Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-11-26
ECLI:NL:PHR:2024:1427
Strafrecht
341 tokens
=== CONCLUSIE ===
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 juli 2022 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2021 bevestigd. De rechtbank Amsterdam had het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 4.149,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02523, 22/02758, 22/02703, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de betrokkene niet binnen de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG