben voor ‘de vrijwilligheid’ van de seksuele relatie.”