Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-08-27
ECLI:NL:PHR:2024:773
Strafrecht
2,011 tokens
=== CONCLUSIE ===
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 april 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:875) het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 januari 2022 (ECLI:NL:RBNHO:2022:312), bevestigd onder aanvulling van gronden. Bij voormeld vonnis is de verdachte wegens het primair tenlastegelegde, "doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
De zaak
2.1
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Bewezen is verklaard dat de verdachte zijn dochter van drie maanden oud opzettelijk heeft gedood. Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte “zodanig geweld” heeft uitgeoefend op “het hoofd en/of het lichaam” van zijn dochter, [slachtoffer] , dat er “forse krachten hebben plaatsgehad op de hersenen”, waaraan de baby is overleden.
2.2
De rechtbank en het hof hebben niet kunnen vaststellen uit welke handelingen het geweld precies heeft bestaan. Zowel hevig schudden als stompen van de baby past bij het waargenomen letsel. Het letsel bestaat kort gezegd uit hersenletsel, bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, diverse oogletsels en gebroken ribben. De verdachte heeft erkend bij zijn dochter te zijn geweest toen zij onwel werd. Hij heeft ontkend enige vorm van geweld te hebben gebruikt jegens zijn dochter. In cassatie staan de door het hof vastgestelde letsels evenwel niet meer ter discussie. Ook wordt niet geklaagd over (de begrijpelijkheid van) de vaststelling dat deze letsels door geweld zijn ontstaan. Wel wordt in het middel geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had op de dood van zijn dochter. Meer specifiek richt het cassatiemiddel zich op het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het meisje als gevolg van zijn handelen zou overlijden. Dat dit handelen de aanmerkelijke kans op overlijden meebracht, wordt dan weer niet betwist.
2.3
Voor de bewijsvoering en de verwerping van (in hoger beroep) gevoerde verweren, verwijs ik naar de - op rechtspraak.nl gepubliceerde - uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam. Ik citeer hier alleen de passage van de rechtbank over het voorwaardelijk opzet:
“Opzet
De rechtbank stelt evenals de officier van justitie voorop dat op grond van de bewijsmiddelen niet is vast komen te staan dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen. De vraag die vervolgens voorligt is of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
Volgens vaste jurisprudentie is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de dood - aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens (bewust) heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een jonge baby als [slachtoffer] bijzonder kwetsbaar is. Bij de omgang met een baby is behoedzaamheid geboden. Dit impliceert dat er een reële kans bestaat dat het krachtig schudden van het hoofd en/of impacttrauma op het hoofd; met als gevolg schade aan de hersenen, kan leiden tot de dood van een baby.
[slachtoffer] , een baby van drie maanden oud, is komen te overlijden door zeer ernstig hersenletsel. Dit letsel kan slechts zijn toegebracht door het veroorzaken van een heftig trauma waarbij op enigerlei wijze sprake is geweest van hevige krachtsinwerking of geweld. Vanwege de ontkennende proceshouding van de verdachte is het onduidelijk gebleven welke handelingen door de verdachte precies zijn verricht. Ondanks uitnodigingen van de rechtbank aan de verdachte of hij zich gedragingen kan herinneren die mogelijk tot dit fatale resultaat kunnen hebben geleid, heeft hij daarvan geen enkele indicatie gegeven. Bij die stand van zaken legt het eindresultaat, zoals dat is beoordeeld door de deskundigen, in doorslaggevende zin gewicht in de schaal bij de bewijswaardering. Vast staat, zo volgt uit de eerdergenoemde rapporten, dat er aanzienlijke kracht op [slachtoffer] is uitgeoefend. De deskundige Karst heeft in zijn rapport verwezen naar een studie waaruit blijkt dat het toebrengen van hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact dusdanig heftig is, dat getuigen de handeling direct als gevaarlijk zouden kwalificeren. Ter terechtzitting heeft de deskundige daaraan toegevoegd dat uit die studie blijkt dat buitenstaanders de handelingen die kunnen leiden tot ernstig hersenletsel zoals bij [slachtoffer] geconstateerd, als zeer gewelddadig bestempelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom het uitoefenen van een aanzienlijke kracht in enigerlei vorm op een baby van drie maanden oud naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door zijn handelen zou komen te overlijden. Van zodanige gedragingen, waarbij in het midden moet blijven waarin deze hebben bestaan, moet op grond van de bewijsmiddelen, sprake zijn geweest.”
Het middel
3.1
In cassatie wordt dit oordeel bestreden. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsvoering kan volgen.
3.2
In het middel en de toelichting daarop lees ik één meer gespecificeerde klacht. Deze houdt in dat de vaststelling dat buitenstaanders de handelingen die leiden tot ernstig hersenletsel zoals bij het slachtoffer geconstateerd, “als zeer gewelddadig bestempelen”, niet genoeg is voor de vaststelling dat de verdachte opzet moet hebben gehad op haar dood, omdat dit opzet in zo een geval ook gericht kan zijn op zwaar lichamelijk letsel. Daarbij speelt in deze zaak de vraag welke eisen gesteld worden aan het bewijs van opzet op de dood bij onduidelijkheid over de precieze handelingen die tot de dood hebben geleid.
3.3
Het is vaste jurisprudentie dat indien wordt vastgesteld dat iemand hevig heeft geschud met een baby, dit de conclusie rechtvaardigt dat deze persoon opzet had op de dood van de baby. Dat geldt ook indien de ten laste gelegde en bewezenverklaarde gedragingen bestonden uit het uitoefenen van “hevig schuddend en/of hevig stompend en/of botsend geweld op het hoofd” en als in de bewezenverklaring dus geen keuze wordt gemaakt in de exacte doodsoorzaak, zoals ook is gebeurd in de onderhavige zaak.
3.4
De vraag is of dit anders zou moeten zijn gelet op hetgeen in feitelijke aanleg en in cassatie wordt aangevoerd, en dan in bijzonder het aspect dat de exacte doodsoorzaak niet is vast komen te staan.