Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-01-23
ECLI:NL:PHR:2024:86
Strafrecht
2,246 tokens
Conclusie
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 26 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens 1. "mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2° en 5° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd", 2. “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” en 3. “een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben”. Het hof heeft vervolgens op de voet van art. 423 lid 4 Sv de straf voor het niet in het hoger beroep betrokken feit 4 bepaald op vier maanden jeugddetentie. Voor de feiten 1 tot en met 3 heeft het hof aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van tien maanden, waarvan zeven voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest opgelegd. Aan het voorwaardelijk strafdeel is door het hof een proeftijd van twee jaren verbonden. Ten slotte heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.000,00 toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee verbonden heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 22/04163. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en T. de Heer, advocaat te Almere, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het middel komt op tegen de wijze waarop het hof bij de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 een door de verdachte geschetst ‘alternatief scenario’ heeft verworpen.
2.2
Voor de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van het hof verwijs ik naar (de bijlage bij) het bestreden arrest. Hier is sprake van een geval waarin het hof tot een veroordeling is gekomen voor feiten waarvan de verdachte door de rechtbank was vrijgesproken, terwijl in cassatie wordt geklaagd over de bewezenverklaring. Vergelijking van het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof leert, dat de rechtbank voor de feiten 1 en 3 wel enig bewijs aanwezig achtte voor de tenlastegelegde handelingen, maar oordeelde dat dit had plaatsgevonden buiten de tenlastegelegde periode. In hoger beroep is de tenlastegelegde periode door een wijziging van de tenlastelegging uitgebreid, waarna het hof tot een veroordeling is gekomen. Wat betreft feit 2, heeft de rechtbank de vrijspraak onder andere gemotiveerd met de overweging dat niet kan worden vastgesteld dat op een filmpje van seksuele handelingen het slachtoffer, [slachtoffer] , te zien is. In hoger beroep is een aanvullend proces-verbaal aan het dossier toegevoegd waarin het slachtoffer verklaart zich op dit filmpje te herkennen. Het hof heeft dit proces-verbaal mede ten grondslag gelegd aan de bewezenverklaring van feit 2. In die zin lijken de oordelen van de rechtbank en het hof minder ver uit elkaar te liggen dan men op het eerste gezicht zou denken.
2.3
In het middel worden twee sporen bewandeld. De eerste is dat het hof de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg over ‘zijn kant van het verhaal’ onterecht heeft aangemerkt als een betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaringen van het slachtoffer in plaats van als een alternatief scenario. Had het hof dit wel gedaan, dan had het, aldus de steller van het middel, als toets moeten aanleggen ‘of het geschetste alternatieve scenario van de verdachte wordt uitgesloten door de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden en daarmee onvoldoende aannemelijk is geworden.’ Een tweede (alternatieve) klacht die ik in het middel lees, is dat het hof ‘onvoldoende concludent’ zou hebben gemotiveerd om welke reden het ‘het scenario van aangeefster / het OM’ heeft gevolgd en niet dat van de verdachte.
2.4
Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen (vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359). Het hof heeft hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd kennelijk niet gezien als een beroep op een dergelijke alternatief scenario. Deze aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van het gevoerde verweer acht ik niet onbegrijpelijk en in (de toelichting van) het middel wordt ook niet uiteengezet waarom dat wel het geval zou zijn. Volstaan wordt - naar de kern bezien - met een citaat van twee pagina’s van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg (hetgeen een weergave betreft van wat aldaar door de verdachte is verklaard en waarin in feite niet meer is te lezen dan de blote ontkenning door de verdachte, dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept of zegt iets niet te weten) en een verwijzing naar een referentie aan dit ‘scenario’ door de raadsman van de verdachte in zijn pleitnota in hoger beroep (bestaande uit een samenvatting van de verklaringen van aangeefster en dezelfde blote ontkenningen van de verdachte). De vraag zou zelfs kunnen worden gesteld of in het middel en de toelichting daarop, een stellige en duidelijke klacht wordt geformuleerd over waar het in de motivering van het hof aan schort.
2.5
Hoe dan ook faalt het middel.
Het tweede middel
3.1
Het middel bevat een klacht over de strafoplegging. Volgens de steller van het middel zou het hof onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het zou zijn overgegaan tot het opleggen van een ‘gevangenisstraf van 10 maanden’. Die motivering zou, mede in het licht van hetgeen ter zitting is aangevoerd, tekortschieten.
3.2
Het standpunt van de raadsman waar in de cassatieschriftuur naar wordt verwezen is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep (van 12 oktober 2022). Het betreft de volgende passage:
‘Ten aanzien van de strafmaat. Ik verzoek u toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en als er al een straf opgelegd wordt dan kan dat hoogstens voor feit 3. De straf die de verdachte in eerste aanleg voor feit 4 heeft gekregen is al hoog. De verdachte heeft geen recidive wat betreft wapenfeiten. De opgelegde straf zou niet verhoogd hoeven worden als de verdachte ook voor feit 3 veroordeeld wordt. Voorts is artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ik merk tot slot op dat de eis van de advocaat-generaal erg hoog is. We hebben het hier over jonge mensen die hun leven thans anders hebben ingericht. De verdachte [verdachte] is niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om die substantieel hogere strafeis te motiveren.’
3.3
Voor de strafmotivering verwijs ik naar het bestreden arrest.
3.4
Het is mij een raadsel wat met het middel wordt beoogd. Om te beginnen merk ik op dat het hof geen gevangenisstraf van tien maanden heeft opgelegd maar jeugddetentie van tien maanden, waarvan zeven voorwaardelijk. Daarmee is ook gezegd dat het verzoek van de raadsman om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht is toegewezen en in zoverre dus niet is afgeweken van het door hem ingenomen standpunt. Voor zover het middel van iets anders uitgaat, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het dus feitelijke grondslag.
Conclusie
5.1
Alle middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81 lid 1 RO. Voor het eerste middel ligt zo een afdoening minder voor de hand omdat zich de hiervoor onder 2.2. genoemde situatie voordoet dat de verdachte in hoger beroep is veroordeeld voor feiten waarvan hij in eerste aanleg was vrijgesproken, terwijl in cassatie wordt geklaagd over de bewijsvoering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.8.6.