Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-03-08
ECLI:NL:PHR:2024:258
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11,253 tokens
Conclusie
T. Hartlief
In de zaak
[eiser]
(hierna: ‘ [eiser] ’)
tegen
[verweerder]
(hierna: ‘ [verweerder] ’)
Deze zaak betreft het vervolg op HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315. In deze zaak heeft de assurantietussenpersoon waarvan [verweerder] een vennoot was [eiser] geadviseerd om een levensverzekering bij Interpolis te beëindigen en om een nieuwe levensverzekering bij Generali af te sluiten. De achtergrond daarvan was dat [eiser] wilde overstappen op een andere hypotheekfinanciering en [eiser] daarom een nieuwe levensverzekering zou moeten afsluiten. [eiser] heeft dit advies gevolgd. Generali heeft na het overlijden van de partner van [eiser] geweigerd om een geldbedrag voor dit overlijden uit te keren, omdat na de medische keuring aan Generali niet was gemeld dat bij de partner van [eiser] een ernstige ziekte was vastgesteld. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij door het hiervoor genoemde advies geen geldbedrag heeft ontvangen voor het overlijden van zijn partner. Hij vordert daarom schadevergoeding van [verweerder] . In eerste aanleg en in hoger beroep (vóór verwijzing) is geoordeeld dat [eiser] schadevergoedingsvordering was verjaard en is de schadevergoedingsvordering van [eiser] daarom afgewezen. Nadat [eiser] in cassatie met succes was opgekomen tegen dit verjaringsoordeel, heeft de verwijzingsrechter geoordeeld dat de schadevergoedingsvordering van [eiser] niet was verjaard. De verwijzingsrechter heeft het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg niettemin bekrachtigd, omdat niet is komen vast te staan dat [verweerder] als vennoot in strijd heeft gehandeld met zijn contractuele zorgplicht. Met het onderhavige cassatieberoep valt [eiser] dit oordeel aan.
Feiten
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
1.2
In 1999 zocht [eiser] met zijn partner [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’) nieuwe financiering voor de koop van een ander huis. Adviesbureau [de vof] te [plaats] heeft hen daarbij geadviseerd. [verweerder] was vennoot van de vennootschap onder firma adviesbureau [de vof] (hierna: ‘de vof’).
1.3
Het advies aan [eiser] en [betrokkene 1] betrof onder meer het beëindigen van een reeds lopende levensverzekering bij Interpolis en het aangaan van een nieuwe levensverzekering bij Generali. De medische keuring heeft plaatsgevonden op 25 januari 2000. Daarbij is gemeld dat [betrokkene 1] eind jaren tachtig de ziekte van Hodgkin (lymfeklierkanker) gehad had.
1.4
Op 28 maart 2000 werd bij [betrokkene 1] de diagnose baarmoederhalskanker gesteld. Zij is daarvoor aanvankelijk met succes behandeld.
1.5
De nieuwe ziekte is niet gemeld aan Generali. Deze heeft op 14 april 2000 een offerte uitgebracht, met een verhoogde premie vanwege de medische voorgeschiedenis van [betrokkene 1] . Op 1 augustus 2000 is de eigendom van het nieuwe huis overgedragen en de levensverzekering bij Generali ingegaan. Vervolgens is de bestaande verzekering bij Interpolis beëindigd.
1.6
In april 2001 bleek [betrokkene 1] uitzaaiingen te hebben. Zij is overleden op 27 juli 2001.
1.7
Generali heeft bij brief van 7 februari 2002 bericht dat zij weigert uit te keren, omdat niet gemeld was dat [betrokkene 1] na de keuring maar vóór de ingangsdatum van de verzekering artsen had geraadpleegd en zelfs in een ziekenhuis opgenomen was geweest.
1.8
Bij brief van 1 september 2005, gericht aan de vof, ter attentie van de directie, heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] de vof aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van het advies van de vof om de levensverzekering bij Interpolis op te zeggen en de nieuwe ziekte van [betrokkene 1] niet te melden aan Generali.
1.9
Bij brief van 1 maart 2013 heeft mr. De Jong van Lier namens [eiser] [verweerder] als gewezen vennoot van de vof aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van het advies om de levensverzekering bij Interpolis op te zeggen. Tevens is daarbij bericht dat [eiser] zowel tegenover de vof als tegenover [verweerder] zijn recht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding voorbehoudt.
Procesverloop
Eerste aanleg
2.1
[eiser] heeft [verweerder] op 11 november 2015 voor de rechtbank Midden-Nederland gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de vof tegenover hem is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen bestaande overeenkomst van opdracht, een verklaring voor recht dat [verweerder] daarvoor hoofdelijk aansprakelijk is, en betaling van € 309.850,49 met rente en kosten. [eiser] heeft de vof verweten dat de vof hem geadviseerd heeft om de bestaande levensverzekering bij Interpolis op te zeggen. Daarnaast stelt [eiser] dat hij op 30 maart 2000 met zijn adviseur bij de vof besproken heeft dat [betrokkene 1] kanker had, en dat de vof geadviseerd heeft om dat niet te melden aan Generali, omdat de medische acceptatie al achter de rug was.
2.2
De rechtbank Midden-Nederland heeft de vorderingen van [eiser] bij vonnis van 14 september 2016 afgewezen (rov. 4.1.). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de schadevergoedingsvordering van [eiser] was verjaard (rov. 3.1.-3.10.).
Hoger beroep vóór verwijzing
2.3
[eiser] heeft op 14 december 2016 bij het hof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 14 september 2016. Het hof heeft in zijn arrest van 27 november 2018 het vonnis van 14 september 2016 bekrachtigd, kort gezegd omdat geen sprake was geweest van een tijdige stuiting van de verjaring en geen toepassing kon worden gegeven aan art. 6:2 lid 2 BW, zodat de schadevergoedingsvordering van [eiser] was verjaard.
Eerste cassatieberoep
2.4
Bij procesinleiding van 27 februari 2019 heeft [eiser] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 27 november 2018. Uw Raad heeft in Uw arrest van 17 juli 2020 het arrest van 27 november 2018 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof Den Bosch. Volgens Uw Raad had het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 27 november 2018 een aantal rechtsregels miskend die gelden voor stuitingsverklaringen die zijn gericht aan een vennootschap onder firma.
Hoger beroep na verwijzing
2.5
Na verwijzing heeft het hof Den Bosch in zijn arrest van 31 januari 2023 – het met het onderhavige cassatieberoep bestreden arrest – het vonnis van de rechtbank van 14 september 2016 bekrachtigd, met aanpassing van gronden. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen en geoordeeld.
2.6
Het hof heeft uitgelegd wat [eiser] aan zijn schadevergoedingsvordering ten grondslag heeft gelegd:
“3.2.2. [eiser] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat destijds door [de vof] een onjuist advies is gegeven om de bestaande levensverzekering bij Interpolis op te zeggen en niet aan Generali te melden dat de partner van [eiser] kanker had. [eiser] stelt daartoe dat hij op 30 maart 2000 met zijn adviseur bij [de vof] heeft besproken dat [betrokkene 1] kanker had en dat deze hem heeft geadviseerd om dat niet te melden aan Generali, omdat de medische acceptatie van de levensverzekering al achter de rug was.”
2.7
Het hof is tot het oordeel gekomen dat het beroep van [verweerder] op verjaring faalt (rov. 3.8.-3.12.).
2.8
Daarna heeft het hof geoordeeld dat [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aanvoert om aan te kunnen nemen dat [eiser] op 30 maart 2000 met zijn adviseur van de vof, een zekere [adviseur] , heeft gesproken, laat staan wat de inhoud van dat gesprek is geweest. Het hof heeft [eiser] bewijsaanbod op dit punt gepasseerd. Voor de verdere beoordeling heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de vof ten tijde van het aangaan van de levensverzekering bij Generali en het opzeggen van de levensverzekering bij Interpolis geen wetenschap had van de diagnose baarmoederhalskanker bij [betrokkene 1] :
“3.13. (…) [verweerder] heeft gemotiveerd betwist dat op 30 maart 2000 een gesprek heeft plaats gevonden tussen [eiser] en zijn adviseur ( [adviseur] ) bij [de vof] , waarbij is besproken dat de partner van [eiser] ( [betrokkene 1] ) kanker had en dat [eiser] toen is geadviseerd om dat niet te melden aan Generali, omdat de medische acceptatie van de levensverzekering al achter de rug was. [eiser] heeft vervolgens naar voren gebracht dat op [verweerder] in dit opzicht een verzwaarde motiveringsplicht rust.
(…)
3.15.
De conclusie luidt dat [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aanvoert om aan te kunnen nemen dat [eiser] op 30 maart 2000 met [adviseur] heeft gesproken, laat staan wat de inhoud van dat gesprek is geweest. [eiser] biedt op dit punt nader bewijs aan, maar het hof passeert dit bewijsaanbod nu dit te weinig aanknopingspunten bevat om bewijs te leveren van de stellingen van [eiser] . (…) Voor het overige heeft [eiser] onvoldoende gesteld om aan bewijslevering toe te komen. Voor de verdere beoordeling neemt het hof tot uitgangspunt dat [de vof] ten tijde van het aangaan van de levensverzekering bij Generali en het opzeggen van de levensverzekering bij Interpolis geen wetenschap had van de diagnose baarmoederhalskanker bij [betrokkene 1] .”
2.9
Vervolgens heeft het hof beoordeeld of de vof een beroepsfout heeft gemaakt door te adviseren om de bestaande lopende levensverzekering bij Interpolis te beëindigen. Het hof heeft eerst de standpunten van partijen weergegeven:
“3.16. Als (…) grondslag van zijn vorderingen betoogt [eiser] dat [de vof] – naar de kern genomen – een beroepsfout heeft gemaakt door te adviseren om de bestaande lopende levensverzekering bij Interpolis te beëindigen. Ter toelichting voert [eiser] aan dat het tot de aan [de vof] verstrekte opdracht behoorde om te onderzoeken in hoeverre de bestaande levensverzekering bij Interpolis gecontinueerd kon worden. [verweerder] betwist gemotiveerd dat op dit punt is tekort geschoten jegens [eiser] . [verweerder] voert daarbij aan dat aan [de vof] geen opdracht is verstrekt om te onderzoeken of de levensverzekering kon worden voortgezet, terwijl op grond van de toepasselijke algemene (verzekerings)voorwaarden voortzetting van de levensverzekering bij Interpolis niet mogelijk was zonder hypothecaire financiering bij Rabobank.”
2.10
Hierna heeft het hof geoordeeld dat (i) [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] te weinig concreet heeft gemaakt dat en waarom de opdracht aan de vof mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden, (ii) [eiser] geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat de vof begreep of heeft moeten begrijpen dat [eiser] de mogelijkheid van voortgezette financiering door de Rabobank met bijbehorende levensverzekering via Interpolis wilde openhouden, (iii) zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat de vof in strijd heeft gehandeld met enige op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon ten aanzien van de opzegging van de levensverzekering bij Interpolis toen de nieuwe levensverzekering bij Generali in werking was getreden, en (iv) [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij Interpolis de (voor een 'nieuwe', duurdere reeds gekochte woning) benodigde aanvulling van het verzekerd kapitaal verkregen had kunnen worden (waarvoor eveneens een medische keuring nodig zou zijn geweest) als melding zou zijn gemaakt van de medische situatie van [betrokkene 1] :
“3.17. Het hof stelt voorop dat op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv.
Conclusie
3.28
Nu geen van de klachten slaagt, luidt de slotsom dat het cassatiemiddel tevergeefs is voorgesteld.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Deze feiten zijn met een aantal redactionele aanpassingen ontleend aan het bestreden arrest (hof Den Bosch 31 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:374), rov. 3.1.-3.1.13. Het betreft een selectie van de in het bestreden arrest genoemde feiten.
Ik realiseer mij dat een vof naar geldend recht geen rechtspersoon is, maar wel een afgescheiden vermogen heeft, en dat er daarom als zodanig geen zorg(ver)plicht(ing) op een vof kan rusten. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:97) voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. J.L. Smeehuijzen, JOR 2020/227 m.nt. D.F.H. Stein, JIN 2020/139 m.nt. R.A.G. de Vaan en Ondernemingsrecht 2021/14 m.nt. J.M. Blanco Fernández, randnummers 3.13 e.v. Toch spreek ik – net als het hof in het bestreden arrest (zie rov. 3.1.-3.1.13. en 3.2.1. e.v.) – hierna over verwijten aan de vof, zorg(ver)plicht(ingen) van de vof en kennis van de vof, nu dit taalgebruik het beste aansluit bij deze zaak. Immers: feitelijk heeft in deze zaak een zekere [adviseur] (van de vof) [eiser] geadviseerd (zie randnummer 2.8 hierna). [eiser] heeft [verweerder] in zijn hoedanigheid van vennoot aangesproken.
Rb. Midden-Nederland 14 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4895, rov. 3.1.
Rb. Midden-Nederland 14 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4895.
[eiser] heeft de vorderingen zoals weergegeven in randnummer 2.1 niet gewijzigd in appel. Zie dagvaarding in appel, p. 2 en memorie van grieven, p. 17.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10344, JOR 2019/32 m.nt. J.M. Blanco Fernández, rov. 5.1.-5.5.
HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. J.L. Smeehuijzen, JOR 2020/227 m.nt. D.F.H. Stein, JIN 2020/139 m.nt. R.A.G. de Vaan en Ondernemingsrecht 2021/14 m.nt. J.M. Blanco Fernández.
HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. J.L. Smeehuijzen, JOR 2020/227 m.nt. D.F.H. Stein, JIN 2020/139 m.nt. R.A.G. de Vaan en Ondernemingsrecht 2021/14 m.nt. J.M. Blanco Fernández, rov. 3.3.2-3.5.
Hof Den Bosch 31 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:374, rov. 3.5.-3.19.
Nu het verjaringsoordeel van het hof in cassatie niet bestreden is, laat ik dat hier rusten. Rov. 3.2.3.-3.7. zijn niet relevant voor de beoordeling van het cassatieberoep.
Rov. 3.13.-3.15. zijn in cassatie onbestreden.
Zie het principiële betoog van [eiser] in zijn schriftelijke toelichting.
Zie over deze zorgplicht de recente conclusie van A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2022:703) voor HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114 en JOR 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, randnummer 4.5, met verwijzing naar Asser Bijzondere overeenkomsten/T.F.E. Tjong Tjin Tai, Deel 7-IV. Opdracht, incl. de geneeskundige behandelingsovereenkomst en de reisovereenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 93 (op zijn beurt met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis), HR 22 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2205, NJ 1997/718 m.nt. M.M. Mendel en VR 1997/97 m.nt. T.J. Dorhout Mees (KHT/CLBN), rov. 3.5-3.6, HR 11 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2805, NJ 1999/650 m.nt. P. Clausing, rov. 3.3.2, HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122, NJ 2003/375 m.nt. M.M. Mendel, AV&S 2003, p. 134 e.v. m.nt. A. Blom en JOR 2003/76 m.nt. R. Feunekes (Octant Verzekeringen BV), rov. 3.4.1, en HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1720, RvdW 2012/835 (Coöperatie Rabobank De Zuidelijke Baronie UA), rov. 3.3-3.4. Verder heeft A-G Snijders in dit randnummer verwezen naar HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2537, NJ 1998/586 m.nt. M.M. Mendel (Coöperatieve Rabobank ‘Gorredijk Jubbega en omstreken’ BA), rov. 3.3 (zie ook rov. 3.7). Uit deze rechtspraak blijkt dat de algemene zorgplicht van assurantietussenpersonen kan worden ingevuld met concretere zorgverplichtingen. Zie voor beschouwingen over de contractuele zorgplicht van assurantietussenpersonen mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:1409) voor HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2385, RvdW 2019/97 (Coöperatieve Rabobank) (art. 81 RO), randnummers 3.4 e.v., mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:688) voor HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1524, RvdW 2020/1028 (Attero Holdering BV/Aon Nederland CV c.s.) (art. 81 RO), randnummers 3.31 e.v. en de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2022:327) voor HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1872, NJ 2023/257 m.nt. M. Haentjens (Aon Hewitt Nederland CV), randnummers 4.1 e.v., alle met verdere verwijzingen. Zie voorts HR 29 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2837, NJ 1999/651 m.nt. P.C. Clausing, rov. 3.6, en HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900, NJ 2005/92, rov. 3.7.
HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122, NJ 2003/375 m.nt. M.M. Mendel, AV&S 2003, p. 134 e.v. m.nt. A. Blom en JOR 2003/76 m.nt. R. Feunekes (Octant Verzekeringen BV). Zie eerder HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2537, NJ 1998/586 m.nt. M.M. Mendel (Coöperatieve Rabobank ‘Gorredijk Jubbega en omstreken’ BA), rov. 3.3 en 3.7.
HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6693, NJ 2012/247 en JOR 2012/219 m.nt. B.M. Jonk-van Wijk en N. de Boer (Coöperatieve Rabobank Schiedam-Vlaardingen UA).
Zie ter illustratie van dit punt HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:209, RvdW 2017/219 (Oceanteam II BV c.s.), rov. 3.4.2 (“Onderdeel 1.2.3 betoogt op zichzelf terecht dat een verzekeringstussenpersoon ook zonder concrete bezwaren van de verzekeringnemer gehouden is tot het afleggen van rekening en verantwoording. Het hof heeft dit evenwel niet miskend, maar geoordeeld dat in dit geval kon worden volstaan met de wijze waarop [verweerder] rekening en verantwoording heeft afgelegd voor de premierestitutie die voortsproot uit de onderhandelingen met verzekeraars. Daarbij heeft het hof van belang geacht dat Oceanteam c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben uiteengezet waarom [verweerder] een hoger bedrag had kunnen bedingen en dat zij onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt per wanneer hoeveel werknemers zijn afgevloeid en vermogensobjecten zijn verkocht in het desbetreffende premiejaar 2009, en welke gevolgen dit voor de hoogte van de premie zou moeten hebben gehad. Het oordeel van het hof geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”), en HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9225, NJ 2006/657 (Assuline BV), rov. 3.5 (“Onderdeel 3 faalt, ten slotte, ook voor zover daarin de stelling wordt verdedigd dat het hof heeft miskend dat, indien een assurantietussenpersoon op basis van hem telefonisch door de verzekeraar verstrekte informatie een cliënt adviseert, zonder dat nader onderzoek door die tussenpersoon plaatsvindt of zonder dat deze nadere informatie bij de verzekeraar inwint, in het bijzonder zonder zelf (overigens) kennis te hebben genomen van de inhoud van de ter discussie staande polis, de gevolgen van de onjuistheid van de door de verzekeraar telefonisch verstrekte informatie in de verhouding tussenpersoon-cliënt voor rekening van de eerste dienen te blijven. Een dergelijke regel vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.”). Zie verder mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:1409) voor HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2385, RvdW 2019/97 (Coöperatieve Rabobank UA) (art. 81 RO), randnummer 3.10 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:688) voor HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1524, RvdW 2020/1028 (Attero Holdering BV/Aon Nederland CV c.s.) (art. 81 RO), randnummers 3.31 e.v. Zie voorts nog HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900, NJ 2005/92, rov. 3.7, HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6693, NJ 2012/247 en JOR 2012/219 m.nt. B.M. Jonk-van Wijk en N. de Boer (Coöperatieve Rabobank Schiedam-Vlaardingen UA), rov. 3.6 en 3.10 en HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1872, NJ 2023/257 m.nt. M. Haentjens (Aon Hewitt Nederland CV), rov. 3.3.1-3.3.2 en 3.4.1-3.4.3. Soms is het formuleren van concretere zorgverplichtingen (voor categorieën van gevallen) mogelijk. Zie voetnoot 13 hiervoor.
Zie bijvoorbeeld Stelplicht & Bewijslast (V.
Procesverloop
op [eiser] de plicht rust om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opdracht aan [de vof] mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden en dat [de vof] op dit punt een beroepsfout heeft gemaakt door te adviseren om deze verzekering te beëindigen. Naar het oordeel van het hof maakt [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] te weinig concreet dat en waarom de opdracht aan [de vof] mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Door [verweerder] is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat [eiser] en [betrokkene 1] indertijd niet tevreden waren over Rabobank als hypotheekfinancier en bij voorkeur wilden overstappen naar een andere hypotheekfinancier, en mede daarom [de vof] hadden benaderd als “onafhankelijke bemiddelaar”. [verweerder] heeft ook aangevoerd dat de levensverzekering bij Interpolis gekoppeld was aan de hypotheekfinanciering bij Rabobank en, met zoveel woorden, daarvan afhankelijk was, zodat het overstappen naar een nieuwe hypotheekfinancier automatisch meebracht dat een levensverzekering bij een andere partij zou moeten worden afgesloten. Dit alles is door [eiser] tegenover de onderbouwing van deze stellingen door [verweerder] , onder meer met verwijzing naar bepalingen uit de hypotheek en de levensverzekering die hierop wijzen, niet althans niet voldoende concreet weersproken. Dat [eiser] toen niet heeft uitgesloten dat hij voor de hypotheekfinanciering bij Rabobank zou blijven en evenmin heeft uitgesloten dat de bestaande levensverzekering bij Interpolis zou worden gecontinueerd, maakt dat niet anders. Waar het immers op aankomt, is of [de vof] destijds heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat [eiser] de mogelijkheid van voortgezette financiering door de Rabobank met bijbehorende levensverzekering via Interpolis, wilde openhouden. [eiser] stelt echter geen concrete feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat [de vof] dit destijds begreep of heeft moeten begrijpen. [eiser] voert zelf aan dat het aangaan van de levensverzekering bij Generali verband hield met de aankoop door [eiser] en [betrokkene 1] van een groter en duurder huis, waarvoor zij extra financiering nodig hadden. Tussen partijen staat vast dat de levensverzekering bij Interpolis pas is opgezegd toen de nieuwe levensverzekering bij Generali in werking was getreden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [de vof] van die gang van zaken een verwijt te maken valt, laat staan dat zij in strijd heeft gehandeld met enige op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon. Onder verwijzing naar het oordeel van dit hof onder rov. 3.15. geldt hierbij als uitgangspunt dat niet kan worden aangenomen dat [de vof] indertijd kennis had van de diagnose van baarmoederhalskanker bij [betrokkene 1] . Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] ook op de subsidiaire grondslag niet voor toewijzing in aanmerking komen. Daarenboven geldt het navolgende. Volgens [eiser] had de (oude) verzekering bij Interpolis mogelijk aangevuld kunnen worden. [eiser] maakt echter tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] , onvoldoende aannemelijk dat indertijd bij Interpolis de (voor de 'nieuwe', duurdere reeds gekochte woning) benodigde aanvulling van het verzekerd kapitaal verkregen had kunnen worden (waarvoor eveneens een medische keuring nodig zou zijn geweest) als melding zou zijn gemaakt van de medische situatie van [betrokkene 1] . Uitbreiding van het verzekerd kapitaal met € 150.000,- door Interpolis bij bekendheid met de medische situatie van [betrokkene 1] acht het hof niet aannemelijk. Overige verweren die door [verweerder] naar voren zijn gebracht kunnen verder onbesproken blijven.”
2.11
Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat de vorderingen van [eiser] niet kunnen worden toegewezen en dat het vonnis van 14 september 2016 moet worden bekrachtigd met aanpassing van gronden (rov. 3.18. en 4.).
Onderhavig cassatieberoep
2.12
Bij procesinleiding van 19 april 2023 heeft [eiser] , tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [eiser] heeft zijn standpunt toegelicht.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding die geen klachten bevat en een tweede deel met één onderdeel dat een “centrale rechtsklacht”, zeven “vervolgklachten” en een voorwaardelijke motiveringsklacht (genummerd als klachten 1.-9.), alsmede een ongenummerde voortbouwklacht (onder het kopje “Slotopmerkingen”), bevat. De klachten met nummers 1.-9. zijn gericht tegen rov. 3.17. van het bestreden arrest. De ongenummerde voortbouwklacht is gericht tegen rov. 3.17. en het dictum van het bestreden arrest.
3.2
Ik meen dat deze klachten falen. Ik licht dat toe.
Bespreking van de klachten
3.3
Klacht 1 voert aan dat het hof heeft miskend dat een financiële dienstverlener althans een onafhankelijke hypotheekadviseur die op de voet van een overeenkomst met één natuurlijke persoon of twee samenwonende natuurlijke personen bemiddelt bij de financiering van de aankoop van een huis, in beginsel de “bestaande financieringsrelatie” (ik neem aan dat [eiser] voor deze zaak bedoelt: de verzekering bij Interpolis en de financiering bij Rabobank) in de advisering dient te betrekken (hierna: ‘de door [eiser] bepleite hoofdregel’).
3.4
Wat er verder zij van de vraag of een dergelijke hoofdregel bestaat: deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet een oordeel gegeven dat in strijd is met de door [eiser] bepleite hoofdregel. Immers: het hof heeft in rov. 3.17. niet geoordeeld dat de vof niet in beginsel de bestaande financieringsrelatie in de advisering diende te betrekken (randnummer 2.10 hiervoor). Dit (beweerdelijke) oordeel wordt ook niet geïmpliceerd door oordelen van het hof die het hof wél heeft gegeven in rov. 3.17. Het hof heeft in rov. 3.17. onder meer geoordeeld dat op [eiser] de plicht rust om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opdracht aan de vof mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden en dat de vof op dit punt een beroepsfout heeft gemaakt door te adviseren om deze verzekering te beëindigen. Met dit oordeel heeft het hof niet geoordeeld dat de vof niet in beginsel de bestaande financieringsrelatie moest betrekken in haar advisering of dat de vof de bestaande financieringsrelatie niet heeft betrokken in haar advisering. Het voorgaande brengt mee dat de klacht faalt en dat een verdere bespreking eigenlijk niet nodig is.
3.5
Toch geef ik wat uitgebreider weer – en dus ten overvloede – waartoe de contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon (op grond van art. 7:401 BW) in het algemeen strekt, omdat [eiser] de hier besproken klacht als een (principiële) rechtsklacht opvoert. Ik geef daarna ook nog kort aan waarom het niet onterecht of onbegrijpelijk is dat het hof in deze zaak geen aanleiding heeft gezien om te oordelen dat de vof [eiser] moest waarschuwen voor, attenderen op, of informeren en/of adviseren met betrekking tot de mogelijkheid om de verzekering bij Interpolis te verlengen of te continueren.
3.6
Uw Raad heeft over de contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon in het algemeen het volgende geoordeeld:
“3.4.1 (…) Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.
Procesverloop
Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om, voorzover in deze zaak van belang, een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Bij dit laatste geldt dat indien de tussenpersoon met betrekking tot een hem bekende omstandigheid die mogelijk tot een beroep op risicoverzwaring aanleiding kan geven, niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren.”
3.7
Uw Raad heeft daar later nog aan toegevoegd:
“3.6 (…) de beantwoording van de vraag of de bank [een assurantietussenpersoon, A-G] is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [verweerster], die meebracht dat op duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare wijze gewaarschuwd moest worden voor de gevolgen van het niet (binnen de gestelde termijn) voldoen aan alle preventiemaatregelen, diende plaats te vinden met inachtneming van alle relevante omstandigheden.
(…)
3.10 (…)
Een assurantietussenpersoon mag in het algemeen afgaan op de juistheid van een mededeling van zijn opdrachtgever dat is voldaan aan de uit de polis voortvloeiende verplichtingen tot het nemen van preventiemaatregelen. Behoudens bijzondere omstandigheden gaat zijn zorgplicht dan ook niet zo ver dat hij dient te controleren of die mededeling juist is.”
3.8
De contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon als goed opdrachtnemer is dus algemeen van aard. Als uitgangspunt geldt dat een assurantietussenpersoon als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar moet waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen, waarbij hij rekening moet houden met relevante omstandigheden van het geval die voor hem bekend zijn of voor hem bekend behoorden te zijn. De betekenis van de algemene contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon in een concreet geval hangt dus (vaak) af van de omstandigheden van het geval, en daarom is voorzichtigheid geboden bij de invulling van deze algemene zorgplicht met concretere zorgverplichtingen die altijd of voor (grote) categorieën van gevallen gelden.
3.9
Gezien het voorgaande is het denkbaar dat een assurantietussenpersoon in een concreet geval verplicht is om een klant te waarschuwen voor, attenderen op, of informeren en/of adviseren met betrekking tot de mogelijkheid om een bestaande verzekering te verlengen of te continueren. Het is gezien de inhoud van rov. 3.13.-3.17. van het bestreden arrest echter niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof voor een oordeel met een dergelijke strekking geen aanleiding heeft gezien in het onderhavige geval. Uitgangspunt is dat de vof niet wist van het bestaan van de ziekte van [betrokkene 1] die zij had op het moment van de beëindiging van de verzekering bij Interpolis, en uit het oordeel van het hof volgt dat de vof gelet op onder meer [eiser] voorkeur om op een andere hypotheekfinancier over te stappen ervan kon uitgaan dat een verzekering bij een andere partij zou moeten worden afgesloten, terwijl er voor de vof in de gegeven omstandigheden van het geval geen aanleiding bestond om zelf mogelijkheden van verlenging en continuering van de bestaande verzekering te onderzoeken of [eiser] daarop te attenderen. Het is niet onbegrijpelijk of onjuist dat het hof onder deze omstandigheden en gelet op de betwisting door [verweerder] heeft verlangd van [eiser] dat deze beter moest onderbouwen waarom de vof desondanks in strijd met haar (contractuele) zorgplicht heeft gehandeld door beëindiging van de verzekering bij Interpolis te adviseren. Dit oordeel van het hof sluit ook goed aan bij de hoofdregel van art. 150 Rv, op grond waarvan de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis op [eiser] rusten.
3.10
Klacht 2 voert aan dat onjuist is het oordeel van het hof in de tweede zin van rov. 3.17. dat [eiser] onvoldoende concreet heeft gemaakt dat en waarom de opdracht aan de vof mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden (onderdeel van de door [eiser] bepleite hoofdregel), nu volgens deze klacht “het recht” niet bewezen hoeft te worden.
3.11
[eiser] wijst er terecht op dat (zuivere) rechtsregels niet bewezen hoeven te worden. Het oordeel van het hof in de tweede zin van rov. 3.17. wijkt hier echter niet van af. De klacht faalt daarom. Ik licht dit nog kort toe. Terecht en begrijpelijk heeft het hof van belang geacht of [eiser] voldoende concreet heeft gemaakt dat de opdracht mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden. Uit de hoofdregel van art. 150 Rv volgt dat de stelplicht en bewijslast op dit punt op [eiser] rusten. Of [eiser] voldoende concreet heeft gemaakt dat de opdracht mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden, is ook relevant. Immers: als de opdracht dat inderdaad (mede) zou hebben ingehouden, en als vervolgens komt vast te staan dat de vof deze verplichting niet is nagekomen, staat een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst vast. De vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, is natuurlijk niet een zuiver juridische kwestie. Beantwoording daarvan vergt ook een waardering van omstandigheden van het geval zoals partijen die onder de aandacht brengen. Gezien het voorgaande en ook gezien de inhoud van randnummers 3.4-3.9 hiervoor heeft het hof in rov. 3.17. terecht en begrijpelijk overwogen dat [eiser] over de inhoud van de opdracht onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld.
3.12
Klacht 3 voert aan dat het oordeel van het hof over de bewijslast in de eerste zin van rov. 3.17. onjuist is, omdat de door [eiser] bepleite hoofdregel een rechtskwestie is die zich niet leent voor bewijslevering. Volgens klacht 3 is het oordeel van het hof in de eerste zin van rov. 3.17. niet gebaseerd op een vastgestelde partij-afwijking van de door [eiser] bepleite hoofdregel, noch op (Haviltex-)uitleg.
3.13
Ook deze klacht faalt. Dat volgt uit hetgeen ik in randnummers 3.4-3.9 en 3.11 hiervoor heb uiteengezet. Ik voeg daar nog aan toe dat het hof in de eerste zin van rov. 3.17. heeft geoordeeld dat op [eiser] de stelplicht en bewijslast rusten om voldoende aannemelijk te maken dat de vof een beroepsfout heeft gemaakt door haar advies om de verzekering bij Interpolis te beëindigen. Ook dit oordeel sluit goed aan bij de hoofdregel van art. 150 Rv. Gezien de omstandigheden van het geval en de betwisting door [verweerder] waaraan het hof in rov. 3.17. heeft gerefereerd, heeft het hof terecht en begrijpelijk overwogen dat niet is komen vast te staan dat de vof bij de beëindiging van de verzekering bij Interpolis en bij de totstandkoming van de verzekering bij Generali een verwijt treft tegenover [eiser] . Of de vof in strijd heeft gehandeld met een zorgplicht gelet op hetgeen de vof begreep of moest begrijpen, is niet een zuiver juridische kwestie (randnummers 3.5-3.9 hiervoor).
3.14
Klacht 4 voert aan dat het oordeel van het hof over de bewijslast in de eerste zin van rov. 3.17.
Procesverloop
onjuist is, omdat de bewijslast op [verweerder] rustte als er ten aanzien van de inhoud of uitleg van de overeenkomst iets bewezen moest worden. Daaraan legt de klacht ten grondslag dat uit de aard van een overeenkomst als aan de orde in het onderhavige geval, althans uit de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW), voortvloeit, dat een dienstverlener als de vof in beginsel de bestaande financieringsrelatie in de advisering dient te betrekken. Een partij die zich erop beroept dat de overeenkomst een andere inhoud heeft of anders moet worden uitgelegd, heeft de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van feiten en omstandigheden die dat onderbouwen.
3.15
Deze klacht mist feitelijke grondslag waar de klacht ervan uitgaat dat [verweerder] zich erop heeft beroepen dat de overeenkomst niet de opdracht bevat dat de vof in beginsel de bestaande financieringsrelatie in de advisering diende te betrekken. Immers: blijkens de in cassatie onbestreden rov. 3.16. heeft [verweerder] in feitelijke instanties aangevoerd dat aan de vof geen opdracht is verstrekt om te onderzoeken of de levensverzekering kon worden voortgezet. Dat laatste is niet hetzelfde als het betrekken van de bestaande financieringsrelatie in de advisering. Het hof heeft als gezegd vervolgens in rov. 3.17. geoordeeld dat (i) op [eiser] de plicht rust om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opdracht aan de vof mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden en dat de vof op dit punt een beroepsfout heeft gemaakt door te adviseren om deze verzekering te beëindigen en (ii) de vof heeft geadviseerd de verzekering bij Interpolis te beëindigen (en dus dat de vof de bestaande financieringsrelatie wél in haar advisering heeft betrokken). De hier genoemde bewijslastverdeling is juist. Ik verwijs verder naar randnummers 3.4-3.9, 3.11 en 3.13 hiervoor om herhaling te voorkomen.
3.16
Ten overvloede merk ik nog op dat art. 6:248 lid 1 BW niet in het algemeen meebrengt dat een partij als de vof in een geval als het onderhavige in beginsel moet onderzoeken of een bestaande verzekering kan worden behouden. Deze verplichting is te concreet om in het algemeen op de voet van art. 6:248 lid 1 BW te stellen. De omstandigheden van het geval, al dan niet in wisselwerking met de redelijkheid en billijkheid, kunnen meebrengen dat uit een opdrachtovereenkomst een dergelijke verplichting wel of niet voortvloeit. Het hof heeft terecht en begrijpelijk geoordeeld dat in de onderhavige zaak niet is komen vast te staan dat deze verplichting op de vof rustte, ook niet in het licht van de aard van de overeenkomst. Voor aanvulling op de voet van de gewoonte, als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW, geldt mutatis mutandis hetzelfde. Ik verwijs wederom in het algemeen naar randnummers 3.4-3.9, 3.11 en 3.13 hiervoor om herhaling te voorkomen.
3.17
Klacht 5 voert aan dat het onbegrijpelijk is dat het hof uit de waardering van bewijs afleidt hoe de bewijslast moet worden verdeeld, als het hof aan zijn oordeel over de bewijslast omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die het hof “verderop in rov. 3.17 relateert”.
3.18
Net als de vorige klacht mist deze klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft niet uit de waardering van bewijs afgeleid hoe de bewijslast moet worden verdeeld. Het hof heeft de bewijslastverdeling gebaseerd op art. 150 Rv. Dat is juist. Ik verwijs naar randnummers 3.4-3.9, 3.11, 3.13 en 3.15-3.16 hiervoor om herhaling te voorkomen.
3.19
Klacht 6 voert aan dat hetgeen het hof in rov. 3.17 heeft overwogen, ook als het aan zijn oordeel over de bewijslastverdeling ten grondslag zou zijn gelegd, onvoldoende zou zijn geweest om van de door [eiser] bepleite hoofdregel (de vof moest in beginsel de bestaande financieringsrelatie in de advisering betrekken) af te wijken, zodat het oordeel van het hof over de bewijslastverdeling in de eerste zin van rov. 3.17. ook onjuist zou zijn geweest, als dit oordeel zou zijn gebaseerd op hetgeen verder in rov. 3.17. is overwogen.
3.20
Ook deze, lastig geformuleerde, klacht faalt. Als gezegd heeft het hof aan zijn terechte bewijslastverdeling de hoofdregel van art. 150 Rv ten grondslag gelegd. Het hof heeft de bewijslastverdeling dus niet gebaseerd “op hetgeen verder in rov. 3.17 is overwogen” en ook heeft het hof geen oordelen gegeven die in strijd zijn met de door [eiser] bepleite hoofdregel. Deze klacht mist dus feitelijke grondslag. Ik verwijs verder naar randnummers 3.4-3.9, 3.11, 3.13 en 3.15-3.16 hiervoor om herhaling te voorkomen.
3.21
Klacht 7 bouwt voort op de hiervoor besproken klachten en voert aan dat de overweging van het hof “Dat [eiser] toen niet heeft uitgesloten dat hij voor de hypotheekfinanciering bij Rabobank zou blijven en evenmin heeft uitgesloten dat de bestaande levensverzekering bij Interpolis zou worden gecontinueerd, maakt dat niet anders.”, uitgaande van de juiste rechtsregel in strijd met de logica en onbegrijpelijk is, omdat zich geen uitzondering voordoet op de door [eiser] bepleite hoofdregel nu [eiser] niet heeft uitgesloten dat hij voor de hypotheekfinanciering bij Rabobank zou blijven en evenmin heeft uitgesloten dat de bestaande levensverzekering bij Interpolis zou worden gecontinueerd. De vof had volgens deze klacht sowieso ook het instandhouden van de oude financiering in de advisering moeten betrekken.
3.22
De klacht is tevergeefs voorgesteld. Dat [eiser] niet heeft uitgesloten dat hij voor de hypotheekfinanciering bij Rabobank zou blijven en evenmin heeft uitgesloten dat de bestaande levensverzekering bij Interpolis zou worden gecontinueerd, maakt volgens het hof niet dat [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] voldoende concreet heeft gesteld dat en waarom de opdracht aan de vof mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden. Volgens het hof is daarvoor de reden dat in deze zaak (slechts) beslissend is of de vof heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat [eiser] de mogelijkheid van voortgezette financiering door Rabobank met bijbehorende levensverzekering via Interpolis wilde openhouden. Het hof heeft in dit verband terecht en begrijpelijk geoordeeld dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat de vof een verwijt te maken valt, laat staan dat de vof in strijd heeft gehandeld met enige op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon. Verder geldt ook voor deze klacht dat – anders dan [eiser] in cassatie lijkt aan te voeren – (i) het niet onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof voor het aannemen van de door [eiser] bepleite hoofdregel geen aanleiding heeft gezien en (ii) het hof niet heeft geoordeeld dat de vof de bestaande financieringsrelatie niet in de advisering hoefde te betrekken. Ik verwijs naar randnummers 3.4-3.9, 3.11, 3.13 en 3.15-3.16 hiervoor om herhaling te voorkomen.
3.23
Klacht 8 voert aan dat de overwegingen van het hof “Waar het immers op aankomt, is of [de vof] destijds heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat [eiser] de mogelijkheid van voortgezette financiering door de Rabobank met bijbehorende levensverzekering via Interpolis, wilde openhouden.” en “[eiser] stelt echter geen concrete feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat [de vof] dit destijds begreep of heeft moeten begrijpen.” onjuist zijn. Nu niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de door [eiser] bepleite hoofdregel, moest de onafhankelijke hypotheekadviseur de bestaande financiering in zijn advisering betrekken, ongeacht de vraag of hij dat begreep. Dat hij het had moeten begrijpen ligt in de door [eiser] bepleite hoofdregel besloten en is dus ook niet een feitenkwestie, waarop de regels van art. 149 en 150 Rv van toepassing zijn.
3.24
Deze klacht bouwt voort op de hiervoor besproken klachten, en faalt reeds daarom.