Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-03-26
ECLI:NL:PHR:2024:432
Strafrecht
600 tokens
=== CONCLUSIE ===
A.E. Harteveld
In de zaak
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de veroordeelde
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 4 juli 2023 de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 oktober 2022.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde en R.W. Koevoets, advocaat te Hoek, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Ingevolge artikel 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Uit artikel 6:6:7 Sv volgt dat een rechterlijke beslissing over de tenuitvoerlegging, waarvan in dit geval sprake is, niet aan enig gewoon rechtsmiddel is onderworpen voor zover in Hoofdstuk 6 van Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering niet anders is bepaald. Nu in dat Hoofdstuk geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige – gebaseerd op art. 6.6.25 Sv - beroep in cassatie openstaat, kan de veroordeelde in het ingestelde beroep niet worden ontvangen.
Nu wordt in de schriftuur nog wel een beroep gedaan op HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:102, waarin de Hoge Raad in verband met art. 5 EVRM anders zou hebben geoordeeld met betrekking tot faillissementsgijzeling. Daarbij wordt echter miskend dat het in dat arrest gaat om de – niet rechtstreeks in de wet voorziene – schorsing van de inbewaringstelling. Dat tegen de faillissementsgijzeling zelve – na hoger beroep - cassatieberoep openstaat vloeit voort uit art. 85 FW, aldus de Hoge Raad in HR 25 juni 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5756, NJ 1977, 495. In het strafprocesrecht geldt echter ‘gewoon’ het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het beroep op art. 5 EVRM slaagt evenmin, aangezien die bepaling niet de eis bevat dat tegen een rechterlijke beslissing waaruit vrijheidsbeneming voortvloeit een rechtsmiddel openstaat.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG