Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-12-20
ECLI:NL:PHR:2024:1404
Civiel recht
13,926 tokens
Conclusie
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
1 [verzoeker 1] (hierna: [verzoeker 1] ),
2. [verzoeker 2] (hierna: [verzoeker 2]),
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn
tegen
1 [de moeder] (hierna: moeder),
2. [verweerster 1] (hierna: [verweerster 1]),
3. [verweerder 2] (hierna: [verweerder 2]),
verweerders in cassatie,
advocaat: mr. A.C. de Bakker
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak hebben de broers [verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken ingediend tot instelling van een bewind over de goederen van hun moeder en tot instelling van een mentorschap ten behoeve van haar. Anders dan de rechtbank, heeft het hof deze verzoeken afgewezen.
In cassatie klagen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in de eerste plaats dat het hof heeft toegestaan dat moeder, hun zuster [verweerster 1] en hun broer [verweerder 2] (en hun advocaat) via een videoverbinding hebben deelgenomen aan de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 1 november 2023 (onderdeel 1). Volgens het onderdeel is dit ten onrechte, nu art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 op dat moment reeds was vervallen en [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet met video-deelname hebben ingestemd, maar daartegen bezwaren hebben geuit. Voor het geval die klachten niet slagen, wordt bovendien geklaagd dat het hof bij zijn toets of het instellen van een bewind en/of mentorschap ten aanzien van moeder noodzakelijk is, onvoldoende acht heeft geslagen op stellingen van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] met betrekking tot de geestelijke toestand van moeder ten tijde van het opmaken van haar levenstestament en de ernstig verstoorde familieverhoudingen (onderdelen 2 en 3).
Mijns inziens slagen reeds enkele klachten uit het eerste onderdeel.
1.2
Deze zaak hangt samen met het cassatieberoep onder zaaknummer 24/00999. Die zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, heeft betrekking op het door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ingediende verzoek tot het instellen van een bewind over de goederen van hun broer [verweerder 2]
Feiten
2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan de beschikking van 20 december 2023 (hierna ook: de bestreden beschikking) van het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof):
(i) [de moeder] is geboren te [geboorteplaats], Suriname op [geboortedatum] 1937.
(ii) Zij is de moeder van [verweerster 1] , [verweerder 2] , [verzoeker 1] en [verzoeker 2]
(iii) Tussen de kinderen is sprake van ernstig verstoorde onderlinge verhoudingen, waarbij de standpunten van partijen ter zake bewindvoering en mentorschap met betrekking tot moeder lijnrecht tegenover elkaar staan.
In eerste aanleg
2.2
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben bij verzoekschrift van 24 januari 2022 bij de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) een verzoek ingediend tot instelling van een bewind over de goederen van moeder en tot instelling van een mentorschap ten behoeve van haar.
2.3
Op 7 februari 2022 is een aanvulling op het verzoekschrift ingediend.
2.4
De kantonrechter heeft de zaak ter zitting van 2 maart 2022 behandeld en heeft [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verweerster 1] gehoord. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Bij beschikking van 9 maart 2022, verbeterd bij beschikking van 31 maart 2022, heeft de kantonrechter:
- alle goederen die (zullen) toebehoren aan moeder onder bewind gesteld wegens een geestelijke of lichamelijke toestand;
- [verweerster 1] en [verzoeker 2] tot bewindvoerders benoemd.
2.6
Bij beschikking van eveneens 9 maart 2022, verbeterd bij beschikking van 31 maart 2022, (hierna samen met de beschikkingen onder 2.5: de beschikkingen) heeft de kantonrechter:
- een mentorschap ingesteld over moeder als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand;
- [verweerster 1] en [verzoeker 1] tot mentoren benoemd.
In hoger beroep
2.7
Bij beroepschrift van 4 mei 2022 zijn moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] in hoger beroep gekomen van de beschikkingen. Zij hebben het hof verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen inzake de onderbewindstelling en het mentorschap te vernietigen en subsidiair opnieuw rechtdoende de benoeming van [verweerster 1] als bewindvoerder en mentor in stand te laten en de benoeming van [verzoeker 2] en [verzoeker 1] als bewindvoerder respectievelijk mentor te vernietigen, althans een derde onafhankelijk en professioneel bewindvoerder te benoemen.
2.8
[verzoeker 1] heeft bij verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep tevens verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, ingediend op 22 juli 2022, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, verzocht:
- voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken het contact tussen moeder en haar (klein)kinderen te herstellen;
- in het principaal en incidenteel beroep ten aanzien van alle voorlopige maatregelen te bepalen dat deze zullen voortduren na de beëindiging van de gerechtelijke procedure;
- voor het overige in het principaal beroep de grieven af te wijzen met uitzondering van de verzoeken tot benoeming van een professionele mentor en bewindvoerder;
- voor het overige in het incidenteel beroep over te gaan tot integrale vernietiging van de beschikkingen, met benoeming van een professionele mentor en bewindvoerder, althans te beoordelen in hoeverre curatele een beter passende maatregel zou kunnen zijn, zo nodig met benoeming van een geriater als deskundige.
2.9
[verzoeker 2] heeft bij verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening betreffende vaststellen omgang meerderjarige voor de duur van het geding, ingediend op 5 augustus 2022, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat, verzocht:
- voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken het contact tussen moeder en haar (klein)kinderen te herstellen;
- in het principaal beroep de verzochte vernietiging en handhaving van [verweerster 1] als (enig) bewindvoerder en mentor af te wijzen;
- in het incidenteel beroep de beschikkingen integraal te vernietigen met benoeming van een derde onafhankelijk mentor en bewindvoerder, zo nodig met aanwijzing van een geriatrisch deskundige, dan wel dat het hof moeder alsnog onder curatele stelt en een professionele curator benoemt.
2.10
Bij verweerschrift incidenteel appel en voorlopige voorziening, ingediend op 7 september 2022, hebben moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] verweer gevoerd, strekkende tot afwijzing van de verzoeken in het incidenteel appel en van de verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
2.11
[verzoeker 2] en [verzoeker 1] hebben bij brief van 20 oktober 2023 resp. 21 oktober 2023 aan het hof ieder hun petitum geherformuleerd en uitgebreid.
2.12
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2023, gelijktijdig met die van de zaak bekend onder zaaknummer 200.314.794/01. Daarbij waren, voor zover in deze zaak relevant, aanwezig [verzoeker 1] en zijn advocaat mr. Sanders, [verzoeker 2] en zijn advocaat mr. Budhu Lall en, via een videoverbinding: moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] , en hun advocaat mr. Boiten. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. De advocaten van appellanten en van [verzoeker 2] hebben pleitnotities overgelegd.
2.13
Bij zijn thans bestreden beschikking van 20 december 2023 heeft het hof de beschikkingen van 9 maart 2022 vernietigd en opnieuw rechtdoende:
- in de zaak met zaaknummer 200.310.624/02 het verzoek afgewezen;
- in de zaken met zaaknummers 200.310.624/01 en 200.310.625/01 de verzoeken in het incidenteel appel afgewezen;
met compensatie van de kosten van het geding in hoger beroep.
2.14
Daartoe heeft het hof, zakelijk weergegeven, als volgt overwogen.
- Het hof dient te bezien of de instelling van een beschermingsbewind over de goederen van moeder en een mentorschap ten behoeve van haar noodzakelijk is. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de inhoud van het door moeder ondertekende levenstestament van 29 oktober 2019, dat zij heeft laten opstellen om te voorkomen dat zij onder curatele wordt gesteld, of dat over haar goederen beschermingsbewind of ten behoeve van haar een mentorschap wordt ingesteld. Daarin heeft zij [verweerster 1] een algemene volmacht gegeven. [verweerster 1] heeft sindsdien als gevolmachtigde opgetreden en wenst dat te blijven doen. Blijkens het levenstestament dient zij rekening en verantwoording af te leggen aan (de erfgenamen van) moeder. Moeder is door de kantonrechter niet gehoord en heeft ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk aangegeven dat zij wenst dat [verweerster 1] haar belangen behartigt (rov. 5.11).
- Ook al zou moeder thans niet in staat zijn haar (niet-)financiële belangen zelf behoorlijk waar te nemen – waarover partijen van mening verschillen – is de instelling van een beschermingsbewind en mentorschap, gelet op het levenstestament van moeder, niet noodzakelijk. Daarin heeft moeder middels volmacht voorzien in ondersteuning door [verweerster 1] op (niet-)financieel gebied. Verweerders hebben onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie zouden rechtvaardigen dat [verweerster 1] de volmacht (heeft) misbruikt. Verstoorde familieverhoudingen zijn weliswaar niet wenselijk maar maken het oordeel niet anders (rov.
Motivering
3.36
Bij deze stand van zaken kan de bestreden beschikking geen stand houden en zal de zaak na vernietiging en verwijzing opnieuw inhoudelijk behandeld moeten worden.
Onderdelen 2 tot en met 4
3.37
De onderdelen 2 en 3 zijn ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 faalt. Nu die voorwaarde niet in vervulling is gegaan, behoeven deze onderdelen geen bespreking.
3.38
Onderdeel 4 bevat slechts een voortbouwklacht, die geen zelfstandige behandeling behoeft.
Conclusie
3.39
Het slagen van een deel van de klachten van onderdeel 1 (zie hiervoor onder 3.35) brengt mee dat de conclusie zal strekken tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Hof Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2567, rov. 3.1 en 5.11.
Rb. Rotterdam 9 maart 2022, zaaknummer: 9649737 \ GZ VERZ 22-868 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Rotterdam 31 maart 2022, zaaknummer: 9649737 \ GZ VERZ 22-868 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Rotterdam 9 maart 2022, zaaknummer: 9649738 \ GZ VERZ 22-869 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Rotterdam 31 maart 2022, zaaknummer: 9649738 \ GZ VERZ 22-869 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Tegen de eindbeschikking in die zaak is het cassatieberoep ingesteld, bekend onder nummer 24/00999, waarin ik thans eveneens concludeer.
Het hof spreekt in rov. 5.13 en het dictum kennelijk abusievelijk van een bestreden ‘beschikking’ (in enkelvoud). Vgl. rov. 1, waarin het hof uitdrukkelijk vermeldt dat het hoger beroep de twee bestreden beschikkingen van de kantonrechter betreft.
Zie over de rolbeschikking uitgebreid: A-G de Bock, conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:809) voor HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1908, NJ 2021/241 m.nt. G. van Solinge, nr. 7.11-7.13, met rechtspraakoverzicht. Zie voorts HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:416, NJ 2020/222 m.nt. F.M. [verweerder 2] Verstijlen, rov. 3.3.3. Zie ook A-G Wissink, conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1049) voor HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1801 (art. 81 RO), nr. 2.18.1 e. [verweerster 1]
Stb. 2020, 124.
Stb. 2023, 101.
Art. 806 lid 2 Rv vermeldt weliswaar niet het hier relevante art. 809 Rv, maar algemeen wordt aangenomen dat ook die bepaling in hoger beroep van toepassing is. Zie bijv. B.E. [verzoeker 2] Chin-A-Fat, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 806 Rv, aant. 5 (actueel t/m 22 augustus 2023); A. [verweerster 1] T. de Bie, Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 805/807 Rv, aant. 3 (actueel t/m 1 september 2023); [verzoeker 1] Y. Nauta, T&C Rv, art. 806 Rv, aant. 6b (actueel t/m 11 oktober 2024).
Zie ook reeds HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.2. [verzoeker 2] F.M. Wortmann & [verweerder 2] Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 380 spreekt van het uitgangspunt.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 18.
Stb. 2019, 241 en Stb. 2019, 247.
Stb. 2016, 288.
Kamerstukken II 2018/19, 35 175, nr. 3, p. 3-4.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 31. Op p. 62 wordt het aldus verwoord: “Met digitaal procederen wordt bedoeld digitale stukkenwisseling. Het is niet de doelstelling van dit wetsvoorstel om ook de mondelinge behandeling van een zaak uitsluitend digitaal, via een online zitting, af te handelen, hoewel de wet zich niet tegen een zitting door middel van een videoconferentie verzet. Buiten de mondelinge behandeling en andere zittingen zal ieder contact digitaal kunnen geschieden”.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 56.
Kamerstukken II 2018/19, 35 175, nr. 3, p. 2.
Het artikel is met terugwerkende kracht op eerstgenoemde datum in werking getreden (Stb. 2020, 126) en op laatstgenoemde datum vervallen (Stb. 2023, 101).
Kamerstukken II 2019/20, 35 434, nr. 3, p. 4.
Stb. 2023, 101, p. 1.
De brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 april 2022, referentie: 3911063 (www.rijksoverheid.nl), p. 1, onderscheidt (volledig) online zittingen van hybride zittingen, waarbij sprake is van een combinatie van fysieke en online aanwezigheid.
Vgl. [verzoeker 2] Heeroma, ‘U staat nog op mute. Over (digitale) zittingen in het civiele recht tijdens de corona-pandemie’, TvPP 2021, afl. 3, p. 101; [verzoeker 1] Jansen, ‘Aandachtspunten bij het gebruik van de videoconferentie in civiele procedures, NJB 2020/2301, noot 6; [verweerder 2] P.C. Interfurth & D. [verweerder 2] Beenders, annotatie bij: Rb. Amsterdam 8 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:690, JBPr 2023/83 die ook de KEI-wetgeving reeds als basis zien voor de mogelijkheid om video-conferentie in te zetten. Ook A. Sikkema-Lenaerts, Particuliere beleggingsgeschillen bij Kifid, bezien vanuit de fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 341, noot 184 lijkt zich daarbij aan te sluiten. [de moeder] M. Coenraad & P. Ingelse, ‘Afscheid van de klassieke civiele procedure?’ in: [de moeder] M. Coenraad e.a., Afscheid van de klassieke procedure?, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. I.6.3 onderkennen dat KEI-Rv de mogelijkheid bood om een mondelinge behandeling niet fysiek te houden, maar benadrukken het (historische) belang en uitgangspunt van een fysieke mondelinge behandeling. H. [verweerder 2] Snijders, ‘Online zitting, redding voor de arbitrage in coronatijd en daarna?’, TvA 2021, afl. 1, onder 2, begrijpt mede gezien de geschiedenis het begrip ‘mondeling’ reeds zo dat dit anno 2021 ook elektronische behandelingen omvat, doch dat niet elke behandeling aan de vereisten van art. 6 EVRM zal voldoen. M.K.G. Tjepkema & B. [verweerder 2] van Ettekoven, in: B. Aarrass, C. [de moeder] G.F.H. Albers & [verzoeker 1] Ortlep (red.), Digitalisering in de rechtsverhouding tussen burger en overheid. Zoeken naar een balans tussen instrumentaliteit en waarborg, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 8.4.1, nemen voor wat betreft het bestuursrecht eveneens aan dat een videozitting inmiddels reeds als een volwaardige ‘zitting’ ex art. 8:56 BW moet worden gezien en art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 in zoverre dus overbodig was. Mogelijk anders m.b.t. het bestuursrecht: T.A. Cramwinckel & [verzoeker 1] A. de Boer, ‘De ‘online’ zitting in belastingzaken’, WFR 2023/173, die wijzen op het vrijwillige kader van art. 8:40a lid 3 Awb.
Zie met betrekking tot het instellen van een mentorschap uitdrukkelijk HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:533, NJ 2018/292, m.nt. [verzoeker 2] F.M. Wortmann, rov. 3.3.2. Ten aanzien van een verzoek tot onderbewindstelling geldt m.i. niet iets anders, nu ook die onderbewindstelling de betrokkene de bevoegdheid ontneemt om bepaalde rechtshandelingen, betreffende zijn vermogen, te verrichten. Zo ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/698.
EHRM 2 december 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1202JUD003651619, § 64 Het betrof daar een zaak aangaande ‘parental responsibilities’ waarin een partij door het weigeren van een visum niet fysiek aanwezig kon zijn bij de zitting, doch zijn advocaat wel. De door het EHRM genoemde overige rechtspraak betrof steeds de strafrechtelijke pendant van art. 6 EVRM. In deze uitspraak wordt die lijn dus doorgetrokken.
Zie ook HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509, NJ 2020/402, m.nt. [verweerder 2] Legemaate, rov. 3.2.4-3.2.5, waarin dit kader, in ieder geval onder vigeur van de Tijdelijke wet COVID-19, reeds op het horen van een betrokkene in een Wvggz-procedure van toepassing werd geacht. Uw Raad legde de (strafrechtelijke) jurisprudentie van het EHRM in rov. 3.2.4 aldus uit: “Deelname van een verdachte aan het strafproces op een andere wijze dan door fysieke aanwezigheid moet een legitiem doel dienen, bijvoorbeeld het waarborgen van de veiligheid van anderen, en dient – blijkens de door de rechter te geven motivering – gerechtvaardigd te worden door de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Steeds dient te worden gewaarborgd dat wordt voldaan aan de eisen van art. 6 EVRM (eerlijk proces). Zo mogen technische problemen niet in de weg staan aan een effectieve deelname aan de zitting. Voorts is van belang of de rechtsbijstand van de betrokkene is gewaarborgd.”
Bijv. [de moeder] [verzoeker 1] Glas, K.E. Geertsema & M. [verzoeker 1] Bruning, ‘Rechtspraak tijdens corona.
Feiten
5.12).
In cassatie
2.15
Bij procesinleiding, ingediend bij de Hoge Raad op 18 maart 2024 (hierna ook: p.i.), zijn [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van 20 december 2023, alsmede van een (als bijlage 4 bij de procesinleiding gevoegde) als ‘rolbeslissing’ aangeduide e-mail van 31 oktober 2023 van de griffie van het hof. Van het voorbehoud tot aanvulling is geen gebruik gemaakt. In hun verweerschrift hebben moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel valt uiteen in vier onderdelen (1 tot en met 4). Onderdeel 1 keert zich tegen het digitaal bijwonen van de mondelinge behandeling door appellanten. De onderdelen 2 en 3 richten klachten tegen de afwijzing van de verzoeken. Onderdeel 4 bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel 1: digitaal bijwonen mondelinge behandeling
3.2
Met onderdeel 1 klagen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , samengevat, dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] (en hun advocaat) tijdens de mondelinge behandeling te horen via een videoverbinding, althans dat het onbegrijpelijk is dat het hof dit heeft toegestaan, gelet op de bezwaren van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (p.i., nr. 4). Het onderdeel werkt die klachten als volgt uit.
3.3
Gelet op de bezwaren van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op het verzoek namens moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] (bijlagen 1-3 bij p.i.) is het hof, door in zijn e-mail van 31 oktober 2023 akkoord te gaan met het digitaal bijwonen van de zitting door hen (bijlage 4 bij p.i.), uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De wettelijke basis daarvoor ontbreekt, omdat de zitting plaatsvond na 1 juni 2023 en betrokken partijen niet gezamenlijk met digitaal bijwonen hebben ingestemd. Daardoor heeft het hof de wet, de goede procesorde, de beginselen van hoor en wederhoor en/of het recht op een eerlijk proces (art. 21 Rv en 6 EVRM) geschonden (p.i., nrs. 5-7).
3.4
Voor het geval mocht worden geoordeeld dat er wel een wettelijke basis was voor het laten doorgaan van een videoconferentie, klaagt het onderdeel dat het hof gemotiveerd had moeten ingaan op de door moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] aangegeven redenen voor een videoconferentie, de bezwaren van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] daartegen en de vraag of de aard van de zaak zich niet verzet tegen behandeling via videoconferentie. Het voorgaande klemt volgens het onderdeel te meer in een zaak als deze, waarin partijen strijden over de vraag of sprake is van beïnvloeding of afhankelijkheid en van belang is dat partijen fysiek en van elkaar gescheiden in een zittingszaal worden gehoord zodat partijen door alle betrokkenen goed kunnen worden geobserveerd en onderlinge beïnvloeding zoveel mogelijk kan worden voorkomen (p.i., nr. 8).
Ontvankelijkheid klachten
3.5
Voor zover de klachten zijn gericht tegen de in p.i. nr. 1 als ‘rolbeslissing’ gekwalificeerde e-mail van 31 oktober 2023, waarin de voorzitter zijn akkoord geeft voor het digitaal bijwonen van de zitting door moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] (en hun advocaat), zou zich de vraag kunnen opdringen of [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in die klachten ontvankelijk zijn.
3.6
Zoals uit het onderstaande betoog zal blijken, is bij die beslissing sprake van méér dan een beslissing die slechts ‘strekt ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregelde loop der zaken’ en niet ingrijpt in de rechten van partijen, of anders gezegd, van méér dan het nemen van een administratieve maatregel van ondergeschikte betekenis die geen motivering behoeft. Naar zal blijken, heeft de rechter op dit punt geen volledige vrijheid en dient hij zijn toewijzende beslissing, als uitzondering op de geldende hoofdregel van een volledig fysieke mondelinge behandeling, te motiveren (zie m.n. onder 3.26). [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn daarom ontvankelijk in hun klachten.
Behandeling onderdeel 1
3.7
De klachten in onderdeel 1 stellen de vraag aan de orde of het de rechter binnen het geldende burgerlijk procesrecht is toegestaan om buiten het kader van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (hierna: Tijdelijke wet COVID-19), welk artikel per 1 juni 2023 is vervallen, een mondelinge behandeling te houden waaraan door een deel van de partijen via videoverbinding wordt deelgenomen, zonder dat dit berust op de instemming van alle partijen. In dat verband zal eerst worden bezien wat de wet en de wetgeschiedenis vermelden over (de vorm van) de mondelinge behandeling in de procedures die hier aan de orde zijn.
3.8
In dit geval betreft het een verzoek tot het instellen van een bewind over goederen van een meerderjarige (Boek 1, Titel 19, BW), alsmede een verzoek tot het instellen van een mentorschap ten behoeve van een meerderjarige (Boek 1, Titel 20, BW). Op het verloop van beide procedures zijn de artikelen 261-291 Rv (Eerste Boek, Derde Titel, Rv, algemene bepalingen verzoekschriftprocedure) van toepassing, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in art. 798 e. v. Rv (Derde Boek, Zesde Titel, Eerste afdeling, Rv, rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht). Dit geldt ex art. 362 en 806 lid 2 Rv ook in hoger beroep.
3.9
In verzoekschriftprocedures geldt als hoofdregel, ook in hoger beroep, dat een zaak mondeling wordt behandeld. Art. 279 lid 3 Rv bepaalt daarbij dat de opgeroepene ter terechtzitting verschijnt in persoon of bij een gemachtigde en dat in zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, de opgeroepene in persoon of bij advocaat verschijnt. De rechter kan evenwel verschijning in persoon bevelen. De opgeroepene die in persoon verschijnt, mag zich laten bijstaan door zijn raadsman. In zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, is die raadsman dan een advocaat. Lid 6 van het artikel verklaart voorts de artikelen 87-90 Rv (die betrekking hebben op de mondelinge behandeling in dagvaardingsprocedures in eerste aanleg) van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de zaak of de procedure zich daartegen niet verzet.
3.10
In de parlementaire geschiedenis bij de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002, waarvan art. 279 leden1-3 Rv deel uitmaakten, is in algemene zin opgemerkt dat de term ‘verschijnen ter terechtzitting’ gereserveerd is voor de gevallen waarin een daadwerkelijke, fysieke verschijning voor de rechter ter terechtzitting beoogd is. De term dient ter onderscheiding van het verschijnen in de procedure, dat over het algemeen niet fysiek maar via het indienen van stukken gebeurt.
3.11
Art. 279 lid 6 Rv en de daarin genoemde artikelen 87-90 Rv zijn per 1 oktober 2019 ingevoerd bij de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (hierna: Spoedwet-KEI). Volgens de memorie van toelichting is in art. 87-90 Rv de inhoud van de uiteindelijk niet ingevoerde art. 30k-30n KEI-Rv (op enkele terminologische aanpassingen na) zo letterlijk mogelijk overgenomen. De idee is daarbij, aldus de toelichting, dat door het incorporeren van deze procesvernieuwingen rechters, partijen en hun advocaten profiteren van de versterkte regiefunctie van de rechter en de uitgebreidere mogelijkheden voor de mondelinge behandeling.
Conclusie
Over kwetsbare rechtszoekenden en hun grondrechten’, NTM/NJCM Bull 2022/21, onder 3.3 en M. [verweerder 2] ter Voert e.a., Gevolgen van COVID-19 voor de rechtspraak en kwetsbare rechtszoekenden: een onderzoek naar maatregelen en de positie van rechtzoekenden binnen het straf-, civiele jeugdbeschermings-, en vreemdelingenrecht, Nijmegen-Leiden-Utrecht: Radboud Universiteit-Universiteit Leiden-Universiteit Utrecht 2022, p. 287. In het kader van de toets naar een eerlijk proces vindt een belangenafweging en proportionaliteitstoets plaats, zie M. [verzoeker 1] Bruning & K. Geertsema, annotatie bij: EHRM 2 december 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1202JUD003651619, EHRC Updates 19 april 2022, onder 4.
Art. 1.1.2 Algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak, versie 4 april 2020.
Vgl. P.W. [verzoeker 2] Boer e.a., ‘De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid’, AA 2020/0598, onder 3.1 waarin bij het wetgevingsproces betrokken juristen opmerken dat rechters verschillend omgingen met de vraag of een partij in geval van videoverbinding (die volgens hen voorheen steeds met instemming plaatsvond) op de zitting aanwezig was geweest of de zitting slechts had gevolgd op afstand en dat in dat kader buiten twijfel werd gesteld dat de mogelijkheid van niet-fysieke zittingen in verband met COVID-19 bestond. [verweerder 2] H. van Breda, A.M.L Jansen & M. [verweerder 2] H.M. Verhoeven, ‘De coronazaaksbehandeling (CZB)’, NJB 2020/1809, onder 6.2, analyseert weliswaar de zaaksbehandeling binnen het bestuursrecht, maar begrijpt de toelichting op art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 ook zo dat deze de praktijk bevestigt.
Vgl. Kamerstukken II 2019/20, 35434, nr. 3, p. 6, waar de toelichting ingaat op de positie van betrokkenen in Wvggz- zaken en deze contrasteert met het regime onder Rv door op te merken: “De Wvggz kent ten opzichte van Rv een eigen regime voor het horen van betrokkene om de rechtspositie van betrokkene te versterken. Dit regime houdt in dat betrokkene fysiek/face to face moet worden gehoord, ofwel op de rechtbank ofwel op zijn woon- of verblijfplaats. Dit regime is zo vormgegeven vanwege de kwetsbare positie waarin betrokkene zich vanwege zijn aandoening al bevindt, en ten aanzien van wie daarbij verplichte zorg wordt overwogen.”
Zo ook A. [verweerder 2] H. van Suilen, annotatie bij: HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:505, BNB 2021/101, onder 6 en T.A. Cramwinckel & [verzoeker 1] A. de Boer, ‘De ‘online’ zitting in belastingzaken’, WFR 2023/173, onder 5.
Daarbij spelen immers ook niet de complicaties die volledig digitale zittingen meebrengen in het kader van de openbaarheid van de mondelinge behandeling. Er is immers een fysieke zitting, waar pers en publiek aanwezig kunnen zijn, zie reeds Kamerstukken II, 2004/05, 29 828, nr. 3, p. 7. Ik laat dan nog daar dat bij verzoeken als de onderhavige die openbaarheid reeds in een ander daglicht staat, omdat zittingen daarin over het algemeen al achter gesloten deuren plaatsvinden (art. 803 Rv).
Bijv. M. Beukers & C.M. Ridderbos-Hovingh, ‘Digitale rechtszittingen; van crisiswetgeving naar een permanente regeling?’, FJR 2023/21, onder 4, die op basis van onderzoek met gesprekspartners de wenselijkheid van een permanente regeling benadrukken, maar niet ingaan op de huidige stand van zaken, en opmerken dat deze regeling algemeen moet zijn, omdat de beoordeling door de rechter zaaksafhankelijk zal zijn; [verzoeker 2] [de moeder] Boersen, ‘Digitale zittingen, een blijvertje?’, TvPP 2020, afl. 6, p. 232 acht duurzame en gedetailleerdere wetgeving nodig, maar betrekt dit specifiek op de technische aspecten en de levering van bewijs via videoverbinding, niet op de absolute (on)mogelijkheid daarvan; [verweerder 2] E. [verweerder 2] Prins, ‘Politiek, samenleving en rechtspraak: vertrouwen in digitale zittingen’, NJB 2023/1863, spreekt van een beperkte aanpassing van rechtsvordering en een overzichtelijke inhoud, te weten “zittingen zijn ‘fysiek, tenzij…’ en de rechter bepaalt of een zitting online i.p. [verweerster 1] fysiek plaatsvindt, ook als een of meer van de partijen daarmee niet akkoord is. De rechter komt tot diens keuze met inachtneming van artikel 6 EVRM, gebruik makend van een afwegingskader.” C. [verweerder 2] M. Klaassen, ‘Digitalisering en civielrechtelijke geschilbeslechting’ in: C. [verweerder 2] H. Jansen, B.A. Schuijling & I. [verweerster 1] Aronstein, Onderneming en digitalisering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 68 meldt dat anders dan geldt voor de procedure voor de overheidsrechter, de wetgeving wat betreft de arbitrageprocedure reeds verregaand in de mogelijkheid voorziet om digitaal ofwel elektronisch te procederen. H. Frankema, ‘Standpunt NVvR over online zitten: ‘Denk eerst goed na’, TREMA 2023, afl. 6, onder d. acht van belang “dat voor deze mogelijkheid een definitieve wettelijke basis komt waarmee de hiervoor genoemde rechtsbeginselen en uitgangspunten worden gewaarborgd” waarmee dus evenwel niet duidelijk is of die basis volgens de NVvR dient om een verschijnen via videoverbinding überhaupt mogelijk te maken, of om de benadrukte door de rechter te waarborgen beginselen vast te leggen. Uit het jaarplan 2024 van de Raad voor de Rechtspraak, par. 2.4.4 volgt dat deze zelf al stappen heeft ondernomen om online zittingen volgens een afwegingskader mogelijk te maken, maar ook dat bij de wetgever wordt aangedrongen op wetgeving die het voeren van online zittingen ‘faciliteert’ (te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/jaarplan-van-de-Rechtspraak-2024.pdf). In de Brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 18 oktober 2024, referentie: 5817415 (www.rijksoverheid.nl), p. 2 merkt deze op: “Ook werk ik aan een regeling om het gebruik van videoconferentie in civiele procedures van een structurele wettelijke grondslag te voorzien.” Ook de wens van zo’n structurele regeling staat m.i. niet in de weg aan het reeds op uitzonderlijke, incidentele basis, conform de toelichting bij KEI-Rv en EHRM-rechtspraak toestaan van een video-verschijning van een partij.
De civiele feitenrechtspraak van na het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 laat meerdere gevallen zien waarin een partij na 1 juni 2023 nog aan een mondelinge behandeling heeft deelgenomen via videoverbinding. De betreffende uitspraken vermelden veelal niet of daarbij sprake was van instemming van alle partijen, zoals in bijv. Hof Amsterdam 2 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1839. In meerdere gevallen is de video-deelname mogelijk ingegeven doordat een partij woonachtig was in het buitenland. Zie bijv. Rb. Amsterdam 10 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6304; Hof Den Haag 26 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2114 en Hof Den Haag 18 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2675. Ook uit Rb. Limburg 25 juni 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:5790 valt niet op te maken of alle partijen instemden met het verzoek tot video-deelname door de moeder. In ieder geval motiveert de rechtbank in rov. 6.4 dat zij dat verzoek afwijst. Volgens de rechtbank was zelfs onder de Tijdelijke wet COVID-19 een fysieke zitting het uitgangspunt, was moeders fysieke aanwezigheid van belang en zag de rechtbank niet in waarom de moeder niet fysiek aanwezig kon zijn.
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3, p. 8 en nr. 7, p. 5.
Bijv. HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350, rov. 3.10-3.11, waarover ook G. de Groot, ‘Rechtsregels met betrekking tot de mondelinge behandeling’, in: G. de Groot e.a. (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 158-159; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/70 en Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/320 i.h.b. noot 14.
Asser Procesrecht/Asser 3 2023/85 en Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/70.
C. Ridderbos-Hovingh e.a., Ervaringen met elementen uit de tijdelijke COVID-19-wetgeving Justitie en Veiligheid, Groningen: Pro Facto 2022, par. 2.4. Vgl. H. Frankema, ‘Standpunt NVvR over online zitten: ‘Denk eerst goed na’, TREMA 2023, afl. 6, p. 10-11 i.h.b. onder a. Zie in voornoemde uitgave op p.
Feiten
Nu de artikelen een weerslag zijn van bepalingen over de mondelinge behandeling onder KEI-Rv, blijft ook de toelichting bij die wetgevingsoperatie van belang.
3.12
Die toelichting (bij KEI-Rv) bevat de opmerking dat de destijds voorgenomen digitalisering uitdrukkelijk niet leidt tot een vermindering van het contact tussen de rechter en de rechtzoekenden. De mondelinge behandeling vindt in beginsel plaats in fysieke aanwezigheid van alle betrokkenen, hoewel ‘de wet niet in de weg staat aan een zitting die via een videoconferentie plaatsvindt’, zo valt te lezen. In de toelichting treft men voorts nog de volgende passage:
“Burgers hechten er voorts aan om de rechter in persoon te kunnen zien. Daartoe dient de mondelinge behandeling, die centraal komt te staan in de basisprocedure. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als het geschil een parkeerboete betreft, stelt een deel van de burgers prijs op digitale mogelijkheden om de rechter en de wederpartij te kunnen zien, zonder af te hoeven reizen naar de behandelende rechtbank. In zo’n geval kan een videoconferentie uitkomst bieden. De wet staat hieraan ook na de voorgestelde wijzigingen niet in de weg.”
3.13
In afwijking van KEI-Rv beoogt de Spoedwet-KEI om de gerechten gebruik te laten maken van wijzigingen in het procesrecht die losstaan van het digitaliseringsonderdeel maar die de versterkte regiefunctie van de rechter en de uitgebreidere mogelijkheden op de mondelinge behandeling betreffen.
3.14
Van 16 maart 2020 tot 1 juni 2023 bevatte art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 een regeling voor het houden van een mondelinge behandeling door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel in burgerlijke en bestuursrechtelijke zaken. In de toelichting bij het artikel is opgemerkt dat het voor de voortgang van urgente zaken binnen die rechtsgebieden van belang was dat ‘buiten twijfel’ stond dat de mondelinge behandeling ook plaats zou kunnen vinden wanneer een fysieke zitting niet mogelijk was in verband met COVID-19. Daarbij merkte de wetgever op dat in de destijds bestaande praktijk ook reeds met enige regelmaat gebruik werd gemaakt van videoverbindingen tijdens mondelinge behandelingen, maar ‘doorgaans met instemming van alle betrokkenen’. Artikel 2 gaf volgens de toelichting een basis voor de toepassing van telefonie, videoverbindingen of andere audiovisuele transmissie voor alle betrokkenen bij de zitting, ‘ook zonder de instemming’ van een of meer van hen.
3.15
In de nota van toelichting bij het besluit dat strekte tot het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 valt te lezen:
“De consequentie daarvan is onder meer dat na verval van artikel 2 uit de Tijdelijke wet er geen basis meer wordt geboden voor de inzet van videoconferentie in het civiel recht en het bestuursrecht zonder instemming van partijen indien in verband met COVID-19 het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat, zoals ook vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet het geval was, ook zonder (Tijdelijke) wettelijke regeling met instemming van partijen gebruik kan worden gemaakt van videoconferentie. De inzet van videoconferentie blijft dus gewoon mogelijk, ook al ontbreekt een expliciete wettelijke regeling.”
3.16
De vraag is nu allereerst of uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, zoals onderdeel 1 voorstaat, voor het houden van een mondelinge behandeling waaraan enkele partijen deelnemen via video-verbinding – een hybride zitting – steeds de instemming van alle partijen vereist is. Mijns inziens is dat niet het geval.
3.17
Allereerst blijkt uit de toelichting op het KEI-project dat de wetgever ervan uitgaat dat de mondelinge behandeling weliswaar bij wijze van hoofdregel fysiek wordt gehouden, maar ook dat de wet zich niet tegen het houden van een video-conferentie verzet. Daarbij valt niet de eis te lezen dat steeds alle partijen zouden moeten instemmen met het inzetten van video-conferentie, al helemaal niet waar die mondelinge behandeling op zich wel fysiek plaatsvindt, maar één van partijen via video-conferentie deelneemt. Daaraan doet mijns inziens niet af dat de digitaliseringspoot van KEI uiteindelijk niet (op verplichte basis) is doorgevoerd, omdat de wetgever tijdens het KEI-wetgevingsproces al aangaf daarmee niet te doelen op de mondelinge behandeling, en juist de bepalingen omtrent de mondelinge behandeling wel via de Spoedwet-KEI zijn ingevoerd met het oog op de vergrote regie van rechter en partijen.
3.18
Het voorgaande strookt ook met rechtspraak van het EHRM op grond van art. 6 lid 1 EVRM, welke bepaling tevens van toepassing is op procedures betreffende mentorschap en onderbewindstelling zoals hier aan de orde. In een zaak die het EHRM behandelde onder de noemer van de ‘civil rights and obligations’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM werd overwogen:
“Moreover, as the Court has held in different contexts, the appearances by video-link are as such not necessarily problematic, as long as this measure in any given case serves a legitimate aim and that the arrangements are compatible with the requirement for due process. (see, for example, mutatis mutandis, Dijkhuizen [verweerster 1] the Netherlands, no. 61591/16, § 53, 8 June 2021; Bivolaru [verweerster 1] Romania (no. 2), no. 66580/12, § 138, 2 October 2018); Ichetovkina and Others [verweerster 1] Russia, nos. 12584/05 and 5 others, § 37, 4 July 2017; Yevdokimov and Others [verweerster 1] Russia, nos. 27236/05 and 10 others, §§ 41-43, 16 February 2016; and Marcello Viola [verweerster 1] Italy, no. 45106/04, §§ 67 and 73-74, ECHR 2006‑XI (extracts)).”
3.19
Daaruit kan naar mijn mening worden afgeleid dat ook het EHRM een vereiste van eenieders instemming niet hanteert en in ieder geval een verschijning via video-conferentie op zichzelf niet problematisch acht, zolang in het betreffende geval sprake is van een legitiem doel en het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd. Uit die gestelde vereisten per geval wordt wel afgeleid dat het niet via video deelnemen ook volgens het EHRM het uitgangspunt is.
Bovendien spitsen de door het EHRM genoemde gevallen zich in het algemeen toe op situaties waarin de niet fysiek aanwezige partij zich beklaagt over zijn deelname via video-verbinding zonder instemming. Het onderhavige geval wordt er echter door gekenmerkt dat juist de fysiek aanwezige partij zich beklaagt over fysieke afwezigheid van de andere. Daar waar (onder omstandigheden) deelname via video-verbinding mogelijk is van een partij zonder dat dat deze daarmee heeft ingestemd, valt niet in te zien waarom wel steeds instemming van de fysiek aanwezige partij benodigd zou zijn.
3.20
Dat de toelichting bij het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 op het eerste gezicht in een andere richting – van een instemmingsvereiste – lijkt te wijzen, maakt een en ander volgens mij niet anders.
3.21
In de eerste plaats omdat, in tegenstelling tot die toelichting, de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de Tijdelijke wet COVID-19 spreekt van het ‘buiten twijfel’ stellen dat de mondelinge behandeling ook plaats kan vinden wanneer een fysieke zitting niet mogelijk is in verband met COVID-19 (zie hiervoor onder 3.14). Daarbij verwijst die toelichting naar de Algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak, die was opgesteld in verband met de uitbraak van COVID-19. In de op dat moment geldende versie van die regeling werd aangegeven dat een zaak mondeling behandeld kon worden door middel van een telefonische (beeld)verbinding, in welk geval het de procespartijen en overige procesdeelnemers niet was toegestaan om naar het gerechtsgebouw te komen.
Conclusie
16 en 17 ook nog ‘Ervaringen uit de praktijk’ namens verschillende betrokkenen bij digitale zittingen.
P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2008, par. 3.4.1. Zie verder E. [verweerder 2] Dommering, 'Het grondrecht op behoorlijke rechtspraak in het Nederlandse civiele recht', in: E.M.H. Hirsch Ballin & E. [verweerder 2] Dommering, Handelingen 1983 der Nederlandse Juristen- Vereniging deel 1, tweede stuk, Zwolle: W.E. [verweerder 2] Tjeenk Willink 1983, p. 197; A.W. Jongbloed & A. [de moeder] H. Ernes (red.), Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, par. 1.2.2; Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/320, noot 16; [verweerder 2] B.M. Vranken, annotatie bij: HR 3 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8464, NJ 1989/5. Anders: E.M. Wesseling-van Gent, Het civiele geding in de toekomst (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint B. [verweerster 1] 1987, p. 112, die opmerkt dat geen onderdelen van het onderzoek worden afgewikkeld waarbij de ene partij wel en de andere niet is vertegenwoordigd.
Zie bijv. reeds bij de invoering van de bepalingen over meerderjarigenbewind, Kamerstukken II 1978/79, 15 350, nr. 3, p. 12: “De in artikel 431 gekozen bewoordingen brengen tot uitdrukking dat het gaat om gebreken van dien aard dat zij de meerderjarige beletten zijn eigen belangen behoorlijk waar te nemen. Of dit het geval is, staat ter beoordeling van de rechter. Het antwoord op deze vraag zal niet steeds zonder meer duidelijk zijn. Soms zal de rechter goed doen zich medisch te laten voorlichten. Het wetsontwerp biedt de rechter de mogelijkheid zijn beslissing met de gewenste zorgvuldigheid voor te bereiden. Hij kan alle door hem gewenste personen horen en zo nodig ook een deskundigenonderzoek bevelen; men zie het onder artikel III van het onderhavige wetsontwerp voorgestelde artikel 895 Rv. en deze memorie bij dat artikel.”
Zie Aanbevelingen meerderjarigenbewind, vastgesteld door het LOVT op 31 januari 2023, A.1, en Aanbevelingen Mentorschap, vastgesteld door het LOVCK&T op 2 december 2019, A.2. Voor de gerechtshoven is in art. 1.1.2 jo. 1.4.7 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, versie 1 juli 2024, als hoofdregel opgenomen dat de aanwezigheid in persoon wordt bevolen, tenzij na een gemotiveerd verzoek anders wordt bepaald.
Vgl. rechtspraak van het EHRM, waarin tot uitgangspunt wordt genomen dat tussen de rechter en betrokkene persoonlijk contact moet plaatsvinden in zaken waarin beslissingen genomen worden die serieuze consequenties hebben voor diens private life (in die gevallen: zaken aangaande handelingsbekwaamheid). Doordat de betrokkene ook het onderwerp van onderzoek was, was zijn deelname volgens het EHRM niet alleen voor hemzelf noodzakelijk, maar ook opdat de rechter persoonlijk een mening over zijn mentale gesteldheid kon vormen, zie EHRM 3 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1103JUD000519309, § 83-84 met verdere verwijzingen. Hoewel het EHRM in de eerste plaats dus het oog lijkt te hebben op de belangen van de betrokkene zelf, wordt ook het belang van persoonlijk contact in het kader van de rechterlijke oordeelsvorming onderstreept.
Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 1992/93, 22 487, nr. 6, p. 12.
Vgl. Ridderbos-Hovingh e.a. 2022, p. 45, 50, waar wordt opgemerkt dat de aard van personen- en familierechtelijke kwesties, het emotionele gehalte van een zaak en de betrokkenheid van kwetsbare partijen over het algemeen een groter belang doen toekomen aan fysieke aanwezigheid van procespartijen.
Overigens wordt in het verweerschrift in cassatie nog gesteld dat het hof vrij was om een deelname via video-conferentie toe te staan, reeds omdat een verplichting tot persoonlijke verschijning niet volgt uit de uitnodiging voor de mondelinge behandeling (bijlage 1 bij verweerschrift). Die stelling gaat m.i. niet op. Uit de oproepingen volgt duidelijk dat het hof juist de aanwezigheid van de partijen zelf van belang heeft geacht, bijvoorbeeld waar geschreven staat “Het hof wil partijen horen in deze zaak” en “De mondelinge behandeling dient vooral voor vragen aan de partijen zelf. De advocaten hebben een korte spreektijd van maximaal 10 minuten”.
Feiten
Daaruit lijkt veeleer te volgen dat de wetgever de mogelijkheid van een reeds bestaande praktijk heeft willen bevestigen en dergelijke beslissingen in ieder geval in algemene zin toelaatbaar heeft geacht wanneer zij nodig waren in verband met de COVID-pandemie.
3.22
De wetgever onderkent daarbij dat in de bestaande praktijk ook al van video-verbindingen bij mondelinge behandelingen gebruik werd gemaakt, doch dat dit ‘doorgaans’ gebeurde met instemming van alle betrokkenen (zie hiervoor onder 3.14). Ook daaruit volgt dus niet dat volgens hem die instemming steeds nodig zou zijn geweest. De wetgever lijkt in de toelichting bovendien voornamelijk het oog te hebben op situaties waarin een fysieke zitting in het geheel niet mogelijk is (vanwege de uitbraak van COVID-19) en minder stil te staan bij situaties als de onderhavige, waarin in feite wel een fysieke mondelinge behandeling plaatsvindt, maar één van de partijen deelneemt via video-conferentie.
3.23
In dat licht lijkt mij minder gewicht toe te komen aan de ogenschijnlijk duidelijke opmerking in de toelichting bij het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19. Deze lijkt vooral aan te geven dat COVID-19 op zichzelf geen reden meer is voor het niet fysiek houden van de zitting, doch dat dit met instemming van alle partijen altijd mogelijk is.
3.24
Daarmee staat het wettelijk kader met betrekking tot burgerlijke rechtsvordering mijns inziens momenteel niet in de weg aan in ieder geval het deelnemen van één partij via videoverbinding aan een verder fysiek plaatsvindende mondelinge behandeling (een hybride zitting). In de literatuur treft men overigens wel auteurs die zich sterk maken voor een wettelijke basis. In hoeverre die auteurs menen dat zonder die basis een mondelinge behandeling in de vorm zoals hiervoor genoemd in het geheel niet mogelijk is, wordt uit hun bijdragen echter veelal niet goed duidelijk, nu zij het hierboven genoemde kader niet of slechts summier betrekken. Sommigen van hen gebruiken bovendien een uitzonderingsstructuur zoals reeds in de toelichting bij KEI-Rv is vermeld en een afwegingskader dat reeds kan worden gevonden in het door het EHRM toegestane kader (zie hiervoor onder 3.12 resp. 3.18). Daarmee is niet gezegd dat wetgeving op dit vlak niet wenselijk zou zijn ter versterking en verduidelijking van de positie van procesdeelnemers en/of niet nodig zou zijn ter eventuele uitbreiding van de rechterlijke bevoegdheden op dit punt. Momenteel lijkt mij het houden van een hybride zitting zonder dat dit op instemming van alle partijen berust echter niet in absolute zin onmogelijk, met dien verstande dat daarvoor alleen plaats is in een beperkt aantal uitzonderingsgevallen.
3.25
Het feit dat de wetgever in het strafrecht reeds per 1 januari 2007 koos voor een uitdrukkelijke regeling in (o.a.) art. 131a Sv en art. 78a Sr, die horen via video-conferentie als alternatief toestaan, maakt het voorgaande niet anders. In de toelichting bij die bepalingen gaf de wetgever aan dat de wetgeving op dat moment onvoldoende duidelijkheid bood over het toelaten van videoconferentie, en dat het wetsvoorstel die duidelijkheid beoogde te verschaffen. Aanleiding voor die gerezen onduidelijkheid was volgens de toelichting een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin televoorgeleiding in strijd werd geacht met art. 1 Sv. Uit dat artikel zou voortvloeien dat de interpretatieruimte op het gebied van het Wetboek van Strafvordering beperkter is dan bij andere rechtsgebieden. De gewenste uitdrukkelijke grondslag werd dus ingegeven door het specifieke strafrechtelijke kader.
Bovendien beoogde de wetgever met die bepalingen een meer algemeen alternatief voor rechters en andere horende instanties te creëren om (veelal) zonder instemming video-conferentie in te zetten, waarbij efficiency een belangrijk doel was. Uit de toelichting op KEI-Rv volgt daarentegen dat van een algemeen bedoeld alternatief geen sprake is, doch dat de mogelijkheid van video-deelname slechts als uitzondering is beoogd (zie hiervoor onder 3.12), waarvoor slechts plaats is in een beperkt aantal gevallen (zie hiervoor onder 3.24). Daarmee zijn beide trajecten mijns inziens niet te vergelijken.
3.26
Wordt deze gedachte gevolgd, dan dient naar de huidige stand van zaken dus tot stevig verankerd uitgangspunt dat een mondelinge behandeling betekent: een fysieke mondelinge behandeling in aanwezigheid van alle betrokkenen. Ook dat volgt immers duidelijk uit de toelichting op de KEI-wetgeving. Bovendien verlangen zowel het EHRM als uw Raad (zij het in de context van een Wvggz-zaak) voor een uitzondering op dit uitgangspunt een gevalsafhankelijke toetsing van het legitiem doel en het gewaarborgd zijn van een eerlijk proces, welke uitzondering volgens uw Raad ook dient te worden gemotiveerd (zie hiervoor onder 3.18 en voetnoot 27). Een motiveringsplicht past bij ook bij de constructie van uitzondering-op-hoofdregel. Daardoor is, anders dan het verweerschrift in cassatie meent, ook geen sprake van een processuele beslissing die geen motivering behoeft (zie verweerschrift onder 22).
3.27
Voor het aannemen van genoemde motiveringsplicht pleit voorts het volgende. Naar huidig procesrecht heeft de rechter reeds lange tijd ánder gereedschap om te kunnen omgaan met afwezigheidsperikelen bij een partij, namelijk via het al dan niet verlenen van uitstel van de volledig fysieke mondelinge behandeling. Het kader voor het beslissen op een dergelijk uitstelverzoek houdt globaal gezegd in dat wanneer dit verzoek te laat (over het algemeen buiten de daarvoor gegeven termijnen in het toepasselijke procesreglement) wordt gedaan, de rechter dient te bezien of sprake is van plotseling en onverwacht opgekomen omstandigheden die niet in de risicosfeer van de partij of haar rechtshulpverlener liggen. Is dat het geval dan kan, mede in verband met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, aanhouding zijn aangewezen. Ligt de grond wel in de risicosfeer van de partij, dan kan de mondelinge behandeling in beginsel doorgang vinden zonder schending van dat recht. Aan verwijtbare afwezigheid kan de rechter vervolgens de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. Dit beoogt een sanctie te zijn op weigerachtig procesgedrag en het al te gemakkelijk honoreren van (ongeloofwaardige) redenen voor afwezigheid.
Wanneer nu de rechter ervoor kiest om geen uitstel, maar wel een deelname via videoverbinding toe te staan, dient hij zich er mijns inziens van bewust te zijn dat daarmee geen volwaardig alternatief voor fysieke deelname wordt gecreëerd. Signalen van betrokkenen bij digitale zittingen tijdens de COVID-pandemie wijzen er namelijk op dat dergelijke zittingen tot informatieverlies leiden, een second best middel zijn en ten koste gaan van de non verbale communicatie. Door een partij geen uitstel toe te staan, maar wel een deelname via een videoverbinding, wordt dus mogelijk een initieel voor risico van die partij komende omstandigheid de facto ten laste gebracht van de wel fysiek aanwezige partij.
3.28
Ten slotte moet het al dan niet toestaan van video-deelname door een partij aan de mondelinge behandeling naar mijn mening ook worden bezien vanuit de rechterlijke taak tot het horen van partijen in relatie tot de hier aan de orde zijnde specifieke procedures.
3.29
Terwijl in het algemeen voor een partij geen garantie bestaat dat haar wederpartij in persoon op de mondelinge behandeling zal verschijnen (zie onder 3.9 hiervoor), noch dat de wederpartij in haar aanwezigheid wordt gehoord, zijn een dergelijke verschijning en een dergelijk horen sterker gewaarborgd in procedures als hier aan de orde. In het kader van de procedures tot het instellen van een bewind of mentorschap moet de rechter door middel van een actieve houding het nodige doen om zich een beeld te vormen van de geestelijke en/of lichamelijke toestand van de meerderjarige (zie art. 1:431 lid 1 sub a BW en 1:450 lid 1 BW).