Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-07-02
ECLI:NL:PHR:2024:657
Strafrecht
1,328 tokens
=== CONCLUSIE ===
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 april 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 425 dagen, waarvan honderd dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en L.P.H. Hameleers, advocaat in Roermond, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.
2.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte als medebewoner in alle vertrekken van de woning kon komen wanneer zij dat wilde en zij niet heeft verklaard – en zulks ook niet is gebleken – dat zij niet op de zolder mocht komen. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn, omdat de raadsman tijdens de terechtzitting in hoger beroep blijkens de door hem overgelegde pleitnotities naar voren heeft gebracht dat de verdachte niet op zolder kwam, het ook helemaal niet de bedoeling was dat zij op zolder kwam en dat, als jou gezegd wordt dat je niet op zolder moet komen, dat duidelijk is.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 19 april 2021 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1] te [plaats] ) een hoeveelheid van ongeveer 330 kg (gedroogde) hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2022 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer het volgende in:
“Uitdrukkelijk betwist [verdachte] dat de middelen zich in haar machtssfeer bevonden.
Ze kwam niet op zolder en het was ook helemaal niet de bedoeling dat zij op zolder kwam.
Als jou gezegd wordt dat je niet op zolder moet komen dan is dat duidelijk [deze zin is met pen tussen haakjes geplaatst, MwW].
Op zolder (hennep) kwam ze dan ook niet: geen machtssfeer”
2.4
Het bestreden arrest bevat – voor zover hier relevant – de volgende bewijsoverweging:
“Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de hennep op de zolder en dat de hennep zich in haar machtssfeer bevond nu zij als medebewoner in alle vertrekken van de woning kon komen wanneer zij dat wilde en zij niet heeft verklaard - en zulks ook niet is gebleken - dat zij niet op de zolder mocht komen.”
2.5
Het hof heeft, kennelijk in reactie op het hiervoor onder 2.3 weergegeven verweer van de raadsman, overwogen dat de verdachte zelf niet heeft verklaard dat zij niet op de zolder mocht komen. De inhoud van bedoeld verweer staat aan de begrijpelijkheid van die overweging geenszins in de weg, nu de daarin vervatte mededeling van de raadsman ingevolge art. 339 jo. art. 341 Sv niet als verklaring van de verdachte heeft te gelden. Het middel faalt in zoverre.
2.6
Voor zover het middel zich, met een beroep op diezelfde pleitnotities, (mede) richt tegen het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de verdachte niet op zolder mocht komen, faalt het eveneens. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu de in die pleitnotities vervatte mededeling van de raadsman op geen enkele wijze is onderbouwd, de raadsman ter zitting heeft erkend dat de verdachte dit niet heeft gezegd en de schriftuur evenmin andere argumenten bevat waaruit de onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel zou moeten blijken.
2.7
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Afronding
3.
3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 25 april 2022. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 lid EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
3.2
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 maart 2022, p. 8.