Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-07-02
ECLI:NL:PHR:2024:675
Strafrecht
3,075 tokens
Conclusie
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de klager
1Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 14 november 2023 het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift strekkende tot opheffing van het conservatoir beslag ongegrond verklaard ten aanzien van het pand [a-straat 1] te [plaats] en voor het overige gegrond verklaard, en teruggave gelast van de onder klager inbeslaggenomen saldo’s op bankrekeningen, contante geldbedragen, roerende en onroerende goederen, met uitzondering van het pand [a-straat 1].
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03148 en 24/00595, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Tegen de beschikking is door K. van der Willigen, officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, cassatieberoep ingesteld.
1.4
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, een schriftuur houdende één middel van cassatie voorgesteld. Het middel richt zich tegen de gegrondverklaring van het beklag. De steller van het middel klaagt kort gezegd dat de rechtbank in haar beoordeling van het klaagschrift te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, dan wel dat de beslissing op het klaagschrift onvoldoende blijk geeft van een concrete en zorgvuldige belangenafweging en/of onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
2De procesgang
2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de klager inzake witwassen hebben in oktober 2021 doorzoekingen plaatsgevonden in woningen en ondernemingen die op naam zijn gesteld van de klager. Bij deze doorzoekingen is onder klager op grond van art. 94 Sv beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende goederen, saldo’s op bankrekeningen en contante geldbedragen. Op 6 december 2021 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank ingediend strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op de voornoemde goederen. Dit klaagschrift is door de rechtbank bij beschikking van 4 juli 2023 gegrond verklaard en door de rechtbank is teruggave gelast van de inbeslaggenomen goederen.
2.3
Op 19 oktober 2022 is door de rechter-commissaris een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afgegeven voor een bedrag van €1.303.000,-. Het openbaar ministerie heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op een deel van de goederen waarop sinds oktober 2021 reeds beslag was gelegd op grond van art. 94 Sv. Volgens een aan de beschikking van de rechtbank van 14 november 2023 gehechte beslaglijst d.d. 11 juli 2023, lag er op 11 juli 2023 nog conservatoir beslag op de saldo’s van twee bankrekeningen, contante geldbedragen ter waarde van €11.345,-, op een vordering op een leasemaatschappij ter waarde van €16.267,75, op vijf panden, zes voertuigen en diverse luxegoederen, waaronder zeven dure horloges.
2.4
Op 14 juli 2023 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank ingediend strekkende tot opheffing van het beslag op de onder randnummer 2.3 vermelde goederen. In het klaagschrift is hiertoe onder meer aangevoerd dat de inbeslagneming op grond van art. 94a Sv (deels) onrechtmatig is, omdat de waarde van het beslag de machtiging van de rechter-commissaris te boven gaat. Namens de klager wordt verder aangevoerd dat geen sprake (meer) is van enig strafvorderlijk belang in de zin van art. 94a Sv dat het voortduren van het beslag kan rechtvaardigen.
2.5
Op de raadkamerzitting van 31 oktober 2023 heeft de raadsman van de klager de raadkamer primair verzocht om het conservatoir beslag ten aanzien van alle goederen op te heffen en subsidiair aangedragen om het conservatoir beslag op te heffen met uitzondering van het beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] en – desnoods – op het pand aan de [b-straat 1] te [plaats].
2.6
Het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] is door de rechtbank bij beschikking van 14 november 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het klaagschrift voor het overige gegrond verklaard en teruggave gelast van de onder randnummer 2.3 vermelde goederen, met uitzondering van het pand [a-straat 1].
2.7
In de samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer, zijn door de klager en zijn partner eveneens klaagschriften ingediend ten aanzien van (sommige van) de onder randnummer 2.3 vermelde goederen. In de zaak met zaaknummer 24/03148 komt de klager op tegen het op grond van art. 94 Sv onder hem gelegde beslag. De partner van de klager klaagt in de zaak met nummer 24/00595 over zowel het onder haar gelegde klassieke beslag als over het onder haar gelegde conservatoir beslag. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ten aanzien van het op grond van art. 94 Sv onder hem gelegde beslag in haar beschikking van 4 juli 2023 gegrond verklaard en teruggave gelast van de inbeslaggenomen goederen. In haar beschikking van 14 november 2023 heeft de rechtbank het klaagschrift van de partner van de klager ten aanzien van bijna alle goederen gegrond verklaard en teruggave van de goederen aan haar gelast. Het openbaar ministerie heeft ook tegen deze beslissingen cassatieberoep ingesteld.
3De beschikking
3.1
Op de raadkamerzitting van 31 oktober 2023 hebben de officier van justitie en de raadsman van de klager het woord gevoerd aan de hand van hun schriftelijk standpunt en pleitnotities. De rechtbank heeft hetgeen door het openbaar ministerie en de verdediging is aangevoerd in haar beschikking van 14 november 2023 als volgt samengevat:
“De raadsman van klager heeft, naar aanleiding van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift, aan de hand van een pleitnota kort samengevat nog het volgende aangevoerd.
De essentie van deze zaak is dat er op dit moment geen enkel bewijs is dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en dat het op basis van het dossier dat nu voorligt hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een geldboete of ontneming zal op leggen. Daar komt bij dat het gelegde beslag de machtiging conservatoir beslag ver te boven gaat en daarmee onrechtmatig en disproportioneel is. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op de getaxeerde waarde van de panden gelegen aan de [a-straat 1] en desnoods de [b-straat 1] te [plaats], met handhaving van het conservatoire beslag op deze panden de beweerdelijke strafvorderlijke belangen voor dit moment meer dan veilig worden gesteld. Standpunt van het Openbaar MinisterieDe officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klager.
In raadkamer heeft de officier van justitie, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het strafrechtelijk onderzoek richt zich thans alleen nog op de verdenking van witwassen (geldstromen uit Indonesië) en valsheid in geschrift (m.b.t. hypotheekverlening [a-straat]). Het wachten is nog steeds op de resultaten van het rechtshulpverzoek aan Indonesië. Er zijn verklaringen in soft copy maar Indonesië moet nog instemmen met toevoeging aan het dossier van de desbetreffende verklaringen. Er is geen rechtshulpverdrag met Indonesië. Ook staat er een rechtshulpverzoek aan Singapore uit met betrekking tot de bankgegevens van de zussen van klager. Het is niet bekend wanneer hier een reactie op komt.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] en verstaat dat dit beslag door deze beslissing niet wordt opgeheven.
De rechtbank verklaart het beklag voor het overige gegrond, heft de beslagen op en gelast de teruggave aan klager van de voorwerpen in de aangehechte beslaglijst conservatoir beslag d.d. 11 juli 2023, met uitzondering van het beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats].”
4Het middel
4.1
Het middel klaagt dat de rechtbank met haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van een eventueel door de strafrechter op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel de waarde van het pand [a-straat 1] te [plaats] zal overstijgen, te ver vooruit gelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. Het middel klaagt daarnaast dat de beslissing onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, nu de rechtbank niets heeft vastgesteld over de waarde van het pand [a-straat 1] te [plaats], dan wel dat de beslissing onvoldoende blijk geeft van een concrete en zorgvuldige belangenafweging.
4.2
Bij beschikking van 14 november 2023 heeft de rechtbank het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] ongegrond verklaard en het klaagschrift voor het overige gegrond verklaard als zijnde disproportioneel, en teruggave van de goederen gelast aan de klager, met uitzondering van het pand [a-straat 1]. Aan deze beslissing heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het weliswaar niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in de hoofdzaak een geldboete dan wel een ontnemingsmaatregel zal opleggen, maar dat het wel onwaarschijnlijk is dat de hoogte van deze geldboete dan wel ontnemingsmaatregel de waarde van de [a-straat 1] zal overstijgen.
4.3
Hiermee laat de rechtbank zich in feite uit over de te verwachten hoogte van een in de hoofdzaak op te leggen geldboete of geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank kan in sommige gevallen weliswaar gehouden zijn zich in het kader van een onderzoek naar de proportionaliteit en de subsidiariteit van het beslag uit te laten over de vraag of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen goederen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichtingen, maar van een dergelijk onderzoek geven de overwegingen van de rechtbank geen blijk. Door zonder nadere motivering te overwegen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hoogte van de eventueel op te leggen betalingsverplichtingen de waarde van het pand [a-straat 1] te [plaats] zullen overstijgen, miskent de rechtbank het summiere en voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer. Daarom is de rechtbank in haar beoordeling van het klaagschrift te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.
Conclusie
5.1
Het middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De rechtbank verklaart in de zaak van de partner van de klager enkel het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand [a-straat 1] te [plaats] ongegrond. Zie hierover de conclusie in de zaak 24/00595.
Zie onder meer: HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:81, NJ 2023/150 m. nt. P. Mevis, rov. 2.4.1-2.4.5.
Zie onder meer: HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. P. Mevis, HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3310, HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:579, HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:81, NJ 2023/150 m. nt. P. Mevis en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:128, NJ 2023/149 m. nt. P. Mevis.