Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2025-09-23
ECLI:NL:PHR:2025:1027
Strafrecht
11,410 tokens
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. Na een integrale vrijspraak in eerste aanleg is de verdachte bij arrest van 28 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplichtigheid aan/tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 227 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van vijftig uur, subsidiair 25 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof een, niet voor het cassatieberoep relevante, beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. De middelen bevatten alle vier klachten over de (ontoereikende en/of onbegrijpelijke) motivering van de bewezenverklaring.
De bewezenverklaring
3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 19 september 2020 te Breda, tezamen en in vereniging met elkander en met een of meer anderen, flessen lachgas en een nektasje (inhoudende circa 800 euro) en een pet en een paar sandalen en twee jassen en een sleutel, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorden, hebben weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken welk geweld of bedreiging heeft bestaan uit
- het bij de nek vastpakken van die [slachtoffer 2] en het vervolgens naar de grond werken/brengen van die [slachtoffer 2] en
- het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 2] ,
terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg, te weten op een aan de [a-straat] liggende parkeerplaats,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 19 september 2020 te Breda opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en een ander met een door hem, verdachte, bestuurde auto en zich bewust van de aanwezigheid van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in die auto te vervoeren naar en nadien van de plaats delict (om aldaar lachgas te halen) en/of,
- die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en een ander de gelegenheid te geven om die auto te beladen met een of meer flessen lachgas en andere weggenomen goederen,
- vervolgens met die personen en die goederen weg te rijden van de plek van de diefstal.”
De bewijsvoering
4. Deze bewezenverklaring berust op achttien bewijsmiddelen, zoals opgenomen in het bestreden arrest d.d. 28 juni 2023 (p. 4-13). Ik volsta ermee hier een aantal daarvan uit te lichten:
“1. Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] door de rechter-commissaris d.d. 21 december 2021, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik werd (het hof begrijpt: op 19 september 2020) gebeld voor een bestelling. Ongeveer om 10 voor 3/3 uur in de nacht. Ik werd gebeld door een jongen die een tank wilde bestellen van 4 kg. Bij voetbalvereniging [A] (het hof begrijpt: aan de [a-straat] te Breda) bevond hij zich. Ik ben daar toen naartoe gereden. Ik zag daar twee auto’s staan. Ik zag een rode Fiat en een zwarte Polo. Ik ben richting de zwarte Polo gereden en toen ben ik uit mijn bus gestapt en naar achteren gelopen om de bus te openen.
Toen kwam de jongen zonder gezichtsbedekking en krullen naar me toe lopen. Die kwam de bestelling afnemen. Ik wilde de bus openen en de fles uit de bus pakken. Toen werd ik bij mijn nek vastgepakt en naar achteren getrokken, naar de grond. Toen zijn er jongens uit de zwarte Polo gestapt en naar de bus gelopen/gerend en hebben vervolgens mijn bus leeg gehaald. De jongen zonder gezichtsbedekking stond nog bij mij. Die hield mij onder schot. Verder weet ik dat een van de jongens geen gezichtsbedekking had en de anderen wel. De andere jongens haalden mijn bus leeg en de lachgasflessen gingen in de zwarte Polo. Toen ze de auto hadden volgeladen zijn ze weg gereden. De jongen met het wapen die bij mij stond met het wapen op mij gericht is uiteindelijk ook in de zwarte Polo gestapt toen ze klaar waren.
De personen in de rode Fiat waren de getuigen. Het meisje van die auto heeft het kenteken genoteerd.
Nadat de jongens waren weg gereden heb ik mijn broer (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) gebeld. Mijn broer heeft toen de politie gebeld. Daarnaast zijn er ook spullen van mij weggenomen, een pet, slippers, nektas, geld in de nektas. Dat was rond de € 800,-, waarvan € 300,- van mij was. Er zijn ook nog een gele Peuterey jas en nog een jasje weggenomen. Alles was van mij, behalve het geld van mijn broer.
De zwarte Polo stond met de koplampen aan richting mij toen ik aan kwam rijden. De rode Fiat stond in het parkeervak achterin. Ik stopte een stukje voor de zwarte Polo. De lichten van de Polo stonden gericht naar de ingang van de parkeerplaats. De koplampen van de bus waren gericht richting het bos. De zwarte Polo is op enig moment nog verplaatst. Dichterbij aan de achterkant van mijn bus zodat ze het konden inladen. De situatie ging heel snel. Ik was echt flabbergasted. Ik kwam aanrijden, stapte uit en ik werd naar de grond geduwd en er werd een vuurwapen op me gericht. Er waren vier of vijf man om mij heen.
(…)
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2020 (dossierpagina’s 705707), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] :
Op zaterdag 19 september 2020, omstreeks 03:18 uur, was ik verbalisant [verbalisant 1] belast met de noodhulpsurveillance voor de politie-eenheid Zeeland West-Brabant, district Baronie, team Markdal. Ik werd vergezeld door mijn collega [verbalisant 2] . Wij kregen de melding om te gaan naar de [a-straat] (hof: [a-straat] ) te Breda, aldaar zou zojuist een lachgasbezorger zijn beroofd onder bedreiging van een vuurwapen.
De buit die zou zijn weggenomen waren onder andere lachgasflessen, zijn autosleutel van een Fiat en verschillende soorten kleding. De daders zouden met 4 of 5 man zijn en zijn weggevlucht in een zwarte Volkswagen Polo voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Hierop ben ik, [verbalisant 1] , direct gaan rijden in de richting van de plaats delict.Toen ik, [verbalisant 1] , reed over de Graaf Hendrik III laan in de richting van de Graaf Engelbertlaan, zag ik in tegenovergestelde richting over de Graaf Hendrik III laan in de richting van de Boeimeersingel een zwartkleurige Volkswagen rijden. Daar ik, [verbalisant 1] , niet kon zien wat voor soort auto dit betrof en geen kenteken had kunnen lezen besloot ik mijn dienstvoertuig te keren. Ik zag dat, toen ik mijn dienstvoertuig keerde, de door mij geziene Volkswagen, ineens zijn snelheid verhoogde en ogenschijnlijk weg wilde komen vanaf ons dienstvoertuig. Toen ik, [verbalisant 1] , achter de genoemde Volkswagen kwam te rijden, zag ik dat deze vanaf de Graaf Hendrik III laan, rechtsaf de Boeimeersingel op reed. Ik, [verbalisant 1] , zag dat het kenteken van deze zwarte Volkswagen, een type Polo, [kenteken 1] was en dus overeenkwam met het genoemde voertuig van de beroving.
Feiten
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 19 september 2020 werd [slachtoffer 2] omstreeks 02:50 uur gebeld door een jongen die 4 kilogram lachgas bestelde. [slachtoffer 1] is daarop met zijn bestelbus (Fiat Doblo) naar de parkeerplaats van Voetbalvereniging [A] aan de [a-straat] te Breda gereden om de bestelling af te leveren. Op het moment dat [slachtoffer 1] de parkeerplaats opreed bevond zich aan het eind van de parkeerplaats een Rode Fiat 500 met daarin gezeten, [getuige 2] en [getuige 1] . Dichter bij de uitgang van de parkeerplaats stond een zwarte Volkswagen Polo met daarin achter het stuur verdachte [verdachte] . De Volkswagen Polo stond met de neus gericht naar de uitgang van de parkeerplaats. In de Volkswagen Polo zaten naast [verdachte] op zijn minst nog vier andere personen.
[slachtoffer 2] is in de richting van de Volkswagen Polo gereden en uitgestapt. Een jongen stapte uit de Volkswagen Polo en benaderde hem om het bestelde lachgas over te nemen. Toen [slachtoffer 1] de bus aan de achterzijde wilde openen werd hij van achteren bij zijn nek vastgepakt en naar de grond getrokken. Terwijl de jongen een wapen op [slachtoffer 1] gericht hield, stapten andere jongens uit de Volkswagen Polo. Zij haalden de lachgasflessen uit de bestelbus en laadden die over naar de Volkswagen Polo, die aan de achterkant van de bestelbus stond. Tevens werden een pet, slippers/sandalen, een nektas met daarin € 800,- (waarvan een geldbedrag van € 500,- toebehoorde aan zijn broer [slachtoffer 1] ), een zwarte en een gele jas (merk: Peuterey) alsmede de autosleutel van de bestelbus weggenomen. Vervolgens zijn de overvallers in de Volkswagen Polo weggereden.
Op 19 september 2020 omstreeks 3.15 uur vernamen de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van de meldkamer dat 5 minuten eerder een lachgasverkoper was overvallen door 5 personen op de [a-straat] te Breda.
De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn naar aanleiding van de melding uit gaan zien naar de auto waarin de plegers van de overval zouden zijn gevlucht, te weten een Volkswagen Polo, gekentekend [kenteken 1] . Rijdend over de Graaf Hendrik III laan in de richting van de Graaf Engelbertlaan, zagen zij een zwarte auto hen tegemoetkomen. Hierop keerden de verbalisanten en volgden het voertuig. De bestuurder verhoogde daarop direct de snelheid. De verbalisanten zagen dat het kenteken overeenkwam met het kenteken van de vluchtauto dat aan hen was doorgegeven en dat het een Volkswagen betrof. Toen de bestuurder de Volkswagen Polo net voor de [b-straat] tot stilstand bracht, zagen de verbalisanten vier personen uit de auto wegrennen en hielden zij de bestuurder, verdachte [verdachte] , aan. In de Volkswagen Polo troffen zij een jas, een autosleutel, sandalen (slippers) en dertien lachgasflessen aan.
Twee van de wegvluchtende personen, te weten [betrokkene 3] en [betrokkene 1] zijn in of op de nabijgelegen [flat] aangetroffen. Op camerabeelden is te zien dat ook [betrokkene 2] zich in de [flat] bevond. Hij heeft echter weten te ontsnappen en is later buiten heterdaad aangehouden. Uit de camerabeelden volgt dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] tussen 3.20.05 uur en 3.20.23 uur de [flat] zijn ingegaan.
In en nabij deze flat werden de overige ontvreemde goederen teruggevonden. Rond 08.00 uur die ochtend trof de politie op aanwijzing van een getuige op het wegdek van de Graaf Hendrik III laan een vuurwapen en munitie aan. Het vuurwapen was zwart en had een bruine kolf. Dit wapen werd gevonden op dezelfde locatie als waar de politie een aantal uren daarvoor de Volkswagen Polo naar aanleiding van de melding van de overval op [slachtoffer 1] in het oog kreeg en de achtervolging inzette. Het aangetroffen vuurwapen, dat gelet op de bruine kolf een vrij specifiek wapen betreft, vertoont grote overeenkomsten met het vuurwapen afgebeeld op een Screenprint (p. 917) van een op de telefoon van de verdachte aangetroffen filmpje. Dit filmpje is gelet op de in de metagegevens vermelde datum en tijdstip, te weten 19 september 2020, 00:32.12 gemaakt tijdens de autorit van Rotterdam naar Breda.
de betrokkenen
Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat op het moment dat de Volkswagen Polo in de nabijheid van de [b-straat] tot stilstand kwam (omstreeks 3.18 uur) naast verdachte, als bestuurder, ook [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] in het voertuig aanwezig waren. Het hof gaat er gelet op de korte tijdspanne tussen het moment van de overval (omstreeks 3.10/3.15 uur) op de parkeerplaats bij de [a-straat] en het moment van aantreffen van de Volkswagen Polo op de [b-straat] van uit dat deze personen ook betrokken waren bij de overval op [slachtoffer 2] , waarbij sprake was van geweld c.q. bedreiging met een wapen en goederen zijn ontvreemd.
bedreiging met geweld?
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op de gronden zoals vermeld in de pleitnota op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden verklaard dat bij de overval op [slachtoffer 2] gebruik is gemaakt van een wapen.
Het hof deelt dit standpunt niet. Weliswaar is de wijze waarop politie en justitie kennis hebben gekregen van het incident op 19 september 2020, op zijn minst genomen opmerkelijk, nu niet het slachtoffer [slachtoffer 2] maar zijn broer [slachtoffer 1] daarvan (valse) aangifte heeft gedaan, desalniettemin acht het hof de later door [slachtoffer 2] op 21 december 2021 onder ede afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris met betrekking tot het dreigen met een wapen voldoende betrouwbaar. Immers, deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] , zoals afgelegd bij de politie (p. 666) inhoudende dat hij iemand op de grond zag liggen en dat een man een geweer vast had en op de man op de grond richtte. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] op 29 oktober 2021 onder ede verklaard dat hij kon zien dat het een wapen was, althans iets wat op het hoofd van de man gericht was. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er ook een vuurwapen voorhanden is geweest nu met de mobiele telefoon van de verdachte tijdens de autorit van Rotterdam naar Breda een videobestand is gemaakt van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in een tas. Ook is er in de ochtend van 19 september 2020, enige uren na de overval op de vluchtroute van de Volkswagen Polo een vuurwapen met kogels op het wegdek aangetroffen. Dit vuurwapen, dat gelet op de bruine kolf een vrij specifiek wapen betreft, vertoont grote overeenkomsten met het vuurwapen afgebeeld op het op de telefoon van de verdachte aangetroffen filmpje.
(…)
medeplichtigheid?
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de verdachte als medeplichtige aan de diefstal met geweld c.q. bedreiging met geweld kan worden aangemerkt, zoals subsidiair tenlastegelegd.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1 ° of 2° Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.
Dictum
Het eerste middel en de toelichting daarop
6. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewijsvoering tegenstrijdig is, in het bijzonder ten aanzien van ’s hofs vaststelling over het verplaatsen van de Volkswagen Polo op het parkeerterrein.
7. Aan het middel is, blijkens de toelichting daarop, ten grondslag gelegd dat het hof voor de bewezenverklaring redengevend heeft geacht dat de verdachte de VW Polo heeft verplaatst – zodat deze ter hoogte van de achterkant van de bestelbus van de aangever stond, met de neus richting de in- en uitgang van het parkeerterrein –, maar dat de gebezigde bewijsmiddelen en ’s hofs nadere bewijsmotivering tegenstrijdig zijn over het moment waarop de verdachte dit heeft gedaan. Het belang van het middel is er klaarblijkelijk in gelegen dat, indien de verdachte de VW Polo heeft verplaatst vóórdat de aangever op het parkeerterrein arriveerde, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, waarom die verplaatsing redengevend zou zijn voor de bewezenverklaring, meer specifiek het opzet van de verdachte op de diefstal met (bedreiging met) geweld, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het eerste middel
8. Uit de bewijsvoering van het hof kan (onder meer) het volgende worden afgeleid:
- In de nacht van 19 september 2020 is [slachtoffer 2] (de lachgasverkoper) met zijn bestelbus (Fiat Doblo) naar de parkeerplaats aan de [a-straat] te Breda gereden om een bestelling lachgas af te leveren. Op het moment dat hij de parkeerplaats opreed, bevond zich aan het eind van de parkeerplaats een rode Fiat 500, en dichterbij stond – met zijn neus richting de in- en uitgang van de parkeerplaats – een zwarte VW Polo geparkeerd met daarin de verdachte (als bestuurder) en vier medepassagiers.
- De lachgasverkoper heeft de situatie op het parkeerterrein als volgt omschreven: “De zwarte Polo stond met de koplampen aan richting mij toen ik aan kwam rijden. De rode Fiat stond in het parkeervak achterin. Ik stopte een stukje voor de zwarte Polo. De lichten van de Polo stonden gericht naar de ingang van de parkeerplaats.” Getuige [getuige 1] , die met zijn vriendin [getuige 2] in de rode Fiat op de parkeerplaats zat, heeft verklaard dat naast hen op een gegeven moment een donkerkleurige VW Polo was komen staan. “Hij zag dat na enige tijd deze Polo verplaatste en in de buurt van de uitgang van de parkeerplaats ging staan. Kort hierop zag hij de witte bestelbus van, naar later bleek de lachgasverkoper, aan komen rijden en stoppen bij de Polo.” Zijn vriendin, [getuige 2] , heeft beschreven hoe een andere auto (de VW Polo) de parkeerplaats kwam oprijden. “Die parkeerde een eindje van ons vandaan. Er kwam een wit busje aan. Toen reed de auto een stukje naar achteren.”In een door haar bij de rechter-commissaris getekende situatieschets heeft [getuige 2] de VW Polo ter hoogte van de achterkant van de bus van de lachgasverkoper gepositioneerd, met de neus richting de zijde van het parkeerterrein waar zich de in- en uitgang bevond.
- Het hof heeft uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] afgeleid dat de VW Polo ongeveer vijftien minuten vóór de lachgasverkoper op de parkeerplaats parkeerde. Toen de lachgasverkoper met de bestelbus was gearriveerd, heeft de verdachte de VW Polo (met de neus richting de in- en uitgang van de parkeerplaats) achter de bestelbus gezet, waarna er – uitgaande van de lezing van de verdachte en de aangever – vier jongens uit de VW Polo zijn gestapt. Vervolgens hebben zij de lachgasverkoper, die de bus aan de achterzijde wilde openen, met geweld tegen de grond gewerkt en bedreigd met een wapen, terwijl zij ondertussen de lachgastanks uit zijn bestelbus hebben overgeladen naar de VW Polo.
9. De klacht dat de bewijsvoering tegenstrijdig is over het moment waarop de verdachte de VW Polo heeft verplaatst, berust m.i. op een verkeerde lezing van het arrest. Uit de bewijsvoering blijkt immers dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, nádat de lachgasverkoper met zijn bestelbus de parkeerplaats was opgereden, de VW Polo een stukje heeft verplaatst/geherpositioneerd zodat deze achter de bestelbus stond. Dat getuige [getuige 1] daarnaast heeft verklaard dat hij de VW Polo heeft zien verplaatsen vóórdat de lachgasverkoper was gearriveerd, maakt dat niet anders. Anders dan de steller van het middel, acht ik ’s hofs bewijsvoering dan ook niet tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk.
10. Het eerste middel snijdt geen hout.
Het tweede middel
11. Het tweede middel houdt in dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van getuigen [slachtoffer 2] , [getuige 1] en [getuige 2] , terwijl die getuigenverklaringen ontoelaatbare conclusies, gissingen en/of meningen bevatten.
De bespreking van het tweede middel
12. Naar aanleiding van de overval op de parkeerplaats heeft de lachgasverkoper ( [slachtoffer 2] ) verklaard: “De zwarte Polo is op enig moment nog verplaatst. Dichterbij aan de achterkant van mijn bus zodat ze het konden inladen”. De verklaring van getuige [getuige 1] – door verbalisant [verbalisant 3] weergegeven in zijn proces-verbaal van bevindingen – houdt in dat verband in: “Vervolgens zag hij dat iedereen in de Polo stapte en dat deze vervolgens hard weg reed.”
13. Het hoeft geen betoog dat ontoelaatbare conclusies, gissingen en/of meningen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. In de voornoemde passages, beschrijven [slachtoffer 1] en [getuige 1] , echter uitsluitend feiten en omstandigheden die zij op de parkeerplaats met eigen ogen hebben waargenomen. Dit betreffen, anders dan de steller van het middel ingang wil doen vinden, geen ontoelaatbare conclusies, gissingen en/of meningen. In zoverre faalt het middel.
14. Dat ligt anders wat betreft de verklaring van getuige [getuige 2] . Haar verklaring houdt in dat ‘ze’ (de verdachten) achteruit reden, en verder: “Ik denk om iets makkelijk uit het busje kunnen uitladen en weg te rijden.” Naar het mij voorkomt verklaart [getuige 2] hier over de intenties van de verdachten. Intenties kan een getuige slechts afleiden, niet waarnemen. Afleidingen en gevolgtrekkingen zijn in beginsel voorbehouden aan de rechter. Het hof mocht van de aarzelingen over de intenties van de verdachten voor het bewijs dan ook geen gebruik maken.
15. Toch is voor cassatie – om meerdere redenen – geen aanleiding, nu het hof uit de waarnemingen van [getuige 2] kennelijk heeft afgeleid dat de verdachten het busje hebben verplaatst ‘om iets makkelijk uit het busje te kunnen uitladen en wegrijden’, en zodoende een conclusie van een getuige tot de zijne heeft gemaakt. Bovendien geldt dat de bewijsvoering ook zonder deze conclusie van [getuige 2] niet onbegrijpelijk is.
16. Het middel faalt ook in zoverre.
Het derde middel
17. Het derde middel bevat de klacht dat het hof voor de bewezenverklaring redengevend heeft geacht dat de verdachte als enige een rijbewijs had, terwijl dit niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid, en het hof bovendien heeft verzuimd aan te geven aan welk bewijsmiddel deze omstandigheid dan wél is ontleend.,
De bespreking van het derde middel
18. De omstandigheid dat de verdachte (als enige) een rijbewijs had, heeft het hof kennelijk afgeleid uit de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 juni 2023 afgelegde verklaring, inhoudende: “Ik bestuurde de Volkswagen Polo omdat ik een rijbewijs had.”
19. Hoewel ik de steller van het middel wil toegeven dat de verdachte niet heeft verklaard dat hij de enige was met een rijbewijs, staat op grond van de bewijsvoering vast dat de verdachte kort na de overval als bestuurder van de VW Polo is aangehouden, terwijl in die auto (onder meer) de gestolen lachgasflessen zijn aangetroffen. Tegen deze achtergrond ontgaat mij het belang dat de steller van het middel met deze klacht voor ogen staat.
Conclusie
27. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
28. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 6 juli 2023, hetgeen dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
29. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
In zijn schriftuur wijst de steller van het middel in dat kader op de volgende passage uit het bestreden arrest, p. 18 (onderstreping van mijn hand): “De omstandigheid dat de verdachte de auto heeft verplaatst en ter hoogte van de achterkant van de bus van de lachgasverkoper en met de neus gericht naar de zijde van het parkeerterrein waar de uitgang van de parkeerplaats zich bevond heeft gezet, zoals blijkt uit de door getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris gemaakte situatieschets, duidt er ook op dat hij zich bewust was van hetgeen zich zou gaan voordoen en leidt bovendien tot de conclusie dat hij vol zicht moet hebben gehad op hetgeen zich voor hem afspeelde.”
Bewijsmiddel 1.
Bewijsmiddel 10. Zie ook de verklaring van [getuige 1] weergegeven onder bewijsmiddel 11. “De auto van de jongens was een zwarte Polo en die stond een tijdje stil. Ik denk dat ze daar tien minuten tot een kwartier stonden voordat de andere auto kwam.”
Bewijsmiddel 12.
Bewijsmiddel 12a.
Zie arrest, p. 18.
Zie arrest, p. 18.
Vgl. bijv. HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:998, en de conclusie van Spronken die daaraan voorafging (ECLI:NL:PHR:2024:477). Zie voorts HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1326, NJ 1999/247; HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8936, NJ 2006/62; HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2711; HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8270, NJ 2007/526, en HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:4. Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 338-339.
Aan een verklaring van een getuige wordt de eis gesteld dat het de mededeling betreft van feiten of omstandigheden, door de getuige zelf waargenomen of ondervonden. De grens tussen het waarnemen van feiten, het doen van gissingen en het trekken van conclusies is niet heel scherp. Men kan zich vergissen in wat men denkt waar te nemen. Zie bijv. de conclusie van A-G Keulen van 6 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:791 (HR: art. 81 RO).
Overigens, ook de in de schriftuur verdedigde opvatting dat de vraag “of er hard of zacht werd gereden” een ontoelaatbare mening betreft van een getuige (i.c. getuige [getuige 1] ), deel ik niet.
Immers, uit de overige vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat – nadat de VW Polo door de verdachte achter de bestelbus was gezet – de lachgastanks door de overvallers uit de bestelbus werden overgeladen naar de VW Polo, waarna de overvallers in de VW Polo zijn gestapt en de verdachte met verhoogde snelheid van de parkeerplaats is afgereden. Zie het arrest, p. 18.
De steller van het middel doelt op rechtspraak waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Zie HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165; HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers; HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8738, en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:708.
Het is de steller van het middel klaarblijkelijk te doen om de volgende overweging uit de bewijsmotivering van het hof (onderstreping van mijn hand): “Het hof acht het, zo hij al niet eerder bekend was met het plan, ook niet geloofwaardig dat de verdachte gedurende de tijd die hij samen met de anderen op de parkeerplaats heeft doorgebracht in afwachting van de komst van de lachgasverkoper niet bekend is geraakt met de plannen van zijn medepassagiers, temeer nu hij kennelijk omdat hij als enige een rijbewijs had als bestuurder van een auto om de buit te vervoeren en tevens als vluchtauto diende te fungeren.”
Zie bewijsmiddel 3 en 4.
Zie de cassatieschriftuur, p. 8-10.
Conclusie
Toen ik, [verbalisant 1] , over de Boeimeersingel reed, zag ik dat de bestuurder het voertuig tot stilstand bracht net voor de afslag naar de [b-straat] . Ik, [verbalisant 1] , zag op dat moment dat er 4 verdachten uit het verdachte voertuig, wegrenden in verschillende richtingen. Ik zag dat er 2 verdachten wegrenden over de Boeimeersingel in de richting van de Graaf Hendrik III laan en dat er 2 verdachten wegrenden in de richting van de [b-straat] . Ik, [verbalisant 1] , zag dat op dat moment de bestuurdersportier van het verdachte voertuig nog gesloten was en zag door de achterruit van de auto heen een persoon zitten op de bestuurdersstoel. Later bleek deze verdachte te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000. Vervolgens heb ik, [verbalisant 1] , vanaf de rechterachterbank in het voertuig de aldaar aangetroffen Fiat autosleutel uit het voertuig gehaald.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2020 (dossierpagina’s 683685), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :
Op zaterdag 19 september 2020 was ik, verbalisant [verbalisant 2] , belast met een handhavingsdienst vanuit basisteam Markdal. Ik deed dienst samen met politieambtenaar [verbalisant 1] . Ik zag (hof: in de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] ) dat voor de passagiersstoel slippers (het hof begrijpt: sandalen) lagen van het merk Off-White. Ik zag dat er een spijkerjas lag. Ik zag dat in de kofferbak meerdere lachgasflessen lagen. Ik zag dat dit er ruim tien waren.
(…)
10. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 september 2020 (dossierpagina’s 666-667), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 19 september 2020 verklaarde getuige [getuige 1] telefonisch dat hij omstreeks 02.50 uur met zijn vriendin (hof: [getuige 2] ) in zijn auto op de parkeerplaats stond van [A] , gelegen aan de [...] (hof: [a-straat] ) te Breda. Naast hen was op een gegeven moment een donkerkleurige Volkswagen Polo komen staan. Hij zag hierin ten minste vijf personen. Hij kon er hiervan slechts één omschrijven. Dit betrof een man met krullen, een zwart Adidas trainingspak met witte accenten (hiermee bedoelde hij de strepen op de zijkant van de broek en mouwen en het merkteken). Hij zag dat na enige tijd deze Polo verplaatste en in de buurt van de uitgang van de parkeerplaats ging staan. Kort hierop zag hij de witte bestelbus van, naar later bleek de lachgasverkoper, aan komen rijden en stoppen bij de Polo. Plots hoorde hij iets van een soort klap en keek wederom in de richting van de twee voornoemde voertuigen. Hij zag iemand op de grond liggen en meerdere personen goederen uit de bestelwagen in de Polo laden. Hij zag dat de man met de krullen en het Adidas trainingspak een geweer vast had en dit richtte op de man op de grond. Vervolgens zag hij dat iedereen in de Polo stapte en dat deze vervolgens hard weg reed. De man op de grond bleef liggen.
11. Het proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris d.d. 29 oktober 2021, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik zat (hof: op 19 september 2020) in de auto op de parkeerplaats bij het sportveld. Ik zat in een Fiat 500. Ik was toen samen met mijn vriendin, [getuige 2] .
Er waren drie voertuigen op het terrein. Ik was er als eerste. Ik stond toen alleen. Toen kwamen de overvallers, die stonden eerst een hele lange tijd stil. Toen kwam het busje. De auto van de jongens was een zwarte Polo en die stond een tijdje stil. Ik denk dat ze daar tien minuten tot een kwartier stonden voordat de andere auto kwam. Het busje kwam aan en toen gingen ze gelijk aan de slag. Ik zag de jongen op de grond zitten en ik zag het wapen. De jongen zat met opgetrokken knieën. Eentje stond erbij met wapen op hem gericht, althans iets wat op zijn hoofd gericht was. (..) Mijn vriendin en ik zijn toen samen naar de jongen gereden en hebben naast hem geparkeerd. Ik herkende zijn gezicht. Ik ken zijn naam niet, maar ze noemden hem vroeger ‘ [naam 1] ’. Ik herkende hem van vroeger van de buurt.
Feiten
Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast ten aanzien van de rol van de verdachte.
De verdachte is op 19 september 2020 omstreeks 2.03 uur samen met 2 andere personen als bestuurder van de Volkswagen Polo vertrokken vanaf het Shell-benzinestation te Hazeldonk (p. 798). Hij en zijn medepassagiers zijn op weg gegaan naar de parkeerplaats bij voetbalvereniging [A] aan de [a-straat] te Breda om een tank lachgas te gaan halen die telefonisch was besteld bij [slachtoffer 2] . De verdachte was gezegd dat hij onderweg nog een paar jongens op moest halen, hetgeen hij heeft gedaan. Hij reed naar eigen zeggen in de auto omdat hij de enige was die een rijbewijs had. Volgens de verdachte waren zij met vijf personen toen zij op de parkeerplaats arriveerden. Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] leidt het hof af dat zij daar ongeveer 15 minuten vóór [slachtoffer 1] parkeerden. Toen [slachtoffer 1] met de bestelbus was gearriveerd, heeft de verdachte de Volkswagen Polo met de neus richting de uitgang van de parkeerplaats, achter de bestelbus gezet. Vervolgens zijn er uitgaande van de lezing van de verdachte, die ook past bij de verklaring van [slachtoffer 1] , 4 jongens uit de Volkswagen Polo gestapt. Nadat [slachtoffer 1] met geweld tegen de grond was gewerkt en terwijl hij werd bedreigd met een wapen, werden de lachgastanks uit zijn bestelbus overgeladen in de Volkswagen Polo, waarna de overvallers in de Volkswagen Polo zijn gestapt en de verdachte met verhoogde snelheid van de parkeerplaats is afgereden.
Door het besturen van de auto naar de parkeerplaats midden in de nacht, het ophalen van een aantal voor hem kennelijk onbekende jongens, het beschikbaar houden van de auto om de lading over te dragen en vervolgens te fungeren als vluchtauto is de verdachte voorafgaand aan en gelijktijdig aan het plegen van het misdrijf behulpzaam geweest bij het plegen van het misdrijf dat ook is voltooid.
Het hof is van oordeel dat de verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gronddelict nu hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn handelingen behulpzaam zou zijn aan het plegen van de gewelddadige overval op [slachtoffer 2] , gepleegd door [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Uit het eerder genoemde videobestand dat op de iPhone 6S van de verdachte is aangetroffen en gemaakt is tijdens de rit van Rotterdam naar Breda, nog voor de stop bij Hazeldonk, volgt zoals hiervoor overwogen dat er zichtbaar een wapen in de auto aanwezig was. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het wapen in de auto, te meer nu het filmpje op verdachtes telefoon stond. Het hof acht het, zo hij al niet eerder bekend was met het plan, ook niet geloofwaardig dat de verdachte gedurende de tijd die hij samen met de anderen op de parkeerplaats heeft doorgebracht in afwachting van de komst van de lachgasverkoper niet bekend is geraakt met de plannen van zijn medepassagiers, temeer nu hij kennelijk omdat hij als enige een rijbewijs had als bestuurder van een auto om de buit te vervoeren en tevens als vluchtauto diende te fungeren. De omstandigheid dat de verdachte de auto heeft verplaatst en ter hoogte van de achterkant van de bus van [slachtoffer 1] en met de neus gericht naar de zijde van het parkeerterrein waar de uitgang van de parkeerplaats zich bevond heeft gezet, zoals blijkt uit de door getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris gemaakte situatieschets, duidt er ook op dat hij zich bewust was van hetgeen zich zou gaan voordoen en leidt bovendien tot de conclusie dat hij vol zicht moet hebben gehad op hetgeen zich voor hem afspeelde. Tenslotte leidt het hof ook uit het gedrag van de verdachte nadat het feit al was gepleegd, af dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn handelingen bijdroeg aan de overval, nu door getuige [getuige 1] is waargenomen dat de auto die de verdachte bestuurde met verhoogde snelheid de parkeerplaats verliet en door de politie is gerelateerd dat de bestuurder van de Volkswagen Polo bij het zien van de politieauto onderweg zijn snelheid verhoogde. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn als voorwaardelijk opzet op het tenlastegelegde gronddelict te weten diefstal met (bedreiging met) geweld.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Conclusie
12. Het proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris d.d. 4 november 2021, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Ik weet dat ik op een parkeerplaats stond (het hof begrijpt: bij voetbalvereniging [A] aan de [a-straat] te Breda). Ik was samen met mijn vriend, [getuige 1] . De auto (het hof begrijpt: een rode Fiat) stond geparkeerd. Er kwam een andere auto. Die parkeerde een eindje van ons vandaag. Er kwam een wit busje aan. Toen reed de auto een stukje naar achteren. Op een gegeven hoorde ik het geluid, dat ik herken als het geluid van lachgasflessen. Dat geting. Ik heb het kenteken onthouden en ik heb dat tegen de jongen gezegd. Volgens mij waren zijn jas en schoenen afgepakt. U vraagt mij waar wij geparkeerd stonden. Ergens achterin de parkplaats bij [A] Ik zat achter het stuur en mijn vriend zat naast mij. Op een gegeven moment reed de auto met de jongens achteruit en toen stapten de jongens uit. Op een gegeven moment hoorde ik veel kabaal en toen zag ik de jongen op de grond liggen. Er was verlichting van de parkeerplaats, maar niet van de voetbalvereniging. Ikzelf heb twee jongens zien lopen. Volgens mij zaten ze met 4 a 5 jongens in de auto. Dat weet ik omdat ze naast ons stonden en er mensen achterin zaten. Ik zag er in ieder geval twee voorin zitten toen ze naast ons stopten. Ik zag er later twee achterin stappen. Binnen 5 minuten, nadat het busje aan kwam rijden waren zij al weer weg. We hadden wel tegen hem (hof: het slachtoffer [slachtoffer 1] ) gezegd dat de jongens al een kwartier naast ons stonden voordat hij aankwam.
Toen ik het geting hoorde heb ik het slachtoffer niet gezien. Ik zag hem pas op de grond liggen toen de jongens wegreden. Hij lag achter het busje. Ik hoorde lachgasflessen tegen elkaar klappen. U vraagt mij wat de afstand was tussen de bus en de auto van de jongens. Ik denk 2 a 3 meter. Ze reden achteruit. Ik denk om iets makkelijk uit het busje te kunnen uitladen en weg te rijden.
12a.
De door getuige [getuige 2] getekende situatieschets, als bijlage gevoegd bij het hiervoor (onder bewijsmiddel 12) genoemde proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] door de rechter-commissaris d.d. 4 november 2021.
De getuige heeft op deze situatieschets de Volkswagen Polo waarin de verdachte zich bevond aangeduid met nummer 2. De getuige heeft het voertuig op de situatieschets ter hoogte van de achterkant van de bus van [slachtoffer 2] en met de neus richting de zijde van het parkeerterrein waar de in-en uitgang zich bevond, gepositioneerd.
(…)
16. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 september 2020 (dossierpagina’s 74-78), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: vraag verbalisant
A: antwoord verdachte
V: Je bent vannacht aangehouden om 03.22 uur als bestuurder van een zwarte Polo?
Wat gingen jullie doen?
A: Het was weekend en we zouden gaan chillen. Twee vrienden van mij en die andere twee had ik net leren kennen. Vanaf Rotterdam zijn we naar Breda gegaan in 2 auto’s.
A: Iemand van de jongens heeft lachgas besteld. Er was een afspraak gemaakt ergens en
daar gingen we het ophalen.
V: Wie reed in de brandstof auto?
A: Ik
V: Hoe wist jij waar je naar toe moest rijden?
A: Iemand had het op zijn telefoon op navigatie. Deze persoon zat naast mij in de auto.
V: Heeft hij gezegd waar je heen moest?
A: Ja
V: Dan kom je ergens aan. Waar was dat?
A: gewoon een parkeerplaats
V: En dan?
A: Gingen ze lachgas ophalen daar op die parkeerplaats.
V: Wie ging het ophalen?
A: Die jongens
V; Hoeveel jongens?
A: Vier
V: Je zegt daarstraks dat er vier jongens uit de auto kwamen die jij bestuurde ?
A: Dat klopt we hebben in Breda nog twee personen opgehaald. Ergens onderweg ik weet niet waar ergens buiten, in Breda
V: Hoe wist je waar je moest zijn?
A: De jongen die naast mij zat wees mij de weg
V: Als jullie bij de parkeerplaats aankomen met hoeveel zijn jullie dan?
A: Met vijven met mijzelf erbij gerekend
18. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 14 juni 2023 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik ben in de nacht van 18 september 2020 op 19 september 2020 vanuit Rotterdam naar Breda gereden. Op enig moment reed ik in de Volkswagen Polo. Bij mij zaten, oude vrienden, [betrokkene 4] en [betrokkene 2] in de auto. Het kan zijn dat ik de Volkswagen Polo op de parkeerplaats bij de [a-straat] te Breda heb gedraaid. Er was maar 1 in-en uitgang.”
5. Het hof heeft zijn bewezenverklaring als volgt nader gemotiveerd:
“De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – op de gronden zoals verwoord in de pleitnota – primair aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van hetgeen zich buiten de auto, waarin hij als bestuurder gezeten was, afspeelde en ook niet wist dat er een overval zou worden gepleegd en dat hij derhalve ook geen opzet kan hebben gehad op het overvallen van lachgasverkoper [slachtoffer 2] . Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat, indien de verdachte wel op de hoogte was van de (te plegen) overval, zijn bijdrage – het besturen van de auto, niet voldoende wezenlijk was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Nu geen sprake is van opzet op de tenlastegelegde diefstal met geweld c.q. bedreiging met geweld kan de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid evenmin bewezen worden verklaard.
Het hof overweegt als volgt.