Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-02-13
ECLI:NL:PHR:2024:145
Strafrecht
829 tokens
Conclusie
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
Bij arrest van 16 december 2021 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het op 22 november 2016 tegen de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder aanvulling van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte voor (1) als leider deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft bedrijfsmatige internationale hennepteelt en hennephandel, (2) medeplegen van opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep, (3) medeplegen van opzettelijk vervoeren van hennep en (4) medeplegen van opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van hennep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 21/05240 en 21/05256. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 21 december 2021 ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel, dat betrekking heeft op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch, faalt. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof de zaak tegen de verdachte ten onrechte niet door drie raadsheren heeft behandeld en berecht, althans dat de zaak ten onrechte is behandeld en berecht door één of meer raadsheren die niet op de door de wet voorgeschreven wijze (en dus niet) als raadsheer waren beëdigd, welk verzuim nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest tot gevolg heeft.
2.2
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, NJ 2023/43 m.nt. Vellinga is het middel tevergeefs voorgesteld.
2.3
Het middel faalt.
Conclusie
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot vermindering naar de gebruikelijke maatstaf van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
3.3
Deze conclusie sterkt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG