Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-07-02
ECLI:NL:PHR:2024:726
Strafrecht
5,244 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is [geboortedatum] hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een tweetal schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is op 7 juni 2022 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd dat de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld het laatste woord te voeren als bedoeld in art. 311 lid 4 Sv.
1.3
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
2Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof “art. 311 lid 4 Sv, althans beginselen van een behoorlijke procesorde” heeft geschonden, omdat het hof voordat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten, de verdachte niet heeft binnengeroepen teneinde hem de gelegenheid te geven het laatste woord te voeren.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2022 houdt, voor zover van belang, in:
“De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van: de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing.
De verdachte legt op vragen van de voorzitter met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde een verklaring af, inhoudende: (…)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde een verklaring af, inhoudende: (…)
Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden verklaart de verdachte: (…)
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 mei 2022, betreffende de verdachte.
De verdachte deelt mede dat hij graag een brief aan het hof wil overleggen.
In aanvulling hierop deelt de raadsvrouw mede dat de verdachte heeft opgeschreven wat hem dwars zit, dat hij zich niet begrepen voelt en dat hij weinig vertrouwen heeft in het systeem.
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, overhandigt de verdachte de brief aan de voorzitter.
De voorzitter stelt vast dat de brief is gedateerd op 2 november 2021.
De raadsvrouw vraagt de verdachte wat hij nodig heeft.
De verdachte antwoordt: (…)
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor: (…)
De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en legt de vordering aan het gerechtshof over.
De voorzitter maant de verdachte aan stil te zijn of buiten de zittingszaal te wachten. [Cursivering A-G]
De verdachte verlaat hierop de zittingszaal. [Cursivering A-G]
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging: (…)
De advocaat-generaal voert het woord tot repliek: (…)
De raadsvrouw voert het woord tot dupliek: (…)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juni 2022 te 09.00 uur.”
2.3
In het middel en de toelichting daarop wordt in het bijzonder over het volgende geklaagd. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte door de voorzitter, direct nadat de advocaat-generaal heeft gerequireerd en voordat de raadsman het woord tot de verdediging heeft gevoerd en de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken, voor de keuze gesteld stil te zijn of buiten de zittingszaal te wachten. Vervolgens heeft de verdachte de zaal verlaten. Daarna is het onderzoek voortgezet. Nadat de verdediging het woord tot de verdediging heeft gevoerd, maar voordat het onderzoek is gesloten, heeft het hof de verdachte niet binnengeroepen teneinde hem het recht te geven het laatst te spreken. Niet kan worden gesteld dat de verdachte bewust vrijwillig van zijn recht op het laatste woord afstand heeft gedaan nu de verdachte voor de keuze is gesteld buiten te wachten. Daaruit volgt dat de verdachte er op kon en mocht vertrouwen dat hem nog het recht zou worden gegeven het laatste te spreken, althans heeft het hof ten onrechte niet doen blijken te hebben onderzocht in hoeverre de verdachte bewust afstand heeft gedaan van zijn recht. Het hof heeft daarom volgens de steller van het middel in strijd gehandeld met het op straffe van nietigheid voorgeschreven voorschrift van art. 311 lid 4 Sv, althans de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat het arrest moet worden vernietigd.
2.4
Het vierde lid van art. 311 Sv luidt:
“Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken”.
2.5
Het recht van de verdachte op het ‘laatste woord’ betekent dat de verdachte (of bij zijn afwezigheid de op grond van art. 279 Sv gemachtigde raadsman), op straffe van nietigheid, als laatste de gelegenheid krijgt nog aan te voeren wat dienstig kan zijn voor de beoordeling van de zaak. De gedachte hierachter is dat “geen onderdeel van het onderzoek, hetwelk ten bezware van verdachte zou kunnen strekken, door dezen onweersproken behoeft te blijven”. Zo moet de verdachte opnieuw het recht worden gelaten het laatst te spreken indien de advocaat-generaal na het laatste woord van de verdachte nog uitlatingen doet die vergezeld worden van “inhoudelijk op de strafzaak van de verdachte betrekking hebbende argumenten”. Verder biedt het recht als laatste te spreken de verdachte de gelegenheid “het menselijk element in het strafproces nog eens doordringend te laten klinken. (…) Het kan een verzuchting, een exclamatie, een ernstige beschuldiging, een roep om begrip, een verontschuldiging of – dat is niet uitgesloten – een (nieuw) pleidooi zijn waarin nog eens wordt overgedaan wat de raadsman reeds heeft gepresteerd.” De bevoegdheid om het laatst te spreken komt zowel de verdachte als diens raadsman toe, maar áls de verdachte aanwezig is, gaat het natuurlijk in het bijzonder om hem. De rechter moet de verdachte ambtshalve de gelegenheid bieden het laatste woord te voeren. Als de raadsman van die bevoegdheid gebruik wil maken, zal hij zelf moeten bewaken dat hem daartoe de gelegenheid wordt geboden. Dat de verdachte daadwerkelijk de mogelijkheid is geboden om het laatst te spreken dient expliciet te blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting.
2.6
In de onderhavige zaak gaat het om het bijzondere geval waarin de verdachte de zittingszaal heeft verlaten nadat hem door de voorzitter de keuze was gelaten stil te zijn of buiten de zittingszaal te wachten. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Het is de vraag of ook in dit geval de verdachte recht had op het laatste woord en zo ja, of het aan de voorzitter was om de verdachte daartoe aan het einde van het onderzoek weer binnen de zittingszaal te roepen, of dat het aan de raadsman van de verdachte was om daarom te verzoeken. Teneinde die vraag te beantwoorden zoek ik niet alleen aansluiting bij art.
Conclusie
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat sinds het instellen van het beroep in cassatie meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen of verwezen – of, wanneer dat niet het geval is, de Hoge Raad zelf – zal met deze overschrijding rekening dienen te houden. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf van vier weken kan worden volstaan met de constatering van die schending.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:890.
HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1239, NJ 2015/298, m.nt. N. Rozemond en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:972, NJ 2017/249.
HR 10 januari 1950, ECLI:NL:HR:1950:45, NJ 1950/317.
Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:364 en HR 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1069, NJ 1995/710. Zie ook randnummer 3.7 e.v. van de conclusie van A-G Bleichrodt van 18 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1376 (vóór HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:79).
G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. XV.22, p. 772.
Vgl. T. Spronken, Verdediging. Een onderzoek naar de normering van het optreden van advocaten in strafzaken, diss. Maastricht, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 250 en 251.
Vgl. de annotatie van J. de Hullu onder HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243 en P.H.P.H.M.C. van Kempen in Melai/Groenhuijsen, aant. 7.2 bij art. 311 Sv, actueel t/m 1 februari 2004.
HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243, m.nt. J. de Hullu.
Vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:503; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:890 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3078, HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4134 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3773.
Aldus C.V. Pelsser in Tekst & Commentaar, aant. 6 bij art. 273 Sv, actueel t/m 1 april 2024.
Zie opnieuw C.V. Pelsser in Tekst & Commentaar, aant. 6 bij art. 273 Sv, actueel t/m 1 april 2024.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. XV.2, p. 701.
Tegen het bevel tot verwijdering (een ordemaatregel) staat geen cassatieberoep open. Zie HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897, NJ 2010/303, m.nt. Y. Buruma. De annotator wijst erop dat met een beroep op art. 6 EVRM iets dergelijks wel kan worden bewerkstelligd.
Vgl. onder meer HR 23 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7569, NJ 1982/627 en HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1239, NJ 2015/652, m.nt. N. Rozemond.
Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. XV.2, p. 700. Daar wordt uit dit arrest afgeleid dat wanneer de verdachte zich tegen het requisitoir keert, de rechter moet nagaan of het nodig is dat de verdachte ook zijn recht op het laatste woord wordt ontnomen.
HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163), NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken, rov. 3.33.
HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820, NJ 1998/243, rov. 5.2, met kritische noot J. de Hullu, onder 4 en 5. Voorheen was dit anders, zie bijvoorbeeld HR 5 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8888, NJ 1992/285.
Aldus HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007, NJ 2008/43, rov. 4.5, met een positief kritische noot van P.A.M. Mevis.
Aldus ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. XV.2, p. 701
Hetgeen in feite ook het geval was in HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007, NJ 2008/43, m.nt. P.A.M. Mevis.
In het aanhangige wetsvoorstel voor het nieuwe wetboek van strafvordering is het recht op het laatste woord opgenomen in art. 4.2.63 in de titel ‘sluiting van het onderzoek’. In de memorie van toelichting wordt hierover gezegd dat deze plaats meer recht doet aan de belangrijke functie van het recht op het laatste woord en dat op deze wijze wordt benadrukt dat de verdachte nog iets kan meegeven aan de rechter net voordat de beraadslaging begint (kamerstukken 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 969-970).
Conclusie
311 lid 4 Sv, maar tevens bij de uitleg die in jurisprudentie en literatuur wordt gegeven aan art. 273 lid 3 Sv.
2.7
Art. 273 lid 3 Sv luidt:
“Indien de verdachte de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan de voorzitter zijn verwijdering uit de zittingzaal bevelen en, zo nodig, bepalen dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting in verzekering wordt gesteld. De behandeling van de zaak wordt op tegenspraak voortgezet. Artikel 124, vierde lid, is van toepassing.”
2.8
De in art. 273 lid 3 Sv bedoelde verwijdering kan tijdelijk zijn of voor het resterende deel van het onderzoek ter terechtzitting voortduren. De rechterlijke bevoegdheid om te bevelen dat de verdachte uit de zittingszaal wordt verwijderd is op zichzelf niet in strijd met het recht van de verdachte om op de terechtzitting aanwezig te zijn. De ordeverstoring die uiteindelijk tot verwijdering leidt, kan – mede gelet op de daaraan voorafgegane waarschuwing – worden beschouwd als een impliciet afstand doen van het recht op aanwezigheid. De verwijdering mag echter niet langer duren dan strikt noodzakelijk is voor een behoorlijke behandeling van de zaak. Ook verdient het gezien de belangen van de verdachte aanbeveling om voor de sluiting van het onderzoek na te gaan of het mogelijk is de verdachte weer toe te laten. Uit de tweede volzin van art. 273 lid 3 Sv blijkt dat de verwijdering van de verdachte uit de zittingszaal er niet aan afdoet dat de behandeling van de zaak op tegenspraak blijft. De raadsman mag dus blijven optreden, ook al heeft hij op dat moment geen uitdrukkelijke machtiging in de zin van art. 279 lid 1 Sv.
2.9
De Hoge Raad heeft meerdere arresten gewezen in zaken waarin in cassatie wordt geklaagd dat het hof de verdachte vanwege een ordeverstoring heeft verwijderd uit de zittingszaal of dat het hof de verdachte heeft beperkt in de omvang van het laatste woord. Arresten waarin een gewaarschuwde verdachte de zittingszaal heeft moeten verlaten en waarin in cassatie wordt geklaagd dat de verdachte (daardoor) zijn laatste woord in het geheel niet heeft kunnen voeren, lijken er nauwelijks te zijn. Een eerste voorbeeld hiervan is HR 18 mei 1971, DD 71.079. Het cassatiemiddel luidde dat de politierechter geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de verdachte om schriftelijk vonnis te wijzen en hem niet het laatste woord heeft verleend. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op bevel van de politierechter uit de gehoorzaal was verwijderd en dat hij zijn verzoek om een schriftelijk vonnis deed op het moment waarop hij buiten de orde was, hetgeen meebrengt dat de verdachte zich niet met vrucht op het bepaalde in art. 311 lid 4 en art. 379 Sv kan beroepen.
2.10
Een tweede voorbeeld is HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007, NJ 2008/43 m.nt. P.A.M. Mevis. Het middel behelsde de klacht dat, nadat de verdachte uit de zittingszaal was verwijderd, het hof de verdachte niet in de gelegenheid had gesteld kennis te nemen van het gehele requisitoir van de advocaat-generaal, zich te verdedigen en het laatste woord te voeren. De voorzitter had de verdachte, die niet door een raadsman werd bijgestaan, wegens herhaalde ordeverstoring uit de zittingszaal laten verwijderen. Het hof had de verdachte op een later moment niet (meer) in de gelegenheid gesteld zonder ordeverstoringen bij de verdere behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en het woord te voeren. De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van twaalf jaren en requireerde buiten aanwezigheid van de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat gelet op art. 6 EVRM het hof onder deze omstandigheden (A-G: geen bijstand van een raadsman en een hoge strafeis) na afloop van het requisitoir van de advocaat-generaal had dienen na te gaan of de verdachte, binnen door de voorzitter te bepalen grenzen van de orde op de terechtzitting, in staat en bereid zou zijn de verdediging te voeren.
2.11
Ik keer terug naar de hiervoor in 2.6 gestelde vraag of in het geval waarin de verdachte de zittingszaal heeft verlaten nadat hem door de voorzitter de keuze was gelaten stil te zijn of buiten de zittingszaal te wachten, de verdachte recht heeft op het laatste woord en zo ja, of het aan de voorzitter is om de verdachte daartoe aan het einde van het onderzoek weer binnen de zittingszaal te roepen dan wel of het aan de raadsman van de verdachte is om daarom te verzoeken. Het lijkt mij behulpzaam dat ik daarbij een aantal situaties over het aanwezigheidsrecht en/of het recht op het laatste woord en/of de uit de zittingszaal verwijderde verdachte onderscheid.
i. Wanneer de verdachte na een correcte betekening van de dagvaarding niet ter terechtzitting is verschenen kan de zaak bij verstek worden behandeld (art. 280 lid 1 Sv). De niet verschijning wordt – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – begrepen als een vrijwillige afstand van het aanwezigheidsrecht (en die afstand omvat ook het afstand van het laatste woord).
ii. Wanneer de verdachte na een correcte betekening van de dagvaarding niet ter terechtzitting is verschenen, maar zijn bepaaldelijk gemachtigd raadsman wel, kan de zaak worden behandeld. Die behandeling geldt als een behandeling op tegenspraak (art. 279 Sv). De raadsman heeft in dit geval de bevoegdheid als laatste het woord te voeren (art. 331 Sv). Hij moet zelf bewaken dat hij de gelegenheid krijgt die bevoegdheid te effectueren.
iii. De verdachte is ter terechtzitting verschenen. De zaak wordt op tegenspraak behandeld. De verdachte moet op straffe van nietigheid in de gelegenheid worden gesteld als laatste het woord te voeren (art. 311 lid 4 Sv).
iv. De verdachte is samen met zijn raadsman ter terechtzitting verschenen. De zaak wordt op tegenspraak behandeld. Evenals onder iii. moet de verdachte op straffe van nietigheid in de gelegenheid worden gesteld als laatste het woord te voeren. Voor zover de raadsman als één na laatste nog het woord wil voeren, dient hij daarom te verzoeken. (Dus idem als onder ii).
v. De verdachte is ter terechtzitting verschenen en heeft geen raadsman. De zaak wordt op tegenspraak behandeld. Wanneer de verdachte op enig moment met inachtneming van art. 273 Sv uit de zittingszaal wordt verwijderd, blijft er sprake van een behandeling op tegenspraak (art. 273 lid 3, één na laatste volzin, Sv). Aangenomen wordt dat de verdachte met zijn gedrag (impliciet) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, anders gezegd: hij heeft dat recht zelf verspeeld. Het ligt voor de hand dat afstand van het aanwezigheidsrecht ook afstand van het laatste woord omvat, maar daarop zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld als een zware gevangenisstraf is geëist.Voorstelbaar is dat gelet op art. 6 EVRM de lat lager wordt gelegd. Zo heeft Mevis in zijn noot onder HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007, NJ 2008/43 bepleit: “De regel dat het gerecht in elk geval voor de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting onderzoekt of een verwijderde verdachte wellicht toch – onder voorwaarde van het achterwege laten van verdere ordeverstoringen – in staat is om het laatste woord te voeren en daar ook behoefte aan heeft, kan, als algemene regel, zelfs wel in het Wetboek van Strafvordering worden opgenomen.”
vi. De verdachte is ter terechtzitting verschenen met zijn raadsman. De zaak wordt op tegenspraak behandeld. Wanneer de verdachte op enig moment met inachtneming van art. 273 Sv uit de zittingszaal wordt verwijderd, blijft er sprake van een behandeling op tegenspraak (art. 273 lid 3, één na laatste volzin, Sv). De raadsman wordt geacht gemachtigd te zijn voor het verdere vervolg van de zitting en hij heeft de bevoegdheid als laatste het woord te voeren. De raadsman zal wel zelf moeten bewaken dat hij ook daadwerkelijk het woord krijgt. Evenals onder v. geldt ook hier dat op grond van art.