Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-09-03
ECLI:NL:PHR:2024:798
Strafrecht
2,418 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 27 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met een aantal bijzondere voorwaarden. Verder heeft het hof beslist op twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Namens de verdachte heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof het verweer van de verdediging over een alternatieve toedracht omtrent de feiten op ontoereikende gronden heeft verworpen.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 14 augustus 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning gelegen aan de [a-straat 1] een of meer goederen en/of geld van hun gading, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer] , weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak met zijn mededader naar de woning is gegaan en zijn mededader
- met een breekijzer de voordeur heeft beschadigd en
- vervolgens met een breekijzer een ruit heeft ingeslagen en
- (via dat verbroken raam) de woning is binnengegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. In hoger beroep is door de verdediging vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet wist dat zijn medeverdachte een inbraak wilde plegen en dat de verdachte hem heeft proberen tegen te houden. Het hof heeft dit verweer strekkende tot vrijspraak in zijn bewijsoverweging als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte was samen met zijn [medeverdachte] naar de woning in de [a-straat] gereden, maar de verdachte wist niet dat zijn medeverdachte daar wilde inbreken. Pas aangekomen bij de woning zag de verdachte dat zijn medeverdachte een breekijzer bij zich had. De verdachte heeft hem geprobeerd tegen te houden. Zijn DNA is op de voordeur van de woning terecht gekomen, omdat hij zich had verwond aan de glasscherven van de ingeslagen ruit. Uit frustratie dat hij zich had verwond en dat hij zijn medeverdachte niet kon tegen houden, heeft hij tegen de deur van de woning getrapt. Dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm voor de getuigen daardoor lijkt dat hij de medeverdachte hielp met inbreken, is een onjuiste conclusie die is getrokken door de getuigen. Daarbij verklaren de getuigen op onderdelen anders van elkaar. Voorts heeft de medeverdachte op de terechtzitting in eerste aanleg een verklaring gegeven die de verklaring van de verdachte ondersteunt. De verdachte heeft aldus de verdediging een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid bij de woning. […]
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk in een auto naar de directe omgeving van de plaats delict zijn gereden, dat de verdachte in het bijzijn van de medeverdachte stond en bleef staan terwijl deze (meermalen) met een breekijzer de deur probeerde te openen en (vervolgens) het glas van de voordeur in sloeg, dat de verdachte op de voordeur van de woning sloeg, met zijn voet met kracht tegen de deur trapte en vervolgens, nadat zijn medeverdachte in de woning was geweest, samen met zijn medeverdachte wegrende. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de verdachte tezamen met zijn medeverdachte heeft gepoogd in te breken in de woning. De handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte, zoals die volgens de getuigen zijn verricht, zijn te kwalificeren als een begin van uitvoering van een inbraak, omdat de gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van dat misdrijf.
[…]
De verklaring van de verdachte dat hij zijn medeverdachte enkel wilde tegenhouden, acht het hof mede gelet op bovenstaande onaannemelijk geworden. Geen van de getuigen heeft immers gezien dat de verdachte zijn medeverdachte probeerde tegen te houden of dat er een duw of worsteling tussen beiden heeft plaatsgevonden. De verklaring van [medeverdachte] , zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, acht het hof ongeloofwaardig, nu zijn verklaring onvoldoende gedetailleerd is, op punten afwijkt van de verklaring van de verdachte en niet wordt ondersteund door de diverse getuigenverklaringen.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende bewijsverweren van de verdediging in al hun onderdelen.”
6. Bij de bespreking van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat als door of namens de verdachte een alternatieve lezing van de gebeurtenissen wordt aangedragen, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan de rechter bijvoorbeeld doen door opneming van wettige bewijsmiddelen, maar ook door te overwegen dat en waarom de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld dan wel dat en waarom de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht (anderszins) niet aannemelijk is geworden.
7. In de onderhavige zaak heeft het hof op grond van de bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte:
(i) en zijn medeverdachte gezamenlijk in een auto naar de directe omgeving van de plaats delict zijn gereden;
(ii) in het bijzijn van de medeverdachte stond en bleef staan terwijl deze (meermalen) met een breekijzer de deur probeerde te openen;
(iii) het glas van de voordeur in sloeg;
(iv) op de voordeur van de woning sloeg en met zijn voet met kracht tegen de deur trapte;
(v) vervolgens, nadat zijn medeverdachte in de woning was geweest, samen met zijn medeverdachte wegrende.
8. Dat het hof op grond van deze gedragingen van de verdachte heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zijn medeverdachte enkel wilde tegenhouden, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte naar mijn oordeel niet goed in lijn te brengen zijn met het door de verdediging aangedragen scenario. Dat de verdachte zijn medeverdachte heeft proberen tegen te houden, verhoudt zich immers slecht met (bijvoorbeeld) de vaststelling dat de verdachte naast zijn medeverdachte is blijven staan terwijl deze de deur probeerde open te breken en de vaststelling dat de verdachte het glas van de voordeur insloeg en met kracht tegen de deur trapte. Daarbij wijs ik er bovendien nog op dat het hof heeft overwogen dat geen van de getuigen heeft gezien dat de verdachte zijn medeverdachte probeerde tegen te houden of dat er een duw of worsteling tussen hen heeft plaatsgevonden.
9.
Conclusie
15. Het eerste middel faalt. Het tweede middel leidt niet tot cassatie. Nu het eerste middel een klacht bevat over de bewijsvoering en de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt toepassing van art. 81 lid 1 RO minder in de rede.
16. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat op 28 juni 2022 cassatieberoep is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.5.
Zie HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 3.2.2.
HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219, m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.3.
HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799, NJ 2010/610, m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.3. Zie nadien HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1341, r.o. 2.3 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1422, r.o. 2.3.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer.