Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-06-11
ECLI:NL:PHR:2024:616
Strafrecht
10,416 tokens
Conclusie
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de klaagster
1Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beschikking van 22 augustus 2022 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van een deel van het onder [betrokkene 1] in beslag genomen geldbedrag van € 77.775,-, te weten € 52.900,-, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 5 september 2022 ingesteld namens de verdachte. C.W. Noorduyn, advocaat te Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat is gericht tegen (de motivering van) de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
1.3
Het middel is terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak.
2Het verloop van de zaak
2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Op 22 september 2019 is onder [betrokkene 1] in verband met een verdenking van witwassen als bedoeld in art. 420bis/420quater Sr op grond van art. 94 Sv het onder randnr. 1.1 genoemde geldbedrag van € 77.775,- in beslag genomen.
2.3
Op 20 mei 2022 is namens de klaagster een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van het onder randnr. 1.1 genoemde geldbedrag van € 52.900,-. Het klaagschrift houdt onder meer in (met weglating van voetnoten):
“7. Dat klaagster in dezen heeft te gelden als eigenaar van de inbeslaggenomen €52.900,- blijkt uit het navolgende.
8. Klaagster is de eigenaresse van twee winkels; ' [A] ’ te [plaats ] en ' [B] ' te [plaats ] in Ghana. In beide winkels verkoopt klaagster typisch Afrikaanse producten. In september 2016 heeft zij haar bedrijfsactiviteiten uitgebreid en staat zij bij de gemeente [plaats ] tevens geregistreerd als 'Finanztransfergeschäfte als Agent (Gelduberweisung) für Money Transfer' (bijlage 1). In deze hoedanigheid faciliteert klaagster geldoverschrijvingen/verstrekkingen van Duitsland naar Ghana. In haar schriftelijke verklaring (bijlage 2) licht klaagster haar werkzaamheden nader toe. [betrokkene 2] , een medewerker van de [A] , bevestigt deze bedrijfsactiviteiten in een schriftelijke verklaring (bijlage 3).
9. De werkwijze van klaagster kan als volgt worden toegelicht. Klanten overhandigen klaagster in de [A] te [plaats ] het gewenste over te boeken contante geldbedrag in Euro's naar een begunstigde in Ghana. Vervolgens noteert klaagster zowel de naam van de klant (hierna: de geldverstrekker) als de begunstigde in haar administratie en koppelt daar een unieke pincode aan. Deze gegevens worden vervolgens doorgegeven aan (een) werknemer(s) in haar winkel in Ghana. De geldverstrekker in Duitsland wordt door klaagster op de hoogte gesteld van de unieke pincode. Daarnaast overhandigt klaagster de geldverstrekker een telefoonnummer waarop de begunstigde in Ghana contact kan opnemen teneinde het geldbedrag, omgerekend in Ghanese Cedi, in ontvangst te kunnen nemen in de winkel in Ghana. Betaling van het betreffende geldbedrag in Ghanese Cedi vindt alleen plaats indien de begunstigde de naam van de geldverstrekker en de daarmee corresponderende pincode vermeldt. Klanten maken gewillig gebruik van deze dienst, nu een geldoverschrijving van Duitsland naar Ghana per bank geruime tijd in beslag kan nemen.
10. Een voorbeeld ter illustratie. Op 25 januari 2019 overhandigde geldverstrekker ' [betrokkene 3] ’ €200,- aan klaagster ter attentie van begunstigde ' [betrokkene 4] ' (bijlage 4). [betrokkene 3] ontving van klaagster de pincode '101' en het telefoonnummer waarop de medewerker(s) van klaagsters winkel in Ghana bereikbaar zijn. [betrokkene 3] verstrekte vervolgens de pincode en het telefoonnummer aan [betrokkene 4] . Nadat [betrokkene 4] telefonisch haar naam, de pincode '101' en de naam van [betrokkene 3] heeft doorgegeven, is door een medewerker van klaagsters winkel in Ghana een bedrag van 1.115,16 Ghanese Cedis (bijlage 5), afkomstig uit de kas van die winkel, aan [betrokkene 4] overhandigd.
11. Enkele schriftelijke verklaringen van verschillende geldverstrekkers, waarin zij verklaren via de [A] geld te hebben overgeboekt naar Ghana, zijn als bijlage 6 bij dit klaagschrift gevoegd. De overboekingen waaraan wordt gerefereerd in de verklaringen zijn geel gearceerd in de bijgevoegde administratie van klaagster over de periode augustus en september 2019 (bijlage 7).
12. Zoals door klaagster is aangegeven in haar verklaring (bijlage 2), gaan geldoverschrijvingen tussen verschillende valuta gepaard met een fluctuerende wisselkoers. In september 2019 was de wisselkoers tussen de Euro en Ghanese Cedi ongunstig. Dat blijkt uit bijgevoegd overzicht (bijlage 8), waarin de wisselkoers tussen de Euro en de Ghanese Cedi in de afgelopen vijf jaar in kaart is gebracht. Waar in januari 2019 5.000 Euro gelijkstond aan 27.629 Ghanese Cedi, moest klaagster in september 2019 30.210 Ghanese Cedi betalen voor een bedrag van 5.000 Euro. Dat is een stijging van bijna 10%. Geldoverschrijvingen in september 2019 zouden klaagster met andere woorden dus aanzienlijk méér Ghanese Cedi, afkomstig uit de kas van de winkel van klaagster in Ghana, kosten dan in januari 2019 het geval was geweest. Vanwege deze situatie besloot klaagster haar werkwijze aan te passen. Klaagster heeft het totaal ontvangen bedrag in Euro van geldverstrekkers in Duitsland over de periode 1 augustus tot 20 september 2019, te weten €52.800, aan [betrokkene 5] meegegeven naar Ghana teneinde dat bedrag in Euro te overhandigen aan de begunstigden in Ghana. Vervolgens dienden de begunstigden persoonlijk het bedrag in Euro in Ghana te wisselen naar Ghanese Cedi. Met deze werkwijze werd voorkomen dat klaagster door haar werkzaamheden als 'Finanztransfergeschäfte als Agent' zelf verlies zou lijden.
13. Uit de schriftelijke verklaring van klaagster (bijlage 2) volgt dat het door klaagster aan [betrokkene 5] overhandigde geldbedrag ex €52.900,- voor €52.800,- bestond uit contante geldbedragen van haar klanten uit Duitsland over de periode 1 augustus tot 20 september 2019. De overige €100,- betrof eigen geld van klaagster, bestemd voor haar moeder in Ghana.
14. Klaagster had, en heeft, een zeer goede band met [betrokkene 5] . Dat volgt ook uit de bijgevoegde schriftelijke verklaringen (bijlage 2 en bijlage 9). Klaagster kent [betrokkene 5] al ruim twintig jaar en zij vertrouwt haar blindelings. Klaagster achtte het derhalve niet nodig om de overdracht van het geldbedrag ex €52.900,- schriftelijke vast te leggen.
15. Klaagster meent met het voorgaande te hebben aangetoond de belanghebbende-rechthebbende te zijn van de inbeslaggenomen €52.900,-. Zij heeft een zakelijk dan wel een persoonlijk recht op het inbeslaggenomen geldbedrag, nu klaagster de contante geldbedragen heeft ontvangen van haar klanten - de geldverstrekkers - met de opdracht om deze vervolgens in Ghana beschikbaar te stellen.
Conclusie
De officier van justitie verzoekt uw rechtbank het verzoek van [klaagster] tot opheffing van het beslag af te wijzen, aangezien het onvoldoende aannemelijk is geworden dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan [klaagster] toebehoort en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren.”
2.5
Op 8 augustus 2022 is het klaagschrift door de enkelvoudige raadkamer behandeld. De raadsvrouw van de klaagster heeft daar gepleit aan de hand van een pleitnotitie die aan het proces-verbaal van de raadkamerzitting is gehecht. In de pleitnotitie staat:
“12. In het schriftelijk standpunt stelt de officier van justitie dat klaagster haar eigendomsclaim onvoldoende zou hebben onderbouwd. Volgens de officier mag van klaagster worden verwacht dat "zij duidelijk inzichtelijk maakt en bewijst welk geld aan wie toebehoort en dat dit betreffende geld ook werkelijk in handen is gekomen van [betrokkene 1] ." Dat heeft klaagster ook gedaan. Zij heeft immers haar administratie over de periode 1 augustus t/m 20 september 2019 overhandigd met daarbij enkele ondertekende schriftelijke verklaringen van geldverstrekkers die voorkomen op de voornoemde administratie. De officier van justitie stelt dat klaagster hiermee slechts een beperkt gedeelte van het bedrag inzichtelijk heeft gemaakt, maar het is ondoenlijk om álle geldverstrekkers uit de administratie te benaderen en een schriftelijke verklaring op te laten stellen. Daarnaast bevestigt [betrokkene 1] in haar schriftelijke verklaring dat klaagster het geldbedrag daadwerkelijk aan haar heeft overhandigd.
13. Voor wat betreft het standpunt van de officier van justitie dat de schriftelijke verklaringen zijn opgemaakt in hetzelfde lettertype en met dezelfde lay-out, merk ik op dat een goed Engels sprekende bekende van klaagster behulpzaam is geweest bij het opstellen van de verklaringen, nu klaagster de Engelse taal niet goed beheerst. De betreffende geldvertrekkers zijn evenwel bekend met de inhoud van die verklaringen en hebben voor akkoord getekend. Zij waren aanwezig toen hun verklaring werd opgenomen en het betreft hun eigen handtekening.
14. Mocht u het standpunt van het Openbaar Ministerie delen dat klaagster haar eigendomsclaim onvoldoende heeft onderbouwd, dan verzoek ik u subsidiair om de behandeling van het klaagschrift aan te houden teneinde klaagster in de gelegenheid te stellen de overige benodigde verklaringen van geldverstrekkers te overleggen.
15. Verder stelt de officier van justitie dat klaagster eerder een verklaring heeft afgelegd die anders zou kunnen worden geduid en het beklag om die reden moet worden afgewezen. In dat kader merk ik op dat het een enorme puzzel is geweest om de exacte opbouw van het geldbedrag te reconstrueren – juist omdat het om cashgeld gaat. Aan de hand van de administratie over augustus en september is vervolgens tot dit bedrag gekomen. Verder klopt het dat er extra geld is gegeven bestemd voor familie van klaagster, zoals eerder verklaard, maar daarvan ontbreekt echter het schriftelijk bewijs waardoor dat bedrag op dit moment niet wordt teruggevorderd. Tot slot merk ik nog op dat ik van klaagster heb begrepen dat het verhoor met de Kmar telefonisch heeft plaatsgevonden en zonder tolk. Om die reden kan er niet al te veel waarde worden gehecht aan die verklaringen.
16. Mocht u menen dat er onduidelijkheid bestaat over de hoogte van het bedrag, dan verzoek ik u subsidiair om een lager bedrag aan klaagster te retourneren.
(…)
18. Gelet op het voorgaande verzoek ik u om het beklag gegrond te verklaren en het Openbaar Ministerie te bevelen het inbeslaggenomen geldbedrag van €52.900,- aan klaagster te retourneren.”
2.6
Bij de behandeling van het klaagschrift is blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 8 augustus 2022 door de officier van justitie en de raadsvrouw van de klaagster (daarnaast) nog het volgende aangevoerd:
“De officier van justitie antwoordt desgevraagd door de raadsvrouw dat er alleen klassiek beslag rust op het inbeslaggenomen geld.
De raadsvrouw voert het woord aan de hand van een pleitnotitie, die als bijlage I aan dit proces-verbaal is gehecht.
Buiten de pleitnotitie om merkt de raadsvrouw nog het volgende op:
Het is onwaarschijnlijk dat het geld in de strafzaak verbeurd zal worden verklaard. (…)
De officier van justitie reageert als volgt:
Het klaagschrift moet ongegrond worden verklaard om de volgende redenen:
1) De klaagster heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de hoeveelheid het geld, daarom is haar verklaring ongeloofwaardig.
2) De klaagster heeft haar eigendomsclaim onvoldoende onderbouwd.
Ad 1:
In 2019 zijn er twee momenten geweest waarop de Koninklijke Marechaussee (KMar) met de klaagster contact heeft gehad (de eerste keer lag het initiatief bij de KMar, de tweede keer bij de klaagster). De verklaringen die toen door de klaagster zijn afgelegd over de herkomst van het geld wijken af van het standpunt in het klaagschrift, dat maakt de verklaring ongeloofwaardig.
Ad 2:
Het terugvragen van een geldbedrag van ongeveer 53.000 euro moet duidelijk en sluitend worden onderbouwd. De KMar heeft drie jaar geleden al gevraagd om een administratieve onderbouwing. De klaagster komt nu uiteindelijk met een overzicht dat niet te controleren is. Ik verwijs verder naar mijn schriftelijke reactie die reeds voorafgaande aan de zitting is overgelegd. Ik heb daar veel opmerkingen over gemaakt. Het OM neemt het standpunt in dat het geld toebehoort aan de verdachte [betrokkene 1] en dat […] het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat [het geld door de later oordelende strafrechter] verbeurd zal worden verklaard.
De raadsvrouw reageert als volgt:
De officier van justitie zegt dat cliënte tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, maar zij heeft eerder ook al gezegd dat het geld haar ‘business money’ is. Het heeft maanden geduurd om de administratie die zij nu heeft overgelegd bij elkaar te zoeken; dit is de administratie die zij al had en nu dus ook heeft overhandigd.
Het verhoor bij de KMar heeft telefonisch en zonder tolk plaatsgevonden.
Ik ben het met de officier van justitie eens dat een duidelijke en sluitende onderbouwing mag worden verwacht, maar die heeft cliënte ook gegeven: de administratie waar het om gaat is overhandigd, deze bevat namen van de klanten van de overboekingen. Enkele klanten zijn benaderd en hebben een verklaring afgelegd, hun namen en telefoonnummers staan in hun verklaringen en het OM kan contact met hen opnemen om te kijken of het klopt. Het overgelegde overzicht is dus wel te controleren.
De officier van justitie persisteert bij zijn standpunt.”
2.7
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:
“Beklag
(…)
Namens de klaagster is – kort samengevat – naar voren gebracht dat zij eigenaar is van het bedrag ter hoogte van € 52.900,-
De klaagster hield – zoals de rechtbank hetgeen naar is gebracht begrijpt – het grootste deel van dit bedrag, te weten € 52.800,-, in beheer voor een groot aantal klanten van haar bedrijf in Duitsland. Dit bedrijf houdt zich bezig met het (faciliteren van) overmaken van contant geld naar Ghana. In de periode van 1 augustus 2019 tot 20 september 2019 was, gelet op de toen geldende wisselkoers, het het beste om het geld in euro’s over te brengen naar Ghana. Klaagster heeft daarom het bedrag van € 52.800,- contant meegegeven aan [betrokkene 1] [ten] behoeve van de begunstigden in Ghana.
Beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende.
In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat het voortduren van het beslag nodig maakt. In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Uit de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurd verklaren.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat (vooralsnog) niet voldoende aannemelijk is geworden dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan klaagster toebehoort.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
3Het middel
3.1
In het middel wordt – in samenhang bezien met de daarop gegeven toelichting – geklaagd dat de rechtbank ontoereikend heeft gemotiveerd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder [betrokkene 1] in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren en (vooralsnog) niet voldoende aannemelijk is geworden dat het in beslag genomen geldbedrag aan de klaagster toebehoort. In het licht hiervan wordt aangevoerd – zo begrijp ik – dat namens de klaagster uitvoerig is gemotiveerd dat het geldbedrag van € 52.900,- een legitieme herkomst heeft, dat de klaagster als rechthebbende op dat geldbedrag moet worden beschouwd en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van dat geldbedrag zal bevelen, terwijl de rechtbank niet is ingegaan op deze standpunten, maar heeft volstaan met het vooropstellen van de aan te leggen maatstaf en het oordeel dat aan die maatstaf is voldaan gelet op het dossier en het verhandelde in raadkamer.
3.2
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geld op grond van art. 94 Sv onder een ander dan de klaagster in beslag is genomen. In zo’n geval moet de beklagrechter bij de beoordeling van het klaagschrift beoordelen a. of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomene zal bevelen. Het oordeel van de beklagrechter dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave dient door de rechter te worden gemotiveerd. Aan de motivering wordt, gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure, geen hoge eisen gesteld.
3.3
Blijkens de onder randnr. 2.8 geciteerde overwegingen heeft de rechtbank (zij het in iets andere bewoordingen) de juiste maatstaf aangelegd. Daarover wordt in cassatie terecht niet geklaagd. Bij de toepassing van die maatstaf heeft de rechtbank geoordeeld dat het strafvorderlijk belang zich tegen opheffing van het beslag verzet omdat “uit de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt (…) dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurd verklaren.” Bovendien is de rechtbank van oordeel dat (vooralsnog) niet voldoende aannemelijk is geworden dat het in beslag genomen geldbedrag aan de klaagster toebehoort.
3.4
In cassatie resteert de vraag of deze oordelen van de rechtbank toereikend zijn gemotiveerd.
3.5
Hoewel aan de motivering niet al te hoge eisen worden gesteld en de begrijpelijkheid van de ongegrondverklaring door de rechtbank van het klaagschrift mede moet worden beoordeeld in het licht van hetgeen namens het Openbaar Ministerie is aangevoerd, meen ik dat de rechtbank haar oordelen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder [betrokkene 1] in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren en (vooralsnog) niet voldoende aannemelijk is geworden dat het in beslag genomen geldbedrag aan de klaagster toebehoort, ontoereikend heeft gemotiveerd. Die motivering bestaat immers enkel uit een verwijzing naar de stukken in het dossier en het verhandelde in raadkamer, zodat niet duidelijk is op welke feiten en omstandigheden de rechtbank haar in cassatie bestreden oordelen heeft gebaseerd. Daarbij komt dat de rechtbank zich in het geheel niet heeft uitgelaten over hetgeen namens de klaagster in het klaagschrift en in raadkamer is aangevoerd. Mijns inziens had dat, gelet op de onderbouwing en de indringendheid van de namens de klaagster aangevoerde argumenten, wel gemoeten.
Conclusie
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Er bestaat onduidelijkheid over de geboortedatum van de klaagster. In het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, de bestreden beschikking, de volmacht bij de cassatieakte, de aanzeggingen als bedoeld in art. 447 lid 3 Sv en de akte van uitreiking van die aanzeggingen wordt telkens als geboortedatum [geboortedatum] 1966 vermeld. In het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie wordt [geboortedatum] 196 [A-G: een evident onvolledig jaartal] als geboortedatum genoemd. In het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 8 augustus 2022 is de geboortedatum [geboortedatum] 1996 te lezen. In de cassatieschriftuur wordt de geboortedatum [geboortedatum] 1966 vermeld, terwijl de steller van het middel na het indienen van de cassatieschriftuur per bericht van 24 april 2023 heeft laten weten dat de geboortedatum van de klaagster niet [geboortedatum] 1966, maar [geboortedatum] 1966 is. Het klaagschrift, de volmacht bij de cassatieakte en de cassatieschriftuur zijn opgesteld door advocaten van één en hetzelfde advocatenkantoor. In deze conclusie wordt in weerwil van het bericht van 24 april 2023 uitgegaan van [geboortedatum] 1966 als geboortedatum.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis (rov. 2.11); HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. Mevis (rov. 2.3.1).
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis (rov. 2.9); HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. Mevis (rov. 2.3.1).
Art. 24 lid 1 Sv. Zie ook HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1687 (rov. 2.5).
Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2300, NJ 2010/548; HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9384; HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:171.
Vgl. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:19. In die zaak ging het om derdenbeslag op een horloge op grond van art. 94 Sv. Het horloge was in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen X onder hem in beslag genomen. De klager stelde eigenaar te zijn van het horloge. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond, omdat het “gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting” niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal bevelen. De Hoge Raad achtte dit oordeel tegen de achtergrond van hetgeen namens de klager naar voren was gebracht zonder nadere motivering die ontbrak, niet begrijpelijk, omdat de rechtbank niet gemotiveerd had aangegeven op welke feiten en omstandigheden zij bij haar beoordeling het oog had gehad.
Conclusie
Dat maakt dat klaagster kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 552a lid 1 Sv als gevolg waarvan de inbeslaggenomen €52.900 aan haar dient te worden teruggegeven.
(…)
Artikel 94 Sv
17. Indien het geldbedrag in beslag is genomen op de voet van artikel 94 Sv, geldt eveneens dat het geldbedrag van €52.900,- aan klaagster dient te worden geretourneerd.
(…)
19. Klaagster vermag niet in te zien dat en zo ja, wat het belang van strafvordering zou kunnen zijn om het beslag te laten voortduren. Er is geen sprake van onderzoek aan het geldbedrag ten behoeve van de waarheidsvinding of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Op basis van hetgeen hiervoor naar voren is gebracht, kan immers worden geconcludeerd dat het inbeslaggenomen geldbedrag ex €52.900,- een legale herkomst heeft. Bovendien is klaagster in de strafzaak tegen [betrokkene 5] niet als (mede)verdachte van witwassen aangemerkt.
20. Voorts is het hoogst onwaarschijnlijk dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het geldbedrag zal gelasten. Dat is gelegen in het feit dat klaagster op geen enkele wijze in verband kan worden gebracht met de verdenking van witwassen in het kader van de toetsing aan het bepaalde in artikel 33a lid 2 onder a Sr. Tegen deze achtergrond ligt het niet in de rede dat de €52.900,- van klaagster ter zitting verbeurd zal worden verklaard. Verder valt in alle redelijkheid niet in te zien hoe het ongecontroleerde bezit van het geldbedrag in strijd met de wet of hei algemeen belang zou kunnen zijn.
21. Dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de €52.900,- kan worden aangemerkt, volgt uit hetgeen onder randnummers 8 t/m 15 is gesteld.
22. Het belang van strafvordering verzet zich aldus niet (langer) tegen teruggave van het geldbedrag.
23. Bovendien heeft klaagster een groot persoonlijk belang bij teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag. Tot op heden wordt klaagster regelmatig benaderd door voornoemde geldverstrekkers met het verzoek het door hen overhandigde geldbedrag te retourneren. Klaagster dreigt haar klanten te verliezen indien teruggave van het geldbedrag uitblijft.
24. Klaagster meent aan de hand van al het vorenstaande te hebben aangetoond dat het beslag op het geldbedrag dient te worden opgeheven met een last tot teruggave ervan aan klaagster.
REDENEN WAAROM:
Klaagster u eerbiedig verzoek het onderhavige beklag gegrond te verklaren en het Openbaar Ministerie te bevelen het inbeslaggenomen geldbedrag ex €52.900,-, aan klaagster te retourneren. Tot slot behoudt klaagster zich het recht voor om dit klaagschrift nader aan te vullen en te motiveren.”
2.4
Het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie houdt onder meer in:
“Korte uiteenzetting feiten
Start onderzoek
Op zondag 22 september 2019 hebben medewerkers van de Douane op Schiphol [betrokkene 1] gecontroleerd. [betrokkene 1] was op Schiphol aangekomen vanuit [plaats ] en was voornemens om verder te reizen naar [plaats ] in Ghana.
[betrokkene 1] verklaarde in eerste instantie tegen de Douane slechts € 5.000,00 bij zich te hebben, maar nadat de Douane haar apart had genomen voor controle verklaarde [betrokkene 1] € 10.000,00 bij zich te hebben. [betrokkene 1] verklaarde geen aangifte liquide middelen te hebben gedaan. Tijdens de controle bleek [betrokkene 1] € 13.000,00 in haar handbagage te hebben. Nadat de Douane ook haar ruimbagage had gecheckt bleek [betrokkene 1] een bedrag van € 77.775,00 bij zich te hebben en een vervalst paspoort.
[betrokkene 1] verklaarde naar Ghana te gaan voor de begrafenis van haar moeder en broer en dat zij huisvrouw is. [betrokkene 1] verklaarde niet te weten hoeveel geld in haar ingecheckte bagage zat, maar dat € 15.000,00 van haar zelf was. De € 15.000,00 diende ertoe om haar moeder te begraven. Het meeste geld was van een [betrokkene 1] genaamd " [betrokkene 6] " die [betrokkene 1] twee enveloppen had gegeven. Daarnaast had een man, genaamd " [betrokkene 2] ", [betrokkene 1] ook twee enveloppen gegeven. Het geld van [betrokkene 6] diende [betrokkene 1] aan de broer van [betrokkene 6] te geven, aldus [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zei verder niet te hebben geweten dat er een paspoort in haar bagage zat.
Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen kwam een bewijsvermoeden van witwassen op en heeft de Douane het onderzoek overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee (hierna: Kmar).
(…)
Verzoek komt niet voor toewijzing in aanmerking
Met betrekking tot het ingediende klaagschrift verzoekt de officier van justitie uw rechtbank het verzoek van [klaagster] af te wijzen. De officier van justitie komt op basis van de volgende punten tot de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel kan worden gesteld dat [klaagster] als eigenaar van het geldbedrag kan worden aangemerkt, namelijk: (1) dat [klaagster] tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het geldbedrag wat maakt dat haar verklaring ongeloofwaardig is en (2) dat daarnaast [klaagster] haar eigendomsclaim onvoldoende heeft onderbouwd.
1. Tegenstrijdige verklaringen
Verklaring 2019
[betrokkene 7] heeft namens de Kmar al in 2019 contact gehad met klaagster [klaagster] met betrekking tot het geldbedrag waar zij aanspraak op meende te maken. [betrokkene 1] had immers tijdens haar verhoor verklaard dat [klaagster] de eigenaar is van een gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag, namelijk een bedrag van in totaal € 50.000,00.
Naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 1] heeft de Kmar contact gezocht met [klaagster] en haar hierover bevraagd. [klaagster] verklaarde dat zij € 50.000,00 aan [betrokkene 1] had gegeven en dat dit geldbedrag bestond uit money-transfers, opbrengsten van haar onderneming, het inkomen van haar loondienst en een bedrag van € 5.000,00, wat iemand had opgestuurd naar Duitsland om een Mercedes mee te kopen. Nu dit was mislukt had [klaagster] dit bedrag retour meegegeven aan [betrokkene 1] .
Opvallend genoeg ontving de Kmar in 2019 een tweede verklaring van [klaagster] , waarin zij verklaarde dat zij, naast de eerder genoemde € 50.000,00, nog een extra bedrag van € 2.900,00 aan [betrokkene 1] had meegegeven. Dit bedrag was bedoeld voor de familie van [klaagster] . Het lijkt erop dat [betrokkene 1] het volledig bedrag nog niet kon verklaren, waarna [klaagster] een tweede verklaring heeft afgelegd waarin zij het laatste gedeelte van het bedrag claimde om er zo voor te zorgen [betrokkene 1] in ieder geval iets van een verhaal had met betrekking tot het totale geldbedrag van € 77.775,00.
Verklaring klaagschrift
In haar klaagschrift verklaart [klaagster] dat zij aan [betrokkene 1] een geldbedrag van € 52.900,00 heeft meegegeven. Van het geldbedrag was € 100,00 bestemd voor de moeder van [klaagster] in Ghana. Het geldbedrag van € 52.800,00 zou uitsluitend afkomstig zijn van geldverstrekkers in Duitsland over de periode 1 augustus tot 20 september 2019.
Conclusie
De klaagster had en heeft een zeer goede band met [betrokkene 1] en zij vertrouwt haar blindelings. De klaagster achtte het daarom niet nodig de overdracht van het geld schriftelijk vast te leggen. De klaagster heeft een groot persoonlijk belang bij teruggave van het geld, aangezien zij regelmatig wordt benaderd door haar klanten (de geldverstrekkers) die hun geld terug willen hebben. Zij dreigt bij het voortduren van het beslag haar klanten te verliezen.
(…)
Standpunt van het Openbaar Ministerie (OM)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Daarbij is primair van belang dat de verklaring van de klaagster, dat zij als eigenaar van het geldbedrag moet worden beschouwd, ongeloofwaardig is. Subsidiair is van belang dat de klaagster haar eigendomsclaim onvoldoende heeft onderbouwd.
Ongeloofwaardige verklaring van klaagster
Klaagster heeft in 2019 in de strafzaak van [betrokkene 1] (schriftelijk) verklaard dat het geldbedrag afkomstig was van money-transfers, opbrengsten van haar onderneming en haar inkomen uit loondienst en dat dit deels bedoeld was voor de aankoop van een Mercedes in Duitsland. Nadat de KMar had verzocht om meer informatie over de money-transfers heeft klaagster aangegeven dat zij die niet kon aanleveren, omdat alles in contanten ging, terwijl nu blijkt dat klaagster wel stukken kon aanleveren.
Onvoldoende onderbouwing eigendomsrecht
Bij het claimen van € 52.900,- mag een sluitende onderbouwing worden verwacht van de degene die stelt eigenaar te zijn van het bedrag. De onderbouwing van klaagster voldoet hier niet aan. Het overzicht uit de administratie van mensen die geld aan de klaagster zouden hebben verstrekt, valt niet of nauwelijks te controleren. Niet blijkt aan wie het geld toebehoort en of dit geld ook werkelijk in handen is gekomen van de verdachte [betrokkene 1] . Het OM betwist de inhoud van de overgelegde verklaringen van verschillende personen waarin wordt verklaard dat er geld aan klaagster ter beschikking is gesteld, nu die zijn opgesteld in hetzelfde handschrift. Ook indien deze verklaringen zouden kloppen, zou hiermee slechts een beperkt gedeelte van het bedrag inzichtelijk zijn gemaakt. Voorts is de verklaring van ‘ [betrokkene 2] ’ dat geld, wat toebehoorde aan [A] , in september 2019 aan de verdachte [betrokkene 1] zou zijn gegeven, onvoldoende concreet, nu (onder meer) niet blijkt wat de datum was en welk bedrag het is geweest. Het bevreemdt voorts dat de klaagster, die stelt van ‘money transfers’ haar beroep te hebben gemaakt en ervaring op dit gebied te hebben, een omvangrijk geldbedrag van € 52.900,- zou laten vervoeren door de verdachte [betrokkene 1] die geen enkele ervaring heeft op het gebied van het vervoeren van geld. Daarnaast blijkt [betrokkene 1] ook niet geïnstrueerd te zijn over de aangifteplicht als de Europese Unie verlaten wordt met een contant geldbedrag van boven de € 10.000,-.”
2.8
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft in dat verband overwogen:
“Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagneming blijkt dat op 22 september 2019 in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte [betrokkene 1] een geldbedrag van € 77.775,- in beslag is genomen. De grondslag van het beslag is artikel 94 Sv.
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is – samengevat – het volgende gebleken. Op 22 september 2019 is [betrokkene 1] in de aankomsthal van de luchthaven Schiphol aangehouden op verdenking van witwassen. [betrokkene 1] was in het bezit van € 77.775,- en kon hier niet de legale herkomst van aantonen. Op 8 oktober 2019 is [betrokkene 1] in vrijheid gesteld en heengezonden met een brief waarin haar is verzocht om alsnog de herkomst van het inbeslaggenomen geld aan te tonen.
(…)
Conclusie
[betrokkene 1] diende het mee te nemen geldbedrag te overhandigen aan de begunstigden in Ghana.
Reactie officier van justitie op tegenstrijdige verklaringen
De officier van justitie acht de verklaring die [klaagster] geeft in haar klaagschrift ongeloofwaardig, nu deze verklaring afwijkt van haar eerdere verklaring uit 2019.
In 2019 was het geldbedrag afkomstig van money-transfers, opbrengsten van haar onderneming, het inkomen van de loondienst van [klaagster] en deels bedoeld te zijn geweest voor de aankoop van een Mercedes in Duitsland, zoals hierboven aangegeven. Nadat de Kmar had verzocht om meer informatie over de money-transfers kon [klaagster] die niet aanleveren, omdat alles in contanten ging. Nu – ruim drie jaar later – komt [klaagster] wel met documenten die de vermeende legale herkomst van het geldbedrag zouden kunnen verklaren. Was het werkelijk zo geweest dat de business van [klaagster] gevaar liep, dan zou zijn in een eerder stadium van het onderzoek met stukken zijn gekomen om de herkomst van het geldbedrag te verklaren. Deze stukken moeten immers ook al in 2019 beschikbaar zijn geweest.
Kortom, de verklaringen van [klaagster] zijn tegenstrijdig en dus ongeloofwaardig. Primair verzoekt de officier van justitie de rechtbank dan ook het verzoek af te wijzen, omdat de verklaring van [klaagster] over de herkomst van het geldbedrag ongeloofwaardig is.
2. Eigendomsclaim is onvoldoende onderbouwd
Onderbouwing eigendomsclaim
[klaagster] heeft (…) aan haar klaagschrift een aantal bijlagen gehecht die haar eigendomsclaim zouden moeten onderbouwen. Zo heeft zij o.a. een aantal documenten overgelegd die de administratie van de overboekingen zouden moeten inhouden en daarnaast heeft zij verklaringen overgelegd van mensen die gelden aan haar ter beschikking hebben gesteld om over te boeken.
Reactie officier van justitie op eigendomsclaim
Bij het claimen van een geldbedrag van maar liefst € 52.900,00 mag de rechtbank een sluitende onderbouwing verwachten van de degene die meent eigenaar te zijn van het geldbedrag. De onderbouwing van [klaagster] voldoet hier niet aan.
Het is opvallend dat – drie jaar nadat de Kmar had verzocht om administratie – [klaagster] uiteindelijk komt met een overzicht uit haar administratie dat niet of nauwelijks is te controleren. Van [klaagster] mag worden verwacht dat zij duidelijk inzichtelijk maakt en bewijst welk geld aan wie toebehoort en dat dit betreffende geld ook werkelijk in handen is gekomen van [betrokkene 1] .
Naast de niet te controleren administratie baseert [klaagster] haar eigendomsclaim o.a. op een aantal verklaringen van mensen die verklaren gelden aan haar ter beschikking te hebben gesteld. Opvallend is dat steeds hetzelfde lettertype en dezelfde lay-out wordt gebruikt, terwijl het gaat om verschillende mensen. Als het al zou kloppen wat de verschillende mensen in de verklaringen naar voren brengen – wat de officier van justitie betwist – dan heeft [klaagster] hiermee slechts een beperkt gedeelte van het bedrag inzichtelijk gemaakt.
Vervolgens blijkt alleen – wederom in hetzelfde lettertype en met dezelfde lay-out – uit de verklaring van " [betrokkene 2] " dat geld, wat toebehoorde aan [A] , in september 2019 aan [betrokkene 1] zou zijn gegeven. Opvallend is hier dat ' [betrokkene 2] ' slechts verklaart dat ergens in september 2019 een bepaald geldbedrag aan [betrokkene 1] zou zijn gegeven. Het is hiermee volstrekt onduidelijk over welke datum [betrokkene 2] het heeft en daarnaast is ook onduidelijk wat de hoogte van het afgegeven geldbedrag precies is geweest. Ook maakt deze verklaring niet duidelijk waar [betrokkene 2] dit bedrag dan aan [klaagster] zou hebben gegeven.
[klaagster] stelt van "money transfers" haar beroep te hebben gemaakt. Het is op zijn zachts gezegd opmerkelijk dat [klaagster] – als iemand die zegt ervaring te hebben op het terrein van money transfers – een omvangrijk geldbedrag van maar liefst € 52.900,00 zou laten vervoeren door [betrokkene 1] – die geen enkele ervaring heeft op het gebied van het vervoeren van geld. Daarnaast blijkt [betrokkene 1] ook niet geïnstrueerd te zijn over de aangifteverplichtingen van mensen die de Europese Unie verlaten met een contant geldbedrag van boven de € 10.000,00. De beperkte onderbouwing van [klaagster] en de door haar gepresenteerde handelswijze maakt dat haar eigendomsclaim niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Kortom, [klaagster] heeft haar eigendomsclaim onvoldoende onderbouwd. Subsidiair verzoekt de officier van justitie uw rechtbank dan ook het verzoek van [klaagster] af te wijzen in verband met een gebrekkige onderbouwing van haar eigendomsclaim.